Het bergland van den Roewenzori De Aarde en haar Volken, 1909

Chapter 5

Chapter 53,891 wordsPublic domain

Op den morgen van den 15den Juni waren in Bujongolo slechts negen Bakonjo bijeen gekomen, die nauwelijks voldoende waren, samen met de vier gidsen en Botta, de voor een kamp benoodigde onmisbare dingen en levensmiddelen voor eenige dagen te dragen. In het laatste oogenblik stelden de negers nog den eisch, hun loon dagelijks uitbetaald te krijgen, en ik moest een niet gering gewicht aan roepijen meenemen.

Eindelijk tegen acht uur, toen elk ander voorwendsel tot langer talmen ontbrak, verlieten wij het kamp bij stralenden zonneschijn en marcheerden het dal in, dat zich, zooals we hebben gezien, aan den rechter kant van het Moboekoedal in de nabijheid van Bujongolo opende. Nu eens op den eenen, dan op den anderen kant van de beek loopend, bereikten we de hoogte van den uitlooper en kwamen in een dal, waaruit een door de gletschers ten zuiden van den Kiyanga gevoed riviertje te voorschijn komt, hetzelfde, dat den schilderachtigen waterval aan de rechterzij der hoogvlakte van Buamba vormt. In de buurt van het boveneind van het dal verhieven zich twee rotsen, die, als de vorige van Kichuchu en Buamba, natuurlijke schuilplaatsen vormden.

De grond is tengevolge van de in de laatste dagen gevallen regens geheel doorweekt, en de marsch was moeilijk, doordat men bij elke schrede uitglijdt en in het slijk verzinkt. De dragers, die geen vermoeden hebben omtrent het onbekende land, waarheen de tocht gaat, marcheeren mismoedig en met een langzaamheid, die iemand tot wanhoop zou kunnen brengen. Reeds twintig minuten, nadat ze Bujongolo verlaten hadden, maakten ze halt en ontstaken een vuur, waar ze bij gingen zitten rooken. Na nog een half uur herhaalde zich dat verschijnsel. Alle aandrijven beantwoordden ze daardoor, dat ze wezen op hun hoofd, hun buik, hun voeten of beenen, die op eenmaal de zetel van onvermoede ziekte waren geworden.

Om den toestand nog te verergeren, werd het weder opnieuw nevelig, en wij liepen door het geheel in een moeras herschapen dal tusschen Senecio's, Lobelia's, mossen en steenen, zonder iets te onderscheiden. Na een lichte stijging, die over de rotsen en later door een kloof leidde, kwamen we eindelijk aan de inzinking in de waterscheiding, het Freshfieldzadel van de kaart. Er waait een frissche bries, en de dragers maken haast, om een windstillen hoek te vinden. We zijn nu 4326 meter boven de zee, en er groeien geen boomen meer, maar enkel mossen en planten, die zoden vormen. Hier en daar verjaagt de wind de nevels en onthult zoo stukken van het landschap. In het Noorden zien we breed en afgerond den zuidelijken kam van den Kiyanga, door een gletscher bedekt, die eenmaal zoo diep daalde, dat hij de heele inzinking vulde. Teekenen daarvan zijn nog op de gladde en geschramde rotsen te zien. In het Zuiden ligt de groep van kammen en toppen, die ik reeds van den top van den Kiyanga uit had aanschouwd. Er zijn twee kleine gletschers te onderscheiden, die twee passen bedekken, en daartusschen een derde inzinking. De zadels sluiten vier toppen in, waarvan de westelijke de verst verwijderde en hoogste schijnt.

Aan den voet van deze bergen en ervan gescheiden door een uitlooper van den Kiyanga, ligt een dal, dat naar het Westen gaat. Men ziet aan den overkant twee meertjes schitteren in een ander dal, dat van het Noorden naar het Zuiden is gericht en naar beneden loopt vanaf den pas tusschen den Kiyanga en de centrale groep van het gebergte. Dien pas wil ik bereiken, om van daar uit de bedwinging der hoogere toppen te ondernemen. Ik teekende alles, wat ik van het landschap te zien kon krijgen, zorgvuldig op, door gebruik te maken van de doorblikjes in de golvende nevels. Er was een gids vooruitgegaan, om te onderzoeken of het niet mogelijk was, de westelijke helling van den Kiyanga boven te overschrijden, want daardoor zou ons het afdalen tot de diepte van het dal bespaard zijn geworden; maar de gids keerde terug, nadat hij had uitgemaakt, dat het onmogelijk was, ter halver hoogte verder te komen, omdat de wanden loodrecht in het dal vielen. Wij moesten dus tot de meren afdalen.

Kort na den middag namen wij, na op den pas een deel der lasten te hebben achtergelaten, om sneller te vorderen, den marsch weer op langs een steile en gladde helling, waarbij we omwegen moesten maken rondom groote rotsblokken, die uit het moeras omhoog staken. De dragers gleden uit en moesten aanhoudend worden aangemoedigd. Tegen vier uur kwamen we aan den oever van het eerste meer, en ik besloot, daar het onmogelijk bleek, de dragers dien dag nog verder te krijgen, op een in het meer uitstekende rots het kamp laten opslaan, het tweede kamp ter hoogte van 4045 meter boven de zee, 250 meter boven Bujongolo.

Hier buigt het dal, dat eerst van het Noorden naar het Zuiden loopt, scherp naar het Westen en is zoo nauw, dat het meer het geheel vult, zoodat de dalgrond bij den eersten aanblik veel gelijkt op een krater. Eenige eenden zwemmen er rond. In de buurt vertoonen zich sporen van luipaards en mormeldieren, en veel raven beschrijven kringen in de lucht. Overigens is er geen bewijs van dierleven te bespeuren. Een bergbeek, die uit de gletschers van den Kiyanga komt, voedt het meer en levert ons water in overvloed, terwijl er in het rond genoeg hout ligt, zoodat al gauw ieder zijn kleeren bij een geweldig vuur kan drogen.

Op dien helderen namiddag spiegelt het meer, welks oppervlakte onder het windje zich rimpelt, de beelden van de met sneeuw bedekte bergen in bevende omtrekken, en langzamerhand verdwijnt in ons tot rust gekomen gemoed de herinnering aan de vermoeienissen en ontberingen. De zon daalt achter een zware wolkenlaag en komt dan er beneden weer te voorschijn, om de lucht, het dal en het oerwoud met haar rood schijnsel te vervullen.

Den volgenden morgen keeren Lorenzo Petigax, Brocherel en drie inlandsche dragers terug, om de den vorigen dag op den pas van Bujongolo achtergelaten lasten te halen. De anderen nemen de overige lasten op en zetten hun marsch voort. De expeditie trekt langs de beide meren aan den voet der rotswanden van den Kiyanga en baant zich stap voor stap een weg door de dicht ineengegroeide plantenwereld van Senecio's en Helichrysums. Onder de altijd groene struiken zijn exemplaren van een prachtige grootbloemige Hypericum, van Festuca, ranonkels, kruisbloemen, vrouwenmantel, balsamienen e.a.

Het nauwe dal tusschen de steile rotsen is droger dan het Moboekoedal en draagt duidelijke sporen van vergletschering in niet ver vervlogen tijden. Hoog steken de zuidelijke toppen der centrale groep in de lucht, waar twee gletschers van neerdalen, de bronnen van twee armen der rivier; een derde arm ontspringt uit een gletscher van den Kiyanga.

Het derde kamp op de bergen werd ter hoogte van 4219 meter opgeslagen bij een oude eindmorene, bijna loodrecht onder de beide toppen van den Kiyanga, die ik zes dagen te voren bestegen had. Ook hier waren water en hout overvloedig. Van hier uit bestegen we den Scott-Elliotpas zonder moeite, door een oude middelmorene naar boven te volgen. Deze bewijst, dat eenmaal de gletschers van den Kiyanga en van de centrale groep samenvloeiden en vereenigd naar het dal zich bewogen. De Senecio's en de altijd groene struiken reiken bijna tot den kam, maar worden langzamerhand schaarscher.

Op den pas aangekomen, volgden we den kam naar het Westen tot dichtbij den gletscherrand, die voortliep tot den voet van de zuidelijke toppen der centrale groep. Op rotspuin sloegen wij naast den gletscher, 4516 meter boven de zee, het vierde kamp op.

De levensmiddelen waren nog slechts voor een enkelen dag voldoende. Om die reden zond ik alle Bakonjo, Lorenzo Petigax en Botta naar Bujongolo terug. Bij mij bleven alleen Giuseppe Petigax, Ollier en Brocherel. De namiddag is helder en de bergen teekenen zich duidelijk tegen den hemel af. Aan den voet van het kamp ligt het eerst van den kam op de hoogte van den Moboekoegletscher geziene dal met zijn klein, donkerblauw meer, waarboven bijna loodrecht de noordelijke helling van den pas hangt.

Thans kunnen we dat dal met het oog een lang eind naar het Oosten vervolgen en zien, hoe het in de verte naar het Zuiden ombuigt, om het Moboekoedal te bereiken. Er is dus geen twijfel aan, dat het het Bujukadal is, en dat de geweldige berg in het Noorden feitelijk de Duwoni van Johnston is. In zuidoostelijke richting is het uitzicht door de massa van den Kiyanga afgesloten.

De gidsen, die op den gletscher zijn gestegen, om den weg tot de centrale hoogvlakte der groep te banen, keeren des avonds terug. De zonsondergang was minder helder dan op de vorige dagen. De nabijheid van het doel maakte het wachten tot een zeer pijnlijk iets. Met de gidsen in de enge ruimte van een enkele tent te zamengedrongen, bracht ik een groot deel van den nacht slapeloos door, gepijnigd door zorgen omtrent het weer.

Eindelijk brak de morgenschemering van den 18den Juni aan bij bedekte, grijze lucht. Snel, zonder een woord te verliezen, werd de volgorde van den stoet vastgesteld. Giuseppe Petigax en Ollier gingen vooraan, dan kwam ik, Brocherel als laatste; zoo begonnen wij den gletscher te bestijgen langs den weg, dien de gidsen den dag te voren hadden aangewezen. Zonder moeite werd in ongeveer een uur de groote gletschervlakte bereikt. Het was half zeven, en de begeerde toppen lagen op geringen afstand vóór ons. Beide waren ze door sneeuw bedekt; de zuidelijke, dichtstbijzijnde, viel naar het Oosten in een loodrechten wand neer en werd door een machtigen sneeuwmuur overwelfd; door een afgerond ijszadel stond hij met den noordelijken, veel hoogeren top in verbinding. Daarvan gingen twee kammen uit, de eene naar het Oosten, recht op het dal toe, de andere naar het Noordwesten, met zachte kromming, en uitloopend in een karakteristieke punt. Toppen en kammen waren omzoomd door het reusachtigste sneeuwdek, dat men zich kan voorstellen en dat door tallooze ijszuilen en ijsnaalden gesteund werd, in de verte den indruk makend van een verblindend witte kantstrook.

De sneeuw in het rond had de glanslooze, bleeke kleur, die er altijd bij slecht weer over ligt. Een oogenblik glansde ze onder een zonnestraal, die echter dadelijk door dichte wolken, snel naderend uit het Oosten, weer werd verduisterd. Er kwamen windstooten uit het Oosten; nevelsluiers stegen uit het dal in zware massa's omhoog en hulden ons in korten tijd geheel in.

Wij vieren zetten zwijgend onzen gang naar de hoogte voort. Zonder wankelen, met den niet in de war te brengen blik op den juisten weg, schreed Giuseppe Petigax in den ondoorzichtigen mist vóór ons allen uit, tegen de hoogvlakte op, tot den voet van den zuidoostelijken kam van den zuidelijken top. De vaste sneeuw, die niet meegaf onder de voeten, vergunde het, dat we den uitgebreiden sneeuwkam vlug bestegen, waarbij op de steilste plaatsen eenige trappen moesten worden gehouwen. Om half acht was de hoogte van den eersten top bereikt.

Een hevige wind waaide van het Oosten. Alles in het rond was onzichtbaar door den witglanzenden, voor het oog ondoordringbaren nevel. Ieder had zich vast voorgesteld, dat de hoogste top op weinige honderden meters afstands onzichtbaar zou wezen. En wij allen wachtten, met de blikken onafgebroken naar het Noorden. In anderhalf uur tijds konden we slechts enkele oogenblikken door den even optrekkenden nevel de onbepaalde omtrekken van den hoogeren top onderscheiden.

Er waren maar twee wegen, om hem te bereiken, namelijk naar den pas af te dalen en te beproeven, of men van hier uit den, door de sneeuwmassa's van boven afgesloten, ijswand kon beklimmen, of op de hoogvlakte terug te keeren, haar onder den pas over te steken en over den oostelijken kam omhoog te gaan, een verre omweg, die in den nevel zonder een vast punt, om zich naar te richten, zou moeten worden afgelegd. De gedachte, voor dezen dag van een poging tot bestijging afstand te moeten doen en in het kamp terug te keeren, kwam, zooals een blik op de ernstige, vastbesloten trekken van de zwijgende gidsen aantoonde, geen van hen in de gedachte.

Om 9 uur besloten wij, het wachten moe, tot den aanval langs den meest rechtstreekschen, kortsten en gevaarvolsten weg, en de een na den ander begaf zich naar de helling, die naar den pas voerde.

Met het oog op de sneeuw gericht, gingen wij voorwaarts, de voeten voorzichtig zettend in de groote holten, die Petigax in de gelukkig vaste sneeuw, die niet meegaf onder den voeten, had uitgehouwen.

Het zadel maakt den indruk van een ijsband, die van den eenen tot den anderen top reikt. Het is onmogelijk, rechts of links van den weg af te raken, maar men moet rechtuit op den ijsmuur af, waarvan de nabijheid door den nevel nauwelijks wordt vermoed. Waar de helling steil begint te worden, worden de rugzakken en alle overtollige voorwerpen afgelegd, en Petigax gaat aan het moeilijke werk. Binnen kort zijn alle vijf zoo goed als loodrecht boven elkander, langzaam de rechte lijn van trappen klimmend, die Petigax met krachtige, breede bijlslagen uithouwt in den wand, waarbij hij ons met een hagel van stukken sneeuw en ijs treft. Naar beneden verdween de wand dadelijk in de duisternis, en het was alsof we boven een grondeloozen afgrond zweefden.

Zoo kwamen we onder den sneeuwmuur tusschen de ijszuilen, die van nabij gezien, een rij vormden, dicht als de boomen in een woud; daarop rustte de zware sneeuwwelving. waarvan de stevigheid twijfelachtig was. De indruk, dien het geheel in den nevel maakte, was buitengewoon eigenaardig en onvergetelijk.

In dien onveiligen stand moesten wij, ons vasthoudend aan den steilen wand, om de ijspilaren loopen, om beneden aan de plaats te komen, waar het sneeuwdek aan den wand aansloot en daar een doorgang te zoeken.

Wij vonden dien in een insnijding, die een nauw, loodrecht kanaal van één tot twee meter vormde.

Ollier, stevig geplant op een breed punt, moest Petigax tot gids dienen. Deze steeg hem met zijn zware, van spijkers voorziene bergschoenen op de schouders, dan op het hoofd en groef den bijl diep in den sneeuw, om zich tot den kam te kunnen optrekken. Voor de overigen was het kinderspel, hem te volgen. De kam was bedwongen. Nog weinige minuten en ik zette den voet op den hoogsten top van den Roewenzori!

Uit de duisternis waren wij in een van stralend licht vervulde vrije ruimte getreden. Aan onze voeten golfde een nevelzee; een onmetelijke vlakte van lichte nevels van witachtig aschgrijze kleur bewoog zich, door den wind gedreven, naar het Noordwesten. Uit de eindelooze, bewegelijke, eenvormige vlakte staken slechts twee vaste punten omhoog, twee verblindend witte, in de zon van myriaden sneeuwkristallen glinsterende pyramiden, de uiterste punten van de beide hoogste toppen.

Aan die twee gaf ik in dat uur de namen Margherita en Alexandra, omdat, zooals in het "Bollettino della Società Geografica Italiana" van Februari 1907, op bladz. 117 is aangegeven, "onder de auspiciën van de twee koninginnen de naam van haar beider landen gemeenschappelijk door de wereld werd gedragen: die van Italië, welks naam als de eerste op deze sneeuwvelden in een triomfkreet weerklonk, en die van Engeland, waarvan de bewonderenswaardige koloniale uitbreiding de beschaving tot aan de hellingen van deze bergen heeft gebracht."

Een oogenblik later liet ik met bewogen gemoed de kleine vlag in den wind fladderen, een kostbaar geschenk van de koningin-moeder Margherita, en ze schitterde in de zon, de groen-wit-roode banier met de kleine letters van de bemoedigende zinspreuk: "Ardisci e spera!" ("Waag en hoop!"), die de hooge vrouwe erop had laten borduren.

Den 21sten Juni was de expeditie in het vierde kamp boven den Scott-Elliotpas bij den Helenagletscher van den Stanley vereenigd.

Den daarop volgenden morgen besloot ik mij nog eens van mijn metgezellen te scheiden, om het onderzoek van het gebergte voort te zetten en wel om nu de noordelijke groep onderhanden te nemen. Eenige dagen te voren had ik van den hoogsten top van den Alexandra kunnen waarnemen, dat de gemakkelijkste en meest directe weg naar den Speke en den Emin over de westhelling ging. Daarheen kon ik zonder veel moeite komen, als ik door het hoogste deel van het Bujuku-dal en over den tusschen den Speke en den Stanley gelegen Stuhlmannpas reisde. Met mij samen waren de gidsen Giuseppe en Lorenzo Petigax, Ollier en vijf Bakonjodragers.

De noordelijke wand van den Scott-Elliotpas daalt, zooals reeds werd gezegd, steil af naar het Bujukumeer. Na een korte daling tusschen zware, met mossen begroeide rotsblokken kwam onze kleine schaar in een nauwe kloof en daarna in een steile, met steenpuin gevulde rivierbedding. De zwarte dragers, die weinig gewend waren aan de in deze omstandigheden te nemen voorzorgsmaatregelen, traden steenen los en brachten die aan het rollen, tot groot gevaar van degenen, die vooraan liepen. Men moest zeer langzaam en voorzichtig dalen en allen moesten te zamen blijven.

De negers hadden nu al een grooter vertrouwen in hun tijdelijke meesters gesteld en volgden gewilliger; de berggidsen schonken hun op alle moeilijk te passeeren plaatsen hulp en bijstand, en de goede luim was teruggekeerd.

Aan het eind van de kloof troffen we weer het Seneciowoud aan, waardoor we langs een zachtere helling dieper dalwaarts gingen naar een moerassige, boomlooze vlakte, die 3933 meter hoog lag. Na een marsch van 2 1/2 uur kwamen we hier aan, nadat we den bergstroom boven het Bujukumeer waren overgegaan. Van hier uit begonnen we over een niet al te steile helling rechtuit in de richting van den zuidwand van den Speke te stijgen. Ongeveer honderd meter verder naar boven stieten we op een sneeuwveld van resten van lawinen aan den voet van den rotswand, die van boven met een in seracs verbrokkelden en als over het dal zwevenden gletscher bedekt was. Wij trokken links om het sneeuwveld heen en stegen verder naar de plaats, waar de zuidwestelijke punt van den Speke met den Stuhlmannpas te zamen komt, ten noorden van een vooruitspringende rots, die in het midden van den pas duidelijk zichtbaar is. Het laatste eind van den weg, aan den voet van den door de eindseracs van den gletscher omzoomden, loodrecht opstijgenden wand is blootgesteld aan het gevaar van steenval; het stijgen was niet moeilijk, maar inspannend door de met mos bedekte, glibberige rotsen.

Toen wij den hoofdkam hadden bereikt, was de nevel ten gevolge van den mooien, warmen zonneschijn verdwenen, en wij hielden voor korten tijd rust, om ons te verkwikken met het heerlijke uitzicht over het bovenste amphitheater van het Bujukudal. Aan alle zijden is het door loodrecht oprijzende rotsen omgeven; alleen onder den Margheritatop en den Alexandra vergunt de zachtere helling den gletscher, verder naar beneden door te dringen; in den geheelen verderen omtrek eindigen de gletschers op de tinnen der rotswanden. Van tijd tot tijd weerklinkt de donder van ijslawinen, die in het dal storten. Bijzonder grootsch zijn de rotstorens der toppen Helena en Savoye en de steile rotsen van den noordmuur van den Baker, die naar het Oosten in hoogte overtroffen worden door de toppen Moore en Wollaston.

Nadat we den voet van den Speke in het Zuidwesten waren omgetrokken, marscheerde ons klein gezelschap bijna in horizontale richting onder den westelijken wand voort, waarbij we ons steeds aan den rand van den gletscher boven hielden. Deze heeft zich in den jongsten tijd teruggetrokken en daarbij een breeden zoom van rotsblokken en morenepuin achtergelaten, waartusschen eenige groepen van Senecio's en Helichrysums wortel hebben geschoten.

Iets verder naar boven, op een smalle strook tusschen twee langwerpig ronde meren en aan den rand van den Spekegletscher, liet ik het kamp opslaan. Het was het vijfde, 4475 meter boven de zee gelegen, juist beneden den Victor-Emanueltop. In de nabijheid staan eenige Senecioboomen; de negers zoeken verder naar beneden, waar hout in overvloed te vinden is, een rustplaats. Boven is de lucht helder, maar om de bergen en in de dalen hangen trage nevels, die het grootste deel van het landschap omhullen. Op korten afstand en wat verder naar beneden ligt een derde meer, dat een weinig grooter is dan de beide naast het kamp.

Den volgenden dag bereikten wij, eerst over rotsen, dan over plaatsen vol sneeuw langs een zachte helling, zonder van het touw gebruik te moeten maken, in weinig meer dan een uur den top van den 4901 meter hoogen Victor Emanuel. Het was half zeven in den morgen en alles in het rond lag reeds in een dichten nevel. Wij bleven bijna acht uren boven, altijd in afwachting van een opklaring van het weder, die echter uitbleef. Er woei een zwakke, veranderlijke wind, en ieder oogenblik begon het nu eens te sneeuwen, dan weer vielen korte en krachtige hagelbuien neer. Op eens waren de bergbestijgers omhuld door een met electriciteit beladen wolk, en op de bijlen en houweelen, de statieven, den barometer en de naburige rotsen begonnen kleine ontladingen te knetteren. Zelfs de haren op het hoofd werden electrisch. Het was een onbehagelijke en ook niet ongevaarlijke toestand.

Om ons den tijd te verdrijven bouwden wij een grooten steenhoop op de noordwestelijke rotspunt, die enkele meters lager is dan de met sneeuw bedekte top. In den namiddag ging het naar het kamp terug, terwijl het weder nog slechter werd. De dag was voor het verder onderzoek volkomen verloren.

Den 24sten en 25sten Juni weken de nevels in het geheel niet van den grond, en er heerschte een aanhoudende afwisseling van regen, sneeuw en hagel. De gidsen ondernamen een klein uitstapje om een weg te zoeken naar den Eminberg dwars over de dalen ten noordwesten van den Speke. Den 25sten deden we een poging, om verder te marscheeren, maar na korten tijd moesten wij omkeeren; de nevel was te dicht; het scheen wel nacht te wezen. Op die twee dagen van gedwongen rust kon ik in de van den Spekegletscher komende beken de karakteristieke, door het smelten van het ijs te voorschijn geroepen, periodieke schommelingen tusschen een minimum en een maximum in den morgen en in den avond nauwkeurig nagaan. Er zou geen reden zijn, dat feit te vermelden, als Freshfield niet door de geringe waterrijkdom van de Moboekoe op de plaats, waar ze van den gletscher komt en door de helderheid van het water tot het besluit was gekomen, dat de stroom zijn oorsprong waarschijnlijk eerder aan een bron onder den gletscher dan aan het smelten van het ijs te danken had.

Die waarneming staat in verband met een algemeene theorie van Freshfield, dat de gletschers in de tropen hoofdzakelijk door verdamping en maar voor een gering deel door afsmelting kleiner worden. Hoe echter ook de omstandigheden in den Himalaya mogen wezen, er is geen twijfel aan, dat in dat opzicht de gletschers van den Roewenzori op die van de Alpen gelijken en alle aan hun uiterste einden bergstroomen laten ontspringen, die geheel de eigenschappen van gletscherbeken bezitten. Inderdaad heeft het klimaat van den Roewenzori niet veel van het tropische aan zich, en waarschijnlijk laat een atmosfeer, die zoozeer met vocht overladen is, dat er bijna aanhoudend nevels hangen, geen zoo aanmerkelijke verdamping toe, dat zich daaruit alleen de aanzienlijke vermindering laat verklaren.

De zuiverheid van het water van sommige uit de gletschers van den Roewenzori te voorschijn komende stroompjes heeft zeker haar oorzaak in de onbewegelijkheid van deze gletschers, die den rotsgrond, waar ze op rusten, niet afschuren en verbrokkelen. Werkelijk zijn deze gletschers meer ijsdeksels op toppen en kammen dan ijsstroomen, die, als in de Alpen, uit een verzamelbekken zich naar beneden bewegen.