Hermelijn

Part 9

Chapter 94,087 wordsPublic domain

Natuurlijk was zij allerliefst, maar de uitdrukking in Conrad’s oogen werd er niet beter door; hij had zich ook op zijn Zondagsch gekleed en zooals zij daar in de voorgalerij gereed stonden om in het rijtuig te stappen, was er geen mooier, jeugdiger paar te denken, alleen zou men bij hem zoo gaarne dien geheimzinnigen gloed hebben gevonden, welken slechts de liefde kan geven en bij haar dien schalkschen, innig gelukkigen blik, bij de jonge bruid te voorschijn geroepen door de warmte, door dezen gloed uitgestraald.

Zij stapten in en reden altijd door zwijgend naar Ngaroengan. Toen zij daar aankwamen, waren Guillaume, zijn vrouw en een paar kinderen er ook; Portias en Kitty, verder het jongere geslacht, Corona en haar vader.

Het jonge paar werd met vreugde ontvangen, Hermelijn was vriendelijk, beleefd, opgeruimd, Conrad zooals men van hem gewoon was. Thoren van Hagen was uit rijden gegaan en nog niet terug. Met zekeren schroom naderde Corona haar schoonzuster.

»Ben je nu kalmer?” vroeg zij.

»O ja, ik ben zoo kalm!”

»’t Doet mij genoegen; nu zal je ruim gelegenheid hebben met je nieuwe familie kennis te maken.”

»De kennis met de voornaamsten heb ik reeds gemaakt.”

»Wil je zeggen, dat aan de rest niet veel gelegen is! Je bent ondeugend, Hermelijn!”

»O neen! dat is mijn bedoeling niet. Ik ben overtuigd dat er een hemelsbreed verschil zal zijn tusschen de leden, die ik leerde kennen en de anderen, wier bestaan ik slechts vermoed!”

»Nu, dan zal je over dat verschil in persoon kunnen oordeelen. Zal ik je op de hoogte brengen van de exemplaren, die op het oogenblik hier zijn?”

»Zeer gaarne.”

»Daar heb je Guillaume, een vroolijke, luchthartige jongen, die niet boos kan zijn, niet koppig, niet lui is, niet liegt, een uitzondering in de Indische Maatschappij.”

»Een volmaaktheid?”

»Volmaaktheden kennen we hier niet, en niets is ook vervelender dan volmaaktheden; hij is nonchalant in de hoogste mate, lichtzinnig, droomt van dansen, feestvieren, als hij goed maar slordig gewerkt heeft; Toetie zijn vrouw is zijn tegenbeeld, een blonde nonna, wat ik afschuwelijk vind. Zie maar eens hoe hardgeel haar tint is en hoe die haren bijna dezelfde kleur hebben. Je zult altijd zacht, mooi vel houden Hermelijn, en je haren zijn te donker, te warm blond dan dat men ze niet van je huid zal kunnen onderscheiden. Toetie, of wil je liever Adolphine, is lastig van humeur, klaagt over alles, is bijna altijd ziek, heeft stoute kinderen, die de vader bederft, en die zij verwaarloost. De oudsten wonen hier, en deelen met hun kleine ooms en tantes de lessen van juffrouw Iteko, onder mijn toezicht.”

»Dus zijn ze slecht gepaard!”

»Ik weet het niet! Ze kunnen het met mekaar vinden.”

»Maar hoe?”

»Hoe!”

»Ga voort Corona, ga voort! Ik begrijp dat het kleinigheden zijn, waarmede uw machtige, veel omvattende geest zich niet kan bezig houden. Als u wist, hoe ik u bewonderde.”

»Ik wilde dat je mij liefhadt.”

»Liefde, och kom! Wat is liefde, een stemvork, zegt Portias.”

»Een flauwe aardigheid! Die man, Hermelijn, heeft de gave mij buiten mij zelf te brengen van ergernis, verbeeld je eens.... interesseert je die geschiedenis?”

»Boven alle beschrijving.”

»Nu dan, José Portias is van Spaansche of Portugeesche afkomst, hij gaf in Amsterdam muzieklessen voor ƒ 1 per uur, ƒ 1 denk eens aan, een gulden.”

»Dat gaat nog al, dat is tegenwoordig zoo duur niet....

»Wat duur! ’t Is belachelijk goedkoop, je ziet, wat een hongerlijder, een knoeier hij moet zijn; maar toch scheen hij nog geen lessen genoeg voor dat beetje geld te kunnen krijgen, of hij voerde iets minder moois uit, want hij nam dienst als militair. Door zijn vioolspel trok hij de aandacht te Samarang, maakte opgang, en werd door papa in staat gesteld zich vrij te koopen en daar ik mij gaarne wilde volmaken op de viool, verzocht papa hem te kwader ure hier te komen wonen, en de muzikale opleiding van de kolonie op zich te nemen. Dat is nu het verleden van dien heer.”

»Hij mag zich dus niet in uw gunst verheugen?”

»Hij? Ik veracht hem, dat insekt! Toen hij hier kwam was Dolly juist getrouwd; Kitty nog pas vijftien jaar. Ik hield veel van haar!”

Corona’s stem beefde een weinig.

»Ik dacht haar de beste van allen. Zij was jong en ziekelijk toen haar moeder stierf.”

»De moeder van Conrad?”

»Juist, ’t is moeilijk moeders en kinderen uit mekaar te houden, vind je niet? Maar met een beetje geheugen komt men er wel! Nu, ik gaf weinig om haar, misschien ben ik geen modelstiefdochter geweest, later heb ik haar eerst gewaardeerd toen ik mijn stiefmoeder No. 2 kreeg, een dwaas, onzinnig schepsel. Maar Hélène had mij de liefde van mijn vader ontstolen. O, ik was alles voor hem, hij alles voor mij, toen hij hertrouwde.”

»En hoe oud was u toen?”

»Nog geen zes jaar.”

»En reeds jaloersch op uw vader! Geen wonder dat u nu ieder overtreft, als u reeds zoo vroeg rijp was.”

»Ik ben nu ruim zes en twintig! Ik schaam mij niet mijn leeftijd te zeggen; voor mij is het geen schande zoo oud te zijn, wel voor de mannen, dat er onder hen geen is, dien ik waardig keur mijn meester te worden. Waarover spraken we ook? O ja, over Kitty’s moeder, zij stierf bij de geboorte van Margot.”

Corona zocht naar woorden, ’t scheen dat dit onderwerp haar moeite kostte om aan te roeren.

»Er is maar een ding, dat ik meer haat dan stiefmoeders, het zijn zwagers. Mijn stiefmoeder was dood en de vijfjarige Kitty werd mijn kind; ik was toen dertien en nog grooter dan Margot nu is, en had reeds twee huwelijksaanzoeken gehad. Alles had ik voor Kitty over; altijd waren we samen; ik heb haar alles geleerd wat zij kan, en zij is verreweg de meest ontwikkelde van allen; zij was dol op mij, nooit waren we gescheiden. Ik was misschien getrouwd indien het mij niet te veel had gekost haar te missen. Cor’s schaduw werd Kitty genoemd en nu... kan zij mij niets meer schelen, niets.”

Zij sprak die laatste woorden sissend uit, haar oogen schoten vonken, haar handjes balden zich tot vuisten.

»Hoe is die groote liefde zoo in onverschilligheid veranderd?” vroeg Hermelijn, met iets spottends in de stem, dat Corona echter niet opmerkte.

»Portias kwam hier; hij logeerde in het paviljoen, waar ook Akkeveen had gelogeerd, mijn zusters hebben ’t op meesters voorzien, nu zullen er geen Ngaroengan meer betreden. Iteko moet die aspirant-zwagers vervangen.”

»En u behoeft in haar geen schoonzuster of stiefmoeder te vreezen?”

»Daarom heb ik ze gekozen. Ik heb een advertentie in de courant laten plaatsen. »Een gouvernante gevraagd, vereischten: zeer geleerd en buitengewoon leelijk.” Een enkele schreef er op en zij bezat die vereischten in de hoogste mate, maar ik dwaal telkens af. Portias gaf mij les en werd natuurlijk verliefd op mij. Bah, ’t is zoo afgezaagd, er kan hier geen meester, geen logé komen, of hij gaat heen, omdat hij zich aan mij declareerde, ’t is vervelend.”

Zij wrong haar zakdoek in elkaar en fronste de wenkbrauwen.

»Nu maak u zoo boos niet. Ik kan u toch niet beklagen.”

»Dat is trouwens niet noodig. Portias componeerde muziekstukken en droeg ze mij op, ik zong de wijs met de dwaaste woorden, toen sprak hij van zelfmoord en Kitty kreeg medelijden met hem; zij begon die mopjes voor hem te zingen en ik lachte, domoor die ik was; ik plaagde haar met Portias, eerst vond zij het aardig, later niet meer, zij werd stiller en nog veel hartelijker tegen mij dan anders en eindelijk kwam het hooge woord er uit: Portias had zijn liefde overgebracht op haar en ook zij beminde hem.”

»Wat zal dat kind een storm hebben doorstaan.”

»Ik was radeloos; nu vertellen die lafaards, dat ik Kitty wilde laten trouwen met den resident, maar dat is niet waar, ik trachtte zijn aanzoek te doen dienen als reddingsplank, want ik vond het idee van Kitty’s huwelijk reeds als kind vreeselijk. Toen de resident zag, dat ik niet te bewegen was hem te trouwen, verzocht hij mij een vrouw uit mijn hand.”

»Een bewijs voor uw roem als vrouwenzoekster.”

»Och ja, ik moest de jongens getrouwd krijgen zooals ik voor gouvernantes en gouverneurs zorgde. Liever gaf ik Kitty aan hem dan aan Portias, maar het hielp niets; zij stond tegen mij op, zij sprak bittere woorden tegen mij, haar moederlijke zuster; was dat niet hard, Hermelijn?”

»’t Gebeurt dagelijks.”

»’t Ergste kwam nog, Papa was naar Batavia voor drie maanden. Correspondentie met hem was niet te houden, op alle brieven antwoordde hij slechts met telegrammen; daarbij had ik de zorg voor Kitty geheel op mij genomen, ik wilde Papa er niet over schrijven. Allen stonden aan haar zij; niemand mocht Portias lijden, zoolang hij mij het hof maakte, nu gaven allen hem en Kitty gelijk. Ik sloot haar op en op zekeren morgen was zij met hem verdwenen. Portias had haar geschaakt, Akkeveen vergezelde hen voor het fatsoen. Ik liet mijn paard zadelen en zette ze na, en vond ze in het logement van de hoofdplaats. Portias en Akkeveen namen een hoogen toon aan, maar ik bedreigde hen met de politie en maakte Kitty zoo bang, dat zij gewillig met mij terugging.”

»En toen heeft u uw toestemming gegeven?”

»Wat kon ik anders doen? Zij was gecompromitteerd en vader bleef nog afwezig.”

»Keurde hij hun huwelijk goed?”

»Wat ik goed vind, is hem uitstekend. Ik heb hem zelfs zijn derde vrouw aangewezen, toen ik ’t raadzaam achtte dat hij hertrouwde.”

»En zij is u tegengevallen?”

»Ja, zooals alle anderen; mijn beide schoonzusters zijn onbeduidendheden; Sophie, August’s vrouw kan heerlijk koken, goed naaien, goed huishouden. Ze eten het meest en verteren het minst maar overigens is zij een plant, August een etende steen, ze komen juist bij mekaar. Hun kinderen zijn mirakels van domheid; vijf zijn er nu hier. Dan heb je Akkeveen, een luie, lastige parvenu; toen hij nog onderwijzer was, vond ik hem een geschikt mensch, niet kwaad voor Dolly, die goed en vlug is, maar niet zoo graag studeerde als Kitty; hij zal haar nog veel kunnen leeren, dacht ik en werkte het huwelijk in de hand; nu is zij een arme tobster geworden, die dag en nacht met haar kinderen sjouwt, terwijl haar man niets doet dan rooken, slapen, brommen en mij tegenwerken. Je ziet, dat ik geen reden heb mij te verhoovaardigen over mijn omgeving.”

»Je hebt zooveel andere redenen om dat te doen, Corona!”

»Meen je dat? Tot nu toe geloofde ik, het op een aardige hoogte gebracht te hebben met de viool, maar weet je wat die onuitstaanbare aanmatigende vriend van je zei, nadat hij me gehoord had. »’t Is hoogst merkwaardig een vrouw zoo te hooren spelen.” Dus als het een man geweest ware, zou het middelmatig zijn. Ik spreek hem niet meer aan.”

»Daarom?”

»Niet juist daarom, maar omdat ik hem niet lijden mag. Ik wil voorzichtig tegenover dien man wezen. Kan je hem geen wenk geven om heen te gaan?”

»’t Is niet aan mij dat te doen. Ik heb hier niets te zeggen.”

»Wat, je hebt hier veel, zeer veel te zeggen. Jij bent de eenige schoonzuster, die ik onze familie waardig acht.”

»O, ik zal u nog meer tegenvallen dan de anderen; ik verdien zulk een eer niet.”

»Van avond zullen we musiceeren; als die Thoren er maar niet was!”

»Hij zal zich wel laten hooren, hij speelt geniaal piano ofschoon hij ’t nooit leerde.”

»Hij doet alles geniaal, schijnt het. De broers noemen zijn schieten op jacht geniaal, papa roemt zijn algemeene kennis, zelfs van de cultures en ik vind zijn manier van doen geniaal pedant.”

XIV.

»Je hebt een pracht van een vrouw, Conrad,” zei Guillaume. »Ik heb nog nooit een tweede gezien, zoo lief, zoo vriendelijk.”

»Dat schijnt Cor ook te denken,” zeide de gelukkige echtgenoot kortaf, »dadelijk heeft ze haar meegenomen naar die hoek-canapé en haar mond staat geen oogenblik stil.”

»Waarom sta je dat toe, Coen? Als ik je was, liet ik haar geen oogenblik met de prinses alleen! Zij heeft haar zondagsch humeur van daag niet, van morgen bij het kerkhouden liet zij de juffrouw een preek voorlezen van wel twaalf bladzijden lang, en toen Jantje van August en mijn Njo daarbij in slaap vielen, kregen zij voor vandaag huisarrest op droge rijst, kassian!”

»Maar hoe kun je dat toelaten? vraag ik op mijn beurt.”

»Jij zult ook wel toegeven, als je zoover bent. Ik kan dat gezanik niet uitstaan; je begrijpt dat Toetie of Kitty wel zorgen zullen dat de kinderen het noodige krijgen. Ik kan die eeuwige ruzie niet velen. Apaboleh boeat?” [18]

»Dat is jelui lijfspreuk, dat heeft August me ook al gezegd.”

»Maar jij bent pas getrouwd, je vrouw weet nog van niets. Hoe minder zij met Corona omgaat, hoe beter.”

»’t Kan me niets schelen!”

»Heb je nog de bokkenpruik op? Beken toch dat Cor goed voor je uitgezocht heeft. Leek Toetie maar half op haar! Zeg eens, wat is dat een flinke vent die Thoren, vind je niet?”

»Ik kan er niet over oordeelen, ik heb hem nog niet gesproken.”

»Hij kan van alles, maar het meeste schik geeft het mij, als ik zie hoe hij Cor aandurft! Gisteravond heeft zij na lang bidden eindelijk viool gespeeld; Portias accompagneerde haar, zie je, ’t klonk prachtig, ik kon niet anders zeggen en hij gaf haar toch een compliment dat geen compliment was. Ik dacht een oogenblik dat zij de viool stuk zou slaan op zijn hoofd, maar ze hield zich in, en van morgen wenschte zij hem nauwelijks goeden morgen!”

»Als ieder zoo bang niet was voor haar, zou zij niet zooveel durven.”

»Ik geloof dat zij papa erg opstookt tegen Portias; de arme kerel krijgt toch niet meer dan alles vrij en f 50.”

»Hij klaagt toch niet.”

»Wel neen, hij zei me gisteren. »’t Doet me genoegen; papa en Corona zullen langzamerhand overtuigd raken, dat ik mijn Kitty wou hebben alleen omdat ik haar lief had, en niet omdat zij de dochter van de rijke Gérans is.” Zoo iets moest Akkeveen overkomen, die heeft nooit genoeg naar zijn zin. Maar vertel me nu eens wat van je vrouw! Hoe prettig voor je dat het zoo uitgevallen is; ze is niet alleen mooi maar goed bovendien. ’t Doet mij pleizier voor jou, je hebt het verdiend aan Kitty.”

De goede Guillaume was geen scherp opmerker en het somber zwijgen van zijn broer op dien gelukwensch viel hem niet op; er kwamen een paar kleine jongens langs, hij pakte er een beet, wierp dien in de hoogte, ving hem met de schouders op en draafde de voorgalerij zoo door tot bij de canapé, waar Corona en Hermelijn nog zaten.

»Heb je geen moeite om al die kinderen te onderscheiden?” vroeg Hermelijn.

»Ik ken mijn eigen er nauwelijks uit,” antwoordde hij lachend. »Laat eens kijken, is dat er een van mij, óf is ’t een broertje of een neefje. Hoe heet je, vent?” en hij keek naar boven.

»Herman.”

»Dien heb ik niet, dat is een zoon van August, geloof ik! Die kneuter daar is zijn oom, een heuveltje in vergelijking van Dora August.”

»En de uwe?”

»Lientje, daar komt ze aan. ’t Is No. 3 van de zes, mijn jongste is elf weken; ja, de klapperboomen zitten hier vol kleine Gérantjes, men heeft ze maar voor het plukken.”

»Iteko,” riep Corona, die opgestaan was en naar de binnengalerij wandelde; zij had een lange, slepende grijze peignoir aan met donkerroode opslagen gegarneerd, een bloedkoralen kam in de hoog opgestoken haren, bloedkoralen groot als duiveneieren om hals en armen.

»Zeg me toch eens, wat voor wonderlijke naam dat is?” zei Hermelijn.

»Iteko, bedoelt u? Wel, dat is Margaretha Jacoba, heb ik eens gehoord. ’t Is een goed mensch die juffrouw! Zij leert de kinderen van alles, en bemoeit zich niet met onze zaken, Corona behandelt haar als een meid en als een koningin.”

»Iteko,” vroeg Corona, toen het bultje voor haar stond, »waar blijft Margot van morgen?”

»Zij is met meneer Philip, meneer Portias en meneer Thoren uit rijden gegaan.”

»Zonder mijn verlof op Zondag. ’t Is goed! Zeg haar dat zij vandaag de kamer niet verlaat.”

»Ook niet voor het eten?”

»Neen.”

Op hetzelfde oogenblik kwam van den achterkant het viertal het erf oprijden. Margot, die zich dol geamuseerd had, omdat »meneer Thoren zoo aardig kon zijn” had dicht bij huis plotseling gewetenswroegingen gekregen.

»Niet daar boven langs, onder langs, dan komen wij niet van voren aan,” bad zij.

»En waarom dan, juffrouw Margot?” vroeg Thoren.

»Ze is bang voor Cor,” verklapte Philip, »zij heeft haar geen permissie gevraagd.”

»Ik ook niet,” zei Portias, »en jij Philip?”

»O bij de jongens komt het er niet op aan,” sprak het meisje weemoedig. »Maar voor de meisjes is zij zeer streng.”

»Kom, het zal zoo erg niet wezen; zullen wij haar ontevredenheid niet tarten?”

»Och neen, neen, doe het niet! Ze is vandaag toch niet goed gehumeurd.”

»Niet, en waarom?”

»Omdat u haar gisteravond geen mooi compliment heeft gegeven over haar vioolspelen,” zeide het meisje schalksch lachend.

»Foei Margot, foei enfant terrible!” verweet Portias haar.

»Kom, je zoudt me nog ijdel maken Margot, waarom zou juffrouw Corona vragen naar mijn meening; als het nu nog die van Portias was.”

»O, dat is oudbakken brood, ’t is een straatdeun,” verklaarde deze oprecht.

»Gaan we nu door den klappertuin?”

»Zullen wij de kleine meid haar zin geven, Portias?”

»Ik ben geen kleine meid meer!”

»Neen, een aardige, groote heks.”

»Och ja, laat ons maar links inslaan, Thoren.”

Nauwelijks kwam Margot, die er in haar lange zwarte amazone met haar rijhoedje op, reeds geheel als een volwassen dame uitzag, de trap der achtergalerij op of Iteko kwam haar tegen.

»Foei Margauw,” begon zij op haar zoetsappigsten toon, »hoe heeft u dat kunnen doen?”

»Weet Cor...”

»Ja en nu mag u den heelen dag niet uw kamer verlaten.”

Margot had verscheidene prettige plannetjes voor den Zondag en nu werd daaraan op zoo onverwachte wijze een eind gemaakt.

»Cor is een gek!” riep zij, en vergetend dat zij gaarne voor een verstandige, groote meid werd aangezien, wierp zij haar hoed en zweep op den grond en begon hardop te schreeuwen en te stampvoeten, terwijl zij in haar kamer verdween.

»Ze zijn allemaal hetzelfde, die inlandsche kinderen,” mompelde juffrouw Iteko, hoed en zweep gedwee opnemend.

Juist kwam Thoren ook binnen.

»Hoorde ik Margot daar niet aangaan?” vroeg hij.

»Och ja, zij is wat verdrietig mijnheer, zij heeft kamerarrest gekregen.”

»Omdat ze uit rijden is geweest?”

»Ik denk het wel mijnheer.”

Thoren van Hagen en Portias gingen naar de voorgalerij en maakten hun opwachting bij de dames; Corona was statig en koel en verwaardigde ze nauwelijks met een blik; Thoren van Hagen sprak haar evenmin aan en onderhield zich met Hermelijn.

Hij zat tegenover haar op een klein tabouret en vroeg hoe het Indische leven haar beviel; Conrad stond op eenige stappen afstand en luisterde zonder het te willen doen blijken.

»Java is een paradijs,” sprak zij bitter, »maar niet ieder kan het waardeeren.”

»Nu, ik blijf voorloopig hier.”

Corona hief ’t hoofd op en zelfs Conrad’s aandacht scheen opgewekt.

»Hier blijven Iwan?” vroeg Hermelijn.

»Ja, ik heb een verrukkelijk plekje gevonden, waar het goed is te rusten; daarvoor reis ik de aarde rond om er een plaats te vinden, waar ik gaarne zou blijven, tot... het mij verveelt.”

»En waar is die bevoorrechte plek?” vroeg Corona scherp.

»Bij het meer Ngaroe, in het huis van Bremmers,” haastte Philip zich te zeggen.

»Kinderen moeten wachten tot hun iets gevraagd wordt: Hou je stil,” beval Corona.

»De jongeheer heeft het beter gezegd dan ik het zou kunnen. Dat namen onthouden is mijn kracht niet; ja, ’t is een heerlijk romantisch punt, ik zal ’t huis huren en laten inrichten.”

»Wie weet voor hoe korten tijd?”

»Men moet het oogenblik vasthouden, ’t gaat zoo snel voorbij. Ik vind dien inval kostelijk en zou hem niet willen verliezen; morgen ga ik naar de hoofdplaats en vandaar naar Samarang om meubels en een piano te koopen.”

»Hij is niet wijs,” mompelde Corona binnensmonds en zocht toen haar vader op, die rustig in den anderen hoek der galerij zijn courant las.

»Papa,” sprak zij, »is het huis van Bremmers nog niet verhuurd?”

»Neen kind, wie zou het willen huren?”

»Ik hoor, de mijnheer, die u uit Samarang mee heeft gebracht. Staat u dat toe?”

»Verhuren zal ik ’t hem niet, maar hij kan het bewonen als hij het verlangt.”

»Doe me pleizier en weiger ’t hem.”

»En waarom? Thoren van Hagen is een ontwikkeld, aangenaam mensch, een goede omgang voor je broers.”

»Doe ’t niet!”

»Maar Corona, geef een reden op!”

Zij beet zich op de lippen; iets boosaardigs glimde in haar oogen, maar dadelijk sloeg zij ze neer en antwoordde niets anders dan:

»U moet het zelf weten, als er ongelukken van komen.”

»Kom, kind, wees verstandig! Wat voor kwaad zou het geven?”

Hij zette zijn lectuur voort, en zij verwijderde zich.

Intusschen gaf Thoren met vuur een beschrijving van het plekje dat hem geboeid had.

»’t Lijkt een tooversprookje zoo romantisch, zoo wild; verbeeld u, Hermelijn, een meer groen als een smaragd, omsloten door hooge rotsen aan eene zijde, waaruit slingers van woekerplanten met groote, pluimachtige bloemen bevallig neerhangen en dikke boomen zich door de spleten wringen om dan hun takken droomerig in het water te laten slepen; eilandjes, die groote bonte bouquetten lijken, verstrooid over het water, aan de andere zijde hooge waringins en alang-alang, die het in gele planken opgetrokken paviljoen, bijna geheel verschuilen. Uw villa is mooi, maar de mijne wint het toch!”

»Altijd even grillig, Iwan!”

»Och ja, met grilligheid bevind ik mij het beste; ik hou niet van lang vastgestelde plannen, van uitgewerkte levensprogramma’s, van wissels op de toekomst. Elke dag brengt zijn eigen lief en leed.”

»Gelukkig, die zich de weelde veroorloven kan er grillen op na te houden,” zei Hermelijn glimlachend.

Juist werden zij voor de lunch geroepen, Thoren naderde Hermelijn van nabij en vroeg fluisterend:

»Meen je werkelijk dat ik gelukkig ben?”

»Wel neen, zeker niet, men mag immers niet gelukkig zijn op aarde.”

»O Hermelijntje, wat heb je vorderingen gemaakt in levenswijsheid,” dacht Iwan, maar sprak het niet uit.

’t Was een gezellige rijsttafel, niettegenstaande twee derden het stilzwijgen niet verbraken; Corona was plotseling levendig en spraakzaam geworden zelfs tegen Thoren, die het geheele gezelschap iets mededeelde van het vuur, dat uit zijn gesprekken en blikken ontsprong.

»Mag ik u een gunst verzoeken?” vroeg hij over de tafel heen aan Corona bij het dessert.

»Als ik die mag weigeren?”

»Een slecht begin, maar ik roep mijnheer uw vader op mijn hand. Is het niet wreed, dat bij het eerste familiemaal waarbij een nieuwe schoonzuster aanzit, een der zusjes afwezig moet blijven?”

»Wie is dat?” vroeg de oude heer de Géran rondziende.

»Juffrouw Margot.”

»Dat ondeugende kind; maar ik wil vandaag genade voor recht laten gaan, nu zal zij wel in ontoonbaren toestand zijn en niet eens verlangen hier in ’t openbaar te verschijnen, maar van middag mag ze zich kleeden Iteko, en aan het diner komen.”

»Op de barmhartigheid der Koningin,” riep Thoren van Hagen zijn glas opheffend, »voor haar, die genade voor recht laat gaan!”

En toen allen van tafel opstonden na het maal, zeide hij zacht tot Corona:

»Ik blijf u dankbaar voor die gunst, de eerste, die ik u heb gevraagd. Moge dat een goed voorteeken blijken!”

»Waarvan?”

»Van uw goedgunstigheid voor het vervolg!”

Hij zag haar aan met zulk een blik, dat Corona plotseling alles om haar heen zag wentelen; zij kreeg een gevoel zooals zij nimmer nog had ondervonden, haar oogen flikkerden, haar hand beefde, en zonder een woord te spreken, verliet zij hem.

»Iteko!” vroeg zij in haar kamer gekomen, »wat zeg je van Thoren’s plan?”

»Wel juffrouw, wat zou ik er van zeggen. Hij is vrij zich te vestigen, waar hij wil. En ’t is hier heel mooi.”

»Ik zou willen weten wat hem drijft hier te blijven.”

»Ik heb mijn vermoedens.”

Tot Iteko’s groote verwondering deed Corona geen verdere vragen meer.

XV.

»Zullen wij wat samen gaan praten, Hermine?” vroeg Kitty aan hare schoonzuster, terwijl Conrad, Guillaume en Philip zich naar de bijgebouwen begaven, vermoedelijk naar de stallen.

In het groote huis was het wel de gewoonte dat ieder na de rijsttafel zijn weg ging, maar aan slapen deed het jongere geslacht, op enkele uitzonderingen na, niet veel.