Het bergland van den Roewenzori De Aarde en haar Volken, 1909

Chapter 8

Chapter 82,774 wordsPublic domain

Het elfde kamp werd beneden de Porta-lengte ter hoogte van 2910 meter boven de zee opgeslagen. Eindelijk bevond men zich weer in een echt bosch, omgeven door trotsche boomen, waaronder mooie, met lianen bedekte Podocarpusboomen, bamboestruiken, en buiten het gebied van Senecio's en Lobelia's. Kudden van apen dartelden tusschen de takken, en de lucht was vervuld van vogelgezang.

Des avonds begon het weer te regenen, voor de eerste maal na tien dagen van droog weer. De eenige tijd van onafgebroken mooi weer, dien de expeditie in het bergland beleefde, lag achter ons.

Den volgenden dag ging het op den linkeroever van de rivier over een al beter wordenden weg bergaf. Beneden in het dal aangekomen, wendden we ons naar het Zuiden, recht naar de Moboekoe, waarover een bamboebrug gelegd was. Kort daarna kwam de expeditie op den ouden weg door het Moboekoedal en steeg omhoog naar de morene van Nakitawa. Twee uren later kwam ze te Bihunga, en na nog twee uren te Ibanda, waar de geheele expeditie eindelijk weer vereenigd was. Onze taak was volbracht. Door het goede in elkander grijpen van ons aller werk was de onderneming in elk opzicht gelukt.

In twee dagen reisde de expeditie van Ibanda naar Fort Portal. De Roewenzori had zich in zijn gewonen wolken- en nevelsluier gehuld en werd niet weer zichtbaar. Wij waren in de verstikkende hitte der vlakte teruggekeerd onder de vroolijke menigte der dragers, naar de vertrouwde vertooningen der inboorlingendorpen met hun bananenaanplantingen. Bij elk kamp werden we door de hoofden met het gansche ceremoniëel der afrikaansche étiquette ontvangen.

In Fort Portal wedijverden de engelsche officieren, koning Kasagama met zijn hofstaat en de zendelingen met elkander in het betoonen van gastvrijheid en beminnelijkheden.

Roccati begaf zich van hier uit in gezelschap van Sella naar de kraters en de kratermeren van Toro op een geologisch-photografisch uitstapje. De oevers van die meren zijn bezet met een ondoordringbaar dichten plantengroei van palmen, drakenbloedboomen, en Euphorbia's, die zich in het water weerspiegelen, en alles wemelt van een ongeloofelijk mild dierenleven, op het water, in de lucht, in de struiken, misschien wel bewaard door het bijgeloof der inboorlingen, die zich niet graag in de nabijheid der vulkanen wagen, de plaatsen, waar zich toovenaars en booze geesten ophouden en die daarom gevreesd zijn.

Intusschen ondernam ik in gezelschap van Cagni en Cavalli jachtuitstapjes. We waren in het droge, niet gunstige jaargetijde. Het was een onmogelijkheid, door het hooge gras vooruit te komen, want het sluit de paden als muren in en belet den jager alle uitzicht. Des nachts schittert de heele omgeving van Fort Portal van het roode schijnsel der vuren, als de kilometerlange stukken van de uitgedroogde prairieën in vlammen staan.

Zoo naderde Augustus en daarmee het uur van onze terugreis. De expeditie verliet Fort Portal, begeleid door de heeren Knowles en Haldane. Trots de talrijke regenbuien barstten overal branden uit, die soms, als er wind was, ook het bouwland aantastten. Groote velden waren kaal en met asch bedekt.

Den 7den Augustus overschreed de karavaan de grens tusschen Toro en Oeganda, aan de scheiding ontvangen door majoor Wyndham. De dragers schenen ook aangegrepen door het ongeduld van de naar huis keerenden en trokken snel, met slechts weinig rustpoozen, huns weegs. De dagmarschen waren op verschillende manier ingedeeld, en dikwijls werd het kamp opgeslagen op plaatsen, waar men op den heenweg niet gekampeerd had.

In Byndia werd, evenals reeds in Kichiomi in het koninkrijk Toro, de marsch afgebroken, om een reeks magnetische waarnemingen te doen.

Eindelijk, den 14den Augustus, kwamen wij aan de oevers van het Victoriameer. De discipline van de karavaan was er in de laatste dagen niet beter op geworden, en ieder oogenblik ontstonden er twisten, gekibbel en lasterpraatjes onder de dragers.

Bij den terugweg hadden we een korteren weg ingeslagen en bereikten de oevers van het meer tegenover de uiterste punt van het schiereiland, waarop Entebbe ligt.

Terwijl de booten klaar werden gemaakt en de lasten erover werden verdeeld, ontbeten wij aan den oever van het meer in de schaduw van de majestueuse boomen. In de eerste middaguren kwamen we in Entebbe aan.

Na een week, die met de verpakking van al het materiaal in kisten werd doorgebracht, en waarin aan de scheidenden de hartelijkste bewijzen van gastvrijheid en deelneming van den kant van alle in de stad wonende Europeanen werden gegeven, verliet onze expeditie Entebbe en zijn krans van bloeiende eilanden en kusten op de stoomboot "Sybil".

Onderweg deden wij Jinja aan, om de beroemde Riponwatervallen te bezoeken, die den oorsprong van den Victoria-Nijl vormen; we ondernamen in de langgestrekte booten der inboorlingen een uitstapje op de donkergroene wateren van de rivier.

Den 24sten Augustus verliet de italiaansche expeditie op de stoomboot "Natal" van de fransche Messageries Maritimes den afrikaanschen grond.

Vijf maanden later had ik de gelegenheid, in Rome in een plechtige vergadering van het italiaansche Aardrijkskundig Genootschap te verklaren, dat vervuld was wat Sir Henry Stanley vijf jaren geleden in hetzelfde genootschap als wensch had uitgesproken: "Dat een hartstochtelijk vriend der Alpen met volle toewijding aan zijn taak, den Roewenzori tot doel kiezen zou en hier een grondig werk zou verrichten, door de bergketen van haar hoogsten top tot haar diepste laagte in al haar uitgestrekte dalen en diepe kloven te onderzoeken."

Den grooten, sedert twee en een halfjaar gestorven onderzoeker is het niet gegund geweest, de vervulling van zijn wensch te beleven.

De Roewenzoriketen heeft zoowel in orographisch als in hydrographisch opzicht veel eigenaardige trekken. Terwijl in den regel de continenten in trappen van de zee opstijgen naar de uitloopers aan den voet der bergstelsels, verheft zich de Roewenzori in de groeve van het Albertmeer, een gebied, dat ongeveer 300 meter dieper ligt dan de gemiddelde hoogte van Oeganda, en waarin de bekkens van het Albert- en het Albert-Eduardmeer met de noordelijke verlenging van het laatste, het Dueru- of Ruisambameer liggen.

Deze depressie is niets anders dan een deel van de westelijke groote geul in Afrika. Die inzinkingen of geulen, misschien het interessantste geologische verschijnsel in Afrika, zijn twee enorme, 30 tot 70 kilometer breede insnijdingen, die, ongeveer zes lengtegraden van elkander verwijderd, bijna evenwijdig loopen en het werelddeel, van het Nyassameer af, in noordelijke richting doorsnijden. De oostelijke geul volgt den 36sten meridiaan tot voorbij het Rudolfmeer en wendt zich dan naar de Roode Zee; de westelijke verloopt tusschen den 29sten en den 30sten meridiaan en eindigt bij Gondokoro in het dal van den Boven-Nijl. Beide geulen bevatten een bijna onafgebroken reeks van meren alsook talrijke vulkanische bergen, kegels en kraters; beide zijn door een dwarskam in twee deelen verdeeld, die twee hydrographische stelsels, een noordelijk en een zuidelijk, van elkander scheidt. In de oostelijke geul ligt deze kam in de nabijheid van het Naiwaschameer, ongeveer daar, waar de Oegandaspoorweg de depressie snijdt. In de westelijke geul wordt de waterscheiding door een formeele keten van vulkanische bergen gevormd, waarvan enkele nog heden werkzaam zijn; deze keten scheidt ook de merenreeks in twee verschillende systemen. Tot het zuidelijke behooren de Kiwoe- en Tanganyika-meren en tot het noordelijke het Albert-Eduard- en het Albertmeer.

Aan het uiterste zuideinde van de Roewenzoriketen verdeelt zich de geul in twee armen; de eene loopt ten oosten van de keten en eindigt aan den voet der bergen, die de noordelijke afsluiting van het Ruisambabekken vormen en waar Toro en Fort Portal op liggen; de andere arm loopt ten westen van het gebergte, vormt het dal der Semliki en het bekken van het Albertmeer en strekt zich ook nog ter lengte van eenige honderden kilometers in het Nijldal uit. De Roewenzori is op deze wijze bijna volkomen door de inzinking van het Albertmeer omgeven en vormt te zamen met de drie meren een zelfstandig, van het Victoriameer geheel afgescheiden hydrographisch stelsel.

Zoo komt het, dat de geheele bergketen al haar water, onverschillig of het afloopt naar het Oosten, Westen, Zuiden of Noorden, uitstort in een en hetzelfde riviergebied en bijna geheel alleen de drie meren en de Semliki voedt, die te zamen de zuidwestelijke bronnen van den Nijl vormen. Ofschoon de Roewenzori zonder twijfel de belangrijkste groep van met sneeuw bedekte bergen is in het geheele werelddeel, en ofschoon hij in het centrum van Afrika ligt evenals in de richting van de hoofdas, maakt hij toch geen deel uit van de groote waterscheiding. Integendeel is de waterscheiding tusschen Kongo en Nijl een lage hoogte, die geheel door het beide hellingen bedekkende groote woud gemaskeerd wordt en zich naar het Westen op korten afstand van de Semliki voortzet, in het Noorden tot het Albertmeer voortloopt, in het Zuiden zich in de vulkaanketen tusschen het Kiwoe- en het Albert-Eduardmeer, dat is in den scheidingskam van de geul voortzet, en dan een buiging langs de oostelijke oevers van het Kiwoe- en Tanganyikameer maakt.

Ik had voor de keten den naam Roewenzori behouden, die haar door Stanley, haar eersten ontdekker, was geschonken en die in het vervolg door de meerderheid der aardrijkskundigen was aangenomen. Stanley had het gebergte door de noordelijk en westelijk wonende inboorlingen met de namen Roewenzori, Ukonju, Bugombowa, Avuruka, Avirika, Ruwenzururu, Ruwenjura enz. hooren aanduiden. Het scheen hem, alsof Roewenzori de in de Bantoetaal het veelvuldigst gebruikte benaming was; ze zou te vertalen wezen met "Koning der nevelen" of ook met "Regenvoortbrenger".

Stuhlmann hoorde de namen Runssoro en Rundjuru van de inboorlingen van den Wanyoro- en Bakonjostam. In hun taal beteekenen Niuru en Nssoro regen; daardoor wordt de juistheid van de vertaling van den naam door Stanley gegeven bevestigd. Stuhlmann verandert echter de schrijfwijze eenigszins. Ook David schreef "Roenssoro; buitendien hoorde hij de hoogste toppen Kokoro noemen.

Scott-Elliot geeft als inheemschen naam Runsororo aan; ook hoorde hij van zeer velen den naam Kiriba, die bergtop zou beduiden.

Volgens A. B. Fisher hebben de inboorlingen van Oeganda geen naam voor den geheelen berg, doch enkel namen voor de afzonderlijke toppen. Fisher vermeldt echter de namen Rwenzozi en Rwenseri, waaraan hij de beteekenis "berg der bergen" of "de zeer bijzondere berg" en "berg daar beneden" geeft.

Bij zoo groote onzekerheid had Stanley het volle recht, een bepaalden naam te kiezen, en niemand kan er iets tegen hebben, want als hij het gebergte met een naam had gedoopt, die in geenerlei betrekking stond tot den door de inboorlingen gebruikten, als hij het bij voorbeeld Maangebergte, Ptolemaeusgebergte of Victoriagebergte had genoemd, zouden alle geografen den naam zonder tegenspraak en zonder pogingen tot verandering hebben aanvaard.

Deze korte opmerkingen over den naam Roewenzori zullen voldoende zijn om aan te toonen, welk een onmogelijke onderneming het is, van de inboorlingen plaatselijke namen voor alle afzonderlijke bergen en toppen der keten te krijgen. Tot heden heeft de poging het resultaat gehad, dat elke onderzoeker zich van een anderen, afwijkenden naam bediende. Overigens is het zeer waarschijnlijk, dat de inboorlingen nooit speciale namen voor de verschillende toppen hebben gehad, als men bedenkt, dat zelfs in onze Alpen vele toppen eerst na het opkomen van het Alpinisme hun namen hebben gekregen.

Het was daarom noodig, aan de Roewenzoriketen een naam te geven, die niets meer dan een middel is voor topografische aanduiding. Met inachtneming van het werk mijner voorgangers, die aan de bergen reeds namen hadden gegeven, onderhandelde ik na mijn terugkeer uit Afrika met Sir Harry Johnston en Dr. Stuhlmann mondeling over dit onderwerp. Een overeenstemming werd gemakkelijk verkregen, daar beide uitstekende onderzoekers met al mijn voorstellen meegingen. Ik had namelijk voorgesteld, aan de bergen de namen te geven der tot hiertoe met de geschiedenis van het onderzoek van Centraal Afrika verbonden reizigers en voor de afzonderlijke toppen de namen te behouden, die Stuhlmann reeds had gegeven.

Sir Harry Johnston had reeds vroeger voorgeslagen, de bergen met de namen van beroemde reizigers aan te duiden, daar er geen juiste en voldoende onderscheidende inlandsche namen te vinden waren. Zie Johnston, The Uganda Protectorate, 2de druk, Londen 1904 blz. 159.

De kaart van het Roewenzorigebied, die het voornaamste resultaat van de italiaansche expeditie in geografisch opzicht voorstelt, werd op den grondslag der talrijke hoekmetingen geteekend, die ik van de verschillende toppen uit door middel van het meetkompas had uitgevoerd met behulp van een basis, die over een lengte van 300 meter op het veld bij Bujongolo door commandant Cagni was afgestoken en door hem met den Kiyanja, dat is met den Eduardtop van den Baker, en met een ten noordoosten van Bujongolo gelegen rotstop, den Cagnitop, verbonden was geworden, van welken top uit Cagni zelf alle hoeken der toppen met een reistheodoliet had gemeten.

Ten slotte maakt de berekening van de lengte en breedte van Bujongolo het mogelijk, aan de bergketen de haar op de kaart van Afrika toekomende plaats te doen toekomen. Naar de kaart ligt Bujongolo op 0 graden, 20 minuten en 23 seconden N. B. en op 30 graden, 1 minuut en 34 seconden O. L. van Greenwich. Deze getallen zijn eenige seconden boven de in mijn voordracht in het italiaansche Aardrijkskundig Genootschap genoemde en op de kaart vermelde. Door aanwijzingen van het astronomisch observatorium van Greenwich konden eerst later de verbeteringen worden aangebracht.

Ofschoon de waarnemingen onder ongunstige atmosferische omstandigheden werden gedaan en ook niet alle metingen plaats hadden met een zij 't ook nauwkeurig, maar zwaar, gevoelig en moeilijk verplaatsbaar instrument als de theodoliet, toch kan de topografische schets als voldoende nauwkeurig worden beschouwd, daar ze op zeer talrijke, van dezelfde punten uit dikwijls herhaalde waarnemingen steunt, die bovendien, daar ze grootendeels in betrekking tot elkander staan, elkaar wederzijds contrôleeren.

De Roewenzoriketen wordt door zes bergen of groepen van toppen met gletschers gevormd, die door niet met sneeuw bedekte inzinkingen, zadels of passen, worden gescheiden en daardoor met preciesheid van elkaar kunnen worden afgezonderd. De met gletschers bedekte zone is, gemeten in rechte lijn van het Zuiden naar het Noorden meer dan 11.5 kilometer lang en, gemeten van het Oosten naar het Westen, ongeveer 6.5 kilometer breed. De lijn der waterscheiding, die alle bergen, dus de gezamenlijke met sneeuw bedekte keten omvat, is ongeveer 19 kilometer lang.

In het Noorden begint de keten met twee bergen, twee evenwijdige, met sneeuw bedekte kammen, die bijna precies van het Noorden naar het Zuiden zijn gericht, waarvan de oostelijke door mij Gessiberg werd genoemd ter herinnering aan den italiaanschen onderzoeker, die als eerste in een boot het Albertmeer rondvoer; de westelijke Emin naar Emin Pacha, die voor de eerste maal met Stanley te zamen door het Semlikidal trok.

Bij den Emin sluit zich de Speke aan, die den naam draagt van den onderzoeker, aan wien men de ontdekking is verschuldigd, dat de Nijl uit het Victoriameer ontspringt. Dan vormt de keten een hoek naar het Westen, om zich tot de hoogste groep te verheffen, die met het volste recht den naam Stanleyberg draagt, en ze zet de buiging naar het Oosten voort met de groep, die den naam van Baker voert, den onderzoeker, die het Albertmeer ontdekte en van daar uit als eerste het bergmassief van den Roewenzori aanschouwde.

De groep ten zuiden van den Baker, die in het algemeen een richting van het Noordoosten naar het Zuidwesten heeft, werd Thomson genoemd ter herinnering aan J. Thomson, den succesvollen onderzoeker van Nigerië. Na mijn terugkeer naar Europa stemde ik in met het voorstel van het engelsch Aardrijkskundig Genootschap, om den Thomson den naam te geven van Luigi van Savoye, daar de maatschappij den bovengenoemden berg met mijn ontdekkingen wenschte te verbinden. De naam Thomson werd behouden, om een van de gletschers van dezelfde groep naar hem te noemen.

De Stanley omvat de hoogste toppen, den Margherita, 5125 meter, den Alexandra, 5105 meter, den Helena, 4995 meter, en den Savoye, 4980 meter. Van een vijfden top, den Möbius, die tusschen Helena en Alexandra ligt en iets lager is dan de Savoye, is de hoogte niet gemeten.

Van de beide noordelijke groepen heeft de Emin de toppen Humbert, 4815 meter, en Kraepelin, 4801 meter; de Gessi de toppen Jolanda, 4769 meter, en Bottego, 4719 meter. De Luigi van Savoye eindelijk omvat de toppen Weismann, 4663 meter, Sella, 4659 meter, en Stairs, 4590 meter. De top tegenover Bujongolo draagt den naam Cagnitop naar dengene, die hem besteeg, om van daar uit de triangulatie te verrichten. Hij is 4519 meter hoog.

De voornaamste gletschers hebben hun namen gekregen naar de toppen, van waar ze afdalen.

De vijf inzinkingen, die de zes bergen van elkander scheiden, dragen in de richting van het Noorden naar het Zuiden de namen Roccati, Cavalli, Stuhlmann, Scott-Elliot en Freshfield. Ze zijn alle tusschen 4300 en 4400 meter hoog, met uitzondering van het Stuhlmannzadel tusschen de beide hoogste bergen, den Speke en den Stanley, dat iets lager is, namelijk 4200 meter.

Aan de dalen, meren, rivieren en bergbeken heb ik de door de Bakonjo gebruikte namen gelaten.