Het Auteursrecht in het Nederlandsche en internationale recht
Part 41
Wat nu de vier genoemde staten betreft, daarvan heeft Duitschland een stel zeer uitvoerige bepalingen, vervat in eene Keizerlijke Verordening van 11 Juli 1888 en eene Bekanntmachung van 7 Augustus 1888 [670], die ook toepasselijk zijn voor het geval zich nieuwe staten bij de Conventie aansluiten. In hoofdzaak komen deze bepalingen hierop neer, dat reproducties, die vóórdat de Conventie in het nieuwe Verbondsland verbindend is geworden, van werken uit dat land afkomstig zijn gemaakt, verder vrij verspreid mogen worden, mits men de exemplaren binnen drie maanden door de politie heeft laten afstempelen. Hetzelfde moet geschieden met cliché's van platen, gravures, etsen enz., waarvan dan gedurende vier jaar nog afdrukken mogen worden gemaakt. Zijn vertalingen van een werk in Duitschland uitgekomen, dan mogen deze verder geëxploiteerd worden; tegen alle nieuwe vertalingen is de auteur echter beschermd. Is een tooneelstuk of dramatisch-muzikaal werk eenmaal, hetzij in de oorspronkelijke taal, hetzij vertaald, opgevoerd, dan is verdere opvoering voor iedereen vrij. Deze laatste bepaling wordt verschillend geïnterpreteerd. Kohler meent, dat ook eene van den auteur uitgaande uit- of opvoering vóór den datum der inwerkingtreding het opvoeringsrecht doet vervallen [671]. Volgens deze opvatting, die trouwens niet algemeen wordt gedeeld [672], zou dus geen der Nederlandsche tooneelstukken, die nu reeds in Duitschland vertoond zijn (zooals b.v. met verscheidene stukken van Heyermans het geval is) na onze toetreding tot de Conventie in Duitschland tegen opvoering beschermd zijn.
In Denemarken zijn twee Koninklijke Besluiten van 19 Juni 1903 en 2 April 1904, die de Deensche wet op het auteursrecht en dus ook hare overgangsbepalingen op werken uit andere Verbondslanden toepasselijk verklaren. In het algemeen mag elke reproductie, vóór de inwerkingtreding begonnen, voleindigd worden; doch het zal b.v. niet geoorloofd zijn later eene tweede uitgave zonder toestemming des auteurs te verspreiden [673].
Zweden heeft den 8sten Juli 1904 in een K. B. bepalingen gemaakt op den overgangstoestand, door de toetreding tot het Verbond in het leven getreden. In Zweden verschenen vertalingen mogen verder verspreid en herdrukt worden; muziek- en tooneelwerken mogen door degenen, die ze reeds hebben uit- of opgevoerd, ook in het vervolg op deze wijze geëxploiteerd worden; ook van cliché's, die gediend hebben tot reproductie van kunst- of letterwerken mogen nog afdrukken worden gemaakt.
In Engeland eindelijk zijn de overgangsbepalingen van de wet van 25 Juni 1886 betreffende de internationale bescherming van het auteursrecht van toepassing op de Conventie (volgens een Kon. Besluit van 28 November 1887), terwijl tot nu toe, telkens wanneer een nieuwe staat tot het Verbond toetrad, deze bepalingen door een afzonderlijk besluit op de daardoor ontstane verhoudingen toepasselijk zijn verklaard. Dit zal dus hoogstwaarschijnlijk ook geschieden, wanneer ons land zich aansluit.
De algemeene strekking van deze bepalingen is, dat buitenlandsche werken, die voordat de nieuwe internationale regeling van kracht was reeds bestonden, dezelfde bescherming genieten, alsof de desbetreffende Engelsche wetten reeds bij de eerste uitgave ervan daarop van toepassing waren (dezelfde regel dus als die van artikel 18 der Conventie). Deze bescherming kan echter in geen geval met rechten of belangen in strijd zijn van degenen, die vóór dien tijd de bedoelde werken reeds gereproduceerd hadden. Hoever die rechten en belangen gaan, staat niet volkomen vast. Ik meen mij echter van een nader onderzoek over deze vraag, die reeds tot velerlei beschouwingen aanleiding heeft gegeven, te moeten onthouden [674].
Dit vluchtig overzicht moge eenig denkbeeld hebben gegeven van hetgeen na onze aansluiting bij de Conventie den auteurs van reeds vóór dit tijdstip verschenen Nederlandsche werken in de verschillende Verbondslanden te wachten staat.
Nu blijft nog de andere vraag ter beantwoording over, nl. wat hier te lande zal gelden ten aanzien van de werken uit andere landen.
Tegenover Frankrijk en België zal, zooals reeds is opgemerkt, de bepaling van de met deze staten gesloten tractaten hier toepasselijk zijn. Tegenover de andere staten zal, indien men de volle bescherming niet terstond wil laten intreden, eene afzonderlijke regeling gemaakt moeten worden.
Het vaststellen van enkele beperkingen, zooals de vier bovengenoemde staten hebben gedaan, schijnt mij niet ongewenscht toe. Het hierbij te volgen beginsel moet m. i. zijn, dat zij, die zich met de exploitatie van (tot dusver onbeschermde) werken hebben beziggehouden, in staat worden gesteld hunne zaken af te wikkelen, zoodat de kosten, die voor een dergelijke onderneming zijn gemaakt, kunnen worden goedgemaakt. Is dus een nadruk of vertaling reeds gedrukt, dan moet de verkoop der exemplaren vrij worden gelaten; zijn voor de monteering van een tooneelstuk costuums, decoratief en andere requisieten aangeschaft, dan moeten deze ook voor het beoogde doel gebruikt kunnen worden; zijn ter reproductie van werken van beeldende kunst cliché's vervaardigd, dan moeten daarvan ook afdrukken genomen kunnen worden. Het Duitsche systeem van afstempeling der cliché's en gedrukte exemplaren verdient hierbij wellicht navolging.
De vrijheid, om met de reeds aangevangen exploitatie voort te gaan, mag echter niet langer worden uitgestrekt dan voor het beoogde doel noodzakelijk is. De bevoegdheid om een tooneelstuk nog te blijven vertoonen, moet b.v. m. i. niet langer duren dan twee of drie jaren. In elk geval verdient het afkeuring, de opvoering van een stuk aan ieder vrij te laten, indien daarvan, ook al is het maar éénmaal, eene vertooning heeft plaats gehad. Eene dergelijke vrijheid die, zooals wij gezien hebben, in de Duitsche wet wordt verleend, gaat m. i. veel te ver. De overgangsbepalingen hebben alleen reden van bestaan als middel tot bescherming der belangen van degenen, die reeds met de exploitatie waren begonnen; voor personen, die nog geen moeiten en kosten hebben aangewend, zijn dergelijke exceptionneele maatregelen niet noodig.
De toetreding van ons land tot de Conventie zal--zooals uit het voorgaande herhaaldelijk is gebleken--gepaard moeten gaan met eene herziening van onze inlandsche wetgeving; de auteursbescherming zal hier eene belangrijke uitbreiding moeten ondergaan, wil ons land aan de verplichtingen der Conventie voldoen. Voorzoover deze uitbreiding mocht bestaan in eene verlenging van den duur van het auteursrecht, (een maatregel, die weliswaar niet strikt noodig maar toch ingevolge art 7 Conventie 1908 gewenscht is) zal volgens de bepaling van het laatste lid art. 18 der Conventie toepasselijk zijn. Indien--wat het waarschijnlijkst is--de wijziging in onze wet wordt aangebracht vóórdat de Conventie ten aanzien van ons land in werking is getreden, zou over de al of niet toepasselijkheid van de bepaling van het tweede lid van art. 18 der Conventie kunnen worden getwijfeld. Gesteld b.v. dat ons land tot de Conventie toetreedt, nadat eerst de beschermingstermijn in onze wet gebracht is op vijftig jaar na den dood des auteurs: dit zal dan tengevolge hebben, dat in elk ander Verbondsland, waar deze zelfde termijn geldt, de uit Nederland afkomstige werken vijftig jaar na den dood des auteurs beschermd zullen zijn. Maar hoe zal in dat geval beslist moeten worden ten aanzien van die Nederlandsche werken, welke vóór de herziening onzer wet door het verstrijken van den ouden termijn van korteren duur reeds gemeengoed waren geworden? Men kan niet zeggen, dat deze werken daardoor ook in de andere Verbondslanden gemeengoed waren geworden, daar zij op het tijdstip, dat dit dan zou moeten hebben geschieden, aldaar nog in het geheel niet beschermd waren. Toch meen ik, dat men in dat geval de bepaling van het tweede lid van art. 18 der Conventie bij analogie toepasselijk zal moeten achten. De bedoelde werken zullen dus in de andere Verbondslanden geen bescherming meer vinden, even alsof de verlenging van den termijn ná het in werking treden der Conventie had plaats gehad. Neemt men het tegenovergestelde aan, dan zou de bepaling eene onredelijke bevoorrechting inhouden voor de staten, die zich eerst later bij de Conventie aansluiten. Want stellen wij b.v. het geval dat in Duitschland, dat sinds de oprichting lid is van het Verbond, de termijn van het auteursrecht op vijftig jaar na den dood des auteurs wordt gebracht (hij is nu van dertig jaar) op hetzelfde tijdstip dat dit in Nederland, dat nog geen lid van het Verbond is, ook wordt gedaan. Het gevolg zou zijn, dat de Duitsche werken, waarvan de auteur reeds meer dan dertig jaar dood is, niet meer in de andere Verbondslanden van die langere bescherming zouden genieten; doch indien Nederland zich een jaar later bij het Verbond aansloot, dan zouden, volgens deze opvatting, de Nederlandsche werken, die onder volkomen dezelfde omstandigheden verkeeren, in diezelfde landen wél bescherming vinden. Een voordeel dus voor het land, dat zich het laatst bij de Conventie heeft aangesloten.
Ten slotte nog enkele opmerkingen met betrekking tot de invoering in ons land van auteursrecht op werken van beeldende kunst, welke, zooals wij gezien hebben, eene voorwaarde is voor onze toetreding tot het Verbond.
Het Ontw. B. K., dat geen overgangsbepalingen bevat, zou, eenmaal wet geworden, niet toepasselijk zijn op de werken, die meer dan dertig dagen vóór het inwerkingtreden ervan geleverd, tentoongesteld of openlijk te koop of ter bezichtiging zouden zijn gesteld, daar ten aanzien van deze werken niet zou kunnen zijn voldaan aan de voorwaarde, in art. 7 van het Ontwerp voor de bescherming gesteld. Het gevolg zou dus zijn, dat verreweg de meeste werken van beeldende kunst, die vóór het inwerkingtreden van de wet bestonden, onbeschermd zouden blijven. Deze werken zouden echter na onze toetreding tot het Verbond wél beschermd zijn in de andere Verbondslanden, daar volgens het nieuwe systeem der Conventie het ontbreken van bescherming in het land van herkomst alleen dán het auteursrecht in de andere landen doet te nietgaan, indien het het gevolg is van het verstrijken van den beschermingstermijn.
Aan den anderen kant zouden ook de reeds bestaande werken uit andere Verbondslanden, voorzoover zij daartoe overigens in aanmerking komen, in Nederland wél beschermd zijn.
Het zal daarom m. i. aanbeveling verdienen, in het Ontwerp eene bepaling op te nemen in den geest van die van artikel 18 eerste lid der Conventie. Als regel worde dus gesteld, dat het Ontwerp ook toepasselijk is op de werken, die vóór het tijdstip van het inwerkingtreden reeds bestonden. De beperkingen van dit auteursrecht ten bate van degenen, die reeds van deze werken reproducties in omloop hebben gebracht, kunnen dan dezelfde zijn, als die, welke ingevolge de bepaling van art. 18 derde lid der Conventie zullen worden vastgesteld. Zoodoende zou men de tegenwoordige generatie van Nederlandsche kunstenaars nog van de bescherming in hun eigen land doen genieten en wel binnen dezelfde grenzen als hunne tijdgenooten uit andere landen.
III De wetten en afzonderlijke tractaten in verband met de Conventie (Conv. 1908 artt. 19 en 20; Conv. 1886 art. 15 en add. art.)
Er is hierboven (pp. 349, 350, 366, 367 en 377) meer dan eens sprake geweest van het, op de Conferenties van Bern reeds uitgesproken beginsel, dat de Conventie slechts een minimum van bescherming waarborgt, d. w. z. dat zij er zich niet tegen verzet, dat buiten haar om rechten van wijder strekking worden genoten. Deze rechten kunnen berusten, hetzij op de inlandsche wetten, hetzij op bijzondere tractaten tusschen twee of meer Verbondsstaten.
Wat de eerstgenoemde, dus op de wetten berustende, rechten betreft, daarover kwam vóór 1908 in de Conventie geen afzonderlijke bepaling voor. Het was echter zóó dikwijls en met zooveel nadruk op de Conferenties van Bern uitgesproken, dat de Conventie slechts een minimum van bescherming beoogt te geven [675], dat nooit door iemand is beweerd, dat het toekennen van eene ruimere bescherming volgens de inlandsche wetten in strijd met de Conventie zou zijn. Op de Conferentie van Parijs achtte men het daarom ook niet noodig eene uitdrukkelijke bepaling in de Conventie daarover op te nemen [676].
Twijfelde dus niemand aan de bevoegdheid van elken Verbondsstaat, om aan de auteurs uit andere landen eene meer uitgebreide wettelijke bescherming te verleenen dan die welke uit de bepalingen der Conventie voortvloeide; sommigen gingen nog verder en beweerden dat de Verbondsstaten verplicht waren de rechten van de inlandsche wet, voorzoover zij boven het minimum der Conventie uitkwamen, ook aan de auteurs der andere landen te verleenen. Deze meening, die o. a. door de redactie van het officieele orgaan van het Verbond werd voorgestaan [677], werd verdedigd met een beroep op het bovengenoemde beginsel van de minimum-bescherming der Conventie in verband met den hoofdregel (art. 2 Conventie 1886), dat in elk Verbondsland op de werken uit andere landen de inlandsche wet toepasselijk is. Wanneer dus deze inlandsche wet meer gaf dan de Conventie, moest de omvang der bescherming worden berekend naar de eerste en niet naar de laatste.
Uit hetgeen voorafgaat kan reeds zijn gebleken, dat ik deze meening niet deel. M. i. bedoelde men met de minimum-bescherming der Conventie alleen dit, dat eene ruimere bescherming buiten haar om bestaanbaar zou zijn; men wilde niet, dat rechten, die uit anderen hoofde konden worden ingeroepen, door de Conventie verkort zouden worden. Iets anders is uit hetgeen over deze vraag in de handelingen der verschillende Conferenties voorkomt, niet op te maken. Het zou trouwens min of meer ongerijmd zijn, dat rechten, die in de Conventie nauwkeurig zijn omschreven, zooals b.v. het uitsluitend vertalingsrecht, krachtens diezelfde Conventie in sommige landen naar een anderen, ruimeren, maatstaf zouden moeten worden toegemeten.
Beroept men zich op de Conventie, dan moet men, voorzoover deze den omvang en den duur van het recht zelf vaststelt, zich daarmee tevreden stellen; meer kan redelijkerwijze niet worden verlangd [678]. Zoo heeft men het blijkbaar ook op de Conferentie van Berlijn ingezien. Er waren verschillende voorstellen, waarin meer of minder duidelijk de verhouding der Conventie tot de verder gaande (d. w. z. meer bescherming gevende) landswetten was aangegeven. De Commissie kwam tenslotte met de volgende redactie, die ongewijzigd is aanvaard (art. 19 Conventie 1908):
De bepalingen der tegenwoordige overeenkomst verhinderen niet de toepassing te eischen van bepalingen van wijder strekking die in de wetgeving van een Verbondsland mochten zijn vastgesteld ten gunste van vreemdelingen in het algemeen.
Uit de laatste woorden blijkt duidelijk, dat er geen sprake kan zijn van toepassing van alle voor de auteurs gunstigere wetsbepalingen zonder meer; slechts die bepalingen komen in aanmerking, die zijn vastgesteld "ten gunste van vreemdelingen in het algemeen". Alleen dus, als de wet uit zichzelf reeds toepasselijk is, kan de buitenlandsche auteur zich op hare bepalingen beroepen in plaats van op die der Conventie.
Ten aanzien der afzonderlijke tractaten is hetzelfde beginsel gevolgd. Hierover bevatte de Conventie 1886 reeds bepalingen, nl. in art. 15 (t. a. v. nog te sluiten tractaten) en in het additionneel artikel (t. a. v. reeds gesloten tractaten). Beide bepalingen zijn nu in art. 20 Conventie 1908 samengebracht. De Verbondsstaten behouden zich het recht voor, bijzondere overeenkomsten onder elkander te sluiten, voorzoover deze aan de auteurs rechten van wijder strekking verleenen dan de Conventie, of overigens daarmede niet in strijd zijn. De bepalingen der bestaande overeenkomsten, die aan deze voorwaarde beantwoorden, blijven van toepassing.
Een strijdvraag als die over de al of niet toepasselijkheid der wetten heeft zich ten aanzien der tractaten uit den aard der zaak nooit voorgedaan.
Met betrekking tot ons land zijn de bovenbesproken bepalingen van weinig practisch belang, daar nóch onze wet, nóch onze tractaten met Frankrijk en België zich op punten van eenige beteekenis boven het minimum der Conventie verheffen.
IV Huishoudelijke inrichting van het Verbond (Conv. 1908 artt. 21-24; Conv. 1886 artt. 16 en 17 en Slotpr. nos. 5 en 6)
De vier artikelen, die nu volgen, betreffen de huishoudelijke inrichting van het Verbond: de inrichting en werkkring van het internationale Bureau te Bern, de wijze waarop dit wordt geadministreerd en de verdeeling van de kosten over de verschillende Verbondsstaten; verder de regeling der herzieningsconferenties.
Voor den tekst dezer bepalingen verwijs ik naar de hierachter opgenomen bijlagen; tot bijzondere bespreking geven zij mij geen aanleiding.
V Toetreding van nieuwe staten en hunne koloniën (Conv. 1908 artt. 25 en 26; Conv. 1886 artt. 18 en 19)
Reeds op de Conferentie van 1884 werd, op voorstel van den Duitschen afgevaardigde Reichardt, besloten, de bepaling in de Conventie op te nemen, dat slechts die staten zouden worden toegelaten er zich bij aan te sluiten, die in hunne wetgeving het auteursrecht erkennen [679]. Natuurlijk is het niet voldoende, dat er eene wet op het auteursrecht bestaat in het land dat wenscht toe te treden; deze wet moet ook aan zekere eischen voldoen.
Dat onze tegenwoordige wetgeving aan deze eischen niet voldoet, is hierboven reeds meer dan eens opgemerkt. De belangrijkste leemte is wel het ontbreken van auteursrecht op werken van beeldende kunst en van uitvoeringsrecht van muziekwerken. Ook zou misschien bezwaar kunnen worden gemaakt tegen den korten termijn, dien onze wet voor het op- en uitvoeringsrecht van door den druk gemeen gemaakte tooneelwerken en dramatisch-muzikale werken stelt, hoewel daarin opzichzelf waarschijnlijk geen reden zou worden gezien, om ons het toetreden tot het Verbond te beletten. Doch naast de hier genoemde zijn er nog vele andere punten, waarop onze wetgeving aanvulling en verbetering behoeft, voordat zij het gemiddeld peil van die der andere Verbondslanden zal hebben bereikt: zoo b.v. in zake het vertalingsrecht, de formaliteiten, het auteursrecht van photographieën, werken van kunstnijverheid en van bouwkunst, enz. enz. Al deze punten zijn hierboven afzonderlijk besproken en er is daarbij ook op gewezen, wat de gevolgen zouden zijn, indien deze hervormingen, die bij onze toetreding tot het Verbond weliswaar niet geëischt, maar toch wel min of meer van een toetredenden staat verwacht worden, achterwege zouden blijven.
In het algemeen kan hierover nog worden gezegd, dat, indien men er prijs op stelt dat ons land niet alleen lid wordt van het Verbond, maar ook onder de goede leden ervan gerangschikt zal kunnen worden, onze wet zooveel mogelijk op de hoogte zal moeten worden gebracht van de Conventie, en dat men zich niet zal moeten bepalen tot het aanbrengen van die wijzigingen, welke krachtens artikel 25 strikt geboden zijn.
Dit geldt ook voor de vrijheid, die art. 25 (laatste zinsnede) aan de toetredende staten laat, om op sommige punten in plaats van de bepalingen der Conventie 1908 die van de Conventie 1886 of van de Add. Acte van 1896 te aanvaarden. Herhaaldelijk heb ik er reeds op gewezen, dat het niet de bedoeling is, dat van deze vrijheid een ruim gebruik worde gemaakt. Men is tot dezen maatregel niet dan noodgedrongen overgegaan. Wat erdoor wordt opgeofferd is niet zonder belang, nl. de eenheid in het Verbond: "si nous avons l'Union, nous n'avons pas l'unité" wordt spijtig in het rapport van Renault opgemerkt [680]. Van de staten, die het brengen van dit offer noodig maken door den achterlijken stand hunner wetgeving op dit gebied, waardoor zij anders voor langen tijd buiten het Verbond zouden moeten blijven, kan daarom worden verwacht, dat zij van hun kant ook tot eenige concessies geneigd zullen zijn. De eenheid in het Verbond, zonder welke het slechts ten deele aan zijn doel kan beantwoorden, mag m. i. niet dan om zeer belangrijke redenen door een zijner leden worden verstoord.
Artikel 26 regelt de wijze waarop de koloniën in de toetreding kunnen worden begrepen. De bepalingen hierover zijn duidelijk en behoeven geene nadere verklaring.
Ik wil alleen, in verband hiermede, herinneren aan de eigenaardige verhouding tusschen ons land en de koloniën Suriname en Curaçao ten opzichte van het auteursrecht. Zooals reeds is vermeld wordt het in Nederland volgens de wet van 1881 bestaande auteursrecht wél in Suriname en Curaçao erkend; niet echter omgekeerd dat van deze koloniën in het moederland.
Indien Nederland, zooals te verwachten is, zich met alle koloniën bij de Conventie aansluit, zou het onredelijke van dezen toestand nog meer uitkomen dan nu het geval is. Volgens de Conventie wordt een land met zijne koloniën (voorzoover deze natuurlijk in de toetreding zijn begrepen) als een geheel beschouwd [681]; in het gestelde geval zou dus b.v. een te Paramaribo uitgekomen boek in het Verbond als een Nederlandsch werk gelden; Nederland zou volgens art. 4 lid 3 der Conventie het land van herkomst zijn. In Nederland zelf zou het echter niet beschermd zijn, behalve in het geval, dat de schrijver een vreemdeling was, want dan zou art. 5 of art. 6 der Conventie erop toepasselijk zijn. De toetreding van ons land tot de Conventie moge daarom eene aanleiding zijn, om ook de Nederlandsche wet toepasselijk te verklaren op werken uit Curaçao en Suriname.
Het behoeft verder nauwelijks te worden gezegd, dat ook in de koloniën, die in de toetreding begrepen worden, de wet moet beantwoorden aan de eischen der Conventie. Invoering van auteursrecht op werken van beeldende kunst, van uitvoeringsrecht van muziekwerken enz. enz. zal dus ook in Suriname en Curaçao moeten geschieden.
VI Bekrachtiging, inwerkingtreding en opzegging (Conv. 1908 artt. 27-30; Conv. 1886 artt. 20 en 21 en Slotpr. no. 7; Add. Acte 1896 art. 20)
De vier laatste artikelen der Conventie hebben geen lange bespreking noodig; de bepalingen die zij inhouden zijn meest van formeelen aard.
Artikel 27 bepaalt, dat de Conventie 1908 in de plaats treedt van de Conventie 1886 en de Add. Acte van Parijs. Het laat echter aan de staten, die nu deel uitmaken van het Verbond, de vrijheid, om lid te blijven zonder de nieuwe Conventie te aanvaarden. In dat geval blijven dus de oude bepalingen in de betrekkingen met die staten van kracht. Bovendien kunnen de staten, die de nieuwe Conventie wél aanvaarden, evenals de nieuw toetredende staten op sommige punten verklaren, door de vroegere verdragsbepalingen gebonden te blijven.
Artikel 28 regelt de bekrachtiging, artikel 29 de inwerkingtreding en de opzegging.
Artikel 30 eindelijk houdt eene bepaling in, die in verband staat met het systeem der facultatieve aanvaarding, dat in 1908 is ingevoerd. Volgens dit systeem is het--zooals wij gezien hebben--mogelijk, dat de internationale bescherming in het Verbond wijzigingen ondergaat, zonder dat er iets aan de bepalingen der Conventie wordt veranderd.
Dit kan nl. het geval zijn, wanneer een staat in zijne wetgeving den beschermingstermijn verlengt, daar dit tengevolge heeft, dat de uit dat land afkomstige werken ook in andere landen langer beschermd kunnen zijn.
In de tweede plaats kan dit het geval zijn, wanneer een staat, die eerst krachtens een van de artt. 25, 26 of 27 bedongen had op een of meer punten door de oude verdragsbepalingen van 1886 of 1896 gebonden te zijn, hiervan afstand doet. Ook dit brengt natuurlijk een nieuwen rechtstoestand teweeg voor de werken uit dat land in de andere Verbondslanden.
Voor deze beide gevallen nu bepaalt art. 30, dat de betreffende staat van den stap, dien hij heeft gedaan, eene schriftelijke mededeeling aan de Zwitsersche Regeering moet doen, die dan op hare beurt de andere staten daarmede in kennis stelt.
BIJLAGEN
BIJLAGE I
Wet van 28 Juni 1881 (Staatsblad no. 124) tot regeling van het auteursrecht
§ 1 Begrip en omvang van het auteursrecht
Artikel 1