Het Auteursrecht in het Nederlandsche en internationale recht

Part 33

Chapter 333,755 wordsPublic domain

Het is daarom noodig, dat het begrip "land van herkomst" nauwkeurig vaststa. De Conventie (C. 1908 art. 4 lid 3, C. 1886 art. 2 lid 3 en 4) maakt te dien opzichte onderscheid tusschen gepubliceerde en niet-gepubliceerde werken: voor de eerste geldt als land van herkomst dat waarin de publicatie heeft plaats gehad (het stelsel dus van de nationaliteit van het werk), voor de laatste dat waartoe de auteur behoort (nationaliteit van den auteur). Over de beteekenis van deze beide uitdrukkingen: "tot een land van het Verbond behoorend auteur" en "gepubliceerde werken" dient eerst het een en ander te worden gezegd.

1 "Tot een Verbondsland behoorend auteur"--Deze uitdrukking (auteur ressortissant à l'un des pays de l'Union) werd gekozen door de Commissie van de Berner Conferentie van 1884 in plaats van de woorden "sujets ou citoyens", die niet overeenkwamen met de in de verschillende wetgevingen gebruikte termen [561]. Zoowel de Commissie van 1884 als die van 1885 [562] verklaarden uitdrukkelijk, dat de uitdrukking "ressortissant", die in de Conventie herhaaldelijk voorkomt (Conventie 1886 art. 2 lid 1 en 4, art. 5 lid 1; Conventie 1908 art. 4 lid 1, art. 5, art. 6, art. 8), en de daaraan synonieme "appartenant" (C. 1886 art. 3; C. 1908 art. 4 lid 3) hetzelfde beteekenen als: "qui ont l'indigénat".

Hoewel de opsomming van al deze verschillende termen geen duidelijke verklaring mag heeten van de beteekenis van het begrip, dat men wilde uitdrukken, is twijfel hierover toch volkomen uitgesloten. De band, die hier wordt bedoeld, is die van de nationaliteit of van het onderdaanschap [563]. Bij Duitsche schrijvers vindt men hiervoor de termen: staatszugehörig en angehörig, en ook wel: heimatberechtigt [564]; de Fransche spreken ook van: nationaux [565]. Dat men zich aan eene definitie van dit begrip niet heeft gewaagd, is begrijpelijk, daar elke staat op zijne wijze vaststelt, welke personen daartoe behooren en welke daarvan de gevolgen zijn.

De Conventie neemt dus de nationaliteit van den auteur tot criterium, en niet, zooals de Nederlandsche wet, de woonplaats; op de moeilijkheden, die uit dit verschil van stelsel bij onze aansluiting zouden voortspruiten, kom ik zoo aanstonds nog terug. Ik wil er hier slechts even op wijzen, dat wanneer ons land bij de Conventie zal zijn aangesloten, onder de "tot den Nederlandschen staat behoorende auteurs" gerekend zullen moeten worden niet alleen de "Nederlanders" volgens de wet van 12 December 1892 (Stbl. 268), maar daarenboven zij, die sommige schrijvers "onderdanen" noemen, hoewel zij volgens art. 12 van de wet van 1892 tot de "vreemdelingen" behooren, en waartoe o. a. gerekend moet worden de geheele inlandsche en daarmede gelijkgestelde bevolking van Nederlandsch-Indië [566]. In een onlangs (16 April 1909) bij de Tweede Kamer ingediend wetsontwerp wordt het Nederlandsch-onderdaanschap van de eigen bevolking van Nederlandsch-Indië uitdrukkelijk erkend [567]. Indien dit ontwerp vóór onze toetreding tot de Conventie wet is geworden, zal men het woord "ressortissants" met betrekking tot ons land kunnen vertalen met "Nederlandsche onderdanen", wat dan zal beteekenen: allen, die naar ons recht niet tot de vreemdelingen behooren.

2 Publiceeren--Over de beteekenis van het woord "publier" in de Conventie heerschte vóór 1896 eenige onzekerheid. Door sommigen werd de uitdrukking in ruimen zin opgevat, zoodat er elke openbaarmaking onder verstaan moest worden, niet alleen die door den druk, maar b.v. ook door op- of uitvoering, voorlezing, tentoonstelling, enz. Deze ruime opvatting van het woord vond eenigen steun in eene opmerking van den afgevaardigde Lavollée op de Conferentie van 1884 naar aanleiding van het woord éditeur in art. 3, waaronder deze afgevaardigde meende te moeten verstaan niet alleen een uitgever in den gewonen zin van het woord, maar ook b.v. een schouwburg-ondernemer [568]. Hoewel deze opvatting niet werd weersproken, mag toch worden betwijfeld, of zij in 1884 algemeen werd gedeeld. Reichardt verklaarde dienaangaande op de Conferentie van Parijs: "On tenait avant tout à aboutir, c'est pourquoi aucune voix ne s'éleva pour réclamer contre cette interprétation" [569]; en deze zelfde afgevaardigde had reeds in 1885 bij de bespreking van artikel 2 opgemerkt, dat de Duitsche wetenschap en jurisprudentie eene mondelinge publicatie (par la parole) van een letterkundig werk niet erkent [570]. Ik meen daarom, dat ook vóór 1896 de uitdrukking "publier" in de Conventie de beteekenis had van "in druk verschijnen" en dat daaronder niet viel op- en uitvoering en tentoonstelling [571].

In Parijs is echter voor de staten, die de Verklaring hebben geteekend, alle twijfel weggenomen. Zoowel de Fransche als de Duitsche afgevaardigden hadden eene speciale memorie opgesteld, waarin de wenschelijkheid werd uitgesproken, het begrip "publication" nauwkeuriger vast te stellen [572]. In aansluiting hiermede werd in de Verklaring (sub 2o) de interpretatie opgenomen, die hierboven is weergegeven. Dezelfde bepaling werd later opgenomen in de Conventie 1908 (art. 4 laatste lid).

Een gepubliceerd werk volgens de Conventie is dus een werk dat in druk is verschenen, of volgens de terminologie van onze wet: een "door den druk gemeen gemaakt" werk; tot de niet gepubliceerde (door den druk gemeen gemaakte) werken behooren dus b.v. tooneel- en muziekstukken, ook al zijn zij op- of uitgevoerd; mondelinge voordrachten, teekeningen, schilderijen, beeldhouwwerk, zoolang zij niet verveelvoudigd en exemplaren ervan in den handel zijn gebracht. Ten aanzien van werken der bouwkunst kan eene publicatie in den zin der Conventie alleen plaats hebben door de uitgave van plannen en teekeningen; in de Conventie 1908 is nog de uitdrukkelijke vermelding opgenomen (die in de Verklaring 1896 ontbrak) dat de bouw geene publicatie uitmaakt.

Wat als "land van herkomst" van een werk wordt beschouwd is na bovenstaande uitlegging duidelijk. Voor onuitgegeven werken is het het land, waartoe de auteur volgens zijne nationaliteit behoort; voor uitgegeven werken datgene waar de eerste uitgave heeft plaats gehad. Indien de eerste uitgave tegelijkertijd in twee of meer landen, die tot het Verbond behooren, plaats heeft gehad, dan wordt datgene als land van herkomst beschouwd, dat den kortsten beschermingstermijn heeft. De beteekenis van deze bepaling zal hieronder bij de behandeling van artikel 7 blijken. De Conventie voorziet eindelijk nog een ander geval: gelijktijdige uitgave van hetzelfde werk in en buiten het Verbond. Alsdan wordt alleen het Verbondsland, waarin de uitgave heeft plaats gehad, als land van herkomst beschouwd; de gelijktijdige uitgave buiten het Verbond heft dus de bescherming daarbinnen niet op. Deze laatste bepaling komt voor het eerst voor in de Conventie 1908; er bestaat echter geen reden om aan te nemen, dat volgens de oude Conventie anders zou moeten worden beslist.

Het spreekt vanzelf (al wordt het in de Conventie niet uitdrukkelijk gezegd), dat waar van uitgave of publicatie wordt gesproken, alleen wordt bedoeld de uitgave, welke van den rechthebbende op het auteursrecht uitgaat [573].

Het systeem der Conventie kan nu in het kort als volgt worden samengevat.

De Conventie is toepasselijk op: 1o De niet door den druk gemeen gemaakte werken van auteurs, die tot een van de landen van het Verbond behooren, en

2o De door den druk gemeen gemaakte werken, onverschillig van welke nationaliteit de auteur is, waarvan de eerste uitgave in een van de landen van het Verbond heeft plaats gehad.

Buiten de bescherming der Conventie vallen dus: de niet door den druk gemeen gemaakte werken van auteurs, die niet tot een der landen van het Verbond behooren en de door den druk gemeen gemaakte werken, waarvan de eerste uitgave buiten het Verbond heeft plaats gehad.

De bescherming, welke aan de auteurs van een werk waarop de Conventie van toepassing is, ten deel valt, bestaat in het algemeen in het volgende: in het land van herkomst genieten zij de rechten, die de wet aldaar verleent;

in de overige Verbondslanden de rechten, die door de betreffende wetten voor de inlandsche werken verleend worden, doch met inachtneming van enkele bepalingen van de wet van het land van herkomst; en bovendien de rechten, die in de Conventie zelve zijn omschreven (zooals b.v. het vertalingsrecht).

In hoofdtrekken is hiermede het stelsel der Conventie (zoowel vóór als ná de herziening van Berlijn) weergegeven. Het is nu echter noodig enkele punten eenigszins nauwkeuriger te bezien, waarbij dan tevens gewezen kan worden op hetgeen te Parijs en te Berlijn gewijzigd is.

Een punt van groot belang, waarmede ik mij het eerst wil bezighouden, is: de invloed van de wet van het land van herkomst van een werk op de bescherming, die dat werk in de overige Verbondslanden geniet.

Die invloed bestaat volgens de Conventie 1886 hieruit, dat: 1o geen bescherming in de overige Verbondslanden wordt verleend, wanneer niet in het land van herkomst de voorwaarden en formaliteiten, die de wet aldaar voorschrijft, zijn vervuld, en 2o dat de duur van het auteursrecht in de andere Verbondslanden dien van de wet van het land van herkomst niet kan overschrijden (Conventie 1886 art. 2 tweede lid).

Over de beteekenis van de woorden "voorwaarden en formaliteiten" (conditions et formalités) kan geen verschil van meening bestaan. Met "conditions" zijn bedoeld de materieele voorwaarden als b.v. het voorbehoud van auteursrecht of vertalingsrecht, dat in sommige gevallen door de wetten wordt geëischt; "formalités" zijn de formeele voorwaarden, zooals inzending van exemplaren of verklaringen [574].

Artikel 2 tweede lid Conventie 1886 bepaalt, dat de bescherming in de andere landen afhankelijk is van het vervullen dezer voorwaarden en formaliteiten in het land van herkomst. Dit beteekent, dat alleen in het land van herkomst het vervullen van voorwaarden en formaliteiten mag worden geëischt; op zeer enkele uitzonderingen na is men het steeds over deze uitlegging der bepaling eens geweest; van den aanvang af heeft het in de bedoeling gelegen de auteurs vrij te stellen van het vervullen van voorwaarden en formaliteiten in alle Verbondslanden, hetgeen in de practijk immers slechts door zeer weinigen zou worden gedaan. De afgevaardigde Reichardt noemde dit zelfs op de Conferentie van Parijs: "le point de départ et le but principal de la Convention de Berne" [575].

Toch heeft men het, om elke verkeerde uitlegging op dit punt onmogelijk te maken, gewenscht geacht in de Parijzer Verklaring (1o) nog eens uitdrukkelijk te zeggen, dat de Conventie alleen in het land van herkomst de vervulling eischt van de door de wet gevorderde voorwaarden en formaliteiten.

Op dit punt heeft de rechter dus in elk geval de wet van het land van herkomst te raadplegen. Bovendien heeft hij dit te doen voor de berekening van den duur der bescherming. Volgens art. 2 lid 2 Conventie 1886 kan de bescherming niet langer duren ("ne peut excéder") dan in het land van herkomst. Er is gestreden over de vraag, of door deze woorden aan de Verbondsstaten de verplichting wordt opgelegd, geen bescherming te verleenen, wanneer deze in het land van herkomst heeft opgehouden, dan wel of de binnenlandsche wetgeving, indien deze ook voor vreemde werken een langeren termijn van bescherming stelt dan die van het land van herkomst, mocht worden toegepast. Het lijdt m. i. geen twijfel of de laatste opvatting is de juiste. Het, meermalen uitgesproken, beginsel van de Conventie is altijd geweest, dat zij slechts een minimum van bescherming waarborgt; het staat den Verbondsstaten steeds vrij, hetzij door hunne inlandsche wetgeving, hetzij door afzonderlijke tractaten, deze bescherming verder uit te breiden. Dit was ook de algemeene opinie op de Conferentie van Parijs, van welker juistheid men toen zoozeer overtuigd was, dat het opnemen van eene uitdrukkelijke verklaring in dezen zin in de Déclaration, waartoe de Zwitsersche delegatie een voorstel had gedaan, onnoodig werd geacht [576].

De beteekenis der bepaling is dus duidelijk. De bescherming, d. w. z. de bescherming die het werk krachtens de Conventie toekomt, kan niet langer duren dan die, welke de wet van het land van herkomst verleent. Volgens de Conventie 1886 is dus een werk, dat tot land van herkomst heeft Duitschland (waar de wet bescherming verleent dertig jaar na den dood des auteurs) in Frankrijk (waar het auteursrecht vijftig jaar na den dood des auteurs blijft bestaan) toch maar dertig jaar beschermd, doch in Luxemburg, waar de interne wetgeving ook buiten de Conventie om toepasselijk zou zijn, vijftig jaar.

De boven besproken bepalingen van de Conventie 1886 brengen mede, dat voor een werk, hetwelk in het land van herkomst niet beschermd is, ook in de andere Verbondslanden geene bescherming (krachtens de Conventie) is te vinden. Dit is niet alleen het geval, wanneer het ontbreken van bescherming in het land van herkomst een gevolg is van het niet vervullen der aldaar gevorderde voorwaarden en formaliteiten (dat alsdan in de andere landen geen bescherming kan worden verleend is volgens de besproken bepaling niet twijfelachtig) maar ook indien men met een werk te doen heeft, dat in het land van herkomst absoluut van de bescherming is uitgesloten, omdat het volgens de daar geldende wet niet tot de beschermde producten wordt gerekend. Dit laatste wordt niet algemeen aangenomen; toch schijnt het mij niet mogelijk eene andere oplossing aan de vraag te geven. De bescherming mag in de andere Verbondslanden niet langer duren dan in het land van herkomst: dit sluit m. i. in, dat wanneer in laatstgenoemd land geen bescherming wordt verleend, deze ook in de andere landen moet ontbreken. De tegenovergestelde meening zou o. a. tot de zonderlinge gevolgtrekking moeten voeren, dat een werk, afkomstig uit een land met een korten beschermingstermijn (b.v. Duitschland met 30 j. p. m. a.), in de landen met een langeren termijn er beter aan toe zijn indien het in het land van herkomst niet, dan indien het er wél beschermd is. In het eerste geval toch zou het den vollen duur der bescherming genieten, terwijl in het tweede geval volgens den korteren termijn van het land van herkomst zou moeten gerekend worden.

Een vereischte voor de toepasselijkheid der Conventie 1886 is dus, dat er in het land van herkomst op het werk auteursrecht bestaat. Indien de rechter zich eenmaal hiervan overtuigd heeft, dan heeft hij voor het overige uitsluitend de wet van zijn eigen land toe te passen, behoudens natuurlijk erkenning van de rechten, welke in de Conventie zelve omschreven zijn. Het geval is daarom niet uitgesloten, dat een auteur in een ander land rechten van wijder strekking geniet dan die de wet van zijn eigen land verleent. Wat den omvang der bescherming betreft (dus: de verschillende den auteur toekomende bevoegdheden) en de rechtsmiddelen welke hem ter handhaving van het recht ten dienst staan behoeft geene vergelijking te worden gemaakt tusschen de wetten van het land van herkomst en van dat, waar de bescherming wordt ingeroepen; in deze opzichten zijn uitsluitend de bepalingen van de laatstgenoemde wet van toepassing.

De herziening van Berlijn heeft in het bovenbesproken stelsel eene gewichtige verandering gebracht. Het tweede lid van artikel 4 Conventie 1908, dat in de plaats is gekomen van het tweede lid van art. 2 Conventie 1886, luidt als volgt:

Het genot en de uitoefening dezer (d. w. z. in het eerste lid van het artikel genoemde) rechten is aan geen enkele formaliteit onderworpen; dit genot en deze uitoefening zijn onafhankelijk van het bestaan van bescherming in het land van herkomst van het werk. Bijgevolg worden, behoudens de bepalingen dezer Overeenkomst, de uitgebreidheid der bescherming alsmede de middelen, welke den auteur zijn verzekerd tot handhaving zijner rechten, uitsluitend bepaald door de wetgeving van het land waar de bescherming wordt ingeroepen.

Deze nieuwe bepaling komt in hoofdzaak overeen met hetgeen op dit punt door de Duitsche Regeering op de Conferentie van Berlijn was voorgesteld. Het Duitsche voorstel ging echter nog verder en strekte om ook den duur der bescherming in de andere Verbondslanden niet langer afhankelijk te doen zijn van de wet van het land van herkomst. Dit punt is in de Conventie 1908 afzonderlijk geregeld, en wel in artikel 7. Ik stel dus de bespreking tot later uit, maar wensch hier reeds te vermelden, dat er, wat den duur der bescherming betreft, aan den ouden toestand feitelijk niets is veranderd. Volkomen onafhankelijkheid van de wet van het land van herkomst heeft dus de Conventie 1908 niet gebracht. Wél echter houdt het nieuwe artikel, zooals men ziet, de uitdrukkelijke bepaling in, dat het ontbreken van bescherming--om welke reden dan ook--in het land van herkomst geen beletsel is voor de bescherming in de andere landen.

De bescherming is nu aan geen enkele formaliteit meer onderworpen, nóch in het land van herkomst, nóch in dat waar de bescherming wordt ingeroepen. Het artikel spreekt alleen van "formaliteiten", niet, zooals vroeger van "voorwaarden en formaliteiten"; doch in het commissie-rapport wordt dienaangaande opgemerkt, dat men met "formalités" hetzelfde bedoelde als wat de Conventie 1886 noemde: "conditions et formalités" [577]. Welke reden men had om de oude uitdrukking niet meer in haar geheel over te nemen, wordt niet meegedeeld; waarschijnlijk was het de vrees, dat het woord "condition" misschien wat ál te ruim mocht worden opgevat. Op de mogelijkheid hiervan had ook de Duitsche Regeering bij de toelichting harer voorstellen gewezen; volgens haar moesten er niet toe gerekend worden de "innerlijke voorwaarden" die als het ware tot het recht zelve behooren, zooals b.v. de voorwaarde van nog niet in druk te zijn verschenen, die sommige wetten verbinden aan het uitsluitend recht om een werk in het openbaar voor te dragen. Om dit goed te doen uitkomen, had de Duitsche Regeering in plaats van "voorwaarden en formaliteiten" willen lezen "formaliteiten en uiterlijke voorwaarden" (conditions extrinsèques) [578]. Tot die uiterlijke voorwaarden behooren dan b.v. het voorbehoud, de vermelding van den naam des auteurs en andere verklaringen of mededeelingen van dien aard op de gedrukte exemplaren van het werk.

Over de zaak zelve is men het blijkbaar steeds--en ook op de Conferentie van Berlijn--eens geweest; de moeilijkheid lag slechts in het vinden van de juiste uitdrukking. Nu de Conventie alleen spreekt van "formaliteiten" zijn daaronder zonder twijfel ook de "uiterlijke voorwaarden", welke de Duitsche Regeering bedoelde, begrepen. Voor een verkeerde uitlegging bestaat trouwens weinig kans. Dat men zich in het land van herkomst aan geen enkele voorwaarde of formaliteit meer heeft te storen om in de overige landen beschermd te zijn, is aan geen twijfel onderhevig, daar immers het bestaan van bescherming aldaar niet eens meer wordt geëischt. En van het vervullen van voorwaarden en formaliteiten in de andere landen was men--zooals hierboven is medegedeeld--reeds krachtens de Conventie 1886 vrijgesteld. Dat de Conventie 1908 hierin verandering zou hebben gebracht en dus eene belemmering voor de bescherming zou hebben ingevoerd, die vroeger niet bestond, zal wel niemand, die zich van de beteekenis en het doel der Berlijnsche herziening eenigermate op de hoogte heeft gesteld, durven beweren.

Uit het bovenstaande mag echter niet worden afgeleid, dat de Conventie 1908 aan alle voorwaarden en formaliteiten in het Verbond een einde heeft gemaakt. De bepaling van het tweede lid van artikel 4, dat ik hierboven heb afgeschreven, slaat alleen op de rechten, die in het eerste lid van hetzelfde artikel worden genoemd en daar is alleen sprake van de bescherming, die de tot een der Verbondslanden behoorende auteurs genieten in alle landen van het Verbond, behalve in het land van herkomst van het werk. Artikel 4 beslist dus niets ten aanzien van de bescherming die de tot een der Verbondslanden behoorende auteurs genieten in het land van herkomst van het werk; en evenmin ten aanzien der bescherming, die de auteurs, welke niet tot een der landen van het Verbond behooren, zoowel in het land van herkomst als in de andere landen genieten. De desbetreffende bepalingen vindt men in de artt. 5 en 6 Conventie 1908, welke beide artikelen nu nog een oogenblik afzonderlijk besproken dienen te worden.

Artikel 5 is als volgt geredigeerd:

Zij die tot een der landen van het Verbond behooren, en hunne werken voor de eerste maal publiceeren in een ander Verbondsland, hebben in laatstgenoemd land dezelfde rechten als de inlandsche auteurs.

Eene dergelijke bepaling kwam in de Conventie 1886 niet voor. Men achtte het blijkbaar vanzelf sprekend, dat een werk in zijn eigen land van herkomst onder de bepalingen der wet viel en vond het onnoodig, dat de Conventie dit uitdrukkelijk vaststelde.

De Duitsche Regeering, van wie het voorstel tot het opnemen der bepaling op de Conferentie van Berlijn is uitgegaan, merkte bij de motiveering ervan op, dat het niet redelijk is, dat de Conventie, welke de eerste uitgave binnen het Verbond als eene onmisbare voorwaarde stelt voor elke bescherming, zich niets zou aantrekken van het lot, dat aan het werk is beschoren juist in het land, waar dit werk om zoo te zeggen genationaliseerd zou zijn [579]. Met deze overweging hebben alle Berlijnsche gedelegeerden zich, blijkens het Commissieverslag [580], kunnen vereenigen en het voorstel der Duitsche Regeering werd, nadat de redactie eenigszins was gewijzigd, in de nieuwe Conventie opgenomen.

Het verdient opmerking, dat het artikel alleen die gevallen op het oog heeft, waarin het land van herkomst van het werk niet dat is, waartoe de auteur behoort. De Conventie bemoeit zich dus niet met de bescherming, die een auteur geniet in zijn eigen land voor zijne onuitgegeven werken of voor zijne werken, die hij in het land zelf heeft doen uitgeven. Dit is eene zaak die, naar het oordeel der Commissie, uitsluitend den inlandschen wetgever aangaat. Eene bepaling in de Conventie, die de toepasselijkheid der inlandsche wet op de bedoelde werken vaststelt, kon trouwens overbodig worden geacht, daar in geen der landen, die nu deel uitmaken van het Verbond, door de wet aan deze werken bescherming wordt onthouden. In ons land is dit echter ten aanzien van enkele dezer werken wél het geval; reden waarom ik zoo aanstonds nog op deze kwestie terugkom.

De strekking van art. 5 Conventie 1908 is overigens duidelijk. Er wordt eenvoudig bepaald, dat voor de genoemde werken dezelfde rechten als voor die der inlandsche auteurs zullen gelden. Geen vrijstelling dus van voorwaarden of formaliteiten, indien de wet deze van de inlandsche auteurs eischt; evenmin toekenning van de bijzondere rechten, die in de Conventie zelve omschreven zijn.

De bescherming der auteurs, die niet tot een der landen van het Verbond behooren, is geregeld in artikel 6. Hunne werken zijn alleen dán in het Verbond beschermd, indien zij voor het eerst daarbinnen zijn uitgegeven. Dit was ook reeds zoo onder de Conventie 1886, met dit belangrijke verschil echter, dat volgens de oude bepaling (Conventie 1886 art. 3) het auteursrecht toekwam niet aan den auteur, maar aan den uitgever. Het motief voor deze zonderlinge bepaling was vooral geweest, dat men het den auteurs van landen, die nog niet tot het Verbond zouden zijn toegetreden, niet te gemakkelijk wilde maken, daar hierdoor het belang, dat die landen erbij zouden hebben om alsnog toe te treden, aanzienlijk zou verminderen; de werken dezer auteurs zouden wel in het Verbond beschermd zijn, maar niet zij, doch de uitgevers, die dan toch in elk geval binnen het Verbond gedomicilieerd zouden zijn, zouden van die bescherming mogen genieten [581].