Het beleg en de verdediging van Haarlem, in 1572-1573 (deel 3 van 3)

Part 27

Chapter 273,148 wordsPublic domain

Nog niets is mij bekend aangaande u aller lot. God alleen weet dit. Houdt dus niet op met Hem te bidden in de donkerheid van uwen kerker,--en het zal licht worden voor uwen voet. Uwe vrienden zullen u ook niet verlaten, en wat ik kan uitvoeren met mijne zwakke krachten, om u tot redding te zijn, zal nacht en dag mijne overpeinzing en poging uitmaken. Ik ben vol hope--moogt ook gij het zijn.

Al degenen, die in uwe huizen zijn, verkeeren nog in welstand, wat het lichaam aangaat. Ik moet dit geschrift gaan bezorgen; want de tijd is daar. Dat het u wel ter hand moge komen, mijne lieve vrienden! De heilige maagd en haar lieve Zoon Jezus Christus onzen Verlosser, zijn met u!««

Hier eindigde het geschrift, dat niet onderteekend was, doch aan de gevangenen zooveel belangwekkends aanbood. Hoeveel indrukken, hoeveel hartstochten werden er door opgewekt! Hoeveel smart, bitterheid en weedom hier--hoeveel berusting, hoop en vertrouwen daar! Welk eene wereld van gevoelens, denkbeelden, gewaarwordingen, mededeelingen! Hoeveel twijfelingen, hoeveel slingeringen, schemering, licht en donkerheid; welk een wisselend getij van eb en vloed voor het hart; hier de golven in den diepen oceaan terugkeerende,--daar tegen het strand aandringende! Maar dit alles zou toch den donkeren sluier niet oplichten, die over het lot der gevangenen lag,--en dien sluier op te heffen, ziedaar onze laatste taak.

Onder ellende en teisterende smart, die van dag tot dag aangroeiden, was de morgen van den dertienden October aangebroken. Reeds waren schout Van Bordt en diens onderschout, Jan Cornelisz Sael, bezweken; daags te voren waren Arent Dirkszoon, Arent de Corter en Laurens Wijnantzen, na eene korte lichamelijke ongesteldheid gestorven; doch nog altijd leefde Pellikaen, hoeveel folterende pijnen hij ook reeds verduurd had. Dezen dag echter zou zijn lijden ophouden.

Naast Pellikaen lag Van Duivenvoorde, die niet minder dan hij, door de verschrikkelijke kwaal was aangegrepen, doch aan wiens mond geene enkele klacht ontglipte. De schemering van den October-morgen was aangebroken:--een verpestende walm heerschte in het gevangenhol. Bij het leger van Van Duivenvoorde knielde diens luitenant, Jan Arentse de Jonge, de afschuwelijke ratten verjagende, die van tusschen het half rotte stroo nu en dan te voorschijn kwamen, aan eene korst brood knaagden, en over de lichamen der sluimerende of kermende gevangenen heenliepen.

--»Hoe laat is het!« vroeg een der ongelukkigen, die door een aanval van pijn wakker werd; en van een paar stroolegers verder klonk het waanzinnig antwoord:

--»De dood!«

--»Mijne keel is verschroeid; mijne ingewanden zijn enkel vuur!« riep een ander.

--»Ik sterf van dorst!« kermde Maerten, de apotheker, die hevig ziek was, »water, beul, water! ik sterf!«

--»Hier hebt ge mijn dronk!« zeide de vaandrig Hasselaar op goedhartigen toon, »ik ben jong en Godlof nog gezond; drink, totdat gij verzadigd zijt.« En nu bracht hij den lotgenoot, die de handen niet meer kon opheffen, de waterkruik aan den mond.

--»Och, Heere! verlos mij uit mijne ellende!« bad een ander en vouwde de handen. »Vader in den Hemel! de dood zal eene weldaad voor mij zijn.«

--»Weg, ondier!« riep IJsebrand Staatszen Hageman in eene ijlhoofdige koorts, en sloeg met de hand naar eene rat, die tegen zijn arm opkroop, »ik heb geen brood meer, en mijn bloed zult gij niet drinken; dat behoort aan den beul, die op mij wacht. Daar komt hij! hij is in 't rood, hu!«

En zoo doordringend klonken zijne woorden door de holle gevangenis, dat zij, die nog sluimerden of sliepen, er wakker door werden.

--»Het wordt licht, heer!« zeide De Jonge tot Van Duivenvoorde, »hoe is het u?«

--»Donker,« antwoordde Pellikaen, meenende dat de vraag tot hem gericht was, »o, wat droom vol schrik heb ik daar gehad. Luister De Jonge! twee uilen steenden een onheilspellend teeken, en er krasten twee kraaien, terwijl de storm huizen en boomen omversmeet. Akelig was het watergeklots in mijn oor; ik zag het verdrinken van honderden dapperen in de Meer,--nare doodstafereelen, niets dan lijken van 't gele vendel, waaraan de visschen knaagden, niets dan geraamten en schedels op den bodem van den Meer, en duizend Spanjaarden, die bij dat gezicht lachten en grijnsden, en met rollende oogen knikten. O, dat was ijselijk, ijselijk, ijselijk! Niets dan neersabelen, Spaansche klingen en trommen. En dan zandhoopen, rood van bloed; honderden hoofden rolden heen en weder, en de scherprechters schopten ze met den voet. Groote God! ik zag een beul, die het hoofd van Ripperda van den grond opraapte, en toen krassend uitriep: »aan al de Haarlemmers de strop of het zwaard.«

--»Dat is ontzettend!« zeide Van Duivenvoorde met eene zachte stem, »maar, mijn vriend, gij vormt u te veel schrikbeelden als gij wakend zijt. Ook ik droomde van Ripperda en van mijne vrouw: maar welk eene tegenstelling! hij kwam bij haar als een engel, met den glans van den hemel op het gelaat; »»Magdalena!«« zeide hij met eene welluidende stem, »»ween niet, God zal u weldra Van Duivenvoorde in de armen voeren; hij heeft gestreden als ik voor godsdienst, vrijheid en burgerstaat; weldra zult gij gelukkig met hem vereend zijn.«« Dat hoorde ik, en zag toen, hoe hij mijne kinderen kuste: Arthur, Emma en Adolf schenen engelen, zoo lief, zoo bevallig, met bloemen in de hand; die boden zij Ripperda aan: o, dat was een gelukkig tooneel! niets dan blijdschap, vreugde, geluk. En die droom zal verwezenlijkt worden, Pellikaen!« vervolgde Van Duivenvoorde, »de kwaal zal van ons wijken; wij zullen beter worden; het uur van onze verlossing zal spoedig slaan.« Bij deze woorden bracht Van Duivenvoorde zijne hand naar die van den vriend om ze te drukken. Maar--de hand van Pellikaen was onbeweeglijk.

--»Wat is dat?« riep Van Duivenvoorde, zich met moeite oprichtende, doch tegelijk weer neerzinkende.

--»Dood! hemel, hij is dood!« riep De Jonge, zich plotseling tot Pellikaen vooroverbuigende en diens beweginglooze hand aangrijpende.

--»Dood!« herhaalde Van Duivenvoorde, en op deze woorden ijlden Kies, Stuiver en anderen verschrikt naar de legerstede.

--»Pellikaen! brave vriend!« riep Stuiver op aandoenlijk somberen toon.

Maar geen antwoord liet zich hooren. Na eene volkomene verlamming had zich bij Pellikaen het vreeselijkst kenmerk van de kwaal doen ondervinden; onder de laatste door hem gesprokene woorden, had zich het bloed met geweld uit de aderen gestort; een plotselijke dood was er door veroorzaakt; zonder een hoorbaren doodsnik was hij de eeuwigheid ingegaan.

--»Ja, de Heer heeft hem verlost uit zijne felle smart,« zeide Stuiver, »maar geen laatste groet van zijn mond, geen afscheidsdruk van zijne hand... zoo eensklaps die dood, in het hol der verschrikking.... dat is ijselijk.«

--»Gewis, mijne vrienden! het hart breekt bij zooveel wee,« zeide Kies. »De hand van den Hemel drukt zwaar op ons. Maar dragen wij ons leed als mannen, hoe hoog de nood wasse; misschien is het uur van onze redding nabij.«

--»Ja, geduld in de smart!« zeide Van Duivenvoorde met eene zwakke stem, »de Heer zendt de ziekte, maar doet haar ook weer verdwijnen. Eenmaal baden wij Hem, dat Hij ons zou wapenen met moed tegen den vijand; bidden wij Hem thans, dat Hij onze borst wapene met Christelijke lijdzaamheid: dit harnas behoeven wij, nu zij afgepijnd wordt door deze kwaal.«

En opnieuw vouwde hij de handen, en in weerwil van sommiger gekerm, leverde de gevangenis gedurende eenige oogenblikken weer het tafereel van een aan God gewijden tempel op.

Vervolgens sprak men over den afgestorven vriend, over diens Christelijken wandel en vele deugden als burger, en verdediger,--over het verledene en de toekomst, en weldra hoorde men het gerammel der sleutels, als teeken, dat het armzalig voedsel gebracht werd.

Nauwelijks was de deur geopend, of de soldaat die den eersten kop boter aan Kies ter hand had gesteld, kwam binnen, en op den burgemeester toetredende, stelde hij hem, onder de vroegere woorden, een tweeden kop ter hand.--Schijnbaar onverschillig nam deze dien aan; doch zijn hart klopte. Tegelijkertijd wees hij op het leger van Pellikaen, met de woorden:

--»Er is weer een lijk, soldenier! God heeft hem verlost uit zijn lijden!«

--»Geen wonder!« zeide de soldaat. »Die zijn vader heeft vermoord, is nog te goed voor dit hol. Maar wat kan ik er aan doen? God helpe u! ik zal bericht geven van zijn dood, dan kan men 't lichaam weer weghalen.«

Eenige bossen stroo werden nu in de gevangenis gebracht, vervolgens de spijs en drank, en--eenige minuten later waren de gevangenen weder alleen.

--»Mijne vrienden!« zeide Kies overluid, »ik vermoed, dat ik geschrift heb ontvangen.«

IJlings onderzocht hij, zich in de richting van het schemerachtig licht plaatsende, den kop en--hij vond een briefje; haastig doorliep hij met klimmende belangstelling de letters en.... riep vervolgens eensklaps met dankbare geestdrift uit:

--»Moed, mijne vrienden! moed! daar is een kabeljauw gevangen, en zijn huid is wel honderd duizend gulden waard!«

Bij deze woorden beurde menige lijder het hoofd op; zij, die de waterkruik of broodkorst in de hand hadden genomen, plaatsten die voorwerpen neder, en terwijl Kies zijn vorigen uitroep herhaalde, vroegen velen als uit één mond:

--»Wie! spreek op! wat is er gebeurd?«

--»Goddank, driewerf dank!« hernam Kies, en sloeg een vurigen erkentelijken blik naar boven. »Op de Zuiderzee is slag geleverd, een roemvolle slag; de vloot van Bossu is overwonnen; velen zijn krijgsgevangenen gemaakt, en Bossu zelf is onder dat getal.«

--»De vloot van de Spanjaards verwonnen?« herhaalde de een.

--»Bossu gevangengenomen?« vroeg de vaandrig Schatter.

--»Leven de geuzen!« riep Hasselaar, »Bossu gevangen? ja; die kabeljauw is meer dan honderd duizend gulden waard.«

--»Leven de dapperen, die op de Spaansche vloot hebben getriomfeerd!« hervatte Kies; »ik heb het daar straks gezegd, mijne vrienden! misschien is het uur van onze redding nabij; nu herhaal ik het met grond; Goddank; driemaal dank; wat wij in Christus' Naam ootmoedig hebben gebeden, dat is verhoord. Moed, lijders! moed! wie hier Gods vinger niet opmerkt, die kent Hem niet. Uit de duisternis verrijst het licht.«

--»Wakkere held!« zeide Van Duivenvoorde, het lijk van Pellikaen aanstarende, »had uwe borst nog slechts een uur geklopt! de bange droom, die er op drukte, ware op deze tijding weggevlucht. O! mijne vrienden! al moest gij allen mij nog in dit uur het goeden nacht toeroepen, minder smartvol zou ik het donker graf tegemoet zien, nu ik wegens uwe toekomst meer gerust ben.«

--»Ook voor u, heer, breekt het licht aan,« zeide De Jonge, diep getroffen hem de hand drukkende. »Gij zult uwe vrouw en kinderen wederzien.«

--»Onze vrienden zullen nu dubbel de hand aan het werk slaan,« zeide Kies, nadat hij de tijding van Bossu's nederlaag en gevangenneming woordelijk had voorgelezen, »tegen dien grooten kabeljauw en de kleinere visschen zullen wij uitgewisseld worden.«

Op het tijdstip, dat de aanzienlijke gevangenen de tijding van Bossu's nederlaag ontvingen, was deze aan de Spanjaarden in Haarlem nog niet bekend,--en toch werd Bossu toen reeds gevangen en onder schamperen hoon van het gemeen naar Hoorn gebracht. Een oogenblik in eene herberg vertoevende, heette hem daar een Amsterdammer met de bierkan in de hand welkom, zeggende: »Mijnheer! 't is beter, dat gij tot ons komt, dan dat wij tot u komen; ik breng het u.« Bossu nam voorzichtigheidshalve den dronk aan. De kabeljauw toch spartelde nu aan den hoek der Noord-Hollandsche visschers. Inderdaad woog de vangst tegen meer dan goud op! dat begrepen de Spanjaarden binnen Haarlem, en nu bleek het hun ook eerst duidelijk, waarom Hasselaar, Stuiver en al de anderen de vreugd huns harten in psalmen en gezangen botvierden; dat begrepen ook de vrienden der ongelukkigen, die geene poging spaarden om hen te redden.

Eenige dagen waren verloopen. Reeds was Maerten de apotheker onder de ellende bezweken, en Van Duivenvoorde lag in de armen van zijn luitenant te sterven. Op den morgen van diens dood had er echter eene heugelijke gebeurtenis tevens plaats.

--»Godlof!« zeide Kies tot de lijders, nadat de gevangenbewaarders vertrokken waren, »wel heeft Alva ons aller doodvonnis reeds onderschreven; maar nog is er groote hoop. Dezen dag--heeft de cipier mij zooeven gemeld--zal ik uit de gevangenis gaan; ik word op mijn woord van eer ontslagen, om met Verdugo, die te Amsterdam is, over onze uitwisseling te spreken. Nu nog slechts eene korte wijl ons lot als mannen bekampt! moed onder 't bange juk! in den Hemel waakt God!«

Bij deze woorden sloeg Van Duivenvoorde, wiens leger door den vaandrig Schatter, Stuiver, Hasselaar en anderen omringd werd, een stervenden blik op Kies, en met moeite en op afgebroken toon zeide hij:

--»Vandaag wordt het nacht voor mij, maar voor u allen zal de zon doorbreken. Ik sterf, maar gij zult leven, en dat denkbeeld maakt mij het scheidingsuur minder smartvol. Groet mijne vrouw, kus mijne lieve kinderen; met hun naam en met den naam van Haarlem op mijne lippen sterf ik. Vaarwel, mijn vriend! Kies het beste! lieve vrienden! vaartwel.«

En eer Kies de gevangenis verliet, had Van Duivenvoorde aan hem en allen, die zijne legerstede konden bereiken, de hand nog gedrukt. Maar Kies had ook den braven verdediger der stad de oogen zien sluiten, hem den laatsten snik hooren geven, en hij verliet den kerker met de zekerheid, dat Van Duivenvoorde aan zijn lijden ontrukt was.

Werkelijk vertrok brouwer Kies dienzelfden dag nog naar Amsterdam, en ook nu staafde Brechta Proosten den mannelijken moed, dien wij haar aan den dag zagen leggen. Zij vergezelde haren man in het open schuitje, waarmede hij over het Y de reis aannam. Voorbij een post komende, waar eenige Duitsche soldaten de wacht hadden, deden deze, onder voorwendsel, dat zij den voormaligen burgemeester wilden begroeten, verscheidene schoten, waarvan een den arm zijner vrouw trof. Vreezende, dat Kies aan de opwelling zijner drift gehoor geven en daardoor in onaangenaamheden zou komen, verkropte zij eene geruime poos de pijn, ten laatste echter verried het bloed, dat uit de wonde op haren kleederen vloeide, het gebeurde. Kies wilde, in zijne eerste verontwaardiging, aan land om den dader te straffen; doch daar hij reeds ver voortgevaren was, en zijne vrouw al hare welsprekendheid te werk stelde om hem dit te ontraden, liet hij zich gelukkig tot bedaren brengen. De kloekheid en beradenheid zijner vrouw bewonderende, kwamen zij zonder verdere stoornis te Amsterdam.

Hier was echter zijne taak moeilijk. Dreigende bezwaren bestreden hem. Daar Bossu wel wist, dat de dood der Haarlemmers ook het sein tot zijn dood zou wezen, schreef hij herhaalde malen aan Alva, ten einde hunne vrijheid te erlangen. Alva echter had aller doodvonnis reeds geveld. De goederen van Kies, zoowel als die van Stuiver en al de gevangenen waren reeds in handen van don Frederik, Barlaymont, Berti en andere Spanjaarden overgegaan. Verscheidene dagen verliepen er; reeds waren nog Jan Gerritzen en Jan de Waal in de gevangenis de slachtoffers van het gebrek en de ellende geworden; zelfs werden de overigen, in het begin van November, als booswichten geketend, door gewapende soldaten naar Amsterdam gevoerd. Te dier plaatse zou het doodvonnis aan hen voltrokken worden; en reeds verhief zich de storm der wanhoop in menige ziel; maar zij, die het vertrouwen op God niet lieten varen, zagen zich in dat vertrouwen ook niet bedrogen. Opnieuw schreef Bossu aan Alva. Bossu, zijn stadhouder, die hem zoo trouw gediend had, die verklaarde aanhanger van Spanje, wiens kunde, moed en ijverzucht zoo hoog geducht waren--Bossu moest herhaaldelijk schrijven--hoe leert ons dit in één trek Alva kennen.--Verdugo en andere Spaansche bevelhebbers hielden den hertog het weifelend geluk van den oorlog voor oogen, alsmede, hoe de soldaten voortaan liever zouden vluchten, dan zich ter dood toe verdedigen, uit vrees van gevangengenomen en op de slachtbank te worden gebracht. Eindelijk dan liet Alva zich overreden; hij gaf toe; het vonnis werd opgeheven. Spoedig had er nu eene algemeene uitwisseling plaats en de namen van velen, met Bossu gevangengenomen, leveren het bewijs, dat er toen nog verscheidene aanzienlijke Nederlanders in dienst van Alva waren. Zoo had er eene bijzondere uitwisseling plaats tusschen burgemeester Kies en een zekeren Lieven van Weldam, die van eene Hollandsche familie afstamde.

--»Hoe is mijn geluk zoo groot,« vroeg hem Kies, »of het uwe zoo klein, dat het eenen brouwer van Haarlem doet opwegen tegen een jonker?«

En het naïeve antwoord was:

--»Al had men mij uitgewisseld tegen een brouwersknecht, toch zou ik er niet over gebelgd zijn.«

Bossu zelf bleef echter nog drie jaar gevangen. De huid toch van dien kabeljauw was meer dan honderd duizend gulden waard.

Aan de overwinning dus op de Zuiderzee hadden zooveel aanzienlijke Haarlemmers, buiten het pardon gesloten, hun leven te danken. Had het rampzalig lot der gevangenen en sommiger dood aan Magdalena en anderen diepe wonden geslagen--wij kunnen ons daarentegen voorstellen, hoe later in menig huisgezin die slag niet enkel als eene schitterende zege voor geheel het vaderland, maar ook als bijzonder reddingsmiddel met dankbare vreugde is herdacht geworden.

En wij--wij deelen in die erkentelijkheid; maar de zege op de Zuiderzee moet nog iets meer voor ons zijn.

Bossu, in keetnen, staaft den roem der Staatsche standers,

--zegt Helmers, van wien wij zoo gaarne en ook hier eenige regelen invlochten, omdat Helmers' ziel ineensmolt met den roem van het voorgeslacht, al moge hij nu en dan dien roem wel eens wat te hoog opvoeren--

Bossu, in keetnen, staaft den roem der Staatsche standers, En de aarde hoort verheugd den moed der Nederlanders; Elk vlootling, als hij 't oog op zijnen buit laat gaan, Is zelf bedwelmd, verbaasd om 'tgeen hij dorst bestaan.

Inderdaad! de overwinnaars moesten verbaasd, moesten bedwelmd zijn. Of ligt het geschiedblad niet voor ons opgeslagen? Eene handvol eenvoudige visschers, schippers en burgers tegen talrijke, geregelde benden, trotsch op hunne adellijke aanvoerders! Kleine Nederlandsche schepen tegen eene machtige Spaansche vloot! Maar welk een verschil ook--Nederland voor de belegering van Haarlem, en Nederland na die belegering. Voor het beleg nog een afhankelijk gevoel der steden, nog aarzeling, nog weifeling om zich voortdurend gewapend te verzetten tegen den gevreesden Alva--nog de bewustheid van onvermogen, van zwakheid. Na het beleg bijna één wil der steden, één geest van veerkracht, van moed, het heilig besef om, bij den opstand van den geest, tegen Alva's roede de ijzeren hand te moeten verheffen, hem te kneuzen, te verpletteren. Voor het beleg Zutphen en Naarden in bloed smorende, na het beleg, door Alkmaar en Leiden één kreet aangeheven om het geweld te weerstaan, te vernietigen, ééne stem door het grootste deel van het vaderland: »Haarlem's heldenzin en volharding gaven ons tijd om het staal te smeden, onze wallen te bolwerken, onze schepen toe te rusten. In de vuist dat staal! Op naar die wallen! Met die schepen hoûzee! Het oog op dat Haarlem! Met den roem dier stad pare zich de roem van heel het land!«

De slag op de Zuiderzee werd geleverd. »In 't ruime sop! hoûzee!« klonken de aanmoedigingskreten, en--de Spaansche macht werd gekneusd. Gaan wij nu te ver, wanneer wij van de glorie dier overwinning aan Haarlem een deel toekennen? Wij gelooven het niet! Maar ware het dus--wie zal weerspreken, dat het beleg en de verdediging van Haarlem het fundament onzer vrijheid heeft gelegd?

EINDE VAN HET DERDE EN LAATSTE DEEL.