Het Auteursrecht in het Nederlandsche en internationale recht

Part 6

Chapter 63,615 wordsPublic domain

Op vele andere punten was het Ontw. Boekh. echter niet gevolgd. Nieuw was b.v.: het erkennen van een recht van op- en uitvoering voor muziek- en tooneelwerken (als gevolg hiervan werd niet meer van kopierecht maar van auteursrecht gesproken) en het toekennen van auteursrecht voor mondelinge voordrachten (art. 1); de beperking van het uitsluitend recht om vertalingen van een werk uit te geven tot slechts 5 jaar na de oorspronkelijke uitgave en dan nog onder voorwaarde, dat het recht uitdrukkelijk wordt voorbehouden en de vertaling binnen drie jaar verschijnt; (art. 5b en 15 2o); de berekening van den duur van het auteursrecht niet meer naar het tijdstip van overlijden des auteurs, maar naar dat van de eerste uitgave van het werk (art. 12); de bepaling dat de wet ook voor Nederlandsch Indië verbindend zou zijn (art. 28).

Het onderzoek in de afdeelingen der Tweede Kamer had in 1878 plaats, nadat het ontwerp door het inmiddels nieuw-opgetreden Ministerie van zijn voorganger was overgenomen.

In het Voorloopig Verslag van 23 Mei 1878 [133] werd het over het algemeen gunstig beoordeeld. De voornaamste bedenkingen golden: het op- en uitvoeringsrecht, dat "velen leden" naast het kopie-recht overbodig voorkwam, terwijl "zeer vele leden" dit liever in eene afzonderlijke wet wilden geregeld zien; het auteursrecht op mondelinge voordrachten, dat sommige leden niet toegekend wilden zien, andere niet dan onder zekere voorwaarden; de termijnen voor den duur van het recht, die door de groote meerderheid te lang werden gevonden en die men ook niet voor alle gevallen voldoende geregeld vond. Ook tegen de voorgestelde wijze van handhaving van het auteursrecht werden bezwaren ingebracht: de meerderheid der leden wilden de strafrechtelijke vervolging der overtredingen afhankelijk zien gesteld van de klacht der belanghebbende partij; enkelen wilden de straf-actie geheel zien verdwijnen.

Voordat dit verslag door de Regeering was beantwoord, had er wederom eene kabinetsverwisseling plaats gehad. Mr. Modderman, die als minister van justitie was opgetreden, nam nu het ontwerp ter hand, dat, op enkele punten gewijzigd, met de memorie van antwoord den 22sten September 1880 aan de Tweede Kamer werd toegezonden [134].

Het recht van bestaan van uit- en opvoeringsrecht naast het kopierecht, alsmede van het auteursrecht op mondelinge voordrachten, werd hierin door de Regeering nogmaals aangetoond. Verder werd o. a. de systematische indeeling en volgorde tegen de daarover gemaakte opmerkingen verdedigd. Ten opzichte van de handhaving van het recht werd de noodzakelijkheid van strafrechtelijke bescherming betoogd en tevens de meening weersproken, dat strafbare inbreuk op het auteursrecht een klachtdelict behoorde te zijn.

Op enkele punten was aan de bezwaren tegen het eerste ontwerp ingebracht nu tegemoet gekomen; zoo wat betreft de wijze, waarop anonieme en pseudonieme auteurs zich bekend moeten maken (art. 2); de bepalingen op den inhoud van dagbladen en tijdschriften (art. 7); uitsluiting van beslag op auteursrecht (art. 9) en de voor de uitoefening van het recht voorgeschreven formaliteiten (art. 10).

Den 1sten Juni kwam het wetsontwerp in de Tweede Kamer in openbare behandeling [135]. De algemeene beraadslagingen liepen voornamelijk over den theoretischen grondslag en het karakter van het auteursrecht. Uit hetgeen minister Modderman hierover naar aanleiding van de opmerkingen van de heeren Schaepman en Oldenhuis Gratama in het midden bracht, bleek, dat de Regeering den "intellectueelen eigendom" verwierp, maar niettemin een recht der auteurs op bescherming erkende en daarmede den plicht des wetgevers, om het door wettelijke voorschriften te doen eerbiedigen. De minister noemde het auteursrecht een jus sui generis, noch tot de zakelijke, noch tot de persoonlijke rechten behoorende, maar dat gerangschikt moest worden onder de absolute vermogensrechten.

Bij de artikelsgewijze behandeling, die den volgenden dag plaats had [136], werd o. a. de duur van het auteursrecht besproken. Een amendement van den heer Oldenhuis Gratama, die den hoofdtermijn van vijftig op dertig jaar na de eerste uitgave wilde brengen, werd verworpen. Eveneens mislukte eene poging van den heer van der Kaay, om art. 15, waarin de duur van het opvoeringsrecht van door den druk gemeen gemaakte tooneelwerken tot tien jaar wordt beperkt, te doen verwerpen, waardoor ook voor dit bestanddeel van het auteursrecht de gewone, langere, termijn zou hebben gegolden.

De eenige wijziging, die het ontwerp onderging, betrof de strafbare inbreuk op het auteursrecht, die door een amendement van de heeren de Beaufort en van der Kaay tot een klachtdelict werd gemaakt. Het wetsontwerp werd ten slotte met op één na algemeene stemmen aangenomen. Na behandeling in de Eerste Kamer werd het den 28sten Juni afgekondigd als: Wet van den 28sten Juni 1881 tot regeling van het Auteursrecht (Staatsblad No. 124).

Deze wet, den 1sten Januari 1882 in werking getreden, is nu nog ongewijzigd van kracht; alleen de artt. 18-20, die de strafbepalingen inhielden, werden door de Invoeringswet van het Wetboek van Strafrecht naar laatstgenoemd wetboek overgebracht, waarvan zij de artt. 349 bis, ter en quater zijn geworden.

Zoowel in de M. v. T. als in de M. v. A. was door de Regeering verklaard, dat zij de werken van beeldende kunst niet onder de beschermde producten had opgenomen, omdat het wenschelijk scheen daarvoor eene afzonderlijke regeling vast te stellen. Bij Koninklijke Boodschap van 12 Febr. 1884 werd dienovereenkomstig een ontwerp van wet bij de Tweede Kamer ingediend [137]. In de memorie van toelichting werd de noodzakelijkheid van bescherming der kunstenaars bepleit, o. a. met verwijzing naar verschillende buitenlandsche wetgevingen en met een beroep op de beginselen, die bij de wet van 28 Juni 1881 gehuldigd waren.

Het ontwerp strekte de bescherming uit tot alle "werken der beeldende kunsten"; hieronder moesten volgens de M. v. T. hoofdzakelijk begrepen worden werken der schilder-, teeken- en beeldhouwkunst. Werken der bouwkunst waren uitdrukkelijk van de bescherming uitgesloten (art. 1).

De vervaardiger werd beschermd, zoowel tegen nabootsing door dezelfde of eene andere kunst als tegen namaak langs mechanischen weg. In art. 4 werd een bijzonder recht van korteren duur verleend aan hem "die een werk van beeldende kunst, door een ander vervaardigd, op wettige wijze, maar door eene andere beeldende kunst of door eene mechanische bewerking namaakt".

Met de wet van 1881 vertoonde het ontwerp vele punten van overeenkomst; dezelfde indeeling in paragrafen was gevolgd en in de regeling van verschillende belangrijke onderdeelen zooals: de duur, de middelen van handhaving, verzamelwerken, karakter en eigenschappen van het recht (art. 5), slotbepalingen, bevatte het gelijke of analoge bepalingen.

Daar het in de zitting 1883-1884 niet in behandeling was gekomen, werd het den 30sten November 1884 wederom, geheel onveranderd, ingediend.

Het voorloopig verslag, uitgebracht 25 Maart 1885 [138], luidde niet gunstig. Er werd beweerd, dat de kunstenaars de geboden bescherming niet verlangden en men bestreed de meening, dat deze bescherming op dezelfde gronden zou rusten als die der schrijvers. Ook werd de vrees geuit, dat door aanneming van dit wetsontwerp een stap zou worden gedaan in de richting van wederinvoering der octrooien van uitvinding.

Naar aanleiding van enkele opmerkingen in dit verslag voorkomende werd het ontwerp door de Regeering op sommige ondergeschikte punten gewijzigd (de woorden: der beeldende kunsten werden o. a. overal vervangen door: van beeldende kunst) en opnieuw met eene memorie van toelichting ingediend [139]. Onder meer werd hierin als grondbeginsel van de voorgestelde bescherming aangevoerd, dat de voortbrenger van een product des geestes het uitsluitend recht dient te hebben te bepalen of, wanneer en in welken vorm zijn voortbrengsel, dat aan het gevaar van nadruk of nabootsing blootstaat, openbaar zal worden gemaakt.

Tot eene openbare beraadslaging van het Ontwerp is het nooit gekomen, hoewel de Commissie van rapporteurs het door de gewisselde stukken daartoe genoegzaam voorbereid oordeelde en het daarna nog tweemaal (27 Juli 1886 en 7 October 1887) bij de Tweede Kamer werd ingediend. En hoewel in latere jaren de wensch naar eene regeling van het artistieke auteursrecht, zoowel in als buiten het Parlement, meermalen is geuit [140], zijn de kunstenaars in ons land tot nu toe nog steeds onbeschermd gebleven.

Bij eene beschouwing van den hedendaagschen stand onzer wetgeving in de materie, die ons hier bezighoudt, is het dan ook deze groote leemte, die het eerst opvalt: het geheel ontbreken van bepalingen over wat in alle andere beschaafde landen als een belangrijk onderdeel van het auteursrecht wordt beschouwd. Doch, ook afgezien hiervan, is de wet van 1881 verre van volmaakt en niet op de hoogte van den tijd; hetgeen niet behoeft te verwonderen als men bedenkt, dat zij nu reeds acht en twintig jaar onveranderd voortbestaat, terwijl het auteursrecht nog in een stadium van voortdurende en snelle ontwikkeling verkeert. Waarin deze ontwikkeling bestaat en tot welke wijzigingen in onze wetgeving zij aanleiding kan geven, zal in de volgende hoofdstukken worden nagegaan en behoeft hier dus niet te worden besproken.

§ 3 Geschiedkundige ontwikkeling van het internationaal auteursrecht

In de eerste paragraaf is al gelegenheid geweest op te merken, dat reeds in den tijd der privilegiën de bescherming tegen nadruk--al was het dan bij uitzondering--zich over meerdere landen kon uitstrekken en dat zelfs in het midden der achttiende eeuw eene poging is gedaan, hierover in een tusschen verschillende staten gesloten tractaat bepalingen te doen opnemen. Doch deze feiten kunnen hoogstens gelden als voorboden van de internationale regeling, die zich in latere jaren heeft ontwikkeld, en waarvan de eigenlijke geschiedenis eerst in de negentiende eeuw aanvangt.

In de meeste beschaafde landen hadden de privilegiën toen plaats gemaakt voor wetten, die schrijvers en kunstenaars bescherming verleenden niet meer als uitzondering en bij wijze van gunst, maar als een voor allen gelijk geldend recht. Doch spoedig zag men in, dat deze bescherming slechts van weinig waarde was, zoo zij beperkt bleef tot de grenzen van elk land.

De productie op het gebied van literatuur en kunst had onder veel gunstiger voorwaarden plaats dan vroeger; de verbetering van het onderwijs had den kring van lezers op elk gebied belangrijk uitgebreid en door verschillende uitvindingen was men in staat gesteld, het drukken en verspreiden van geschriften sneller en goedkooper te doen geschieden. Gevolg hiervan was, dat in het algemeen het uitsluitend recht van kopie een veel aanzienlijker waarde vertegenwoordigde dan voorheen; met het uitgeven van sommige boeken waren schatten te verdienen. Voegt men hierbij de reusachtige toeneming van het internationale verkeer en de groeiende beteekenis van de pers, die ervoor zorgde, dat literaire voortbrengers en hunne producten in korten tijd over de geheele beschaafde wereld bekend waren, dan heeft men al genoeg factoren bijeen, die de opkomende behoefte aan internationale auteursbescherming in de eerste helft der negentiende eeuw verklaren.

De internationale nadruk, vroeger slechts een sporadisch verschijnsel, werd nu stelselmatig en op groote schaal bedreven. Het feit, dat alleen in Brussel kort na elkander zich niet minder dan vijf groote huizen vestigden met een gezamenlijk kapitaal van zes en een half millioen francs, die zich uitsluitend met het nadrukken van buitenlandsche boeken bezighielden, moge van den omvang van dit kwaad eenig denkbeeld geven [141].

Frankrijk, met zijn vruchtbare letterkundige productie en zijne alom bekende taal, en waar bovendien de prijs der boeken door uitgevers en boekhandel hoog werd gehouden, had hiervan het meest te lijden, zoodat het alleszins begrijpelijk is, dat vooral dáár de internationale beweging tot bescherming der auteurs aanhangers vond en gaande werd gehouden.

Om de bescherming van het auteursrecht internationaal te maken, stonden verschillende wegen open.

Men kon vooreerst in de wetgeving van elk land zoodanige bepalingen opnemen, dat ook auteurs van andere landen, al of niet onder voorwaarde van reciprociteit, van hare bescherming konden genieten. Dit middel werd door Frankrijk beproefd met het Decreet van 28 Maart 1852, hetwelk nadruk in Frankrijk van in het buitenland uitgekomen werken strafbaar stelt. Doch de resultaten waren gering. Het voorbeeld vond in andere landen--althans te dien tijde--niet de gewenschte navolging, zoodat alleen niet-Fransche auteurs, wier werken in Frankrijk gevaar liepen te worden nagedrukt, erdoor gebaat waren. Bovendien was eene volkomen gelijkstelling van vreemde auteurs met de Fransche er niet door verkregen; het decreet werd doorgaans zoo geïnterpreteerd, dat er geen strafbare nadruk plaats had, wanneer de vreemde auteur niet in zijn eigen land beschermd was, daar het niet de bedoeling was geweest, hem in Frankrijk rechten te verleenen, die hij thuis niet bezat. Voorts had de bepaling alleen betrekking op nadruk, niet op de schending van uit- en opvoeringsrecht [142].

Een tweede middel om het gewenschte doel te bereiken was de regeling van het internationaal auteursrecht bij verdrag. In deze richting slaagde men beter.

Reeds in 1827 waren de leden van den Duitschen Statenbond begonnen onder elkander tractaten te sluiten tot wederzijdsche erkenning van het auteursrecht en in 1840 werd het eerste tractaat van dien aard gesloten tusschen twee landen van verschillende taal: Oostenrijk en Sardinië. Dit voorbeeld vond spoedig algemeene navolging. Frankrijk sloot o.a. verdragen met Engeland in 1852, met Spanje in 1853, met Nederland in 1855, met Denemarken in 1858, met Rusland in 1861, met Pruisen in 1862 en met Oostenrijk in 1866. Ook zijn uit dien eersten tijd te vermelden de tractaten tusschen België en Nederland (1858); tusschen Duitschland en Zwitserland en Duitschland en Italië (1869) en tusschen Rusland en België (1862). Gestadig nam hun aantal in de volgende jaren toe, zoodat al spoedig niet alleen de meeste staten in Europa, maar ook enkele niet-Europeesche aan de internationale bescherming medewerkten.

Als hoofdbeginsel van al deze tractaten gold, dat de auteurs van het eene land in het andere land wettelijke bescherming genoten. Voor het meerendeel lieten zij de wetgevingen der contracteerende rijken ongerept en verklaarden de bepalingen daarvan alleen toepasselijk op internationale verhoudingen. Er bestond echter verschil ten opzichte der systemen, die hierbij gevolgd werden [143].

In de eerste plaats kon men de wet toepasselijk verklaren van het land, waar het werk voor het eerst was uitgegeven; ten tweede die van het land, waartoe de auteur behoort, terwijl volgens een derde stelsel de wet toepasselijk was van het land, waar inbreuk op het auteursrecht werd gemaakt, óf--wat practisch op hetzelfde neerkomt--waar het proces daarover plaats had (dus: de lex fori). Deze stelsels werden om beurten, dan eens meer, dan eens minder streng doorgevoerd, soms in combinatie met elkander, in de verschillende tractaten toegepast. Dit moest natuurlijk in de practijk tot moeilijkheden aanleiding geven.

In sommige gevallen, moest de rechter het--dikwijls ingewikkelde--vreemde recht toepassen; in andere gevallen, als gevolg van den regel, dat de auteur in andere landen niet meer rechten kon doen gelden, dan hij in zijn vaderland genoot, eene moeizame vergelijking maken tusschen het vreemde recht en dat van zijn eigen land, om de voor den auteur minst gunstige bepalingen te kunnen toepassen.

Voor schrijvers en uitgevers was het dikwijls zeer moeilijk te weten te komen, in welke mate hunne werken in de verschillende landen waren beschermd, temeer daar voor op- en uitvoeringsrecht en voor het uitsluitend recht van vertaling meestal óf in de wetgevingen óf in de daarvan afwijkende tractaten afzonderlijke bepalingen golden. Bovendien hadden zij soms nog, om in andere landen de internationale bescherming te kunnen inroepen, allerlei formaliteiten te vervullen, naast degenen die hun eigen wet voorschreef.

Deze en andere bezwaren waren oorzaak, dat in kringen van belanghebbenden de behoefte begon te worden gevoeld naar meer eenvormigheid van regelen. Wenschen in dezen zin werden uitgesproken, o. a. reeds op een internationaal letterkundig congres te Brussel in 1858 en op congressen van kunstenaars te Antwerpen in 1861 en 1877; ook werden pogingen in dezelfde richting gedaan door de Börsenverein der deutschen Buchhändler te Leipzig en werd het vraagstuk besproken op het in 1876 te Bremen gehouden congres van de Association for the codification and reform of the law of nations. Toen in 1878 te Parijs tijdens de wereldtentoonstelling vele schrijvers en kunstenaars uit de geheele wereld bijeen waren, werd daar opgericht de Association littéraire internationale, voornamelijk met het doel, de beginselen der auteursbescherming in alle landen te doen doordringen en te verdedigen en aan verbetering van de internationale regeling mede te werken. Deze vereeniging, later herdoopt in Association littéraire et artistique internationale, heeft tot verwezenlijking van de door velen gewenschte unificatie krachtig medegewerkt. Op haar congres te Rome in 1882 werd besloten, dat op eene door haar te beleggen conferentie een plan zou worden uitgewerkt tot stichting van eene internationale Unie tot bescherming van het auteursrecht. Deze conferentie had plaats te Bern van 10 tot 13 September 1883, onder voorzitterschap van het door den Zwitserschen Bondsraad afgevaardigde lid Numa Droz. Een ontwerp van tien artikelen kwam tot stand, dat aan den Zwitserschen Bondsraad werd aangeboden, om tot basis te dienen voor een door dit Lichaam uit te werken conceptverdrag, dat aan het oordeel van eene diplomatieke conferentie zou worden onderworpen.

De eerste van deze conferentiën had plaats in September 1884 te Bern onder voorzitterschap van Numa Droz. Aan de uitnoodiging der Zwitsersche Regeering om zich hier te doen vertegenwoordigen, was door twaalf staten gevolg gegeven; enkele andere staten hadden, zonder afgevaardigden te sturen, hunne instemming met het beoogde doel betuigd.

Nadat het plan, om eene internationale codificatie te ontwerpen, die de geheele materie, onafhankelijk van de bestaande wetgevingen op uniforme wijze zou regelen, als voorloopig onuitvoerbaar was ter zijde gesteld [144], hield de Conferentie zich bezig met het uitwerken van een ontwerp-verdrag, dat evenals dat van de Association en dat van den Zwitserschen Bondsraad, hoofdzakelijk op de bepalingen der verschillende wetgevingen steunde en slechts op enkele punten eene zelfstandige regeling inhield. Behalve dit ontwerp, dat volgens het oordeel der Conferentie het minimum van rechten inhield, die de toetredende landen wederzijds aan de auteurs van werken van kunst en letterkunde zouden kunnen verleenen [145], gaf de Conferentie nog als resultaat van haar onderzoek een tweetal beginselen aan, die zij niet in het ontwerp had opgenomen, doch die zij met het oog op eene vroeg of laat in te voeren algemeene codificatie van het auteursrecht, in den vorm van "wenschen" onder de aandacht van alle landsregeeringen wilde brengen, nl.:

1o. De aan auteurs van kunst- en letterwerken te verleenen bescherming moest duren gedurende hun leven en minstens dertig jaar na hun dood.

2o. Er moet gestreefd worden naar eene volkomen gelijkstelling van het vertalingsrecht met het recht op het oorspronkelijke werk [146].

De resultaten dezer eerste diplomatieke Conferentie werden door de zorgen der Zwitsersche Bondsregeering aan de regeeringen van de verschillende landen bekend gemaakt, terwijl hun tevens werd verzocht, aan hunne afgevaardigden op eene tweede te houden samenkomst hierover definitieve instructies mede te geven.

Deze tweede Conferentie had wederom onder leiding van Numa Droz te Bern plaats (7-18 September 1885). Ditmaal waren zestien landen vertegenwoordigd. Na veel beraadslaging en niet dan nadat over en weer vele concessies waren gedaan, kwam een definitieve tekst voor het te sluiten verdrag tot stand.

Dit ontwerp werd ten slotte op de derde diplomatieke Conferentie te Bern (6-9 September 1886) ongewijzigd (behoudens de invoeging van enkele woorden in art. 7 eerste lid ter verduidelijking) aangenomen en door de vertegenwoordigers van tien staten onderteekend, nl. van: België, Duitschland, Engeland, Frankrijk, Haïti, Italië, Liberia, Spanje, Tunis en Zwitserland. Den 7den September 1887 volgde de ratificatie (behalve die van Liberia, dat eerst veel later lid van het Verbond is geworden) en 5 December van hetzelfde jaar trad de Conventie in werking.

De Convention concernant la création d'une Union internationale pour la protection des oeuvres littéraires et artistiques, hier te lande algemeen bekend onder den naam Berner Conventie, is verdeeld in achttien artikelen, waaraan zijn toegevoegd een additionneel artikel, regelende de verhouding der Conventie tot de bestaande verdragen, en een Slotprotocol (nos. 1-7), waarin de bepalingen van sommige artikelen nader worden verklaard of uitgewerkt. Zooals reeds gezegd, geeft de Conventie geen algemeene codificatie van het auteursrecht, doch laat zij de internationale bescherming in de meeste gevallen afhangen van de wetgevingen der aangesloten landen.

Van de enkele punten, die de Conventie zelf regelt, onafhankelijk van de landswetten, is verreweg het belangrijkst het uitsluitend vertalingsrecht. In art. 5 wordt dit aan alle tot een van de toegetreden landen behoorende auteurs verleend voor den tijd van tien jaar na de uitgave van het oorspronkelijke werk. Voor deze bepaling had men groote moeite gehad tot overeenstemming te komen, daar van ééne zijde (vooral door Frankrijk) op volkomen gelijkstelling werd aangedrongen van het vertalingsrecht met het recht op het oorspronkelijke werk, terwijl van den anderen kant er gevaar was, dat een vertalingsrecht van zoo langen duur voor sommige staten een reden zou zijn, om niet tot het Verbond toe te treden [147]. Met den gekozen termijn van 10 jaar hoopte men aan de wenschen van beide partijen zooveel mogelijk te hebben voldaan; aan staten die een langer vertalingsrecht wenschten, stond het vrij dit onderling bij afzonderlijk tractaat vast te stellen.

De zetel van het internationaal Verbond werd gevestigd te Bern. In art. 16 der Conventie werd voorgeschreven, dat aldaar zou worden opgericht een Bureau, dat onder de hoede der Zwitsersche Regeering zou staan, en waarvan inrichting en werkkring nader in het Slotprotocol (no. 5) werden geregeld.

Reeds dadelijk zag men in, dat de Conventie geen definitieve regeling bracht: in den loop der jaren waren verbeteringen in de verschillende wetgevingen te verwachten, waardoor men in staat zou zijn de grenzen der bescherming verder uit te strekken; het was bovendien te voorzien, dat deze eerste algemeene regeling gebreken en leemten bevatte, die duidelijker aan het licht zouden komen, wanneer zij eenigen tijd in werking zou zijn geweest. Er waren dus in de toekomst herzieningen te verwachten en men achtte het wenschelijk, hierover in de Conventie enkele bepalingen op te nemen. Art. 17 bepaalde, dat deze herzieningen zouden worden besproken op Conferentiën, achtereenvolgens in de verschillende aangesloten landen te houden, terwijl het Slotprotocol (no. 6) de bepaling inhield, dat de eerste Conferentie zou plaats hebben te Parijs, binnen vier tot zes jaar na de inwerkingtreding der Conventie, dus op zijn laatst in December 1893.

Doch de Fransche Regeering, aan wie het initiatief tot de bijeenroeping was overgelaten, zag zich door verschillende omstandigheden genoodzaakt, den datum der samenkomst te verschuiven, zoodat de Parijsche Conferentie eerst den 15den April 1896 bijeenkwam.