Het Auteursrecht in het Nederlandsche en internationale recht
Part 29
Op verschillende wijzen heeft men de moeilijkheid, die hieruit voortspruit, trachten op te lossen. Volgens de vroegere Duitsche wet op het auteursrecht van werken van beeldende kunst (van 9 Januari 1876) en die tot bescherming der photographieën (van 10 Januari 1876) ging het auteursrecht van portretten en busten van rechtswege over op den besteller. Deze bepalingen werden door Kohler [516] verklaard, door den auteur als handelende in naam van den geportretteerde voor te stellen, zoodat het auteursrecht ten behoeve van dezen gevestigd wordt. Doch zoowel de bepaling zelf als de daaraan gegeven constructie komen mij verwerpelijk voor. Het moge waar zijn, dat ik bij het laten maken van mijn portret "dem Maler das Internum meiner Person in Gestalt der ihm stundenlang zugekehrten Gesichtszüge darbiete", dit geeft m. i. nog geen grond om mij in de rechten van den auteur te laten treden, waaronder dan b.v. ook valt het genieten van de materieele voordeelen, die de exploitatie zijner schepping kan opleveren. De rechten van den geportretteerde worden op deze wijze onnoodig en onredelijk ten koste van die des auteurs op den voorgrond geschoven. Een practisch bezwaar van dit stelsel is ook, dat de duur der bescherming niet in overeenstemming is met het doel, waarvoor zij dient. Volgens de bovengenoemde Duitsche wetten duurde het auteursrecht voor werken van beeldende kunst dertig jaar na den dood des auteurs en dat voor photographieën vijf jaar na het verschijnen of vervaardigen; de reproductie van iemands gelaatstrekken naar eene schilderij konden dus zijne erfgenamen nog dertig jaren na zijn dood verhinderen, terwijl een photographisch portret reeds na vijf jaar straffeloos verveelvoudigd en verspreid kon worden. Doch het is duidelijk dat de duur van het hier bedoelde recht van den geportretteerde onafhankelijk dient te zijn van de wijze, waarop de afbeelding is tot stand gekomen.
Het verdient dus aanbeveling, ook hier het persoonlijkheidsrecht van het auteursrecht goed te onderscheiden; acht men het noodig den geportretteerde bij de wet een recht toe te kennen, dan dient dit afzonderlijk te worden omschreven, opdat het zoowel wat strekking als wat tijdsduur betreft in de grenzen worde gehouden, die door het beginsel, waarop deze bescherming berust, worden aangegeven.
In de wetten op het auteursrecht van den lateren tijd komt deze samensmelting van auteursrecht en persoonlijkheidsrecht dan ook niet meer voor. De Belgische wet bijvoorbeeld heeft de bepaling (artikel 20) dat noch de auteur, noch de eigenaar van het portret het recht hebben, dit te reproduceeren of openlijk ten toon te stellen zonder toestemming van den persoon, dien het voorstelt, of die zijner rechtverkrijgenden tot twintig jaar na zijn overlijden. Het auteursrecht blijft dus aan den auteur; deze laatste wordt slechts in de uitoefening van zijn recht beperkt door het recht van den persoon, dien hij heeft afgebeeld.
Ook in de nieuwe Duitsche wet op het auteursrecht van werken van beeldende kunst en photographieën (van 9 Januari 1907) is dit beginsel in hoofdzaak gevolgd. Het recht van den afgebeelden persoon om verspreiding of tentoonstelling van zijn portret tegen te gaan wordt hem, behoudens in enkele door de wet genoemde gevallen, gedurende zijn leven toegekend en blijft nog ten behoeve zijner naaste verwanten tien jaar na het overlijden voortduren (§§ 18, 22, 23 en 24). Ook hier hebben wij dus met een afzonderlijk, wel van het auteursrecht te onderscheiden, recht te doen.
In landen waar de wet dit recht niet uitdrukkelijk verleent, vindt men het toch vaak door de jurisprudentie erkend. In Frankrijk is herhaalde malen door den rechter uitgemaakt, dat ieder het recht toekomt, zich tegen de publicatie van zijn portret te verzetten, ook al geschiedt dit zonder kwaadwillige bedoelingen [517]. Ook na den dood blijft het voor de bloedverwanten bestaan [518].
Hoe staat het met dit recht hier te lande? Wetsbepalingen ontbreken op dit stuk en ook het Ontw. B. K. zwijgt erover. Ook hier zou dus art. 1401 B. W. de eenige bepaling zijn, waarop deze bescherming zou kunnen worden gesteund. Het behoeft echter nauwelijks te worden gezegd, dat zoolang de ruime opvatting van de woorden "onrechtmatige daad" en "schade", welke in dit artikel gebezigd worden, nog niet algemeen wordt gedeeld, de bedoelde bescherming nog op zeer losse schroeven staat. Om die reden ware wellicht eene opzettelijke regeling van dit vraagstuk in het tot wet te verheffen Ontw. B. K. niet ongeraden.
Het is m. i. niet wenschelijk, dat men daarbij deze bescherming zoover uitstrekke als in Duitschland, Frankrijk en België wordt gedaan, waar--behoudens dan enkele uitzonderingen--een uitsluitend beschikkingsrecht van ieder op zijne gelaatstrekken wordt erkend. Eene uitspraak als de volgende, afkomstig van den Turijnschen hoogleeraar Amar en door Rosmini aangehaald: "ieder mensch heeft een vol eigendomsrecht op zichzelf, bij gevolg heeft hij het ook op zijne beeltenis ... enz."--komt mij onjuist voor. Evenmin als op den naam, is een uitsluitend recht op de gelaatstrekken gewenscht of zelfs maar mogelijk. Niet door elke gebruikmaking van iemands afbeelding wordt zijn persoonlijkheidsrecht gekrenkt. Zoo kan men m. i. moeilijk aannemen, dat dit het geval is, wanneer een portret wordt gereproduceerd, waarvan reeds vele exemplaren met toestemming van den afgebeelden persoon in omloop zijn [519]. Slechts dan moet men zich tegen reproductie of tentoonstelling kunnen verzetten, wanneer deze plaats heeft onder omstandigheden of in eene omgeving, welke met de ongereptheid of waardigheid van den afgebeelden persoon niet in overeenstemming zijn. Als voorbeelden hiervan noemt Kohler [520] b.v. het zetten van het portret eener dame op een doosje met was-lucifers en het beschilderen van een bierpul met de gelaatstrekken van een professor. Ook acht hij het onrechtmatig: "wenn etwa eine Beleibte Dame als Reklamebild für ein kräftiges Nahrungsmittel verwendet wird" [521].
Indien de verspreiding of tentoonstelling tevens de kenmerken draagt van beleediging, kan zij natuurlijk als zoodanig ook onder de termen der strafwet vallen. Hierbij dient te worden opgemerkt dat ons Wetboek van Strafrecht (artt. 261 en 266) beleediging door middel van afbeeldingen alleen kent in den vorm van smaadschrift (telastlegging van een bepaald feit); eenvoudige beleediging door middel van afbeeldingen gepleegd is hier te lande dus niet strafbaar. Op de wenschelijkheid om deze leemte in ons Straf-wetboek aan te vullen, werd reeds door enkele schrijvers gewezen [522].
Afgezien van het boven behandelde persoonlijkheidsrecht zal het in vele gevallen nog op andere wijze mogelijk zijn de reproductie van zijn portret te beletten, wanneer nl. hij die het portret heeft vervaardigd contractueel verbonden is er geen exemplaren van in omloop te brengen. Dit zal bijna altijd het geval zijn bij op bestelling gemaakte photographische portretten. Wanneer men bij een photograaf zijn portret laat maken, behoudt deze weliswaar in den regel het negatieve cliché, doch men kan aannemen dat het in de bedoeling van partijen heeft gelegen, dat behalve de bestelde exemplaren geen andere afdrukken worden gemaakt en in den handel gebracht. De gebruiken zijn vrijwel overal zoo, dat de overeenkomst in dezen zin moet worden uitgelegd, tenzij het tegendeel uitdrukkelijk is bedongen of op andere wijze blijkt, dat partijen van den gewonen regel hebben willen afwijken. Dit laatste kan b.v. het geval zijn, wanneer voor de levering der portretten niets in rekening is gebracht of wanneer de prijs volgens het zoogenaamde "artiesten-tarief" is berekend. Eene afzonderlijke wettelijke regeling hiervan, zooals men in sommige landen aantreft, komt mij echter overbodig voor.
Op soortgelijke wijze als bij portretten het geval is, kan het auteursrecht nog met andere rechten in botsing komen. Zoo leidt het door sommigen erkende recht op den naam ertoe, dat ieder zich kunne verzetten tegen de uitgave of vertooning van een roman of tooneelstuk, indien zijn naam aan een der daarin optredende personen is verleend. Dit recht is herhaaldelijk door buitenlandsche rechters, met name in Frankrijk, erkend [523]; hetgeen zelfs een Fransch schrijver er eens toe geleid heeft de personen in een zijner stukken uitsluitend naar geguillotineerden te noemen! [524] Eveneens hebben schrijvers er zich volgens sommigen van te onthouden, voorvallen uit het particuliere leven van bestaande personen in hunne werken te pas te brengen of zoodanige beschrijvingen en karakterteekeningen te leveren, dat uit de helden van roman of tooneelstuk personen uit de omgeving van den schrijver kunnen worden herkend. Hoever in al deze gevallen de bescherming der persoonlijkheid dient te gaan, zal ik hier niet verder trachten te onderzoeken [525]. Nog minder dan de rechten der geportretteerden leent zich deze materie voor speciale wettelijke regeling; in ieder geval zou een wet op het auteursrecht hiervoor m. i. niet de plaats zijn.
HOOFDSTUK VII
INTERNATIONAAL AUTEURSRECHT
§ 1 Algemeene opmerkingen
Zooals op bijna elk gebied van het privaatrecht brengt ook voor het auteursrecht het drukke en steeds toenemende verkeer tusschen de verschillende volkeren zijne eigenaardige moeilijkheden mede. Doch bestaan op andere punten van internationaal privaatrecht deze moeilijkheden voornamelijk hierin, dat een antwoord moet worden gevonden op de vraag, welk recht in elk geval moet worden toegepast; ten opzichte van het auteursrecht dient men eerst eene andere vraag te stellen, nl. óf de vreemdeling zich wel op eenig recht kan beroepen. Geldt het een recht op een lichamelijke zaak, dan kan er strijd bestaan over de vraag, of de wet van het land, waartoe de rechthebbende behoort, dan wel die van het land waar het goed zich bevindt of die van het land, waar de zaak voor den rechter wordt gebracht moet worden toegepast; doch hoe de uitkomst hiervan ook zij, nergens, in geen enkelen beschaafden staat, zal volkomen rechteloosheid ten opzichte van zulk een goed blijken te heerschen. Anders is het gesteld met immaterieele goederen. De bescherming der auteurs berust op bijzondere wetten, die, behoudens enkele uitzonderingen, alleen op inlandsche werken toepasselijk zijn. Naast deze wetten wordt geen ander auteursrecht erkend tenzij dit bij tractaat zij bedongen.
Wij hebben hier dus met een abnormalen toestand te doen, waarvan het bedenkelijke zelfs wordt ingezien door een beslist tegenstander van alle auteursrecht als Mr. J. A. Levy. Deze toch schreef over de artt. 27 en 28 van onze wet, die de territoriale grens van hare geldigheid vaststellen: "Zoodra ons privaatrecht het auteursrecht stempelt tot een absoluut vermogensrecht, moet iedere territoriale grens vallen en moet ieder, wie hij zijn moge, ook de niet-Nederlander, ook de ingezetene van een land zonder tractaat, door dit ons privaatrecht worden beschermd. Dit schijnt mij zonneklaar. Of, wat dunkt u, zal men een Oostenrijker, die, gesteld, in Amsterdam wandelt, straffeloos zijn horloge mogen ontnemen? Zoodanig vreemdeling, zegt onze wet allervriendelijkst, kan op eene Nederlandsche drukkerij doen drukken en hij is gevrijwaard. Het is het toppunt van goedgeefschheid. Edoch, zullen wij den Oostenrijker van zooeven alleen dan tegen diefstal beschermen, indien zijn horloge in een Nederlandsche keurkamer is gemerkt? .... maak u niet de geringste illusie, gij, die leek zijn mocht op rechtsgebied: inbreuk op een absoluut vermogensrecht is diefstal. Wie dit betwijfelen mocht, cijfere mij voor, wat het anders zijn zou. Bestelen nu moogt gij niemand, noch binnen noch buiten de landpalen" [526].
Afgezien van het woord "diefstal", dat den "leek op rechtsgebied" misschien op een dwaalspoor zou kunnen brengen, valt er tegen deze beschouwing m. i. niets in te brengen. De artikelen 27 en 28 onzer wet, die ik hieronder nog nader zal bespreken, bevatten inderdaad eene stuitende uitzondering op den algemeenen regel, die terecht een grondbeginsel onzer hedendaagsche samenleving is genoemd [527], dat nl. voor den Nederlandschen rechter vreemdelingen met evengoed gevolg als Nederlanders een beroep moeten kunnen doen, waar het geldt de bescherming en handhaving van privaatrechtelijke bevoegdheden.
Men weet, dat voor de bestendiging van dezen toestand wordt aangevoerd het belang, dat ons volk erbij heeft, dat hier de buitenlandsche werken vrijelijk geëxploiteerd kunnen worden. Dit belang wordt--ik heb er al met een enkel woord op gewezen (pp. 183, 184)--door degenen die zich erop beroepen doorgaans veel te breed uitgemeten; bovendien vergeet men dikwijls daarbij te denken aan de schade, die door een groot aantal andere Nederlanders wordt geleden tengevolge van het stelsel van "vrijheid", dat hier tot nu toe gehuldigd is. Ik meen mij echter in den strijd, die op dit terrein wordt gevoerd, niet te moeten mengen [528]. Stelt men zich op het standpunt, dat ik gepoogd heb te verdedigen, dat het auteursrecht (en het vertalingsrecht als integreerend bestanddeel daarvan) niet uitsluitend een product is van utiliteit, een doelmatig middel om de beoefening van kunsten en wetenschappen aan te wakkeren, maar een recht, niet minder eerbiedwaardig dan elk ander vermogensrecht, dan mag het belang van sommigen (laat het er ook velen zijn) om dit recht niet te erkennen, niet in aanmerking worden genomen. Tegenover rechten leggen belangen geen gewicht in de schaal.
Indien het waar mocht zijn (wat ik betwijfel), dat de bescherming van buitenlandsche werken in Nederland tot gevolg zou hebben, dat vele dier werken daardoor voor ons volk ontoegankelijk zouden worden, daar voor de uitgave eener Nederlandsche vertaling te veel geld zou worden gevraagd, dan zal men zich daarbij hebben neer te leggen. Er zijn nog wel meer buitenlandsche producten, die te duur zijn om in Nederland te worden ingevoerd; zoolang men er meer voor vraagt, dan wij er hier voor kunnen of willen betalen, zullen wij er ons van moeten onthouden. Meer dan honderd jaar geleden werd dit door Fichte ook reeds zoo ingezien; zijne meening over buitenlandschen nadruk illustreerde hij met de volgende vergelijking:
"Joseph II hatte allerdings das vollkommene Recht, die Einfuhr der holländischen Häringe in seine Staaten zu verbieten: wer könnte ihm dies abstreiten? Aber hätte er darum auch wohl das Recht gehabt--da holländische Häringe sich nun einmal nicht nachdrucken lassen--Kaper auszusenden, welche den Holländern aufpassen und ihnen ihre Häringe abnähmen?" [529]
De naam "roofstaat", dien men ons land met het oog op het gemis aan bescherming voor buitenlandsche auteurs wel heeft gegeven, schijnt in dit licht beschouwd maar al te verdiend. Dat deze toestand nog tot onzen tijd heeft kunnen voortduren kan, zoo al niet verontschuldigd, dan toch verklaard worden uit het feit, dat het mijn en dijn op het gebied van kunst en letteren nog niet zóó algemeen erkend is en nog niet zóó diep in het volksrechtsbewustzijn is doorgedrongen dan waar het stoffelijke goederen geldt. De ons omringende volken zijn ons daarin verre vooruit en het beste bewijs hiervoor is wel het internationale Verbond ter bescherming van het auteursrecht, dat vrijwel alle staten omvat, met wie ons geestelijk ruilverkeer van eenige beteekenis is.
Van allen, die het met het boven aangegeven beginsel eens zijn, zou met reden kunnen worden verwacht, dat zij met alle kracht voor onze toetreding tot de Berner Conventie ijverden. Vooral de aangehaalde woorden van Mr. J. A. Levy, die voorkomen in een artikel getiteld "Nederland en de Berner-Conventie", zouden moeilijk kunnen doen vermoeden, dat zij afkomstig zijn van een fel tegenstander van onze aansluiting. Toch is dit het geval; wat trouwens niet ál te zeer behoeft te verwonderen na de vele onverwachte uitspraken in hetzelfde artikel, waarop reeds hierboven (pp. 143 sqq.) de aandacht is gevestigd.
Daar Mr. Levy, voorzoover mij bekend, de eenige is, die onze aansluiting bij de Berner Conventie op juridische gronden bestrijdt, wil ik zijne argumenten niet geheel voorbijgaan. Zij zijn twee in getal.
In de eerste plaats acht Mr. Levy het een bezwaar tegen de Berner Conventie, dat zij op wederkeerigheid berust. "Het ontzien van een anders eigendom of vermogensrecht is niet, en mag niet afhankelijk zijn van wederkeerigheid." In beginsel is hier weinig tegen te zeggen, en de mooiste en tevens eenvoudigste oplossing van het vraagstuk der internationale auteursbescherming zou zeker hierin bestaan, dat in de wetten van alle landen eene bepaling werd opgenomen als die van art. 16 van de loi-type der Association: "Deze wet is toepasselijk op alle auteurs, onverschillig tot welke nationaliteit zij behooren en waar ook het werk voor het eerst verschenen zij." Misschien, dat het eenmaal nog zoover komt en in dat geval zal de Berner Conventie overbodig zijn geworden; doch voorloopig blijft er één groot bezwaar tegen dit stelsel bestaan, dat het ook begrijpelijk maakt, dat zoo weinig staten het tot nog toe hebben willen aanvaarden [530], nl. de belangrijke verschilpunten tusschen de verschillende wetgevingen. Mr. Levy merkt op, dat het gebod: gij zult niet stelen, in gansch de beschaafde wereld geldt en in de helft der onbeschaafde wereld. Dit moge waar zijn ten opzichte van den eigendom van lichamelijke goederen; met betrekking tot auteursrecht is hiermede echter te veel gezegd. Het auteursrecht verkeert te dien opzichte nog in een toestand, die te vergelijken is met dien van den privaten eigendom voor een paar duizend jaar. In de "beschaafde wereld", d.i. binnen het gebied der Berner Conventie, vindt de auteur voldoende bescherming, zij het dan ook niet overal in volkomen gelijke mate. Doch daarbuiten laat die bescherming soms nog veel te wenschen over en treft men nog de zonderlingste opvattingen over het recht der auteurs aan. Het is daarom niet te verwonderen, dat tot toetreding tot de Berner Conventie alleen die staten worden toegelaten, die althans een minimum van bescherming aan hun eigen onderdanen verleenen, en dat van hen geëischt wordt, hiervan ook de onderdanen der andere aangesloten rijken te doen genieten.
Het tweede argument van Mr. Levy tegen onze toetreding betreft het vertalingsrecht, waarvan deze schrijver niets wil weten, op grond van de bewering, dat de vertaler zelfstandigen arbeid heeft voortgebracht. Op de onjuistheid dezer redeneering behoef ik hier niet meer in te gaan; het is hier genoeg er aan te herinneren, dat de vertaling de gewone reproductievorm is voor geschriften uit andere landen en dat het uitsluitend vertalingsrecht in de groote meerderheid der beschaafde staten als een integreerend bestanddeel van het auteursrecht wordt beschouwd. Onder de "zonderlinge opvattingen" over het auteursrecht, waarvan ik zooeven sprak, behoort dan ook in de eerste plaats die van Mr. Levy over het vertalingsrecht, want aan auteursrecht zonder vertalingsrecht heeft een auteur van een buitenlandsch geschrift in ons land zoo goed als niets, evenmin trouwens als een Nederlandsch schrijver in den vreemde. Den Oostenrijker, die in Amsterdam wandelt, zal men niet straffeloos zijn horloge mogen ontnemen, maar gaat hij in een winkel om het te laten repareeren, zal dan de horlogemaker hem mogen toevoegen: wij erkennen hier wel uw eigendomsrechten, maar uw horloge krijgt u niet meer terug; door de "zelfstandige arbeid", die ik er aan verricht heb, is het het mijne geworden? En wat te zeggen van iemand, die met een dusdanig begrip van eigendom nog den moed zou hebben te verklaren: in mijn land wordt elke eigendom geëerbiedigd, en daarom ben ik tegen het sluiten van een tractaat, dat wederkeerigheid eischt?
Tot zoover de denkbeelden van Mr. Levy. Om nu weer op het punt van uitgang terug te komen: de eenige en aangewezen weg om op het gebied van het auteursrecht te komen tot verwezenlijking van het beginsel, dat het geheele internationale privaatrecht van onzen tijd beheerscht en dat kort uitgedrukt aldus luidt: gelijk recht voor vreemdelingen als voor Nederlanders, is: toetreding tot de Berner Conventie. Dat deze weg vroeg of laat zal worden ingeslagen, is mijne vaste overtuiging. Nu eene dergelijke krachtige internationale organisatie eenmaal bestaat en nu daarmede resultaten zijn bereikt, waartoe men langs anderen weg waarschijnlijk nooit had kunnen komen, is het voor een klein land als het onze op den duur niet mogelijk, zich daar verre van te houden.
De geschiedenis van het internationaal auteursrecht heeft het geleerd, dat slechts door samenwerking van de verschillende staten eene bevredigende oplossing kan worden gevonden. De groote beteekenis van de Berner Conventie ligt dan ook voornamelijk hierin, dat zij de vrucht is van deze samenwerking. Zoolang elke staat slechts voor zich en op zijne wijze het auteursrecht regelde kon er van gelijkvormigheid der verschillende wetgevingen geen sprake zijn; eerst toen zij zich hadden vereenigd om gezamenlijk de moeilijkheden, die zich in deze materie voordoen, onder de oogen te zien, was verandering hierin mogelijk. Hierdoor werd het mogelijk de beginselen op te sporen, die onafhankelijk van plaatselijke inzichten aan het auteursrecht ten grondslag kunnen worden gelegd; van de toepassing dezer beginselen zijn de bepalingen der Berner Conventie het positief resultaat. Nog is bij lange na niet bereikt wat men zich bij de voorbereiding en later bij herzieningen der Conventie tot ideaal heeft gesteld, en het zal waarschijnlijk nog jarenlange inspanning kosten, alvorens in alle aangesloten landen voor alle auteurs en alle werken een gelijk recht bestaat. Maar hierin ligt juist voor ons land een reden te meer, om zich zoo spoedig mogelijk aan te sluiten. Zoolang dit niet is geschied, loopen wij de kans dat het auteursrecht hier te lande zich in andere richting ontwikkelt dan in de overige beschaafde staten, zoodat ons deelnemen aan eene internationale regeling hoe langer hoe moeilijker wordt. Bovendien ontnemen wij onszelven de mogelijkheid, om invloed uit te oefenen op den ontwikkelingsgang van het internationaal auteursrecht.
Ik meen, ook met het oog op de toetreding van ons land, die na de jongste verklaringen der Regeering voor aanstaande mag worden gehouden, mijn aandacht in het volgende voornamelijk aan de Berner Conventie te kunnen wijden. Onze tractaten met Frankrijk en België, waarvan de algemeene strekking in de historische inleiding is weergegeven, kunnen verder buiten bespreking blijven. Wanneer Nederland eenmaal deel uitmaakt van het Internationale Verbond, zal van hunne toch al geringe beteekenis ongeveer niets meer zijn overgebleven. Voorzoover zij nog op een enkel punt toepassing zullen kunnen vinden, zal dit bij de bespreking van de desbetreffende bepaling der Conventie worden vermeld.
Alvorens echter tot bespreking van de Berner Conventie over te gaan, is het noodig een oogenblik stil te staan bij de wijze waarop onze wet zelve de grenzen harer geldigheid vaststelt.
Er zijn twee hoofd-systemen, volgens welke de grenzen der toepasselijkheid van eene wet op het auteursrecht getrokken kunnen worden.
Het eerste systeem, het nationaliteits-stelsel, neemt als criterium aan de nationaliteit of woonplaats van den auteur. De wet beschermt dus alleen werken van auteurs die tot het Rijk behooren of in het Rijk woonachtig zijn.
Het tweede systeem richt zich niet naar de subjecten, maar naar de objecten van het recht; het vraagt niet naar de nationaliteit of woonplaats van den auteur, maar naar wat de Franschen noemen la nationalité de l'oeuvre. De "nationaliteit van het werk" kan weer op verschillende wijzen worden vastgesteld; men kan deze laten afhangen van:
a) de plaats waar het werk voor het eerst in druk is verschenen;
b) de plaats, waar het werk is ontstaan;
c) de plaats, waar een tooneel- of muziekstuk voor het eerst is op- of uitgevoerd of eene mondelinge voordracht voor het eerst is gehouden.
Van elk dezer stelsels zijn in onze wet en in het Ontw. B. K. sporen te vinden. Beschouwen wij eerst de wet van 1881.