Het Auteursrecht in het Nederlandsche en internationale recht
Part 36
Het vertalingsrecht--en dit geldt voor alle drie de regelingen--behoort tot die rechten, welke in de Conventie zelve gecodificeerd zijn; of zooals de Conventie 1908 (art. 4 lid 1) ze, in tegenstelling met de rechten die op de landswetten berusten, noemt: "droits spécialement accordés par la présente Convention". De bedoelde bepalingen houden dus--zooals het door sommige schrijvers is uitgedrukt--dwingend materieel recht in; d. w. z. het vertalingsrecht geldt in het geheele Verbond binnen de grenzen, welke de Conventie zelve daarvoor gesteld heeft, onafhankelijk van de bepalingen, welke de inlandsche wetten op dit punt mochten bevatten. Deze wetten zijn slechts toepasselijk, voorzoover dit uit de bepalingen der Conventie valt op te maken. Art. 8 Conventie 1908 bepaalt b.v. dat het vertalingsrecht evenlang duurt als "het recht op het oorspronkelijke werk"; middellijk is dus ook de inlandsche wet van het betreffende land van invloed, daar deze den duur van het recht op het oorspronkelijke werk bepaalt of althans meehelpt bepalen. De bijzondere bepalingen, die de landswetten op het vertalingsrecht mochten bevatten, worden echter door de Conventie geheel terzijde gesteld. Dit sluit natuurlijk ook in, dat eventueel door deze wetten voorgeschreven bijzondere voorwaarden of formaliteiten voor het vertalingsrecht niet in acht behoeven te worden genomen [604].
Hierbij dient men echter te bedenken, dat de Conventie slechts een minimum van bescherming waarborgt, d. w. z. dat hare bepalingen nooit de strekking kunnen hebben, om rechten, die, indien zij niet bestond, zouden kunnen worden ingeroepen, geheel of gedeeltelijk te doen vervallen. Over dezen algemeenen regel, die nu in de Conventie 1908 (art. 19) eene stellige uitdrukking heeft gevonden, is hierboven, bij de behandeling van art. 7 Conventie 1908 en art. 2 lid 2 Conventie 1886 gesproken. In dit verband is hij alleen van practisch belang ten aanzien van de bepalingen der Conventie 1886 en der Add. Acte, daar deze, in tegenstelling met het nieuwe art. 8 Conventie 1908, het vertalingsrecht nog beperkingen in den weg leggen.
De strekking van den bedoelden regel, waarover vroeger nog wel getwist werd, doch die nu in art. 19 Conventie 1908 duidelijk staat aangegeven, is deze, dat de rechten van wijdere strekking of langeren duur der inlandsche wetten alleen dán ondanks de voor de auteurs minder gunstige bepalingen der Conventie kunnen worden ingeroepen, indien die rechten geheel buiten de Conventie om bestaan. De grond van den regel heeft men hierin te zoeken, dat de Conventie in geen enkel opzicht de auteurs, die onder hare bepalingen staan, in slechter conditie wil brengen dan zij zonder de Conventie zouden zijn. Indien de wet van een land--zooals b.v. in Luxemburg het geval is--op alle werken toepasselijk is, onverschillig wie auteur is en waar het werk is uitgekomen, dan zullen dus ook voor de werken uit de andere Verbondslanden de bepalingen dezer wet, voorzoover zij meer bescherming verleenen dan de Conventie, voor den rechter van dit land kunnen worden ingeroepen. Als men zich echter op de Conventie moet beroepen, dan moet met den beschermingstermijn, dien de Conventie stelt, genoegen worden genomen. Gesteld dus, dat Nederland tot de Conventie toetrad zonder het nieuwe art. 8 Conventie 1908 te bekrachtigen, doch op den voet van het oude art. 5 Conventie 1886, dan zou b.v. in Duitschland, waar de Nederlandsche werken nú onbeschermd zijn, het uitsluitend vertalingsrecht van deze werken slechts tien jaren duren, hoewel volgens de Duitsche wet het vertalingsrecht met het auteursrecht in tijdsduur is gelijkgesteld. Daarentegen zou het uitsluitend vertalingsrecht van vijftig jaar na den dood des auteurs, dat nú krachtens de Luxemburgsche wet in dat land de Nederlandsche auteurs genieten, door de toetreding van ons land bij het Verbond niet worden opgeheven of verkort.
Er zijn nu nog enkele opmerkingen te maken, die uitsluitend het oude art. 5 Conventie 1886 en Add. Acte 1896 raken.
Het artikel--zoowel in zijne oorspronkelijke gedaante als na de wijziging die er te Parijs in is gebracht--begint aldus:
De tot een der landen van het Verbond behoorende auteurs of hunne rechtverkrijgenden genieten in de andere landen het uitsluitend recht hunne werken te vertalen, enz.
Alleen dus de werken van "tot een der landen van het Verbond behoorende auteurs" worden genoemd. Dit beteekent echter niet, dat de bepaling niet toepasselijk zou zijn op de binnen het Verbond uitgegeven werken van vreemde auteurs, die genoemd worden in art. 6 Conventie 1908 en art. 3 Conventie 1886. In laatstgenoemd artikel worden eenvoudig "de bepalingen dezer Conventie" op de bedoelde werken toepasselijk verklaard en artikel 1, II Add. Acte, waardoor dit artikel gewijzigd wordt, houdt in, dat de auteurs van deze werken "de bescherming door de Conventie en de Additionneele Acte verleend" zullen genieten. Hieronder is dus ook het uitsluitend vertalingsrecht begrepen. Art. 6 Conventie 1908 is nog duidelijker en spreekt van "de rechten, die door de tegenwoordige Conventie worden toegekend". Deze rechten kunnen echter alleen in de andere landen, niet in het land van herkomst worden ingeroepen (cf. art. 4 lid 1, artt. 5 en 6 Conventie 1908).
De termijn van tien jaar (zoowel die voor den duur van het vertalingsrecht van het ongewijzigde art. 5 Conventie 1886, als de zoogenaamde "Benützungsfrist" van de Add. Acte) wordt berekend naar het tijdstip der uitgave; hieruit volgt, dat het vertalingsrecht van onuitgegeven werken niet aan een bepaalden termijn wordt gebonden en derhalve evenlang duurt als het auteursrecht in het algemeen. De redactie van het gewijzigde artikel laat geen ruimte over voor eene andere uitlegging [605]; wat het artikel in zijne oude gedaante betreft zou men nog kunnen twijfelen, daar hierin niet de gelijkstelling in duur van vertalings- en auteursrecht als algemeene regel is vooropgesteld. Eene andere uitlegging dan de bovengenoemde is echter moeilijk denkbaar en zou hoogstwaarschijnlijk ook met de bedoeling van de ontwerpers der bepaling in strijd zijn. Er bestaat geen grond voor de onderstelling, dat het artikel in het geheel niet op onuitgegeven werken toepasselijk zou zijn; en daar het alleen voor uitgegeven werken een bepaalden tijdsduur vaststelt, ligt het voor de hand, dat voor de andere (dus de niet-uitgegeven) werken het vertalingsrecht duurt, zoolang het werk overigens van de bescherming der Conventie geniet.
In het tweede, derde en vierde lid van art. 5 Conventie 1886, waarin de Add. Acte van Parijs geene veranderingen heeft aangebracht, worden nog eenige detail-regelingen gegeven betreffende de berekening van den termijn, welke geene nadere verklaring behoeven. Alleen kan het zijn nut hebben, te wijzen op de beteekenis, welke men heeft willen hechten aan de woorden "aflevering" (livraison) en "verslagen of tijdschriften" (bulletins ou cahiers). Onder "livraison" verstond de Commissie van 1885, die het artikel geredigeerd heeft: "une partie d'un ouvrage paraissant par fascicules successifs, qui ne forme pas en elle même une publication séparée, mais est si indissolublement liée au reste de l'ouvrage, soit par la pagination, soit par son ensemble typographique, que le défaut d'une seule livraison rendrait l'ensemble de l'ouvrage incomplet et défectueux" [606]. Het Nederlandsche woord "aflevering" geeft hier m.i. het juiste aequivalent; men spreekt hier echter ook van afleveringen van een tijdschrift: deze zullen niet onder de "livraisons" maar onder de "cahiers ou bulletins" vallen.
Het nieuwe art. 8 Conventie 1908 geeft, dank zij ook de meer nauwkeurige redactie, geen aanleiding tot verschillende interpretatie. Afzonderlijk worden erin genoemd de onuitgegeven werken van auteurs die tot een der Verbondslanden behooren, en de uitgegeven werken, waarvan de eerste uitgave binnen het Verbond heeft plaats gehad; terwijl voorts--in overeenstemming met de bepalingen van art. 4 lid 1, art. 5 en art. 6 Conventie 1908--onderscheid wordt gemaakt tusschen de bescherming in het land van herkomst en die in de overige Verbondslanden. Alleen in de laatste kunnen de auteurs krachtens het artikel aanspraak maken op het vertalingsrecht der Conventie. Daar het artikel geen bijzonderen termijn voor het vertalingsrecht stelt, konden de bepalingen van lid 2, 3 en 4 van art. 5 Conventie 1886 geheel vervallen.
Ten slotte nog enkele opmerkingen over het uitsluitend vertalingsrecht der Conventie in verband met eene toekomstige aansluiting van ons land bij het Verbond. Zooals bekend hebben de tegenstanders van onze aansluiting het juist op het vertalingsrecht gemunt; indien dit slechts uit de Conventie kon worden geschrapt, of indien er een nòg korteren duur dan tien jaar (art. 5 Conventie 1886) aan kon gegeven worden, zou waarschijnlijk bijna niemand meer eenig bezwaar tegen het toetreden van ons land maken.
Het behoeft echter na het voorgaande nauwelijks te worden gezegd, dat er niet de allerminste kans bestaat dat de Verbondsstaten eerlang tot eene inkrimping of afschaffing van het vertalingsrecht zullen overgaan. Langzaam maar zeker heeft dit recht, dat in de internationale betrekkingen van zooveel gewicht is, in het Verbond de erkenning gevonden, die het naar recht en billijkheid verdient. Van eene kentering der gevoelens op dit punt is niets te bespeuren. Alleen de houding van Japan op de Berlijnsche Conferentie zou hieraan kunnen doen denken; doch het onthaal, dat het Japansche voorstel aldaar vond, bewijst wel dat er aan een teruggang op den afgelegden weg niet valt te denken.
Ons land zal dus, wil het niet voor altijd buiten het Verbond blijven, op zijn minst de regeling van art. 5 Conventie 1886, een vertalingsrecht dus van tien jaar, dienen te aanvaarden. Dat toetreding op deze voorwaarde nog mogelijk is, is een gevolg van de tegemoetkomende houding, welke door de Verbondslanden op de Berlijnsche Conferentie is aangenomen tegenover landen als het onze, die nog geen deel uitmaken van het Verbond en die voor de invoering eener volledige internationale auteursbescherming nog eenigszins huiverig zijn. Men heeft dezen landen--en hierbij had men vooral Rusland en Nederland op het oog--het toetreden tot het Verbond gemakkelijk willen maken, door hen niet te dwingen terstond alle bepalingen te aanvaarden, waartoe nu eerst de landen, die van den aanvang af lid van het Verbond zijn geweest, na een tijdperk van geleidelijke ontwikkeling, waren gekomen. Ook aan de landen, die zich tot nu toe buiten de internationale auteursrechts-regeling hadden gehouden, wilde men de gelegenheid geven denzelfden geleidelijken weg te volgen en dezelfde ervaringen op te doen, niet twijfelende, of ook zij zouden, wanneer eenmaal de eerste stap zou zijn gezet, de noodzakelijkheid inzien om in dezelfde richting verder te gaan.
Afgaande op de verklaring, welke door den Nederlandschen gedelegeerde Mr. F. W. J. G. Snijder van Wissenkerke op de Berlijnsche Conferentie is afgelegd [607], mag men aannemen, dat het in het voornemen onzer Regeering ligt, van deze aangeboden gelegenheid om met een vertalingsrecht van slechts tien jaar (het oude art. 5 Conventie 1886) toe te treden, gebruik te maken. Hoogstwaarschijnlijk zal ook onze volksvertegenwoordiging, gegeven de sterke oppositie die hier nog tegen een vertalingsrecht van eenigszins langen duur bestaat, slechts onder die voorwaarde de voor onze toetreding vereischte goedkeuring verleenen.
Het behoeft geen verder betoog, dat onze toetreding tot het Verbond in dat geval niet meer zal zijn dan een eerste stap op den goeden weg. Wij zullen dan nog altijd op het meest belangrijke punt van internationaal auteursrecht ongeveer twintig jaar ten achter zijn bij bijna alle andere beschaafde staten. Men zou kunnen aanvoeren, dat het niet goed is te hard van stapel te loopen en dat het beter is, evenals de andere landen vóór ons hebben gedaan, te beginnen met een vertalingsrecht van tien jaar bij wijze van overgangsmaatregel. Later--wellicht nog vóórdat de eerste tien jaren verstreken zijn--zou men dan tot invoering van den langeren termijn kunnen overgaan.
Met eene dergelijke redeneering zou men echter blijk geven van te groote voorzichtigheid. Indien men inziet, dat het op den duur toch eens zoover zal komen, dat in ons land een vertalingsrecht van even langen duur als het overige auteursrecht wordt erkend, dan bestaat er geen reden om dit tijdstip nog langer te willen verschuiven. Want, ook afgezien van alle overwegingen van principieel-juridischen aard, zou een onvoorwaardelijk aanvaarden van het nieuwe artikel 8 Conventie 1908 verre de voorkeur verdienen boven het zich vastklampen aan de oude bepaling der Conventie 1886. Wat toch zou het gevolg zijn van dit laatste? Niet alleen, dat de werken uit de andere landen in ons land slechts tien jaar tegen vertalingen beschermd zouden zijn, maar ook dat voor alle Nederlandsche werken in het geheele Verbond diezelfde korte termijn zou gelden. De Nederlandsche werken (d.w.z. de in Nederland uitgegeven werken en de onuitgegeven werken van Nederlandsche auteurs) zouden dus overal aanmerkelijk minder goed beschermd zijn dan de werken uit andere landen. Dit zou waarschijnlijk het, reeds door mij genoemde, gevolg hebben, dat Nederlandsche auteurs, die ook in het buitenland (en dan natuurlijk alleen in vertaling) gelezen en opgevoerd worden, hunne werken niet hier, maar in een ander Verbondsland (b.v. België of Duitschland) zouden uitgeven. Des te eerder zouden zij hiertoe kunnen overgaan, daar de uitgave in een ander Verbondsland, zooals wij hierboven gezien hebben, na onze toetreding tot de Conventie niet meer het gevolg zou hebben, dat de bescherming in Nederland zelf ophield.
Er zijn zeer zeker nog andere en sterkere argumenten, die ervoor pleiten om bij onze aansluiting terstond art. 8 Conventie 1908 onvoorwaardelijk te bekrachtigen, doch ik heb op het bovenstaande den nadruk willen leggen, omdat een vertalingsrecht van tien jaar "om mee te beginnen" waarschijnlijk zal worden aangeprezen juist als een maatregel in het belang der uitgevers en drukkers. Men ziet nu, dat hij in sommige opzichten juist het tegenovergestelde gevolg zou kunnen hebben.
Het vertalingsrecht van onze wet is nog beperkter dan dat van de Conventie 1886. Voor onuitgegeven werken staat het met het overige auteursrecht in tijdsduur gelijk (art. 5a jo art. 16, 1o); voor uitgegeven werken echter (en deze vormen natuurlijk verreweg de belangrijkste categorie) duurt het slechts vijf jaar na de uitgave en dan nog onder voorwaarde, dat het op de voorgeschreven wijze zij voorbehouden en dat de vertaling binnen drie jaar verschenen zij (art. 5b). Deze bepalingen hebben echter, zooals reeds is opgemerkt, geene practische beteekenis, daar onze wet alleen toepasselijk is op in het Rijk door den druk gemeen gemaakte werken. Zij zouden ook geen beletsel zijn voor de toetreding van ons land tot de Conventie. Er zijn meer voorbeelden van Verbondslanden, die in hunne binnenlandsche wetgeving onder het minimum bleven, dat de Conventie voor het vertalingsrecht vaststelt (Duitschland vóór de wet van 19 Juni 1901; Denemarken, dat in 1902 tot de Conventie met de Add. Acte toetrad en eerst in 1904 zijne wetgeving in overeenstemming hiermede wijzigde; Italië met een vertalingsrecht van tien jaar en Zwitserland met een "Benützungsfrist" van vijf jaar, hoewel beide staten de Additionneele Acte hebben bekrachtigd).
Het vertalingsrecht der Conventie bestaat, zooals hierboven is uiteengezet, onafhankelijk van de bijzondere bepalingen der inlandsche wetten op dit punt. Deze wetten blijven dus in de gevallen, waar de Conventie toepasselijk is, buiten toepassing en behoeven daarom ook niet aan zekere, door de Conventie te stellen, eischen te voldoen [608]. Ter wille der rechtseenheid is het echter gewenscht, dat de inlandsche wet ook op dit punt met de Conventie in overeenstemming zij. Daarom kan worden verwacht, dat wanneer Nederland tot het Verbond toetreedt, in onze wet dezelfde regeling zal worden overgenomen, die krachtens ons lidmaatschap van het Verbond in de internationale betrekkingen zullen gelden, dus: óf een vertalingsrecht van tien jaar (ongewijzigd art. 5 Conventie 1886); óf een vertalingsrecht van even langen duur als het overige auteursrecht, mits binnen tien jaar eene geautoriseerde vertaling verschijnt (art. 5 Conventie 1886 gewijzigd door Add. Acte 1896); óf eindelijk de volkomen gelijkstelling van het vertalingsrecht met het overige auteursrecht (art. 8 Conventie 1908).
II Dagbladen en tijdschriften (Conv. 1908 art. 9; Conv. 1886 art. 7; Add. Acte 1896 art. 1, IV)
De omstandigheden, die tot het vaststellen van bijzondere bepalingen voor het auteursrecht op in tijdschriften en dagbladen gepubliceerde stukken aanleiding geven, doen zich ook in de internationale verhoudingen voor. Bijna geen courant kan het zonder aanhalingen en ontleeningen uit toonaangevende buitenlandsche bladen stellen. Het van elkander overnemen van berichten en artikelen behoort tot de internationale persgebruiken, die evenmin als de binnenlandsche bij de regeling van het auteursrecht over het hoofd mogen worden gezien.
Hoewel nóch in het ontwerp der Association, nóch in dat van den Zwitserschen Bondsraad, eene afzonderlijke bepaling hierover voorkwam, werd toch de kwestie op de Conferenties te Bern van 1884 en 1885 aan de orde gesteld en langdurig besproken. In 1884 zegevierde een Duitsch voorstel (art. 9 Ontw. 1884), volgens hetwelk ontleeningen aan tijdschriften en dagbladen zouden worden vrijgelaten, behalve wat betreft feuilleton-romans en artikelen over eenig onderwerp van wetenschap of kunst, terwijl het auteursrecht zou kunnen worden voorbehouden van andere opstellen van eenigen omvang (articles de quelque étendue), onder welke laatste echter niet zouden worden gerekend die over de politiek [609].
In 1885 kwam de Commissie, na verschillende andere oplossingen verworpen te hebben, met een nieuw voorstel, dat behoudens eene kleine redactie-wijziging, het volgend jaar onveranderd in de Conventie is opgenomen.
Het artikel (art. 7 Conventie 1886) strekt de vrijheid, om uit dagbladen en tijdschriften over te nemen, uit tot bijdragen van elken aard, tenzij de auteur of uitgever dit uitdrukkelijk heeft verboden. Doch voor twee categorieën, nl. nieuwtjes (nouvelles du jour) en gemengde berichten (faits divers) is zelfs het stellen van een verbod uitgesloten; deze kunnen dus in elk geval zonder toestemming van auteur of uitgever worden overgenomen.
Deze bepalingen vonden al dadelijk van verschillende zijden afkeuring; het gevolg was, dat op de Conferentie van Parijs niet minder dan vijf verschillende wijzigingsvoorstellen werden ingediend, resp. afkomstig van: Frankrijk, Duitschland, België, Noorwegen en Monaco [610]. De Commissie kwam na lange beraadslaging ten slotte tot eene redactie, waarin zooveel mogelijk met de verschillende wenschen was rekening gehouden, doch waarbij zich België en Italië slechts noodgedrongen neerlegden [611].
Het gewijzigde artikel 7 onderscheidt drie categorieën pers-bijdragen:
a) feuilleton-romans en novellen, die onvoorwaardelijk beschermd zijn;
b) andere artikelen in dagbladen of tijdschriften, die niet mogen worden overgenomen, mits auteur of uitgever uitdrukkelijk verklaren, dat zij den nadruk (waaronder natuurlijk ook te verstaan is overnemen in eene andere taal) verbieden. Ontbreekt deze verklaring, dan mag het artikel worden overgenomen, doch slechts met vermelding van de bron;
c) artikelen over de politiek, nieuwtjes en gemengde berichten, waarvan het auteursrecht niet kan worden voorbehouden.
Op de Conferentie van Berlijn heerschte weer evenveel verdeeldheid over dit vraagstuk als op de vorige Conferentiën. Er waren wederom verschillende wijzigings voorstellen, nl. van: Duitschland, België, Engeland en Italië [612]. Ook duurde het lang, voordat men in den boezem der Commissie, die dit alles te verwerken had, tot eenstemmigheid was gekomen [613]. Het resultaat was in 't kort het volgende.
In het nieuwe artikel (art. 9 Conventie 1908) wordt als algemeene regel vooropgesteld, dat de inhoud van dagbladen en tijdschriften ("feuilleton-romans, novellen en alle andere, hetzij letterkundige, wetenschappelijke of kunstwerken, onverschillig wat het onderwerp ervan is") niet zonder toestemming der auteurs gereproduceerd mag worden.
Het staat echter aan een dagblad vrij, uit een ander dagblad (van tijdschriften wordt dus niet meer gesproken) die artikelen (geen feuilleton-romans en novellen) over te nemen, waarvan de reproductie niet uitdrukkelijk is verboden. De bron moet daarbij worden genoemd.
Verder bepaalt het artikel, dat de Conventie niet toepasselijk is op nieuwtjes of gemengde berichten, die het karakter van eenvoudige persinformaties dragen.
De beteekenis der wijzigingen, die de Conventie in deze materie achtereenvolgens heeft ondergaan, zal duidelijker worden, indien men de verschillende vragen, waarop een antwoord moest worden gevonden, een oogenblik afzonderlijk beschouwt.
Wat in het algemeen de strekking is van bijzondere bepalingen op het auteursrecht der journalisten behoeft geen lange uiteenzetting: het is het waarborgen eener zekere vrijheid in het van elkander overnemen van artikelen en berichten; dus het geoorloofd verklaren van handelingen, die anders volgens den algemeenen regel inbreuk op het auteursrecht zouden uitmaken. Er zijn dus vragen van tweeërlei aard te beantwoorden. In de eerste plaats: voor welke soorten van werken en bijdragen behoort deze vrijheid verleend te worden?--en ten tweede: waarin bestaat deze vrijheid; hoever moet zij in elk geval worden uitgestrekt?
Ten aanzien der eerste vraag kan al dadelijk worden opgemerkt, dat de inhoud van een dagblad gedeeltelijk gevormd wordt door berichten en mededeelingen, die geen auteurs-scheppingen zijn en waarvan dus de reproductie nooit een inbreuk op het auteursrecht kan uitmaken. Deze werken zouden dus in eene regeling, die alleen het auteursrecht betreft, geheel buiten beschouwing kunnen blijven. Zeer juist is, wat hierover op de Parijsche Conferentie de gedelegeerde de Borchgrave in het midden bracht: "Le régime spécial adopté pour les nouvelles du jour et les faits divers pourrait échapper à toute critique sérieuse. On ne conçoit pas de droit d'auteur là où il n'y a ni oeuvre littéraire, ni création de l'esprit dans le sens élevé du mot. Si donc il y a lieu de protéger les informations et les faits divers contre les emprunts peu scrupuleux de certains journaux, c'est dans une loi spéciale, et non pas dans une loi relative au droit d'auteur, qu'il faut réaliser cette protection. Elle échappe à l'objet propre de notre matière" [614].