Het beleg en de verdediging van Haarlem, in 1572-1573 (deel 3 van 3)
Part 24
--»Carajo, den vaandrig Hasselaar, den rebel!« klinkt het barsch, en de soldaten zien hem dreigend aan.
--»Zoo ge den vaandrig zoekt, laat dan dezen los, ik ben het,« herneemt Pieter Hasselaar, en strak en onvervaard houdt hij het oog op hen gericht.
--»Gij?« zegt de onderofficier, norsch en tevens verbaasd, »maar wat raakt het mij, wie de vaandrig is! Soldaten, laat dezen los en grijpt hem.«
Doch nauwelijks geschiedt dit, of liever, niet zoodra biedt de brave vaandrig zich kloekmoedig in zijns broeders plaats aan, of al de angst zijner moeder wordt eensklaps door vurige kinderliefde verdreven. Zich uit de armen van Kenau losrukkende, werpt zij zich tusschen haren zoon en de soldaten, terwijl zij hun toeroept: »Neem mij gevangen en doe mij sterven; zoo het verdedigen van deze stad moet gestraft worden, straf dan mij; want ik ben het, die aan mijne kinderen rapier en vendel in de hand gaf. Ik laat hem niet los; hij heeft geene schuld.«
--»Terug!« zegt een der soldaten, »wat hebben wij met vrouwen te maken?« en deze woorden gaan met eene ruwe afwering van de moeder vergezeld.
--»Ik wapende mij tot verdediging van dit huis en de stad,« zegt de vaandrig. »Eischt dit straf--ik vrees haar zoomin als ooit uw rapier. Moeder!« voegt hij er, nu hij haar smeeken aanziet bij, om zich bedaard te houden: »Vertrouw op God! rustig ga ik mijn lot tegemoet.«
Grievend is inmiddels deze toestand voor Boreel, die zich slechts weinige schreden van daar bevindt. Wanende, dat de komst der soldaten hem gold, hoort hij niet eens zijn naam vernoemen. Men zoekt hem dus niet; men komt alleen den vaandrig gevangennemen, en de soldaten, met die taak belast, schijnen dezen noch diens moei te kennen. Hij hoort de edele woorden van Pieter: »Zoo gij den vaandrig zoekt, laat dezen los, ik ben 't!«--en hij is op het punt, het vertrek binnen te stuiven om den jongeling te helpen verdedigen.
--»Hem gevangen!« zegt hij bijna hoorbaar, »dan is zijn dood gewis! want hoeveel Spanjaarden zijn niet door zijne hand gevallen!«
Doch Anna klemt zich aan hem vast; hij heeft beloofd, haar niet roekeloos te zullen verlaten. Maar toch het valt zoo hard voor zijn wakker gemoed, daar werkeloos, als verscholen te blijven, terwijl op korten afstand van hem, zooveel rechtschapenheid aan den dag gelegd wordt en zooveel droefheid plaats grijpt.
--»O God, bescherm mijn kind!« hoort hij Hasselaar's moeder wanhopig smeeken, en--dat grijpt hem in de borst.
--»Waarom kan ik hem niet redden?« zegt Boreel, terwijl hij, geroerd, Anna aan zich vastklemt; »o, zoo gij wist, Anna, hoe fel mij dit pijnt!...«
--»Ik zal de arme moeder tot troost wezen, Symon!« zegt zij droevig, »uw moed kan hier niets baten; toch redt gij hem niet,--gij verraadt u zelven.«
--»Zoo jong, zoo koen en nu ter dood!« zegt Boreel; »ons te beveiligen en nu zelf in de hand van den beul! hoor, Anna, hoor; dat is zijne stem; hij roept vaarwel.«
Dat vaarwel uit den mond van Pieter Hasselaar klonk aandoenlijk maar grootsch. Ook had men den blik moeten zien, dien hij voor het laatst op zijn glinsterend musket sloeg. Die blik scheen te zeggen: »ware ik slechts op de vest met dat wapen, geen Spanjaard zou mij gevangen nemen;--maar ook zonder u zal mij de moed niet begeven; want ik droeg u voor het heil van Haarlem en de vrijheid van het vaderland.«
Vergeefs intusschen, dat de wanhopige moeder zich andermaal aan haren zoon vastklemt; vergeefs, dat zij zich smeekend voor den anspessado op de knieën werpt; ruw en spottend klinken diens woorden: »van hier, soldaten! er zijn nog meer geuzen te vangen!«
--»Vader in den Hemel, bescherm mijn kind!« gilt de ongelukkige moeder opnieuw en wringt vertwijfeld de handen. Aan Kenau's oog ontspringt een traan van innig gevoel en medelijden, terwijl zij op den bekommerden Nicolaas staart en het gekerm harer zuster hoort. Maar in dien traan blinkt toch hare vrouwelijke fierheid en een gevoel van verheven trots, dat de jonge held even gelaten en onverheerd den kerker, wellicht den dood tegemoet gaat, als hij vroeger met musket en vaandel naar de vest ging; en wanneer de voorzichtigheid het haar niet verboden hadde, zou zij wel met geestdrift hebben willen uitroepen: »Laffe moorders! dien gij daar wegvoert, heeft u allen doen beven; en hij, schoon nu ongewapend, beeft voor u allen niet.«
Maar dat mocht zij toch--den jongeling op liefdevollen toon en met treffenden nadruk toeroepen: »Vaarwel Pieter! denk aan 't vendel van Haarlem; blijf held tot in den dood!«
--»Dat zweer ik bij de schim van Ripperda!« roept hij, met opgeheven hoofd tusschen de Spaansche musketiers het vertrek verlatende. »Troost mijne moeder! vaarwel! ik vertrouw op God!«
De zware voetstappen der soldaten weergalmen met de jammertonen der moeder door het huis. Maar aan Hasselaar's mond ontglipt geene enkele klacht; hij kent den aanvang niet van het lot, dat hij tegemoet gaat; maar hoe donker het hem toeschijnt, blijft het toch helder in zijne ziel. Sinds zooveel maanden heeft hij moedig gestreden voor het heil van Haarlem, voor de vrijheid van het vaderland; wanneer de hertog, wanneer don Frederik hem dit als misdaad aantijgt, welnu, dan zal hij over zulk eene misdaad niet blozen, maar hij zal er zich op verheffen, dat men zijne dapperheid vreest; en wanneer men hem zijn doodvonnis voorleest--welnu, dan zal hij niet laf om het leven bidden; maar dan zal hem Ripperda voor den geest zweven; dan zal hij aan de woorden zijner moei denken en bij zich zelven den eed herhalen: »ik zal kloek blijven tot in den dood; dat zweer ik bij de schim van Ripperda!«
ZESTIENDE HOOFDSTUK.
O God! het land waar zulke helden Zich moedig tot een offer stelden-- Dat land kan nimmermeer vergaan.
Helmers.
Eene lang belegerde stad, eindelijk in de macht van den vijand, heeft voor de verbeelding altijd iets huiveringwekkends; hoeveel te meer dan eene stad, in de macht van den Spanjaard, die nog geene vest had overwonnen, zonder er bloedtooneelen aan te richten.
Hier zag men nog de puinhoopen van het Cicilia's klooster, het convent van de heilige maagd Maria en andere, en wanneer men een blik sloeg op de menigte vernielde woningen en vooral op de verbrokkelde wallen, dan moest men met een diepen zucht, maar met bewondering tevens uitroepen: »En dat Haarlem heeft zeven maanden de macht van Spanje weerstaan! En dat Haarlem is slechts bezweken onder gebrek!« Daar zag men de Groote Markt nog met het bloed geverwd van de dapperen, door het beulszwaard gevallen; ginds scheen de grond in de Ramen te rijzen door de vele lijken, die er onder bedolven lagen, en wanneer men de blikken naar den kant van de Haarlemmermeer sloeg, dan was het, alsof de wind het geluid medevoerde: »al mijne wateren kunnen den moord niet rein wasschen!« Ginds zag men Spanjaarden, door wijn bedwelmd door de ontledigde straten zwieren, en men hoorde hen Spaansche liedjes zingen, waarvan telkens het refrein den val van Haarlem verkondigde. Opeens klonk wat verder weder het tromgerom; en dan zag men een magistraatspersoon, een verdediger, of iemand, die vroeger om godsdienstige gevoelens uit de stad was gegaan, tusschen soldaten, naar de gevangenis overbrengen. Bijna in iedere straat zag men de groenzijden gekruiste koningsvlag met het wapen van Castilië, waar men vroeger de vaandels van Ripperda en Kenau aanschouwde; Spaansche soldaten met groote zwarte hoeden en gele uniform hadden in alle wijken de eenvoudig gekleede schutters vervangen, en de geuzenpenning aan het blauwe lint had plaats gemaakt voor de sierlijke ridderorde van Calatrava aan de zilveren of gouden keten; al de huizen vertoonden op hunne gevels het sombere en doodsche van hetgeen er in de ziel der bewoners plaats greep; want Haarlem was de stad van Oranje niet meer; Haarlem was in de macht van den Spanjaard!
In ééne woning toch heerschte vreugd--zaligheid. Reeds was het middag geworden; die vreugd en zaligheid hadden er reeds van des morgens geheerscht, en--dat geene huivering u aangrijpe, lezer!--men had die te danken aan de goedertierenheid van den overwinnaar.
Venavides--edel als hij was--had ten opzichte van Magdalena zijn woord gehouden. Wel verwonderde het hem, dat don Frederik onvoorwaardelijk hare vrijheid had toegestaan; toch vermoedde hij er de heillooze drijfveer niet van. Eenige dagen daarna was door hem naar den prior van het klooster te Amsterdam de last gezonden geworden, dat men Magdalena kon vrijlaten,--en dat zij onverhinderd binnen Haarlem kon terugkeeren. Geen wonder, dat deze, op die tijding, geen oogenblik aarzelde om naar de vest te snellen met een hart, waarin de eene gewaarwording de andere opvolgde. Op bevel van don Frederik werd zij onverhinderd de Spaarnwouderpoort binnengelaten; met kieschheid zelfs werd zij door een capitan naar hare woning geleid; niets deed haar den giftigen adder aanschouwen, die onder het gebladerte lag verscholen.... Magdalena was teruggekeerd in haar huis;--de hemel, waarin zij zich op het Huis Ter Kleef eens zoo zalig had gedroomd, was voor haar geopend geworden.... Daar stortte zij aan de borst van Van Duivenvoorde; daar vroeg, daar hoorde zij niet; daar sloot zij de lang betreurde lievelingen aan haar hart; daar stroomden tranen, daar klopten onstuimig alle polsen, daar joeg de boezem met golvende bewegingen, maar neen!... wij gaan die eerste oogenblikken voorbij, die zoowel in de vreugd als in de smart iets overstelpends en verdoovends hebben, en die ons de kalmte doen missen tot het waarachtige genot. Maar wij treden de woning binnen op het tijdstip, dat Magdalena en Van Duivenvoorde, na de uitstorting der indrukken van het verledene, zich aan het tegenwoordige en toekomstige overgeven,--op het tijdstip, dat de hand van het lot de bus omschudt, die de loten van 's menschen geluk en ongeluk bevat.
Zie, die kleine Emma is op den schoot der moeder gezeten, en de liefkozingen, die elkander nog kort te voren als telkens opschietende vonken aan den haard opvolgden, zijn nu eene gelijkmatige vlam geworden, die zich bij tusschenpoozing nog wel verheft, maar denzelfden gloed behoudt. De tienjarige Adolf staat tusschen de moeder en den vader, en omvat beider ineengestrengelde handen met de zijne als ware hij een jeugdig priester, die stilzwijgend bidt, dat de Hemel over deze wedervereeniging zijnen zegen geve. De jongere Arthur huppelt op de knieën van den vader, doch buigt telkens het hoofdje naar den zachten moederschoot, terwijl in zijne oogen de uitdrukking straalt, dat de moeder, voor het lange gemis, thans meer aanspraak heeft dan de vader op zijne onschuldige koozerij. Opeens springt Emma van de knieën harer moeder, loopt een paar malen huppelend rondom de kleine groep, en vraagt vervolgens op kinderlijken toon:
--»Maar hebt gij nu niets voor ons medegebracht, moederlief? Vader heeft het ons beloofd, en toen wij laatst zulken grooten honger hadden, zeide vader, dat wij maar zoet moesten wezen, en dat wij veel koek van u zouden krijgen.«
--»Ja, zoo'n mooien kerstkoek,« voegde Arthur er bij, »als gij uit Leiden gestuurd hebt; ik weet het nog wel: ik had den mijnen in twee dagen opgegeten, en toen wij laatst geen vleesch en brood meer hadden, had ik er spijt van, dat ik niet wat bewaard had. Moeder, moeder! wij hebben zoo'n honger gehad.«
Van Duivenvoorde voelde een traan opwellen bij de herinnering dier dagen van gebrek,--bij de herdenking hoe hij meer dan eens eene bete had gespaard, om iets toe te voegen aan het karig afgemeten rantsoen voor de kinderen,--en hij kon zich niet onthouden, uit te roepen: »Ja, Magdalena, hoe bang uw lot ook zij geweest, dat toch heeft u de borst niet gefolterd--het jammergeschrei om brood.«
Magdalena antwoordde door een vurigen druk harer hand en met de oogen ten halve naar omhoog gericht, als zeide zij: »Ja, daarvoor dank ik God; maar ook Hij weet, hoeveel andere dolken mij het hart hebben doorgriefd.«
--»Ja, moeder!« zeide Adolf, »wij hebben paardenvleesch gegeten; maar wij hadden er niet genoeg aan, en ge moet niet naar de poes zoeken of naar Snel; die zijn ook geslacht. Brechta zegt, dat wij daarvan zoo bleek zien en zoo mager zijn.«
--»Dat is nu verleden, lieve jongen!« zeide Magdalena met overkropt gevoel, »morgen zult gij en Arthur en Emma lekkere koek van mij krijgen,« en zij boog zich voorover op het hoofd van het knaapje, en groote heete tranen sprongen uit haar oog; nog vuriger drukte zij Van Duivenvoorde's hand; eene wereld van zaligheid en eene wereld van smart kampten in hare ziel.
--»Maar waar zijt gij toch altijd geweest, lieve moeder?« vroeg Adolf, en hij had die vraag reeds een paar malen gedaan, zonder er antwoord op te erlangen; want schoon dieper denkende dan zijn broeder en zijne zuster, besefte hij niet, hoe vlijmend voor het hart der moeder dit antwoord moest zijn.
--»Lieve Adolf!« zeide zij, »de soldaten, die zoo geschoten hebben, lagen voor de Kruispoort, voor de Zijlpoort en rond heel de stad; ik kon er niet doorkomen, want ze zouden met de geweren op mij geschoten hebben. Maar als gij van avond naar bed gaat, dan moet gij, op uwe knieën, uwe handjes samenvouwen en tot onzen lieven Heer zeggen: »Ik dank u Vader, die zijt in den Hemel, dat onze moeder weer bij ons is.«
--»Ja moeder!« antwoordde de knaap, »maar dat moet Arthur dan ook doen, en Emma, niet waar?«
--»O zeker; want die zijn ook blij; gij moet het hun dan maar zeggen, Adolf; gij zijt de oudste.«
En opeens sprong de knaap met de kinderlijke voortvarendheid om iets uit te voeren, naar Emma en Arthur, die weer bij het vensterraam speelden, om hun de woorden der moeder reeds over te brengen. Een oogenblik luisterden zij, doch gingen weer spoedig met hun spel voort en dartelden door de zaal. O, zij waren nog in dat tijdperk, waarin bij een enkelen doorn of brandnetel slechts bloempjes bloeien; zij waren nog binnen of even over de grenslijn van dat
Gelukkig perk van drie tot zeven jaren, Als alles lacht en alles speelt.
Nog eenige oogenblikken bleven zij in de zaal, doch weldra snelden alle drie naar den kleinen, achter het huis gelegen tuin, en--Magdalena bevond zich met Van Duivenvoorde alleen.
Honderdmaal reeds was zij hem aan de borst gevallen; honderdmaal reeds had hij haar in zijne armen gekneld, warm, vurig, met al de zaligheid van een onverhoopt wederzien na eene lange, bange scheiding, en opnieuw sloeg hij de armen om haar heen en klemde haar met eene zoo gloeiende liefde aan het hart, als smolten beider zielen ineen, als zou hij zich nimmermeer van haar loswinden:--de beker van het afzijn was zoo bitter geweest; de beker der wedervereeniging was met kostbare, zoete teugen tot aan den rand toe gevuld. Maar toch.... toch lag er op den bodem van dien beker iets wrangs, dat al meer en meer naar boven borrelde, hoe meer teugen van zaligheid zij dronken.
--»O God! dat niets ons meer scheide!« sprak Magdalena, vol verrukking het oog naar omhoog slaande, terwijl Van Duivenvoorde hare lippen met vurige kussen bedekte, »en toch is er iets, dat mij waarschuwend toefluistert: »»dat geluk zal niet van duur wezen!«« Maar gewis, dat moet begoocheling zijn--een nieuwe indruk van zooveel doorgeworsteld leed.«
--»Neen, Magdalena, neen! dat is geene begoocheling, geen spel van de zinnen,« sprak Van Duivenvoorde, »ook tot mij roept die zelfde onzichtbare stem: »»het geluk heeft een gladden rand.««
--»Maar de hemel is rechtvaardig en goed,« hernam Magdalena. »Na zooveel bangheid en smart schenkt hij lange vergoeding: gewis, die stem ontstaat enkel uit de zwakheid en vreeze van ons gemoed.«
--»Mocht het zoo zijn!« sprak Van Duivenvoorde; »maar niet zelden waggelt een nieuw gebouw van heil boven een afgrond, vooral in deze bange dagen, waarin de valschheid graaft en het verraad ondermijnt. Maar,« ging hij voort, nadat hij de teruggekeerde opnieuw aan zijn kloppend hart had gedrukt, »maar, Magdalena, wat zich ook stelle tusschen ons geluk--ik sidder niet meer, nu ik u terugheb: ik voel mij sterker dan ooit.«
Gedurende eenige oogenblikken gaven beiden zich weder aan die sprakelooze verrukking over, die de oneindige ruimte van het verledene doorzweeft en zich in de verre, onafzienbare toekomst verliest om weer op het tegenwoordige terug te komen. Op den helderen stroom van de vreugd mogen de zielen der menschen te zamen vloeien--nog inniger smelten zij ineen, wanneer er donkere wolken over dien stroom hangen, of wanneer het angstiger gemoed er wolken boven waant te zien. Maar die sprakeloosheid duurde niet lang; beiden hadden zooveel gewaarwordingen, zooveel gevoelens en denkbeelden uit te drukken. Magdalena sprak weder over dien vroegeren droom, die haar als teruggekeerd in hare woning verplaatste, die haar Ripperda, Kenau, den predikant Symons en zooveel anderen in haar bijzijn tooverde; en helaas! die Ripperda sprak haar geen enkel woord van welkomst toe; want die held was gevallen met Haarlem; die vrome Symons! die in de woning van Magdalena zoo vaak de taal had gesproken der Christelijke vrijheid, welke in geest en waarheid bestaat, ook die was bezweken onder het zwaard van den beul, maar met het hervormd geloof aan Christus' genade op de lippen. En Kenau Hasselaar!.... Magdalena verwonderde zich niet, toen zij hoorde, met hoeveel moed die vrouw had gestreden; want altijd had zij haar gekend als vol geestkracht en fierheid; maar zij bewonderde haar nu te meer en vooral over hare standvastigheid tot aan den dag der overgaaf.
--»En ook zij waagt het niet, tot mij te komen!« sprak zij, weinig wetende, hoe Kenau op datzelfde oogenblik in het huis van den vaandrig getuige was van een aandoenlijk tooneel. »Ook zij niet! durft dan niemand mijn geluk komen aanschouwen na zoolang een leed? Hoe deerlijk moet de vrees wezen in iedere woning, hoe bijster groot de angst om er buiten te gaan.«
--»Eilaas, Magdalena! nog kent gij niet half het wee en den omvang van het lot, dat Haarlem heeft getroffen,« sprak Van Duivenvoorde geroerd, en weer schetste hij haar eenige der tafereelen, die wij reeds den lezer voor oogen hielden. Niet zelden werd het gemoed van den wakkeren verdediger zoo diep bewogen, dat hij moest ophouden: meer dan eens vloeiden Magdalena's tranen op de hand, die zoo vurig de hare omklemde, en nu en dan moest zij uitroepen: »Vader in den Hemel! hoe nietsbeduidend was mijn lot in vergelijking van zooveel smart!«
Van Duivenvoorde was thans aan zijne ontmoeting met Venavides gekomen en juist schetste hij dien bangen dag, waarop de Spanjaard naar het leger teruggekeerd was, toen er aan de kamerdeur geklopt werd. Het was de huisknecht.
--»Daar is burgemeester Van der Laan; hij klopt zacht aan de deur,« zeide de bediende, »moet ik hem binnenlaten?«
--»Van der Laan?« vroeg Van Duivenvoorde verwonderd en verrast. »Hij? voorzeker! zonder verwijl! maar neen, ik zelf ga hem tegemoet.«
De bediende begaf zich vooruit en Van Duivenvoorde, Magdalena toeroepende, dat hij den gewezen burgemeester ook in hare tegenwoordigheid zou brengen, volgde hem op den voet.
Inderdaad trad Van der Laan het huis binnen, rustig als altijd, en zonder een zweem te vertoonen, dat hij iets waagde, door zich op straat te begeven, hoezeer de meesten daartoe den moed niet hadden. Maar nauwelijks was de deur weder achter hem gesloten, of Van der Laan greep zoo krachtig en zoo vurig, zonder echter een woord te spreken, de beide handen van Van Duivenvoorde, dat deze hem met verbazing en eveneens sprakeloos aanzag. Zulk eene stomme taal heeft echter vaak dieper zin dan een vloed van woorden; en een zeer diepen zin had zij vooral thans. Onophoudelijk en met afgewend gelaat Van Duivenvoorde's handen sterker en hartstochtelijker in de zijne klemmende, trok hij hem met zich voort naar de kamer, waar zich Magdalena bevond. Daar snelde opeens ook zij hem tegemoet en met den onbedwongen uitroep: »Godlof, dat ik ook u zie; mijnheer!« stak zij met een warm en erkentelijk gevoel van vriendschap de rechterhand naar hem uit.
Een traan, uit eene krachtige, mannelijke ziel naar het oog geweld, als de tolk van een innig getroffen gevoel, is kostbaarder dan eene echte parel. Zulk eene parel blonk er eensklaps in het oog van Van der Laan, toen dat oog op Magdalena rustte; en voorzeker zulk een traan zou ook de eerste taal van Ripperda geweest zijn. Opeens laat Van der Laan nu Van Duivenvoorde's handen los, en bijna te gelijker tijd die der vrouw aangrijpende, zegt hij op krachtigen maar toch treffend aandoenlijken toon: »Den Heiland zij lof en dank toegebracht! Dat is eene zaligheid, die u kracht geeft tot het dragen van zwaarder kruis!«
--»Hoe! wat spreekt uw mond? wat is de zin van uwe woorden?« vraagt Van Duivenvoorde schielijk en geroerd, terwijl hij, op zijne beurt, de hand van den burgemeester aangrijpt.
--»Groote God! versta ik u wel?« roept Magdalena, die, in weerwil harer vrouwelijke geestkracht, den plotselingen schok van hare ziel niet verbergen kan, »waart gij de stem, die zoo fluks mij toeriep: »»dat geluk zal niet van duur wezen?««
--»Neen, edele vrouw!« antwoordt Van der Laan op bedaard-plechtigen en toch gevoeligen toon tevens: »dat was de stem van den hemel, die in geluk en tegenspoed altijd gehoord wordt; mogelijk was het voorgevoel, maar hoe nietsbeteekenend is dat, waar het gegrond vermoeden spreekt.«
--»Gegrond vermoeden! o, dien zin versta ik,« zegt Van Duivenvoorde, »maar spreek, spreek! zie mij kloek om te hooren: ik huiver, ik beef niet meer, nu ik haar terug heb.«
--»Ja, spreek!« roept Magdalena, »hangt dat weerzien over een afgrond?--ik ben moedig. Laat den storm op mij los! zoolang heb ik hem weerstaan.«
--»Na, ik moet spreken,« herneemt Van der Laan, »hoe fel het mij grieft: maar ik weet, dat gij eene vrouw zijt vol moed. Ook u ken ik, mijn vriend! ik weet, dat smart u doorvlijmen zal; maar gij zult rustig blijven, hoe ook donkerder wolken zich boven u saampakken.«
--»Dat zij losbreken over mijn hoofd,« zegt Van Duivenvoorde, »boven die wolken woont de Vader van ons lot.«
--»Hoor mij aan,« zegt de burgemeester; »toen ons aller lot zoo bang was,--toen de ijzeren noodzakelijkheid ons met hare netten omspande, toen Haarlem moest vallen, heb ik niet opgehouden met bidden tot mijn Heiland. Gij weet het, hoe ik steeds gezocht heb, te waken voor het heil en het welzijn dezer stad:--dit is nog mijn eenig streven voor zooveel en zoolang ik kan, schoon de stad in de macht is van Spanje. Waar ik troost of raad geven kan; wat ik doen mag als man van eer en overeenkomstig mijn geweten, daar zal ik het doen; want het lot van Haarlem is het mijne. Mijn vriend.... bereid u voor op uwe gevangenneming; of zoo gij nog twijfelen mocht, gij, die aan het hoofd der gewapende burgerij stond, weet dan, dat reeds de schout en de onderschout, met mijn vroegeren ambtgenoot Stuiver naar de gevangenis zijn overgebracht; hopman Barendse, Pellikaen en de vaandrig Hasselaar zijn eveneens uit hunne huizen gelicht, en.... aan mijn zoon Gerrit is hetzelfde lot wedervaren. Moedig is hij gegaan, zonder tegenstreving, hoe pijnlijk het zijn wakker gemoed mocht vallen. Maar het moest; wie zich te weer stelt, dien wacht de dood gewis.«
--»Ook zij!--die allen!« zegt Van Duivenvoorde, »voorzeker, dan is er geen twijfel meer. Dan is ook Van Vliet reeds in de gevangenis; en geen wonder eilaas, dat hij dan nog den voet niet in mijn huis heeft gezet!«
--»Neen!« hervat Van der Laan, »men rept er van, dat uw neef Van Vliet de stad is ontweken, ofschoon dit bijna ondoenlijk is. Zeker is het nochtans, dat zijne vrouw en Henrica niet in hare woning zijn; men heeft die geheel doorzocht, maar niemand gevonden.»
Inderdaad was het aan burgemeester Van Vliet gelukt, uit Haarlem te vluchten. In het gewaad van den molenaarsknecht van zekeren Aalbrecht Klaasz, en door dezen bijgestaan, had hij het waakzaam oog der Spanjaarden weten te ontkomen. De wijze hoe, was echter niet bekend, doch ontwijfelbaar met geen gering gevaar vergezeld geweest.