Het beleg en de verdediging van Haarlem, in 1572-1573 (deel 3 van 3)
Part 5
Maar na die bede was het, dat ook al de geestdrift, al de moed, al de onbezwekenheid van eenen Ripperda zich met sprekende trekken op het stout gelaat teekenden. »Licht valt het, te sterven te midden der overwinning,« sprak hij, »zwaarder valt een dood als deze.« Statig en eerbiedwekkend hief hij vervolgens de rechterhand, die op het bed rustte, naar omhoog, en op helderen en toch zachten, op plechtigen toon sprak hij toen: »Ik zweer bij God en den prins, mijnen heer, aan het doodbed van een braaf en wakker man, dat ik moedig en opbeurend bij de bangheid zal zijn, en ongeschokt bij 't gevaar. Hoe het donkerder moge worden voor Haarlem, het zal niet donker worden in mijne ziel. Ik zal onwrikbaar staan op den wal en binnen de stad:--zoo ik met mijn leven Haarlem's heil en vrijheid kan koopen, ik zal niet aarzelen met de teruggaaf van een leven, dat mij slechts geschonken werd als leengoed. En zoo u dit tot troost zijn kan--hoor het dan in uwe laatste ure: »Wiens standvastigheid moge wankelen, ik zweer het, met Gods hulp wankelt de mijne nooit.«
Na het uitspreken dezer woorden, ook door Kenau en Van der Laan gedeeltelijk bevestigd, zag Matthijszen, hoe de hand van Haarlem's bevelhebber zich in die van Haarlem's burgemeester en heldin sloot, als een verbond--vernieuwd aan het krankbed van eenen stervende, wiens leven, evenals het hunne, aan den godsdienst en de vrijheid gewijd was. Het was een aandoenlijk, een treffend gezicht--die vrouw en die mannen, met al het fiere, al het groote hunner ziel op het gelaat, aan de legerstede van een held, om wiens lippen reeds de dood zweefde, doch wiers geest nog zoo helder en levendig werkzaam was voor het heil van zijn vaderland. En naast hen de teedere Maria, beurtelings met het oog naar de hemel, of naar hen, of naar den stervende gericht, wel door weedom bestreden; maar toch geschraagd door hetgeen zij hoorde, door hetgeen zij zag. Den stervende, met al zwakker en flauwer wordende stem te hooren stamelen: »o, mijn Heiland! dat Haarlem vrij moge zijn! Ripperda! Van der Laan! Kenau!« vervolgens op nog zachter maar ook teederder toon, dat lieflijke woord: »Maria!« bij herhaling van zijne lippen te hooren, en dan weder eene korte, doodsche stilte.... dit alles was een indrukwekkend, een roerend tooneel, dat niet licht uit de ziel verloren zou gaan. Het was de levensuitgang van een held,--een plechtig verbondsoffer bij een offer des doods,--de eed van helden aan den rand van een graf.
VIERDE HOOFDSTUK.
Ook Pellikaen had Matthijszen nog een laatste woord gebracht; ook burgemeester Stuiver en Hasselaar hadden in den geest van Ripperda tot hem gesproken, een laatst vaarwel van hem gehoord,--en in den laten avond van dienzelfden dag was hij ingesluimerd in den langen slaap.
Dienzelfden dag had men ook in de tent van don Frederik eenige Spaansche ridders en aanvoerders, met eene sombere tint op de bruine aangezichten, woorden van bitter leedgevoel hooren uitspreken. Tegen den avond toch had Vimi eene mijn doen springen, waarbij verscheidene vijanden om het leven waren gekomen; en het zelden missend geweer van Hasselaar had een ander offer geveld:--Bartholomeo Compocassio van Pisaure was door den vaandrig getroffen. Frederik gevoelde maar al te zeer den bitteren slag van dit verlies, dewijl Compocassio algemeen vermaard was als bouwkundige, doorleerd wiskunstenaar en zeer ervaren in de belegeringstaktiek. Hij moest erkennen, dat de koning den dood van dien Italiaan bijzonder, maar toch minder zou gevoelen dan hij, aangezien de belegeringsoperatiën er uiterst door benadeeld konden worden. Maar sedert een paar dagen was er versterking in het leger aangekomen en dit vergoedde eenigszins het verlies; want het was eene versterking van vijf duizend man; het waren twee regimenten uit Italië, onder bevel van Lopes de Figueroa, het regiment van St.-Philippus geheeten, het andere onder bevel van Lopes de Acuna, het regiment van St.-Jacob genoemd. Er waren vier vendels ruiterij bij, en duizend Bourgondiërs, die in den Hout gelegerd werden, stonden onder de aanvoering van den baron Chevraux. De Acuna, die het beleid over den heertocht had gehad, was als wakker krijgsman beroemd; de troepen hadden op de reis veel ontbering en vermoeienis uitgestaan, vooral door een aanhoudenden regen van nagenoeg vier weken, gedurende welken tijd de Acuna zich nooit met zijne vilten hoofd- en scheenplaten had willen dekken, om aan zijne soldaten door gehardheid het beste voorbeeld te geven. Duizend musketiers, met Louis Gajetan aan het hoofd, waren dus vooruitgezonden, ten einde den hertog aangaande de komst der overigen gerust te stellen, die dan ook eenige dagen daarna plaats had.
De een en twintigste Mei kostte aan negen belegerden en eene heldin van Kenau, die aarde naar den wal droegen, het leven. Doch men wreekte dit des avonds door een uitval in den Hout, dewijl men toen twee Spanjaards doodschoot en er een gevangen in de stad bracht. Met dien gevangene had echter iets plaats, dat den edelmoedigen, ridderlijken geest van Ripperda doet uitblinken. Een dag later namelijk, nadat de vijanden op de runderen der belegerden aangevallen waren, doch met verlies van twee ruiters hadden moeten terugwijken, had Ripperda vernomen, dat een vijandelijk hopman aan het gevaar blootstond van opgelicht te worden, wanneer men buiten de Schalkwijkerpoort uitviel. Aanstonds liet hij den gevangene bij zich komen, gaf hem twee der onlangs geslagene halve Haarlemsche daalders,--eene noodmunt van zestien stuivers--en een tarwebrood; met de boodschap aan den hopman, dat men hem zou overvallen, eer hij dit brood had genuttigd. Met dat brood en dat geld werd de gevangene teruggezonden; en dit mocht inderdaad een zeldzaam geluk heeten, daar wraak en weerwraak bijna de algemeene leuzen waren. Het eischt geen betoog, dat de hopman nu voor zijne veiligheid waakte, en den Haarlemmer in zijn hart grootmoedig noemde, doch men wist nu tevens in het Spaansche leger, dat de Haarlemmers nog geen broodsgebrek hadden, en dat zij, door het slaan van noodmunten, te kennen wilden geven, nog geenszins tot de overgave der stad besloten te zijn.
De vrees van sommigen, dat de belegeraar de stad met vuurkogels zou beschieten, werd verwezenlijkt. Het was de dag, dat het lijk van Matthijszen ter aarde werd gebracht. Veel grooter dan bij een der vroeger gesneuvelden, was de toeloop van de ingezetenen bij deze treurige plechtigheid. Ieder wist in welke betrekking Matthijszen tot de familie van den ongelukkigen Van Schagen stond; hoe hij herhaalde malen bij den storm of den uitval, zich als een held had gekweten, en hoe hij ook altijd voor de belangen der stad had geijverd. De andere verdedigers waren spoedig aan hunne wonden gestorven; Matthijszen was nog lange dagen door de hevigste smarten gefolterd geworden; doch zelfs te midden van dat lijden, nog stervend, was zijne ziel vervuld met de gedachte aan Haarlem's heil en vrijheid. Talrijk waren de vrienden en verdedigers, die zijne lijkbaar volgden, en zelfs in het oog van menigen hopman zag men een traan glinsteren, bij de gedachte aan het verlies van den wakkeren man. Maar opeens, terwijl de trein langzaam en treurig grafwaarts ging, terwijl in iedere straat een kort of lang gesprek over hem plaats had, en er menige stille bede voor de rust van den gesneuvelden held over de lippen kwam, opeens hoorde men een schot, en gierden er een paar gloeiende kogels door de lucht. Algemeene schrik en verwarring maakten zich van de gemoederen meester, en dit groeide niet weinig aan, toen zich kort daarop bij den hoek der Stoofsteeg in de Koningstraat de kreten van: »brand!« lieten hooren. Het kwam aan de Haarlemmers echter zonderling voor, dat er niet meer dan acht dier kogels werden geschoten; vandaar, dat het spoedig gelukte, den brand meester te worden, en vervolgens nam men de noodige zorg om zich zooveel mogelijk tegen deze nieuwe verwoesting te wapenen, terwijl de vijand het waarschijnlijk niet bij deze eerste proef zou laten berusten.
Den Spanjaarden was het sinds lang een doorn in het oog geweest, dat kapitein Beaufort de schans Rustenburg nog in zijne macht had. Het was daarom dat zij, veertien dagen na de gevangenneming van Quirijn Dirksz, des namiddags uit de Fuik er op aantrokken en een gevecht begonnen. De aanval was onstuimig. Reeds hadden zij de loopschans ter zijde en aan den overkant in hunne macht, toen Boreel, Tseraarts en Rosoni met eenige soldaten uit de stad te hulp snelden en niet minder forsch op hen aanvielen. Oogenblikkelijk sneuvelde de Spaansche aanvoerder Sanchio de Lodoigna, benevens een paar officieren en zeven soldaten. Dit was het sein tot de vlucht naar hunne schansen: daar deze echter in schuiten plaats had, werden er nog ten minste veertig vijanden zwaar gekwetst. Terwijl dit plaats greep, naderde de vaandrig Jan Dirkszoon Schatter met eenig buskruit, om het onder de verdedigers rond te deelen; doch het ongeluk wilde, dat dit kruit vuur vatte, waardoor Tseraarts, met nog eenige anderen, deerlijk gebrand en buiten gevecht werden gesteld. Dit ongeluk werd nochtans verzoet door een buit van ruim tweehonderd gouden kronen, bestaande in eene gouden keten om den hals van Sanchio de Lodoigna, waaruit bleek, dat deze Spanjaard ridder was geweest der orde van Calatrava. Zegepralend trok men binnen Haarlem terug, en van de Rustenburger Schans bleef voorts het Hollandsche vaandel wapperen, dat den Spanjaard reeds zoolang een onverdraaglijk gezicht geweest was.
Wel verre nochtans, dat deze vernieuwde nederlaag den vijand afschrikte, kwamen eenige musketiers en haakschutters daags daarna van alle kanten aanstormen om de koeien van de stad af en naar hunne schans te verjagen. Reeds hadden zij er zeven in hunne macht, doch Hasselaar, Michiel en Vardeur vielen zoo koen op hen aan, dat zij niet alleen den buit moesten laten varen, maar met een verlies van zeven dooden terugtrokken, terwijl hen schimpend de kreten naklonken: »zeven Spanjolen voor zeven koeien! drinkt gij de melk, wij drinken uw bloed; vivent les Gueux!«
En zoo, na verschillende gevechten en handelingen van minder of meerder belang, komen wij aan eene grootere gebeurtenis. Meer en meer poogde de vijand den geringsten toevoer te beletten; de galeien op de Meer werden meer en meer versterkt; zelfs had men tachtig, vroeger gevangene geuzen, gedwongen, er als roeiers op te dienen. Het gebrek aan kruit begon van dag tot dag toe te nemen; bijna was het laatste verschoten, en--om nieuwen voorraad te krijgen, moest er een vermetele stap gedaan worden. De daartoe bestemde avond van den vijf en twintigsten Mei, de avond, die in veler gemoed angst en zorg zou brengen, was gekomen. Die avond was donker, doch in het sterrenbeeld van Cassiopeia zag men duidelijker dan ooit het luchtverschijnsel, dat reeds zooveel maanden als onbeweeglijk aan den hemel had gestaan. Het was eene nieuwe, tot dien tijd toe, onbekende ster, waarover zelfs de beroemde sterrenkundige, Gemma, geene verklaring kon geven, toen Alva hem bij zich ontbood. Zij, die den St.-Bartholomeusmoord ontsnapt waren, vergeleken het bij de ster van Jezus, en men voerde Karel IX tegemoet: »Vrees, tweede Herodes! de ramp, die u deze ster verkondigt!« De Engelschen pasten het luchtverschijnsel toe op den dood en de vergoding van Maria Stuart. De Nederlanders merkten het aan voor eene goddelijke waarschuwing tegen Alva, en talloos waren de bijgeloovige indrukken, welke het algemeen teweegbracht. Ook dezen avond hielden sommigen het voor een teeken, dat de onderneming slecht zou afloopen, terwijl anderen juist het tegendeel dachten.
Het kon ongeveer elf ure zijn, toen Ripperda met de manschappen van het gele vendel, en vele anderen aan de Schalkwijkerpoort geschaard stond en gereed was, uit te trekken. Tot nog toe was hij niet in persoon bij eenigen uitval geweest. Wel had hij die telkens beraamd en belegd; doch de groote zaak, die op hem als gouverneur rustte, verbood streng zijne tegenwoordigheid bij ieder gevecht buiten de stad, waartoe het overigens niet aan moedige en ervarene aanvoerders ontbrak. Thans echter stond Ripperda aan het hoofd; want bij deze allerbelangrijkste onderneming werd zijne tegenwoordigheid dringend vereischt. De officieren en soldaten schenen er fier en trotsch op, dat hij in hun midden stond;--doch aan de hoplieden alleen was het doel van deze nachtelijke onderneming bekend.
--»Kruit moeten wij hebben, maar wij zullen moorden ook,« sprak Vardeur, »en daarom gaat Vardeur mee. 't Is een donkere nacht, maar toch licht genoeg, om de schobbejakken te kelen. Wee den Spanjool, die in mijne handen valt; van nacht ben ik eens recht belust naar Spaansch bloed.«
Hij wilde meer zeggen, toen juist aller gelaat zich naar den toren van de St.-Bavo's-kerk wendde:--want op eens zag men aan den laatsten omgang eene kleine vuurbaak, of eigenlijk eene fakkel verschijnen, waardoor de toren voor een gedeelte het schijnbaar voorkomen aannam, alsof hij in lichte-laaie stond.
--»Daar hebt ge den vuurduivel!« sprak Lancelot van Brederode, »de scheepssoldeniers hebben niet te schromen, dat zij hem niet in 't vizier zullen krijgen. Men zou hem kunnen aanschouwen van den Moorddam af.«
--»Leven de geuzen!« riep Vardeur, zich met moeite bedwingende om zijne forsche stem ver beneden den gewonen toon te houden; »'t is tijd, om de bulhonden te muilbanden.« En de hand aan het gevest van zijn rapier slaande, toonde hij de drift, die in hem brandde, om op de Spanjaarden los te gaan.
--»Stilte!« gebood Ripperda! »Als de fakkel daalt, zal dit het sein wezen, en--ik ga u voor.«
--»Stilte!« fluisterde men nu van het eene gelid tot het andere, terwijl de onderscheidene aanvoerders hunne plaatsen aan de flanken of in het midden der gelederen hernamen.
--»Brave burgers en soldeniers!« sprak nu Ripperda tot die manschappen, welke het dichtst bij de Schalkwijkerpoort stonden geschaard. »Deze onderneming is van overgroot gewicht. Na den middag is eene duif van de vloot in de stad gekomen met de tijding, dat men ons nieuwen voorraad van kruit schaffen zal. Gij weet, wij zijn van links en rechts omsingeld; geen klein waagstuk is het, dwars door den Spanjaard heen te breken; maar de soldeniers van de schepen hebben er den moed toe, en gij allen moed om hen te ondersteunen. Dat stuk geschiedt dezen nacht; vandaar het licht aan den toren, en weldra zal de fakkel het sein wezen tot den uitval op de schansen. Voorzichtigheid en wakkerheid zij onze leus, en bedenkt--ondersteuning aan de scheepssoldaten moet de hoofdzaak zijn.«
--»Voor Haarlem! voor Ripperda! de dood aan den Spanjaard!« zou het geklonken hebben, wanneer het bevel tot stilte niet ware gegeven; doch thans kwam het half hoorbaar op veler lippen; en het kostte den krijgslieden moeite, hun vurigen aard te bedwingen. Eene korte poos nog en--de stilte van den nacht zou vervangen wezen door een oorverdoovend alarm.
Nog een paar minuten stonden de musketiers en haakschutters in de donkerheid van den nacht. Zoo zij de brandende lonten hunner geweren niet bedekt hadden gehouden, zou men in die talrijke menigte, op eenigen afstand gezien, ontelbare glimwormen gewaand hebben, die in eene lange maar bepaalde ruimte, gedurende eenige oogenblikken hun rustpunt hielden. Maar al die gestalten, van welke op eene korte verwijdering, niets te bespeuren is, staren schier onverpoosd op het licht aan den toren en--op eens daalt de fakkel als eene dunne vuurzuil, eenige voeten naar beneden, rijst echter weder ijlings en in dezelfde gedaante naar omhoog en--de Schalkwijkerpoort wordt ontsloten.
Gedurende eenige minuten trekt de dichte kolom in stilte voort; maar een weinig later is de stem van Ripperda het sein tot een algemeen rumoer:
--»Trompetters, blaast! Tamboers, roert de trom!« beveelt hij, en nauwelijks is dat bevel gegeven, of de luide tonen der trompetten vereenigen zich met het dof geroffel der trommels en het weergalmend geschreeuw: »Vivent les Gueux! voor Haarlem, voor Holland!« Te dier tijd liep de Schalkwijkerweg langs het Spaarne tot aan de Jan Pittemans-schans. Daar verwijderde zich deze van het Spaarne links af, en liep alzoo voort tot in de Haarlemmermeer. Met voorbedacht daverend krijgsgewoel trok men alzoo eene poos buiten de Schalkwijkerpoort voort; doch eenige schreden voorbij de hoogte gekomen, waar men tegenwoordig de buitenplaats Meerlust aantreft, laat zich opeens een krachtig halt uit den mond van Ripperda hooren, en de kolom houdt stand.
--»Voor Haarlem! voor Holland!« zegt hij nu en--al de hoplieden verstaan er den zin van. Spoedig wordt vervolgens de geheele schaar in drie afdeelingen gesplitst. De eerste, door hem zelven aangevoerd, trekt over het weiland op het fort Stella aan; de tweede, met Lancelot van Brederode aan het hoofd, snelt in schuinsche richting, ter rechterzijde, naar de sterkte Corredon, terwijl de laatste, aangevoerd door Van Duivenvoorde en den Franschen edelman Bordet, nog eenige schreden ver den weg naar Zuidschalkwijk achtervolgt, om weldra dwars over den tegenwoordigen Romolenpolder de schans Salvator aan te vallen.
--»Spanje, Spanje!« galmt het weldra uit de schans Stella, en weinige seconden zijn verloopen, of men verneemt uit die schans de losbarsting der slangstukken.
--»Wij zijn gehoord!« zegt Boreel, die zich bij Ripperda bevindt.
--»Door den vijand ja, maar nog niet door het volk van den prins,« antwoordt Ripperda, »vergeefs is het stuk, zoo zij niet in aantocht zijn op de stad.«
--»Ik ducht, dat zij de zaak niet zullen beleggen, wegens de donkerheid,« sprak Pellikaen, altijd hinderpalen vreezende, waar een ander, minder moedig dan hij, die niet zag.
--»Wie revelt van donkerheid?« sprak Ripperda, onder het voorwaarts gaan. »Onvergeeflijk voor eeuwig, indien men zoo wichtig een voornemen niet uitvoert. Voor de donkerheid zal het torenlicht de baak zijn.«
--»Hoort!« riep Boreel, »is dat de geuzenmarsch niet?«
--»Neen! 't Is de marsch van den Spanjaard uit de schans Corredon,« zeide Pellikaen. Doch toen men oplettender wilde luisteren, lieten zich uit meer dan eene schans tegelijk weder de slangstukken hooren, en dit duurde een paar minuten onverpoosd voort.
--»Trompetters, blaast! tamboers, roert de trom!« gebood Ripperda, en bijna te gelijkertijd weergalmden de schelle en doffe tonen van het geuzen- en prinsenlied over het Spiering- en Haarlemmermeer, terwijl de daverende muziek nu en dan overstemd werd door den donder van het geschut.
--»Aanval, verrassing, overrompeling!« waren de algemeene vermoedens in de linie der schansen, welke de vijanden van de Fuik af tot aan het Spaarne tegenover den Haarlemmerhout hadden aangelegd; hen in dit vermoeden te brengen, was Ripperda's leus, toen hij uittrok, en vooral hen in dit vermoeden te versterken, terwijl hij in drie afdeelingen schijnbaar den aanval op de drie voornaamste schansen wilde doen. Vandaar dat wijd en zijd weerklonken geraas als van een onweder bij nacht. Dat is misleiding, Spanjaards! Men zal u in die schansen niet overrompelen; de bemanning der schepen voert buskruit naar de stad aan; maar de kans, om dat waagstuk te zien gelukken, zou hopeloos zijn, wanneer het niet door moed en beleid van de Haarlemmers ondersteund wierd.
Een oogenblik houdt het geraas op, en--naar de zijde van Ripperda worden nu duidelijk de tonen van den geuzenmarsch overgevoerd.
--»Dat zijn zij, en al dichtbij,« roept Ripperda, »de stormmarsch! voorwaarts!«
Met versnelden marsch rukt men op de Stella aan, en het komt Ripperda voor, alsof hij reeds het gewoel van een gevecht hoort, dat door Van Duivenvoorde aan het fort Salvator gevoerd wordt.
--»Spanje, Spanje!« klonk het intusschen van de linkerzijde en voor het front; en nu zag men op verschillende afstanden kleine vuurvonken, die zich met snelheid bewogen en heen en weer schenen te dansen.
--»Dat zijn Spaansche musketiers!« riep Vardeur, die de achterhoede uitmaakte.--»Spaansch bloed, Spaansche buit, soldeniers!«
--»Het zijn hier geene groene moffen!« liet een der soldaten hooren, »en wat baat ons de buit, als er geen mondkost meer is....«
--»Zwijg, kerel!« riep Vardeur, »als er geen mondkost meer is, dan slaan wij de tanden in den Spanjaard. Scherpt ze dus maar en snoert den mond.«
Nauwelijks had hij dit gezegd, of een musketkogel floot rakelings voorbij zijn hoofd; en terwijl hij onwillekeurig eene dier bewegingen maakte, welke in dergelijk geval den mensch ingeboren zijn, ofschoon zij meest altijd te laat plaats hebben, vloekte hij tevens op den onzichtbaren vijand, welke hem bijna getroffen had.
--»Vuur!« hoorde men nu duidelijk uit de schans Stella, en de vonken schenen zich te vermeerderen. Dit was ook werkelijk het geval; doch die vonken waren niet slechts de brandende lonten van Spaansche musketiers, maar ook van het scheepsvolk, dat zoowel in een paar booten als over land reeds gedeeltelijk tot op dat punt was doorgedrongen, terwijl eenigen, wien dit niet gelukt was, dichter bij de Meer met de Spanjaarden handgemeen waren.
--»Voor 't vaderland, valt aan!« liet Ripperda hooren. »Met eenige manschappen links!« beval hij aan Boreel en Pellikaen. »Vuur, haakschutters! houdt het op de schans aan. Trompetters, blaast!«
Terwijl deze bevelen opgevolgd worden, trekt Ripperda aan het hoofd der overigen regelrecht op eene breede sloot aan, waar de manschappen van de vloot reeds in een gevecht zijn gewikkeld en niet voorwaarts durven, wanende, dat de hen tegemoet trekkende Haarlemmers vijanden zijn.
--»Vivent les Gueux!« is de roep van links en van rechts; want niet alleen de uitvallers, maar ook de Spanjaarden doen dien kreet weergalmen, daar zij thans het plan der onderneming doorgrond hebben en begrijpen, dat zij het volk van den prins in nog grooter verwarring moeten brengen.
--»Mannen van Haarlem! van Ripperda!« roepen velen uit een mond, ten einde de schepelingen van hunne tegenwoordigheid te verwittigen, doch het geschut uit de naastbijgelegen schansen, zoowel als het donderend geschreeuw der vijanden zelven, belet, dat men de waarschuwingskreten hoort of genoeg onderscheiden kan, van welken kant zij komen, om met zekerheid voorwaarts te gaan. Te meer worden zij daarvan teruggehouden, toen een paar met kruitzakken beladene manschappen op eenige schreden afstands van den dichteren drom, eensklaps gewond nedervallen en uitroepen: »Terug! 't zijn Spanjaards, die ons te lijf vallen.«
Schier op hetzelfde tijdstip gieren nu ook de kogels der schepelingen op het volk van Ripperda aan, en gelukkig, dat de duisternis het juiste treffen belet, daar anders menige vriend de onschuldige oorzaak van den dood zijns vriends ware geweest.