Het beleg en de verdediging van Haarlem, in 1572-1573 (deel 3 van 3)

Part 18

Chapter 183,941 wordsPublic domain

--»Ja, Goddank!« zeide Van Duivenvoorde, »ik mistrouw het woord van Venavides niet; ware ieder Spanjaard hem gelijk, ik zou geene donkerheid voor Haarlem tegemoet zien. Maar dat wij den moed niet laten slippen. Boven ons leeft de Heere, de rots van ons vertrouwen.«

Alvorens Van der Laan met Van Duivenvoorde; schoon te vergeefs, Haarlem's heldin kwamen smeeken, eene schuilplaats aan te nemen, bevond zich Ripperda alleen in zijne woning; want Asinga en Horenmaker hadden hem op zijn verzoek verlaten.

--»Ik moet alleen zijn met mijne smart, met mijne felle grief,« sprak hij. »Groote God! het is dan uw wil, dat Haarlem zal overgaan na zeven maanden moeds en volharding? O, laffe Duitschers, doof voor de stem der eer! uw naam zal met eene zwarte kool aangeschreven worden. Waarom ben ik niet gestorven, eer dit rampzalig uur sloeg? Mijn God en Oranje! het hart breekt mij; deze slag is te zwaar!....«

Een paar malen stapt hij het vertrek op en neder met al den weedom eens vaders, wiens zoon dicht bij hem met den dood worstelt. Daar viel zijn oog op zijn bevelhebbersstaf, op den gebroken roemer en eene daarbij liggende munt. Op die in Haarlem geslagene munt vertoonde zich het beeld eens mans, de ontvleesde hand in wanhoop naar het hoofd brengende, de andere uitstrekkende naar een doodshoofd en twee doodsbeenderen.

--»Maar, Ripperda!« sprak hij, »wees gelaten, zooals het den man past, en berust in Gods wil. Deze munt zal onder de oogen van het nageslacht komen, en dat nageslacht zal niet behoeven te vragen, wat bange nood er verduurd is voor 's lands vrijheid; het zal niet behoeven te vragen: zou in Haarlem de nood wel tot aan de lippen geweest zijn?--En deze gedachte troost mij--de Spanjaard wint Haarlem niet; Haarlem bezwijkt door den honger.«

Daar hoorde hij de klok half negen ure slaan.

--»Die klank is doffer dan het holle geluid, wanneer bij het opene graf de eerste schop aarde op de doodkist neerploft!« riep hij uit. »Een halfuur nog; ontzettend denkbeeld! dan zullen de dapperen, die zoo dikwijls het rapier ophieven, dat rapier ontgespen voor den vijand; dan zal men het zwaard afleggen, waarmee men zich den uittocht had kunnen banen, zoo de laffe Duitschers het niet liever in de scheede hadden gelaten. Maar mijn rapier! nooit zal de hand van een Spanjaard het aanraken! geen hand dan die van een Fries voere het!«

Vervolgens trad hij naar het gele vendel, dat in een hoek van het vertrek stond, en zich herinnerende, hoe menigmaal het getuige van 's vijands nederlaag was geweest, riep hij uit. »En nooit zult gij beschimpt of bezoedeld worden: de vendels der Duitschers en Schotten mogen in 't slijk vertrapt worden, maar op 't gele vendel van Ripperda zal geene smet kleven nu of ooit.«

--»En dit bewijs van het in mij gestelde vertrouwen,« ging hij voort, een blik op den halven roemer werpende, »mijn prins! ik heb aan uw bevel gehoorzaamd. Dat vrij de vijand het in handen neme! Nooit heeft Ripperda voor de overgaaf gestemd en--Haarlem is niet door den Spanjaard verwonnen, Haarlem bezwijkt door den honger.«

--»Nog een halfuur!« herhaalde hij, en ging andermaal het vertrek op en neer, toen er aan de deur werd geklopt, en bijna te gelijker tijd de onbekende binnentrad.

--»Ripperda!« zeide deze op driftigen toon, »weldra zullen de mannen van Babel in de vest stormen; de Antichrist zal baden in ons bloed. Gij zult sterven en ook ik; maar zouden wij ons weerloos laten slachten? Op! Aan den geloofsheld voegt heldenmoed tot het laatst: verzamelen wij eenige kloeke mannen, en verdedigen wij ons leven en het heilig geloof tot den laatsten druppel bloeds.«

--»Ons dus te weer stellen als wanhopigen tegen den Spanjaard?« vroeg Ripperda, hem strak doch bedaard aanziende, »door die roekeloosheid 's vijands verbittering aanvuren, om de stroomen bloeds te zien vergrooten? Neen! gij kent mij niet. Moed en volharding wilde ik tot het laatst, maar moed en volharding van allen--geen roekeloosheid of dolheid! Haarlem zal nu weldra onder Gods toelating in de hand van den Spanjaard zijn; thans past het ons, het ons beschoren lot kloekhartig af te wachten, en met onverzwakten moed het hoofd omhoog te heffen.«

--»En dus weerloos sterven--onder schimp en hoon op het zuiver geloof, waarvoor wij zoolang gekampt hebben?«

--Maar gij kunt immers het lijf behouden?« hernam Ripperda, »één woord, zegt gij, kan u het leven redden, zonder dat gij het behoeft af te bidden. Sla dus dien weg in, en blijf leven voor den dienst van den prins en voor de vrijheid, waarvan Haarlem het fondament heeft gelegd.«

--»Nooit!« was het antwoord; »gij wilt uw leven niet vragen, omdat gij een Fries zijt; ik wil het den Spanjaard niet te danken hebben, omdat ik.... maar gij weet het, Ripperda, waarom: ook Oranje weet het. Niets wil ik verschuldigd zijn aan een naam, die oneer op mij wierp, die mij verstiet, met verachting belaadde en vervolgde. Het leven ja, kan ik koopen, maar.... ik huiver.... ook schimp, smaad en verguizing over een geloof, dat uit God is. Dat dulden uit den onheiligen mond van een Spanjaard? neen! liever den dood!....«

Op dat oogenblik hoorde men het somber, luidruchtig gewoel op straat nog toenemen. Hier was het alsof er eenige lijken naar het graf werden gedragen, waarbij sommigen eene stille onderwerping aan den dag legden, doch anderen een zwaarmoedig of wanhopig geklag lieten hooren. Ginds weder was het een rumoer als bij een hevigen losgebarsten brand.

Vreeselijk toch waren de oogenblikken voor Haarlem, terwijl de afgevaardigden met den vijand onderhandelden. Hoop, vrees, angst, wanhoop en zooveel andere gewaarwordingen woelden, worstelden in zoo menige borst; doch zoo razend was de honger der meesten, dat de gedachte, weldra voedsel te zullen erlangen, vele denkbeelden versmoorde, dat men het donkerst lot niet met schrik te gemoet zag, wanneer slechts de zwaarste der folteringen--de honger ophield. Maar.... weldra kwamen de afgevaardigden terug; spoedig daarop werd door den magistraat bekend gemaakt, dat, volgens overeenkomst met den Spanjaard, de wapenen der bezetting op het stadhuis moesten gebracht worden, dat het luiden der klok daartoe het teeken zou wezen, en dat de bezetting bij het overgeven der wapenen dan ook te gelijker tijd zou vernemen, welke bepalingen van don Frederik zij thans zou hebben op te volgen.

En hoor! nog geen halfuur is verloopen, of door gansch Haarlem klinkt reeds een dreunend, dof geluid.--Het is de klok der St.-Bavo'skerk. Het zijn geene alarmtonen, die weleer de burgers naar de wallen deden snellen: het zijn geene kerkklokstonen, die de inwoners naar den tempel roepen. Het zijn holle, sombere grafgeluiden; want daarginds op het kerkhof heeft de doodgraver een graf gegraven; het is het groote graf voor Haarlem.

Of weet gij het nog niet, grijsaard, die daar op het ziekbed met twee vijanden, met den honger en den dood kampt, weet gij nog niet, dat de afgevaardigden teruggekeerd zijn? Gij zijt er nog onbewust van?--Wat zou het u ook baten, het te weten? Het zou uw doodstrijd wellicht nog banger doen zijn. Maar duizenden weten het toch. Dat klokgebom roept allen, die zoolang en zoo moedig streden naar het stadhuis om er de wapenen af te leggen. Verpletterend vonnis voor helden; maar het moet! zoo luidt het verdrag, neen, zoo luidt reeds het bevel van den vijand na het verdrag. Ontwapend gaan zij, op bevel, naar het Zijlklooster, de vrouwen en kinderen naar de St.-Bavo's, de hulptroepen naar de Bakenesserkerk, en naar die kerk gaat ook Ripperda; want zoo luidt het bevel na het verdrag; de eik is voor de scherpe bijl gevallen; Haarlem is de stad van Oranje niet meer; zij is in de macht van den Spanjaard. Maar die Schotten en Duitschers, die weerstrevers van Ripperda's heldenbesluit: zij treden geen klooster, geene kerk binnen; nog dragen zij het rapier; zij betreden den wal. Wie geeft hun dit bevel? Wie verleent hun die gunst? Is het de prijs van hun verraad? Zij moeten wellicht die wallen bewaken; want Frederik's soldaten vlammen reeds op den buit binnen Haarlem; en die buit is afgekocht voor het bloedgeld van uitgeputte burgers. Dat gesloten verdrag zal Frederik dus niet schenden; wellicht verheugt hij zich zoozeer, den hertog eindelijk Haarlem's val te kunnen melden, dat hij zich jegens Haarlem edel zal gedragen. Zie! daar voeren zelfs zijne soldaten wijn en brood binnen de vest, om de uitgehongerden te laven en te voeden. Dat brood wordt rondgedeeld; die wijn wordt rondgeschonken; het hongerspook wordt op de vlucht gedreven door den overwinnenden veldheer. Wie heeft dan nog te vreezen, dat hij geene genade zal bewijzen? Wie te sidderen, dat hij morgen diegenen moorden zal, die hij thans voedt? Voorzeker, Steenbach! gij moet geene logentaal hebben gesproken, toen gij zeidet, dat de vijand met eerbied was vervuld over Haarlem's onbezwekenheid. Gij allen, die Ripperda's besluit weerstreefdet, gij hebt wel een voorgevoel gehad van 's vijands genade; gij hebt voorzeker eene verstandige keus gedaan, dat gij u niet prijs gaaft aan een schier gewissen dood!

Rampzaligen! Weet gij dan niet, dat de luimende kat vaak met de betrapte muis haar bedrieglijk spel speelt? Weet gij niet, dat de tijger zijn slachtoffer soms op eenigen afstand van zijn klauw laat en de hoop geeft, het niet verder te zullen aangrijpen? Maar valsch is dat spel, schijnbaar die genade: dat spel is de dood--die genade de moord.

TWAALFDE HOOFDSTUK.

Het was Dinsdag de veertiende Juli. De zonnehitte gloeide, en toch lag over de stad eene tint, als had er eene zonsverduistering plaats, die kwaadvoorspellend, de harten met schrik en ijzing vervulde.

Eene geruststelling heerschte echter bij sommigen--de afkoop der plundering voor tweemaal honderd en veertigduizend gulden.

Met de aansporing om daarvan onverwijld eene ton op te brengen, bevond zich nu Philippus van der Mathe in het Zijlklooster. Ook gisteren was hij er geweest; toen had hij aan iedere drie man een brood doen uitdeelen, had hun vermaand om de som te verzamelen, ten einde de plundering te voorkomen, had hun zelfs de vrijheid gegeven om naar hunne huizen te gaan, mits des Dinsdags terugkomende en--die Dinsdag was gekomen.

Zie hem daar in het bijzijn van Romero--als commissaris van don Frederik, na de overgave der stad. Zie hem daar, vroeger burger van Haarlem, thans dienaar van Spanje, vroeger burgemeester der stad om voor haar welzijn te waken,--thans bode, afgezant van don Frederik om het laatste bloed der burgers uit te zuigen. En toch bloost hij niet, al rust daar zijn oog op een ganschen magistraat, in wiens midden hij weleer zat,--al ziet hij op Van der Laan, Van Vliet en zooveel anderen, voor wier oogen hij als verrader daar staat; want die blos op zijn gelaat is de blos der gezondheid, die het genot verraadt van spijs en drank, en die scherp afsteekt bij zooveel muurbleeke aangezichten, waarop het gebrek zijn sporen heeft gedrukt. Het is waar, Van der Mathe's toon is niet die van den overmoed, hij is vriendelijk, minzaam, zacht als fluweel, waar hij genade belooft,--vol innemenden nadruk, waar hij van de hooge noodzakelijkheid rept, om de bloedsom toe te tellen,--vol zachte klem, waar hij gewaagt van zijn wil om voor Haarlem te doen, wat hij vermag. Maar geen zijner woorden kan de verontwaardiging uitblusschen, die in de ziel van Kies, van Stuiver, van Van Duivenvoorde blaakt; en al konden ze dit voor eene wijl, dan was een blik op Romero reeds genoeg om Van der Laan en zooveel anderen te doen uitroepen: »mistrouw ook het lam, wanneer het, in verbond met den wolf, zoete taal voert.« Of wilde die Romero ook alles voor het welzijn der stad? Die Romero van Naarden, die onstuimigste bestormer van de wallen, dien Hasselaar een oog heeft ontnomen,--die Romero met de vlam van haat en wraak in de borst? Welk eene zending! Van der Mathe en Romero om de burgers met genade te vleien. Van der Mathe de verrader--Romero de wreker.... dat is nog pijnigender voor het gevoel dan de honger.

Maar toch--Van der Laan heeft gesproken als de tolk van Haarlem, gesproken met Romero en Van der Mathe; ook geheel de magistraat heeft beloofd, dat tot den laatsten penning de bloedsom zou voldaan worden, en hij heeft meer beloofd dan hij kon, alleen om eene onderhandeling te verkorten, waarbij hij gloeide van verachting, en waarbij de zelfbeheersching van Van der Laan werd vereischt, om de vlam niet naar buiten te doen uitslaan.

--»Men zegge niet, dat de honger het scherpst vlijmt,« zeide Hasselaar, nadat Romero en Van der Mathe het klooster weder verlaten hadden, »feller vlijmt het, de woorden te moeten hooren van een verrader als hij. O, hoe mij de lust zou hebben bekropen, Boreel! om dien Romero het licht geheel uit te blazen, wanneer ik voorzien ware geweest van mijn goed musket. Zaagt gij niet, hoe hij het tijgeroog op mij sloeg?«

--»Ik heb niets gezien dan den verrader,« antwoordde Boreel. »Zijne zoete woorden van genade waren ravengekras in mijn oor. En mijne arme Anna, hoe zal het haar zijn? Geen wapen meer om haar te verdedigen, beroofd van mijn rapier--gij allen, ook ik; dat grieft mij ter dood.«

--»Genade beteekent moord,« sprak Pellikaen; »eerst het bloedgeld opgebracht, en dan in het bloed gesmoord,--dat zal ons lot zijn. Gevangen en geen wapen meer; ja veel beter is de dood.«

--»Ik heb mijn musket nog,« zeide Hasselaar, »het musket, waarmede ik Romero heb getroffen: het wapen, dat ik op het stadhuis bracht, was het verroeste zinkroer van een gevallen Duitscher. Mijn musket geef ik in eeuwigheid niet over. Maar gij zijt diep verslagen, Boreel! gij, nog korts zoo groot, nu zoo klein; courage, mijn vriend, in de donkerheid.«

--»Niet om mij zelven, maar om Anna Hasselaar! Wie zal haar tot schut zijn, als de ellendige Stompwijk de hand aan haar slaat? De toekomst pijnigt mij slechts om haar.«

--»Moed!« hernam de vaandrig; »zoo de kans het gedoogt, breng ik haar in mijn huis; daar is een goede schuilplaats, waar geen oog haar vinden zal.«

--»Mocht dat waar wezen--ik zou mijn lot tarten en vol moed zijn. Maar wie is ons borg, dat wij dit convent verlaten anders dan om in den dood te gaan?«

--»Borg niemand,« zeide Van der Laan met waardigen ernst, »maar toch is er hoop op den bijstand van God, en die hope is groot. Gij hebt gehoord, mijne vrienden, dat eenigen van ons benoemd zullen worden om nog dezen dag de gelden in de huizen der burgers op te halen. Misschien valt die keuze ook op mij; en zoo de som kan worden bijeengebracht, dan twijfel ik niet of gij allen zult dit convent verlaten; en ik zal God bidden, onverpoosd, dat Hij mij in staat stelle om veel te doen tot uw nut. De graaf van Bossu is mij niet ongezind; ik heb groote hoop, en zoo ik slechts eenige redding kan aanbrengen, dan geef ik met vreugd mijn laatsten penning den Spanjaard in hand.«

Dat waren bemoedigende woorden in het donker verschiet; want Van der Laan sprak ze, en men wist, dat zijn blik verre doordrong. Men berekende nu onderling, wat er met algemeene opoffering bijeengebracht zou kunnen worden, en--de hoop vermeerderde; in bange oogenblikken storten de harten zich vertrouwelijker uit; geheimen, die vroeger op den bodem van het hart lagen, wellen naar de tong, en de oogenblikken waren bang. Doch laat in het Zijlklooster de een zijn gevoel aan den anderen lucht geven; laat hen hopen en vreezen, en wend den blik naar buiten. Daar zien wij de straten, door de burgers ontledigd, met Spanjaarden bezaaid. Dat is don Frederik, die daar trotsch de stad binnenrijdt, dat is de graaf van Bossu aan zijne rechter-, dat is Stephanus Dijnara, de overste zijner tent aan zijne linkerhand. Op hen volgen Gonzales de Dracamonte, don Ferdinand, Valdez en anderen; te paard in prachtig uniform naderen zij de markt, en door gansch Haarlem weergalmt de Spaansche overwinningsmarsch. Ook de bisschop vertoont zich, en al de hooge geestelijkheid, de uitgewekenen keeren terug; allen, die verzekerd zijn, dat zij niet te vreezen hebben, omringen den bevelhebber, en het eerst heeft er een omgang plaats naar het nog ongeschonden Bagijnhof. Daar zal men den wierook ontsteken, daar zal men de heiligen danken voor de behaalde overwinning; want toch zal men in den mond der Spanjaarden overwinning heeten, wat niets meer is dan eene overgave van het gebrek.

Groot is inmiddels de teleurstelling van de Schotten en Duitschers, die de wallen bewaken; zij worden door Spanjaarden afgelost, en nadat ook zij hunne wapenen op het stadhuis afgelegd hebben, werden zij als gevangenen naar het St.-Catharina- en Ursula-klooster overgebracht. Op Frederik's bevel worden nu ook al de hoplieden en hulptroepen naar het Huis Ter Kleef gevoerd. Dat spelt hun een somber lot. En zie! is dat niet de voorbode van nog erger schending van woord en verdrag? Daar stormen reeds eenige soldaten de huizen binnen van hen, die in kerk en klooster worden bewaakt. Daar worden reeds kist en koffer opengerukt en met vlammende blikken naar grooter buit rooft en plundert men, terwijl zich van links en rechts laat hooren: »Haarlem is ons tot buit beloofd!«

Wij willen veronderstellen, dat die plundering van enkele huizen, in weerwil van den geldelijken afkoop, niet aan Frederik, maar eerder aan de tuchteloosheid is te wijten van soldaten, die sinds maanden geene soldij hadden ontvangen. Maar was het evenzeer aan den moedwil der soldaten toe te schrijven, dat des anderen daags te negen ure de moord, de verdelging een aanvang nam?

Neen, dat was op bevel van Frederik; de tijger huichelde niet meer.

Op dien dag, den akeligen Woensdag, waarop de moord van Haarlem's verdedigers aanving, zag men van de Spaarnwouderpoort een ruiter door vier anderen gevolgd, de stad naderen. Reeds van verre toonde zijn trage rit, dat hij niet herwaarts kwam met het doel om een bedreigd slachtoffer te redden. Wie was die ruiter? Hij nadert al meer en meer: het paard, dat hij berijdt, is fraai, een corredor--een harddraver, van Spaansch ras, die meer geschikt schijnt voor een krachtvol jongeling dan voor een man van vijf en zestigjarigen ouderdom. Toch toont hij duidelijk, dat hij in behendigheid en de kunst om een vurig ros te beheerschen, voor den meestgeoefenden ruiter niet behoeft te wijken. Hij nadert nog meer, zie die lange, schrale en toch edele trotsche gestalte, dat bleek en streng, bijna barsch gelaat, welks voorhoofd met rimpels is beploegd; herkent gij hem niet aan dien adelaarsneus, die holle, levendig flikkerende oogen, door zware vale wenkbrauwen overwelfd, aan die korte rosse haren en dien langen puntigen baard, welke eene belangwekkende uitdrukking aan dat trotsch ernstig gelaat bijzetten? Zijn hooge rang wordt verraden door zijne prachtige hemelsblauw fluweelen kleeding met gouden borduursel versierd: zijn aan de eene zijde rijk opgetoomde hoed is van hetzelfde fluweel, en doet den grooten geplooiden halskraag niet onbevallig uitkomen. Aan de rechterhand heeft hij een licht paarschen lederen handschoen, en houdt dien van de linker tusschen vinger en duim terwijl hij, in gesprek met de edellieden, die tot zijn gevolg behooren, er mede op Haarlem wijst. Die ruiter is de hertog van Alva.

--»Señor Valdez!« zegt hij kort en ernstig, terwijl hij op kleinen afstand van de Spaarnwouderpoort plotseling halt houdt, en zijn paard door een forschen ruk aan den teugel, doet steigeren. »Zeg aan den Maestro del Campo, dat ik hem hier verwacht, met den graaf van Bossu en señor Romero. Neem gij de plaats in van Romero.«

De latere belegeraar van Leiden, Valdez, maakt eene kleine buiging, doch waagt de vraag niet: »Rijdt gij dan niet binnen de stad, excellentia?« Hij gehoorzaamt; de poort, door Spaansche soldaten, niet meer door de dappere Haarlemmers bewaakt, wordt hem aanstonds ontsloten, en de prachtig gekleede ruiter blijft met de overigen terug. Een van deze is Pedro de Venavides, de andere Johan van Otensee en de derde Verdugo, de latere stadhouder van Groningen. Maar de hertog schijnt zich weinig om hunne tegenwoordigheid te bekreunen en rijdt in gepeins op en neer, terwijl hij half verstaanbaar mompelt: »Vijf duizend door het rapier! meer dan zes duizend door ziekte of ontbering! Koning van Spanje! Haarlem's val kocht gij duur!«

Terwijl 's hertogs voorhoofd nog meer rimpels, zijn holle vurige blik nog donkerder gloed aannam, en hij streng maar toch met trotsch welgevallen het gezicht naar de stad keert, verschijnen don Frederik, Bossu en Romero, te paard en in sierlijk gewaad, evenals hield men daar binnen Haarlem geen St.-Bartholomeusnacht, maar als vierde men er een plechtig feest, tot welks bijwoning zij hem plechtstatig komen uitnoodigen.

--»Op mijne eer!« fluistert Frederik den graaf van Bossu in het oor, »dat wij onze woorden wegen; want mijn vader zal het de zijne doen.«

--»Al naar de zin het vereischt, señor!« zeide Bossu; terwijl hij evenals don Frederik den Spaanschen hoed licht en voor den hertog eene kleine buiging maakt.

--»Señores!« zeide Alva, hunnen groet schier onmerkbaar beantwoordende, en duidelijk door zijn toon te kennen gevende, dat hij vooral thans tot zijne gewone manier van korte en deftige uitdrukkingen geneigd is, »gij wilt mij wel rond Haarlem vergezellen en mij schetsen, hoe het inwendig gesteld is? Dan bespaart gij mij de moeite, de stad in te rijden, daar mijn tijd kort is en kostbaar.«

--»Welke zijde verlangt gij eerst te bezichtigen, excellentia?« vroeg Frederik, welke hem nooit met monsennor of vader maar steeds op de gezegde wijze aansprak, wanneer er anderen bij tegenwoordig waren.

--»Waar de meeste dapperen zijn gevallen,« antwoordde de hertog, op een streng bitteren toon, als waarin alleen reeds voor den Maestro del Campo voor Haarlem een verwijt opgesloten lag.

Frederik gevoelde den doorn in deze woorden, en hetzij dat wrevel hem het antwoord ingaf, hetzij hij Alva wilde behagen zoo zeide hij: »links dan of rechts, excellentia! want de dapperen vielen van rondom.«

--»Rechts!« zeide Alva, die op dat oogenblik met het front naar de Spaarnwouderpoort stond gekeerd, en terwijl zijn oog eene nog donkerder uitdrukking aannam, wendde hij den teugel naar dien kant en reed nu een paar schreden vooruit langs den buitensingel, zoodat hij de Papetorensvest aan de linkerhand had.

--»De serpentijnen hebben hier het meeste kruit niet gespild,« zeide Alva, terwijl hij het oog sloeg op den Papentoren, een der grootste tusschen de poort en de Catharijnebrug of het begin van 't Noorderspaarne.

--»Maar daarginds des te meer,« was het antwoord op dit nieuwe bittere gezegde.

--»Gespild, ja; dat is het woord,« zeide Venavides in zich zelven, die schoon eenige passen achteraan rijdende, alles hooren kon en scherp luisterde, »gespild, ja; want Haarlem is niet gevallen door kruit of rapier.«

De tijdelijke over het Noordenbuitenspaarne gelegde brug overgereden zijnde, bereikte men weldra de schansen, waaruit het geschut zoo vaak op de Jans- en Kruispoorten en de ravelijnen gebeukt had. Alva kortte den teugel, wierp een blik op de in puin herschapene vesten; maar evenals wierd zijne gramschap er door opgewekt, dat zijne invincibles en immortales--onverwinnelijken en onsterfelijken--door de menigvuldige bressen zich niet met geweld den weg in de stad had kunnen banen, zoo keerde hij zich om, sloeg de oogen op het Huis Ter Kleef en liet ze vervolgens eenige seconden met eerbied op het klooster der Regulieren rusten.

--»Volgens mijn wil hebt gij dit convent verschoond,« zeide hij, »maar wat heeft de rebellen en ketters daartoe genoopt?--Zij hebben toch de onzalige hand gelegd aan zoo menig gesticht van de heilige kerk binnen de stad.«

--»Dat heeft het klooster aan de gansche burgerij en aan burgemeester Van der Laan te danken; die vrome kloosterbroeders waren in Haarlem altijd zeer bemind,« antwoordde Bossu, die, schoon zijn naam met roode letters staat aangestipt, toch niet aarzelde, somwijlen ridderlijk het goede karakter van dezen of genen te doen uitkomen.