Het beleg en de verdediging van Haarlem, in 1572-1573 (deel 3 van 3)
Part 21
--»Dat men Venavides aangrijpe!« sprak hij vervolgens met vlammende blikken zonder rondom zich te zien; »maar de Castiliaanschen ridder en edelman ontwapent geen landgenoot.«
Zonder eene seconde te aarzelen, rukt hij zich de gouden keten met de ridderorde van Calatrava van den hals, verbrijzelt die, en roept met eene van verontwaardiging trillende stem: »Vervloekt zij de krijgsdienst, die mij dit eereteeken gaf!«
--»Grijpt hem!« dondert Frederik de capitans toe, welke Venavides naijlen en met hunne degens op hem aanstuiven. Maar het is te laat--om eene daad te verijdelen, welke, door Venavides gepleegd, eene smet werpt op de wapenen van Spanje. Op eens verbreekt Venavides zijn rapier met kostbaar gevest evenals glas, werpt vervolgens de stukken met diepe verachting links en rechts om zich heen en herhaalt op gelijken sidderenden toon: »Vervloekt zij de krijgsdienst, waarin ik dit rapier droeg.«
Reeds hebben Auecia en De Lodoigna hem aangegrepen; want Venavides biedt geen wederstand. Maar de linkerhand nog vrij hebbende, haalt hij zijn dolk te voorschijn, slingert dezen met kracht omhoog en roept nu bedaard maar sarcastisch: »Ontziet mij niet, dienaars van den beul, ik heb geene wapenen meer!«
Don Frederik geeft thans meer door gebaren dan door woorden bevel, dat men Venavides naar het Bagijnhof brengen en hem daar als gevangene bewaken zal,--terwijl hij, om elken verderen nadeeligen indruk te voorkomen, oogenblikkelijk gebiedt, met de strafoefening een aanvang te maken.
VEERTIENDE HOOFDSTUK.
Zijn dan voor 't nageslacht verloren Die stroomen van der burgren bloed? Zal dan het nakroost nimmer hooren, O Ripperda! uw' heldenmoed? Was 't dan vergeefs, dien vloed van beden, Den honger moedig doorgestreden? Was 't all' vergeefs? vergeefs, o God! En zal, op de omgestormde muren, Alleen het licht der martelvuren Weêrkaatsen van een moordschavot?
Helmers.
--»Dat zij sterven, de rebellen! het is hun tijd, en Ripperda zie het aan,« sprak don Frederik. »Het bloed van zooveel dappere Spanjaarden eischt wraak. De eer van Spanje en de godsdienst van Rome moeten verzoend worden. De gerechtigheid doe haar plicht!«
Andermaal gaf hij thans Romero een teeken, dat door dezen volkomen begrepen werd. Daags te voren had men hen, die biechten wilden, onthoofd,--die dit niet wilden, opgehangen. Dit zou ook thans plaats hebben. Romero herhaalde het teeken aan de capitans der talrijke macht van Spaansche soldaten, en deze droegen het aan de scherprechters over, welke, ten getale van vijf, het oogenblik verbeidden om met den moord een aanvang te maken.
Twee zwaar gewapende Spanjaarden traden thans op de rij gevangenen aan, en vier van deze werden aan de scherprechters overgeleverd. Zonder eene enkele klacht te laten ontglippen, knielden zij voor den zandhoop neder, of lieten zich de ladder opsleuren en weldra zagen hunne lotgenooten hen in den dood. Maar niet zoodra was de beurt aan het volgende gelid gekomen, of er greep een hartbrekend tooneel plaats.
--»Mijn zoon, mijn zoon! ik heb hem gekweekt met mijn bloed,« kermde eene lange dorre gestalte, wier grijze haren en ingevallen wangen haren ouderdom verrieden, en op wier gelaat de lang verduurde honger zijne sporen had gedrukt. »Weg, beulen!--het is mijn kind, mijn kind. Ik ben zijne moeder! hij zal niet sterven zonder mij!«
Gillend strekt zij de armen naar hem uit, en poogt zich met eene inspanning van krachten, die slechts de liefde eener moeder haar kon verleenen, aan hem vast te klemmen. Een drietal soldaten duwen haar echter onder den honend barschen uitroep: »terug, oude tooverkol!« achterwaarts. Doch op eens vlamt nu de woede in haar oog, de woede eener leeuwin, die men afscheurt van hare welp; en op eens baant zij zich een weg tot den jongeling, dien men naar den zandhoop voert.
--»Gerbrand!« roept zij gillend, »mijn kind, ik laat u niet vermoorden!« Krampachtig en sidderend slaat zij de dorre handen om zijn hals, kust met eene koortsachtige liefde zijn voorhoofd en mond, en laat zich niet van hem afrukken.
--»Gerbrand, uwe zuster licht te sterven!« roept zij uit, »maar ik ben van haar weggevlucht om u, om u. Zoudt gij ook sterven? Heere! hij spreekt niet: hoort gij mij niet, mijn zoon?«
Het scheen althans, dat de jongeling haar niet hoorde; want wezenloos staarde hij zijne moeder aan. Het was, alsof de aanblik van zijn naderenden dood al zijne zinnen verstompt had. Honderdmaal had hij op de wallen zijner geboortestad dien onder de oogen gezien; geene losbarsting uit het geschut, geene Spaansche kling had hem ooit een haarbreed doen wijken of terugschrikken; en thans heeft de vrees voor den dood door beulshanden hem zoo aangegrepen, dat al zijne polsen stilstaan, dat de omloop zijns bloeds gestremd, en dat alleen de flauwe beweging zijner handen het bewijs is, hoe dat lichaam nog niet afgescheiden is van de ziel. Maar opeens keert die bewustheid, die herinnering van het leven, op het zien der wanhopige grijze moeder terug.
--»O God!« barst hij uit, en drukt nu een vurigen, onstuimigen kus op het gerimpeld voorhoofd der oude vrouw. En terwijl hij dat doet, wordt zijn gevoel op eens zóó geschokt, dat hem de tranen uit de oogen springen. Maar de beulen vergunnen hem niet, zijne gewaarwordingen uit te drukken. Krachtig grijpen twee Spanjaards de moeder aan; zij rukken haar los van den zoon, zooals men een vezel van den wortel rukt, en toen zij andermaal eene poging aanwendt om zich aan het dierbare voorwerp vast te klemmen, drijven zij haar ruw en meedoogenloos met de kolven hunner musketten van de plaats af. Onder een gil stort de moeder op den grond neder, en toen men haar wegsleurde, werd er geen teeken van leven meer bij haar waargenomen. De Hemel had haar de weldaad betoond, haar de oogen te sluiten voor den moord aan haar kind.
Reeds zijn de zandhoopen door het bloed van een twintigtal slachtoffers doorweekt; en op hen, die den moord hunner makkers aanschouwen, brandt de zon met fellen gloed. Een nieuw gelid wordt uit de lange rij heengeleid, en onder deze bevinden zich twee broeders, beiden jongelingen uit de stad Gouda, die zich vrijwillig onder het gele vendel van Ripperda hadden geschaard, en die meer dan eens in vroegere uitvallen den vijand afbreuk hadden gedaan. Het voorhoofd en de wangen van een hunner dragen de sporen van voorheen bekomene wonden, en de andere houdt den linkerarm in een doek gewikkeld, tengevolge van een sabelhouw in den laatsten uitval. Hoe verschillend is de uitwerking van een en hetzelfde lot op een aantal menschen. Tusschen de soldaten in, schuift een der broeders het verband van zijn arm een weinig naar omhoog, en hij schijnt er volstrekt niet over bewogen, dat het zwaard binnen weinige seconden zijn hoofd in het zand zal doen rollen.
--»Floris!« zegt de een op bedaarden, half fluisterenden toon, »gelooft gij het nu, dat wij zullen sterven? Nog eene halve minuut, en wij zijn vermoord. Geef mij de hand, broeder! voor 't laatst, geef mij de hand.«
--»Ik zie het, Willem!« is het antwoord, terwijl hij den broeder de hand toesteekt en ze warm drukt. »Maar zie Ripperda! Hij zal sterven als een man: dat past ook ons. Laat de Spanjaard zich vrij door moord wreken; hij kon het niet in een eervol gevecht. Vaarwel, Willem, voor eene korte wijl.«
--»Floris! onze moeder, onze zuster!.... Zij zullen zich dood treuren, als zij hooren, hoe rampzalig wij zijn vergaan.«
--»God zal haar troosten, Willem! en sterven wij niet, omdat wij onzen plicht als Nederlanders hebben gedaan?«
Maar ternauwernood had hij het laatste gezegd, toen de scherprechter hem reeds op eene ruwe wijze beval, voor den zandhoop te knielen.
Op dat oogenblik was het gelaat van Horenmaker en Ripperda op de twee broeders gericht; ook Floris zag den Fries gedurende eenige seconden aan, en juist toen de beul het zwaard ophief om den doodelijken slag toe te brengen, hoorde men opeens den weergalmenden kreet: »Leve Ripperda!«
Opnieuw wilde Floris den uitroep herhalen; doch het staal werd opgeheven en de broeder zag den romp van zijn broeder. Twee seconden nog, en hij zag het niet meer.
--»Leve Ripperda!« liet het zich echter opnieuw hooren uit den mond van een der slachtoffers, een langen, kloeken Waal, die, onder Bernaards en Vardeur de zes ruiterspaarden in de stad had gebracht, en wiens oogen woest en wraakzuchtig in hunne kassen rolden. »Leve de Geus!«
Die kreet, met geestdrift, met verbittering en doodsverachting aangeheven, bracht een verschillenden indruk teweeg. Hij herinnerde aan den strijd op de wallen, in de mijnen,--den strijd bij een roemrijken uitval, den strijd tegen Spanjaarden, altijd met dien kreet vergezeld. Hij deed de borst der overwinnaars van gramschap zwellen; want er lag zoo schimpend en zoo uitdrukvol in opgesloten, dat die Ripperda, die daar den dood verbeidde, de man was geweest, door wiens volharding zooveel Spanjaarden vernield waren. Ook ontglipte het niet aan Romero, hoe het aanheffen van die krijgsleus een dof rumoer deed ontstaan onder het gele vendel, dat ten getale van vierhonderd daar stond en voor de slachtbank bestemd was.
--»Dat men dien rebel tot zwijgen brenge!« beval Romero; en als de spoedige uitwerking van dit bevel, bracht een der Spaansche soldaten den Waal een slag toe, terwijl hij er den verachtelijken uitroep bijvoegde: »voort, hond, en zwijg!«
--»Laffe bloedgier!« schreeuwde de Waal met donderende stem, terwijl zijne oogen vuurstralen schoten, »dat de hand rotte, die een soldenier van Ripperda slaat! Wat zou ik zwijgen? Spreken zal ik, zoolang ik nog adem in de keel heb. Ik ben een Geus: vivat Ripperda!«
--»De beul zal hem en u een reispas naar de geuzenhel geven,« zeide een soldaat met een schimpenden, kouden lach.
--»In de hel komen niets dan laffe moorders, zooals gij,« hernam de Waal. »De hemel is voor den dapperen Geus; leve Ripperda!«
Bij deze woorden rukte hij den geuzenpenning, die aan een blauw lint om zijne hals hing, af, en het eereteeken, zooals hij het noemde, hoog boven zijn hoofd houdende, wierp hij een onverschrokken blik op Ripperda, terwijl hij met krachtige stem uitriep: »Mijnheere Ripperda! een soldaat van 't gele vendel veracht den dood! Maar geen Spaansche beul zal dit eereteeken besmetten, terwijl ik het draag.«
Nu wierp hij het lint en den penning van zich af, eer een der soldaten het kon beletten. Vervolgens knielde hij voor den zandkuil neder, alvorens de scherprechter hem dit beval, en toen andermaal den mond openende, riep hij op krassenden toon: »Vervloekt zij duc D'Alf, de bloedgier met al zijne beulen! leve Ripperda en zijne dappere soldeniers!«
De Waal had voor het laatst gesproken, voor het laatst, bij zijne doodsverachting, zijn gloeienden haat op de Spanjaarden lucht gegeven; het staal had hem voor altijd tot zwijgen gebracht.
Er lag in die kreten iets zielsverheffends voor den Fries. Maar hoeveel pijnlijks, hoeveel verscheurends lag er tevens in de foltering om hem den dood van zoovele zijner wakkere soldaten te doen aanschouwen. Door geen enkel woord of teeken verried hij de bewustheid, dat Frederik door dit schouwspel zijn lot zoo tienvoudig verzwaarde. Ripperda was te groot om zijn vijand een enkelen zweem van smart te vertoonen, maar meer dan eens kwamen tegen Horenmaker, half hoorbaar de woorden van zijne lippen: »Iedere zwaardslag van den beul vaart ook mij door den hals. Horenmaker! kwam maar de beurt aan mij?«
Maar niet slechts, dat ieder slachtoffer, hetwelk daar den hals boog, hem schokte, ook het gansche tooneel van rondom moest iedere gevoelige zenuw doen trillen, de ziel verscheuren. Haarlem gevallen! reeds dat was ontzettend; maar in dat Haarlem een moord te zien bij het heldere licht des daags, onder den brandenden gloed der zon.... dat riep tot den hemel om wraak.
Welk een tooneel! Die gevangenen, die nog kort te voren den Spanjaard verdelgden, als offerdieren voor het slachtmes, eene lange rij te zien vormen,--hunne broeders naar den kuil of de galg te zien slepen, met de afschuwelijke en dreigende gebaren, dat een zelfde lot binnen weinige minuten ook hen wachtte. Mijn God! moest dat het loon wezen voor eene verdediging van zooveel maanden? Moest het beulszwaard de lauwerkrans wezen voor het gelegde fondament van Holland's vrijheid en onafhankelijkheid? Hier dringt een vader zich door de Spaansche soldaten heen, en valt een zoon om den hals, dien men ruw van hem afscheurt. Daar snikt eene zuster achter den broeder, tot wien men haar den toegang verspert, zoo luide en zoo wanhopig, dat ook den broeder, die zich poogt te verkloeken, de tranen uit de oogen springen. Ginds werpt eene moeder zich voor de voeten van een Spanjaard en smeekt hem op den hartroerendsten toon, dat hij haar toelate om den zoon, dien men weldra zal vermoorden, nog het laatst vaarwel toe te roepen. Wat verder wil eene vrouw met een half uitgeteerden zuigeling op de armen zich door het midden van eenige ruiters den weg tot haren man banen; maar die ruiters omsingelen de rampzaligen, en dreigen haar onder de hoeven hunner paarden te vertrappen. Ook is het reeds te laat, ongelukkige vrouw! Zie! boor met uwen radeloozen blik door die dichte rijen heen; hij, aan wien gij u knielend wilt vastklemmen, knielt reeds voor den zandhoop; hij, wiens tranen gij wilt zien storten, stort reeds zijn bloed; de dappere geus is niet meer.
De zwaarden heffen zich onophoudelijk in de hoogte, de koord worgt onophoudelijk de slachtoffers. Hoeveel verschillende uitdrukkingen van het menschelijk gemoed op het gelaat! Hier ziet men er een, die wezenloos, voor geen belang meer vatbaar en reeds gestorven schijnt, eer hij den doodelijken slag ontvangt. Ginds drukt er een de vrees van zijn gemoed uit: zijne oogen zijn wijd opgesperd, als wilde hij het beeld der verschrikking nog nader leeren kennen; zijn mond opent zich; stijf en met doodsbleeke wangen ziet hij terug, en zijne gestalte krimpt ineen, alsof hij een bliksemstraal de lucht ziet klieven, vreezende dat die hem treffen zal. Een ander, wien de dood geen schrik aanjaagt, doch die geene woorden heeft voor zijne diepe verachting, wendt het lichaam trotsch af en werpt een zijdelingschen, honenden blik, waarin het vuur van den haat als eene gloeiende kool brandt. Sommigen knarsen op de tanden, als wilden zij er hunne beulen mede verscheuren; uit anderer mond klinkt vloektaal, een half krankzinnig gelach, een wanhopig gebrul, of zij heffen dreigend de vuisten op en trachten nog tegen te worstelen. Sommigen wringen vertwijfeld de handen, en vernederen zich, om hunne beulen op den roerendsten toon eene genade af te bidden, die zij weten, dat hun toch niet geschonken zal worden. En onder dat alles hoort men nu en dan de Spaansche bevelen, het gebriesch der paarden, wier ruiters voortdurend heen en weer rijden, om mannen, vrouwen en kinderen terug te drijven, en waar enkele Spanjaarden zich een medelijdend woord over het lot van zooveel rampzaligen laten ontvallen, daar klinkt hun de spottende taal hunner makker in de ooren: »Bij San Jago! er blijven nog geuzen en ketters genoeg in dit land!«
Nagenoeg honderd der gevangenen zijn reeds omgebracht, en de armen der scherprechters schijnen vermoeid te worden van de onverpoosde strafoefening. Ofschoon Horenmaker nog voortdurend eenige woorden met zijn heer wisselt, ontglipt het niet aan zijne aandacht, dat Frederik aan Johan van Otensee een teeken geeft, en dat deze vervolgens met de hand op Ripperda wijst.
--»Het wordt onze beurt, heer!« zegt de luitenant, op kalmen maar veelbeteekenenden toon. »Ik bedrieg mij niet; de satan wenkt en zijne dienaren zijn gereed.«
--»Ook ik ben gereed,« zegt Ripperda op vasten toon, »gereed om te sterven, gereed om mij te verantwoorden bij God, en zoo de Spanjaard een Haarlemmer laat leven, dan zal deze mij verantwoorden bij Oranje.«
--»Hoe gansch Holland schreien zal over Haarlem's ramp!« herneemt Horenmaker; »maar hoe ook gansch Holland wee roepen zal, dat Ripperda, die zich niet behoeft te verantwoorden, gevallen is door de hand van den beul. Maar daar nadert Romero! Ja, het wordt onze beurt! o God, dat ik den dood niet aanschouwe van mijnen heer!«
--»Wigbolt Ripperda!« klonk het nu opeens, en het was, alsof die naam door Romero uitgesproken werd. Waarom klonk deze? Geen der namen van al de andere slachtoffers was over de lippen gekomen; was het nog eene schaduw van hulde aan den bevelhebbersrang? Was het eene rechtstreeksche beschimping, omdat hij, die den gewichtigen rang van bevelhebber bekleed had, daar nu weerloos stond, van allen rang ontbloot en vernederd als de minste soldenier van het gele vendel?--Wij weten het niet; maar hij klonk en er heerschte eene zichtbaar meerdere beweging onder de gevangenen en de Spanjaarden, als waren allen te midden van het bloedtooneel nog nieuwsgierig, hoe de val zijn zou van dien eik, die het sieraad was van het bosch.
--»Vaarwel, Horenmaker!« zeide Ripperda, »de beurt is aan mij.«
--»Ja, het is geen droom,« sprak Horenmaker. »Het offer wordt geëischt: vaarwel, vaarwel!«
--»Vaarwel, trouwe vriend! kort is de strijd.«
--»De borst wordt mij verscheurd, groote God! ik kan niet meer.«
--»Moed, moed, mijn vriend!«
--»Die val, die slag is te zwaar!«
--»Niets is te zwaar, als God het wil! vaarwel, trouwe vriend; sterf als ik, met het oog omhoog; sterf als held, die voor vrijheid, godsdienst en burgerstaat gestreden heeft.«
Opeens rukt Ripperda zich nu los uit de hand, die nog eerbiedig, maar gloeiend koortsachtig de zijne drukt; want een anspessado en vier soldaten treden op hem aan; men vrage niet waarom. Op dat oogenblik houdt Johan van Otensee een strak oog op Ripperda geslagen, en deze ziet ook hem aan; maar dat is vluchtig; plotselijk wendt hij de oogen naar Verdugo, en zijne stomme taal schijnt te zeggen: »Denk om Asinga, mijn broeder; red hem!«
Hetgeen Hasselaar in het Zijlklooster aan Boreel beloofd had, had hij nagekomen. Nog denzelfden avond voor den dood van Ripperda, was Anna, met toestemming van des vaandrigs moeder, naar diens woning overgebracht geworden. Daar was inderdaad eene goede schuilplaats achter het woonvertrek; want eenige jaren geleden had zij daar een bedreigd predikant,--denzelfden, bij wien Hasselaar in Leiden het hoofd had gestooten--verborgen gehouden. Op de bede van Anna, die weder langzamerhand van haren vorigen schok hersteld was, had Boreel er in toegestemd, insgelijks in het huis van den vaandrig te blijven.
In dat huis verbeidden nu allen het lot, dat over hen besloten was, moedig voor zooveel het hun zelven betrof, neergeslagen over het vonnis, dat aan Ripperda zou volvoerd worden.
--»Is hij niet te redden, dan wil ik toch het uiteinde van den grooten man, van hem alleen, aanschouwen,« had Hasselaar gezegd, en met Boreel zich in het vertrek begeven hebbende, van waar men het gezicht op Ripperda had, sloegen zij nu en dan op dezen een blik. Ten laatste toen Ripperda naar den zandhoop wordt gevoerd, vermant zich Hasselaar weder om door de vensterreet te gluren, en--klopt zijne borst met hoorbare slagen. Snel wendt hij echter het oog af, en Boreel met de hand aanrakende, zegt hij op diep bewogen toon: »o God! zijn uur heeft geslagen; geene redding meer.«
--»Neen, geene redding!« zegt Boreel, »zijn dood staat vast. Eene rilling grijpt mij aan, Hasselaar! Ik waag den blik niet op hem. Maar wat ziet uw oog?«
--»Ontzettend gezicht!« herneemt de vaandrig, »twee soldaten met een anspessado leiden hem voort. Zij treden aan op den dichtstbij zijnden zandhoop. Nog eenige voetstappen en hij is er O Ripperda! trotsch en onbevreesd gaat hij voort; zoo streefde hij naar den wal!«
--»Hem.... zulk een lot!« roept Boreel op den toon der diepste smart. »Waarom mocht hij niet vallen door het lood! Och, of ik hem redden kon!«
--»Het kon niet; want zoo het kon, ik gaf mijn leven voor het zijne,« zegt Hasselaar, en andermaal tuurt hij naar de strafplaats, terwijl al zijne polsen onstuimig kloppen.
--»Zie hem, zie hem aan,« vervolgt hij, »verkloek u, Boreel! Het moet iets groots zijn, een man als hij in den dood te zien gaan; en toch breekt mij 't hart.«
--»Neen, mij faalt de moed,« zegt Boreel; »mijne ziel wordt verscheurd, terwijl mijn bloed kookt. Hasselaar! is hij reeds gevallen? Hoor! hoort ge dien kreet: Ripperda--triomf!«
IJlings wendt Hasselaar het gelaat weer naar de markt; want ook hij hoort dien kreet. Hij ziet, hoe Frederik en Romero strak en onbeweeglijk het oog op Ripperda houden geslagen, en hoe Johan van Otensee nog eenige schreden dichter op hem aantreedt,--hoe ook hij hem met half ontsloten mond en doorborend oog aanstaart, als wilde hij tot in de schuilhoeken van Ripperda's ziel indringen, en waarnemen, of geen enkele schok die zuil trillen doet. Maar met opgeheven aangezicht en in rechtstandige houding is Ripperda voortgegaan; en het is, alsof er een nieuwe blos op zijne wangen komt, terwijl hij rustig en onverschrokken voor den zandhoop stand houdt.
--»Hoe 't mij bang wordt in de ziel!« zegt Hasselaar, terwijl hij een kille hand naar Boreel uitstrekt. »Eene huivering vaart mij door de leden. Hij knielt; groote God! Ripperda knielt: eenige seconden nog en--het is met hem gedaan.«
--»Met hem gedaan!« roept Boreel. »Geen wonder redt hem! God! erbarm u zijner: strek de hand naar hem uit.«
--»Neen, vergeefs, te vergeefs!« roept Hasselaar met een overkropt gevoel. »Hij moet sterven, sterven.... zijn bloed zal stroomen door de hand van den beul. Weg, weg van hier; ik kan niet meer: het breekt mij de ziel!«
Snikkend rukt zich de jongeling van het venster; hartstochtelijk grijpt hij de hand van Boreel, en op die hand stroomen heete tranen neder. Te veel was het voor zijn onversaagd, maar toch zoo gevoelvol hart, den moord te aanschouwen van een man als Ripperda.
Maar vele anderen zagen het, en Johan van Otensee wilde het zien. Terwijl op weinige schreden afstands Lodewijk Horenmaker op het punt is, door het staal te vallen, en terwijl in Ripperda's oogen hetzelfde vuur van moed en onbezwekenheid gloeit, als waarmede hij zoo dikwijls den Spanjaard te keer ging, laat zich opeens de kreet hooren: »Leve de Geus! Ripperda triomf!«
Weergalmend klinkt het zoo op het oogenblik, dat de Fries de knie buigt, en onbeschrijfelijk is het contrast van dien geestdriftvollen kreet met het nare tooneel van rondom. Ripperda geknield,--Ripperda, die nooit de knieën boog dan voor God! Ripperda met de handen samengesloten--Ripperda, die de hand slechts aan het rapier sloot om 's vijands macht er mee te knotten. De leeuw, knielende voor den jakhals; de adelaar buigende voor den gier. Maar Ripperda knielt en buigt voor den Hemel; maar Ripperda vouwt de handen voor God; maar Ripperda slaat den blik op zijn Schepper; zijne lippen bewegen zich, en voorzeker stamelen die lippen: »Ik sterf, omdat ik het heil beoogde van mijn vaderland: o God! red Nederland, voor welks redding ik Haarlem verdedigd heb; ontvang mijn geest!«
Opeens verheft zich een bloedig zwaard. De lotgenooten huiveren; want dat zwaard doet een hoofd vallen, waarvan het gelaat nog kalm en onverwrikt blijft, zooals het een soldaat past, die een braaf en dapper leven met een edelen dood heeft bezegeld; want Wigbolt Ripperda van Winsum is de schrik van den Spanjaard niet meer.
De indruk van Ripperda's dood op de overige gelederen van het gele vendel was diep maar kort. Hoe kon het ook anders? Geen oogenblik verpoozing had er plaats gehad met het onthoofden en ophangen van hen, die reeds zoovelen hunner broeders hadden zien sterven: reeds was Horenmaker, moedig, onverschrokken, naar het voorbeeld van zijn heer, in den dood gegaan: reeds was ook een predikant van Steenbach, Willem van Lubeck, door de koord omgebracht en opnieuw zag men de lange rij dunnen; opnieuw zag men een tooneel van vruchteloos gekerm, wanhoop, gegil.