Hermelijn

Part 8

Chapter 84,086 wordsPublic domain

Het gezelschap was vroolijk; Guillaume, die veel levendiger was dan August, maar zooals alle Gérans er het zwijgen toedeed als vader en zuster dicht bij waren, ging zijn broer opzoeken. Philip speelde met de honden en Corona vroeg Hermelijn of zij dat en dat wel had opgemerkt, of zij die bloemen niet recht Europeesch vond en of het haar keuze van muziek was, die zij had getroffen, of de boeken haar bevielen en of de sarongs niet mooi gebatikt [17] waren.

»Ik vind alles even volmaakt, even mooi! Ik herhaal ’t je Corona, ik zelf had niet beter kunnen kiezen, o je bent de beste van alle zusters.”

»’t Doet me pleizier, dat je het erkent, Hermelijn; zoo velen zijn er, die mij niet verstaan, die mij bedoelingen toeschrijven, welke mij altijd zijn vreemd geweest, en ik verzeker ’t je nogmaals, ik heb nooit iets anders op ’t oog, dan het geluk van hen, die me lief zijn.”

»Zeker en daarom heeft u mij ook dit waarlijk éénige lot bereid!”

Geen woord van haar ontsnapte Thoren van Hagen ofschoon hij schijnbaar een druk gesprek met den ouden heer voerde.

»Ik hoop dat je er eens voor beloond zult worden, zooals je ’t verdient,” vervolgde zij, en de vriend harer jeugd brak plotseling zijn eigen woorden af en zag haar aan op eene wijze, die haar door de ziel sneed en bijna de zoo moeilijk veroverde zelfbeheersching deed verliezen.

Maar de angor-poef werd binnengebracht en Hermelijn begon haar huisvrouwelijke plichten te vervullen.

»Nog een oogenblik, we wachten onzen gastheer,” verzocht zij. »Hij maakt groot toilet, naar ’t schijnt!”

Corona wiegelde zich in haar schommelstoel op en neer en tikte werktuigelijk met de punt van haar rijzweepje op den ruigen kop van Matjan, haar forschen Terre-Neuve, die zich niet wilde ophouden met de hazewinden van Conrad; een vergenoegd lachje speelde om haar lippen en blijkbaar vermoedde zij niet in de verste verte, den verborgen zin van Hermelijn’s woorden en haar werkelijke stemming.

»We hebben gister een séance littéraire of liever ethnographique van mijnheer Thoren van Hagen gehad,” zeide zij tot Hermelijn. »Hij heeft van zijn Noordpooltochten verhaald.”

»Is hij daar ook geweest?”

»Weet je dat niet? ’t Was heel interessant maar ik kan hem niet uitstaan,” en zij sloeg Matjan zoo hevig, dat hij het spel voor ernst beschouwde, opstond, den ruigen kop schudde en haar grimmig aanzag.

»Daar moet ge je aan wennen, Matjan,” zeide Corona lachend, »die ik liefheb, plaag ik het meeste.”

»Zei u me iets?” vroeg Thoren van Hagen nabij komend.

»U iets zeggen, wel neen, ik sprak met Matjan, hoe komt u er in ’s hemelsnaam aan?”

»Ik dacht dat u mij aankeek.”

»Ben ik niet vrij te zien, waarheen ik verkies?”

»Even vrij als ik om u te vragen, of u mij noodig heeft.”

Zij wendde het hoofd om en vroeg Hermelijn of ze samen naar binnen zouden gaan.

Juist kwam de heer des huizes, thans goed gekleed, naar buiten.

»Ha, Conrad, wat heb je ons laten wachten,” verweet Hermelijn.

»Dag pa, dag Cor!” was de vrij koele begroeting die niemand echter vreemd scheen te vinden.

»Nu je hier bent om de eer van het huis op te houden, ga ik met Corona naar de piano zien. Straks zal je wel de angor-poef laten opentrekken, een alleraardigste klanknabootsende naam, vind je niet, Thoren? Angor-poef, die Javanen weten het wel, Conrad zal me Javaansch leeren, niet waar Coen.”

»De dispens is goed voorzien,” stotterde Conrad verlegen, om maar iets te zeggen.

»Eindelijk een woord van waardeering,” zeide Corona.

»O alles spreekt van Corona’s teedere zorgen. Ik weet niet hoe u uit te drukken, wat ik voor u voel,” sprak Hermelijn toen ze alleen waren, »zoo’n schitterende ontvangst, zulk een beeldig huisje, alles gevuld met nieuwe meubels, nieuwe kleeren, nieuwe eet- en drinkwaren. Hoe ondankbaar zou ik wezen als ik niet alles erkende.”

»Ik ben tweemaal naar Samarang geweest om alles te bestellen en te koopen,” verklaarde Corona, nog steeds onder den indruk van Hermelijn’s woorden, waarvan zij den eigenlijken zin nog niet vatte.

»Ik bewonder uw echt Europeeschen smaak.”

»Ja, ik haat alles wat inlandsch is. Maar Conrad, hoe is hij voor u?”

»Zooals ik het wenschen kan; voor onbescheiden oogen stroef en koel, maar als wij samen zijn, weet hij niet, hoe mij met liefkozingen te overladen; hij volgt mij met zijn attenties, meer dan ik had durven hopen zelfs na zijn hartelijke, lieve brieven.”

Corona was min of meer verbijsterd; de uitslag overtrof haar verwachting maar toch.... toch....

»Wij beleven zulke heerlijke wittebroodsweken, we zijn zoo gelukkig,” en plotseling met het hoofd tegen de kast der piano vallend, begon zij zacht te schreien.

Niemand hoorde het dan Thoren van Hagen en Conrad, die plotseling zijn hoofd omwendde en naar binnen zag, maar dadelijk weer den blik met een onverschillige uitdrukking naar buiten richtte; Thoren stond echter op, als door een onweerstaanbare kracht gedreven en ging naar de binnenkamer.

»Scheelt u iets? Misschien ben ik onbescheiden uw vertrouwelijk samenzijn zoo te storen!”

»O neen Thoren, volstrekt niet!” zeide Hermelijn, met geweld haar tranen onderdrukkend, »ik schrei van aandoening, van geluk. Niet waar Corona, vertelde ik het je daar niet, hoe lief Conrad voor mij is, hoe gelukkig ik met hem ben, o zoo gelukkig! Als mijn vader eens den omvang kende van mijn geluk!”

Conrad zat te beven op zijn stoel, maar hardnekkig bleef hij volhouden niet naar binnen te zien.

»U heeft er alle eer van, u, die het bewerkte, want zonder uw raad, heeft Conrad gezegd, zou hij de vriendin zijner jeugd niet het voorstel gedaan nebben, hem te zoeken ver over de zee. Laat ons naar voren gaan en dan drinken op het geluk van het bruidspaar!”

Zij streek met den zakdoek over de oogen en glimlachte weer. Corona was stil en in zich zelf gekeerd; zij twijfelde en voelde zich vreemd te moede; er was iets in Hermelijn’s uitbarsting, dat haar onnatuurlijk en zonderling voorkwam.

De champagne werd gedronken en Hermelijn lachte met het zonderlinge vuur in de oogen, dat Thoren van Hagen zoo somber stemde; hij sprak geen woord, hij, die anders zoo levendig kon zijn. Ook Corona was nadenkend; tegen zeven uur kwamen de paarden weer voor; de voorrijders hadden flambouwen in de hand, er werd afscheid genomen, Corona sloot haar schoonzuster hartelijk in de armen, zonder te bemerken hoe zij als van afschuw rilde onder die omhelzing; de heeren reden vooruit, zij bleef achter met Thoren.

»Hoe bevalt u uw zuster?” vroeg hij ernstig.

»O, zij is een snoesje.”

»Dat vraag ik u niet, ik wilde weten, hoe u denkt over haar... haar huwelijksgeluk.”

»Van drie dagen?”

»Van het begin hangt veel af.”

»Zij schijnt overgelukkig, een beetje zenuwachtig. Ik heb daar geen verstand van, ik ken geen zenuwen.”

»U heeft ze misschien nog niet gevoeld in uw kalm, gelukkig leven.”

»Kalm, gelukkig leven, hoe weet u dat?”

»Men is immers overeengekomen om het leven gelukkig te noemen dat kalm voortgaat en nergens tegenstand ontmoet. Ik wil niet zeggen dat dit nu juist mijn ideaal is, maar daarop komt het minder aan.”

»Het mijne is ’t evenmin, ik overwin graag bezwaren.”

»Ook ten koste van anderen?”

»Hoe bedoelt u dat?”

»Ik wilde niets anders zeggen, dan dat u zich dit genoegen niet mag gunnen, wanneer anderen voor uw overwonnen bezwaren moeten blijven staan. Het is u gelukt Hermelijn tot uw schoonzuster te maken, u verheugt zich over uw werk, maar vraagt niet, hoe zij er onder gestemd is?”

»Is alles dan niet goed?”

»Haar geheim is het mijne niet, en ik mis waarschijnlijk het recht om uit te spreken, wat zij met zooveel moeite wil verzwijgen maar het is toch beter dat u ’t weet: Hermelijn is diep ongelukkig, Conrad haat zijn vrouw, of hij haar waardig is kan ik niet beoordeelen, dat is aan u, maar ik dank den hemel, dat ik de verantwoordelijkheid niet draag van zulk een koppeling.”

Corona zag hem met groote oogen aan, doch zij sprak geen woord; haar keel was als dichtgeschroefd.

»Wat moet ik doen?” vroeg zij eindelijk op doffen toon.

»U niet mengen in den strijd, welken zij te voeren heeft, misschien is er nog overwinning mogelijk.”

»Waarom houdt Conrad dan niet van haar? Zij is zoo lief, zoo goed, zoo geheel anders dan alle meisjes, die hij ooit gezien heeft.”

»Conrad heeft liever de bloem, die hij zelf koos, dan de diamant, die hem door een vreemde, misschien gehate hand, werd aangeboden.”

»Ik geloof u niet, ze zijn zeer gelukkig,” verzekerde zij.

»Zooals u wil,” antwoordde hij spottend.

Zij gaf haar paard de sporen en verliet Thoren’s zijde om naast haar vader voort te rijden. Later aan tafel was zij opvallend bleek.

»’t Gaat goed met de luidjes,” sprak de vader kennelijk tevreden, »ze zijn vroolijk en dol op mekaar.”

»Goddank,” zei Kitty op een toon van ware verlichting.

»Zou het stemmen zoo spoedig zijn gegaan?” vroeg Portias.

Er was slechts een klein gezelschap aan tafel; Portias en Thoren hadden een druk gesprek over kunst; de eerste dweepte met Wagner en zijn toekomstmuziek, de andere verklaarde nog liever de gamelang in het gebergte te hooren. Corona luisterde zwijgend, haar blik wendde zich niet af van Thoren, een zonderlinge uitdrukking lag om haar mond; soms drukte zij de lippen op elkander dan weer sloeg zij de oogen neer, een enkele keer verfde een blos haar wangen, het was toen Thoren van Hagen haar vroeg:

»Doet u niets aan de muziek?”

»Ja, ik bespeel de viool.”

»En u heeft ons nog geen proeve van uw talent gegeven.”

»Een zeer groot talent,” verzekerde Portias.

»Ik verlang geen complimenten van je,” zeide zij bits.

»Gelukkig dat ik dan de waarheid reeds gezegd heb,” antwoordde hij kalm.

»Mag ik zoo gelukkig zijn u van avond te hooren?” vroeg Thoren.

»Neen, van avond niet.”

»Ik ben erg nieuwsgierig het peil der muzikale ontwikkeling van onze nieuwe schoonzuster te leeren kennen,” hernam Portias.

»Ze komt Zondag niet waar, Cor?” vroeg Kitty.

»Ik verwacht ze tenminste.”

»O, ze zijn nog te druk aan hun wittebrood.”

»Niet ieder is zoo dwaas als jij en Kitty.”

»Ja, wij zijn echte kinderen van weelde; ons roggebrood is nog niet gebakken.”

»En hoelang is u getrouwd.”

»Een jaar.”

»Dertien maanden,” verbeterde Kitty.

»En hoeveel dagen?” vroeg Cor spottend, »ik houd niet van menschen, die met hun geluk of ongeluk te koop loopen.”

»Ook niet van hen, die ’t omkeeren en zoo laten zien?”

»Ik kan geen raadsels oplossen. Is de post gekomen, papa? Mag ik eens kijken wat er is?”

Toen zij kort daarna alleen op haar kamer was, viel zij op den divan neer, haar handen op de knieën gevouwen, de oogen onbestemd voor zich uit starend.

Haar trouwe adjudant, Iteko, was haar gevolgd.

»Scheelt er iets aan, juffrouw?” vroeg zij.

»Iteko! Weet jij wat wroeging is?”

Een soort van lach sperde Iteko’s lippen open bijna tot aan de ooren.

»Gelooft u er aan?” vroeg zij.

»Ik heb er van gelezen, Macbeth, die den slaap vermoordde, vreeselijk! ’t Schijnt waar te kunnen zijn.”

»Maar lieve juffrouw, hoe kan u daarvoor vreezen?”

»Iteko, ik wil je geen verwijten doen, hoewel je me altijd gezegd hebt dat ik een goed werk deed door Conrad tot man te geven aan mijn nichtje.”

»En zou ’t dat niet wezen?”

»Ik weet het niet, ze was zoo vreemd, zoo opgewonden. Ik had gehoopt in haar een vergoeding te vinden voor die dwaze Kitty, die mij verraden en verlaten heeft om dien kwast. Hermelijn is allerliefst tegen mij en toch, ’t is of ik liever de bitterste verwijten hoorde dan dien blik van haar te ontmoeten.”

»Heeft mijnheer van Hagen u iets gezegd?”

»Hoe kom je daaraan!”

»Ik weet het zelf niet, ik geloof, dat hij doodelijk van u is.” Corona barstte in een valschen schaterlach uit.

»Iteko, Iteko, als een ander dat zei, ik zou hem vragen, of hij mij bespotten of beleedigen wilde. Hij heeft me niets anders dan onaangenaamheden gezegd.”

En plotseling begon zij luid te snikken; Iteko, die zulke vlagen van haar meesteres kende, ging aan de tafel zitten, waarboven een lamp brandde en begon bedaard te schrijven, na de deuren gesloten te hebben.

Corona schreide eenige minuten achter elkaar, met de heftigheid, die zij in al haar handelingen legde; ’t scheen echter dat de aanval langer duurde, dan Iteko gewoon was. Zij vroeg haar tenminste:

»Wil u drinken?”

Corona antwoordde niet en ging voort met snikken; langzamerhand begon het zachter en bedaarder te worden, totdat zij eindelijk geheel stilhield.

»Zie zoo, dat heeft me goed gedaan! Ik was zoo bang dat de bui aan tafel zou beginnen,” sprak zij, »niemand dan jij, Iteko, vermoedt hoe zwak en meisjesachtig ik soms kan zijn. Geef me een glas limonade.”

»Hij sprak van zenuwen,” ging zij na een oogenblik voort »zouden dit zenuwen zijn? Ik zal papa verzoeken hem weg te laten gaan. Ik vrees hem!”

»Daar heeft u groot gelijk in, u moet op uw hoede zijn voor dien man.”

»Waarom?”

»Ik weet het zelf niet, maar ik voel, dat hij u ongeluk zal aanbrengen.”

»Foei Iteko, je hebt mij altijd om mijn Indisch bijgeloof uitgelachen! Verbeeld je, dat hij me eens zoo had hooren aangaan, hij had gedacht dat het om hem was, en je weet zelf, dat ik zoo schrei alleen omdat ik niet anders kan, omdat het mij oplucht.”

XIII.

Nadat het gezelschap vertrokken was, bleven Conrad en Hermelijn alleen tegenover elkander.

»Ik kan niet komedie spelen zooals jij,” sprak hij barsch.

»Ik moet zooveel, wat ik niet kon,” antwoordde zij.

»Maar begrijp je dan niet, hoe ik hun gelijk geef, hoe zij zich zullen verheugen omdat alles zoo goed is gegaan, omdat ik mij in mijn lot geschikt heb?”

»En dus, daar mijnheer Conrad zoo zwak is geweest een stuk te teekenen, dat een huwelijks-contract heette, moest ik aan hem opgeofferd worden, moest ik voor de geheele familie de Géran mij laten behandelen als een verstooten vrouw, moest men mij beklagen, moest ik door ieder besproken worden? Neen, er is geen middenweg, je dient mij in hun bijzijn te behandelen als je vrouw, niet hartelijk, dat is hier niet noodig, maar tenminste mij niet beleedigen, zooals je op de heele reis hebt gedaan, of ik ga naar je vader en zeg hem, dat ik weiger met je onder één dak te leven, dat ik bedrogen ben door valsche brieven. Hij is een man van eer, aan dat bedrog heeft hij stellig geen schuld; mocht ik bij hem geen bescherming vinden, dan ga ik naar Samarang en klaag je allen aan!”

»Voor mijn part kan je dat doen. Zij hebben het spel doorgedreven, de gevolgen zullen zij dragen.”

»Maar je hebt je toestemming gegeven, dat wascht het water der zee niet af.”

»Men heeft mij die afgedwongen.”

»Zoo iets laat men zich niet afdwingen. De familie de Géran heet over geheel Java hoogst achtenswaardig en nobel, gehecht aan den godsdienst van hun adellijke voorouders, maar ik noem de dingen, die bij hen voorvallen, schandelijk en misdadig. En jij bent de schuldigste, Conrad!”

»Ik?”

»Ja! Je hebt mij je naam gegeven en nu weiger je mij je liefde, je vertrouwen; je zoudt het liefst mij willen verjagen uit je huis, mij mishandelen om je haat aan Corona bot te vieren, waarom mij dan getrouwd?”

»Omdat, omdat ik medelijden had met Kitty.”

»Met Kitty?”

»Kitty wilde trouwen met Portias; zij was met hem gevlucht, omdat Papa zijn toestemming niet mocht geven; maar zij hebben hen achterhaald en toen werd zij opgesloten in haar kamer en nadat ik maanden lang had geweigerd om Corona’s wil te doen, heb ik eindelijk »ja” gezegd, op die voorwaarde alleen wilde Corona Papa verzoeken hun huwelijk toe te staan.”

»Dus ik ben opgeofferd aan je broederliefde, ik die droomde van je trouwe herinnering aan mij, ik die zooveel illusiën had, maar ik zoek niet beklaagd te worden. Zeg me alleen wat je vader weet.”

»Hij weet niets en hij mag het nooit weten! Hij weet niets van Kitty’s misstap, als hij ’t wist, en daarom... daarom wil ik dat je het verzwijgt.”

»Alweer uit liefde voor je zuster! En denk je dan niet Conrad, hoe ongelukkig ik ben?”

»Ongelukkig? en je hebt Corona zoo lief, en ze gaf je diamanten en zoo’n mooi huis en alles wat er in is. Paarden, rijtuigen, geen van ons allen heeft zooveel gekregen.”

»Ik veracht haar.”

»Ik geloof je toch niet. Je houdt niet van de Indischen, mijn moeder was een Nonna, geen Hollandsche als die van Corona; als je samen bent, lach je me uit.”

»Op zulke laffe beschuldigingen verwaardig ik mij niet te antwoorden, dus je kiest mijn eerste voorstel.”

»Ja, om Kitty.”

»Natuurlijk, om wie anders! Laten we het leven dan maar in ’s hemelsnaam verder voortslepen. Goeden nacht, Conrad!”

Hij stond besluiteloos; het was of er een stem in zijn hart opkwam, die sprak van vergeven of liever van vergeten. Hij was jong en had goede oogen; hij zag genoeg welk mooi en bevallig vrouwtje hij het zijne noemen mocht maar toch kon hij ’t niet over zich verkrijgen haar een vriendelijk woord toe te voegen.

Het was hem niet mogelijk geweest Hermelijn anders dan onverschillig en onbeleefd te ontvangen, overtuigd als hij was dat zulk een houding Corona diep zou grieven; het liefst ware hij weggevlucht, verre van daar, doch de gedachte aan Kitty en Portias weerhield hem; alles zou dan uitkomen door Corona’s verbittering.

Die vrees had hem zekere grenzen niet doen overschrijden; hij was in tweestrijd geweest tusschen zijn wensch om zijn zuster werkelijk te plagen en om aan den anderen kant haar toorn niet op te wekken, waarvan Kitty en Portias de slachtoffers zouden zijn.

Hij had het plan eenigen tijd voor het oog der wereld met Hermelijn vereenigd te blijven en dan de een of andere reden te zoeken om haar te kunnen verlaten en misschien van haar te scheiden.

In een opgewonden oogenblik, bezield door medelijden voor de troostelooze Kitty, die niets meer vreesde dan de verbittering van haar afwezigen, op het punt van grondbeginselen zoo strengen vader, had hij ja gezegd, maar dadelijk reeds had ’t hem berouwd en zijn doel was het thans die nicht van Corona te laten boeten voor den zedelijken dwang hem opgelegd.

Hermelijn’s houding boezemde hem ontzag in; hij voelde zich tegenover haar geheel als kwajongen en om dat bewustzijn van zich af te zetten, beproefde hij onbeleefd te zijn, maar het ging hem slecht af. Als hij half gekleed tegenover haar zat, was hij niet op zijn gemak, hij schaamde zich, vond dat hij een belachelijk figuur maakte en was op zich zelf vertoornd, daar hij dit meende. Nu voelde hij zich nog dieper ongelukkig dan ooit te voren en achtte het vreeselijk Corona te moeten doen gelooven dat hij zich naar haar wensch schikte, maar toch ’t was of het niet meer zou gaan, Hermelijn in tegenwoordigheid van anderen onbeleefd te behandelen.

Hij bleef alleen in de voorgalerij, er lag een boek op tafel, hij nam het op en zag het in; ’t was Fransch dat hij slecht verstond.

Hoe geleerd was zij toch, misschien nog geleerder dan Corona, die vier talen sprak en hij haatte geleerde vrouwen omdat hijzelf niet had mogen leeren. Kort was hij maar in Europa geweest, omdat Corona het lang genoeg vond; alles beredderde zij, alles! Wie verzekerde hem dat die twee zich niet met elkander over hem en over zijn domme broers en zusters vroolijk maakten!

Hij balde de vuisten en wipte in machtelooze woede op en neer.

»We zijn poppen, niets meer! Corona met haar nicht zullen ons samen regeeren; ’t is niets, ’t zal altijd vroeg genoeg zijn om dienst te nemen naar Atjeh; maar ik wil me niet laten beetnemen door die blonde Hollandsche! Als ik haar zin doe is het omdat ik ’t ook het beste vind. ’t Zal haar wat kunnen schelen hoe ik mij tegen haar gedraag, zij heeft haar mooie Fransche en Engelsche boeken, zij kan zingen en pianospelen, wat geeft het haar of ik stil en knorrig ben? Wanneer ik nog die mooie mijnheer was, die haar zoo goed schijnt te kennen, dan was het nog iets, maar ik, wat ben ik naast die deftige dames met al hun geleerdheid? Een eenvoudig Indisch meisje zou ik duizendmaal liever hebben gehad als ik toch moest trouwen.”

Intusschen vond hij noch Poppie, noch Toetie naar zijn smaak en onder al zijn kennissen was er geen, die hij gaarne zijn vrouw had genoemd maar die Hermine in ’t geheel niet. Vroeger, in Holland, was zij wel aardig geweest, maar zijn herinnering daaraan scheen zoo flauw. Bij haar was zij levendig gebleven; de tijd, toen zij als ziekenoppasster had gespeeld, rekende in haar leven, bij hem waren de indrukken snel door andere verdrongen, en er bleef nu weinig meer van over.

Dat hij ’t blonde meisje eens lief had gevonden, kon mogelijk zijn, maar toen wist hij niet dat zij de nicht van Corona was of liever hij wist nog weinig van Corona af; haar trouwen was nog ver van haar lief vinden en zoo matte hij zijn gedachten af, terwijl Hermelijn ook slechts aan hem dacht en aan de treurige rol, die zij hier kwam spelen.

Een enkele lichtstraal ontdekte Hermelijn in haar duistere toekomst: Conrad had Kitty lief, Conrad was vatbaar voor teedere aandoeningen, voor zelfopofferende liefde; als hij haar eens leerde beminnen... mettertijd, zooals Portias zeide.

Wat zij het meeste vreesde, zou zijn te moeten erkennen dat Conrad een onbeduidende knaap was, haar liefde geheel onwaardig; met die erkenning zou alles onherstelbaar verloren zijn, maar zoolang zij hem nog bleef liefhebben, zoolang zij in haar hart nog belang kon stellen in den onbuigzamer, wilden jongen, zoo lang was alle hoop niet verloren.

»Waar liefde is, daar blijft ook leven; ik wil strijden en ik zal overwinnen,” dit besloot zij vast.

Intusschen had hij het boek voor zich genomen en las.

Het waren verzen van Lamartine; slechts enkele woorden wist hij te vertalen; hij ging naar zijn kamer en haalde een versleten dictionnaire voor den dag, die ergens onder zijn weinige boeken stond.

Woord voor woord begon hij te zoeken, het vers scheen hem te boeien. »Bonaparte” was het gedicht waarop zijn aandacht viel. Dat was niet flauw, dat sprak niet van liefde, en wat zijn vrouw kon lezen, dat wilde hij ook verstaan.

»Waarom niet? Hij was niet dom zooals August en de kinderen van de laatste stiefmoeder; maar hij had niet geleerd, daar kwam zijn domheid vandaan; Cor vond het veel gemakkelijker als haar broers en zusters dom bleven, dan durfden zij haar niet tegenspreken.”

In alles zag hij haar werk en zoo zat nog midden in den nacht de jonge echtgenoot Fransche woorden te vertalen, en verheugde zich als hij een paar regels zonder dictionnaire kon lezen.

Bonaparte was gelezen en nu vond hij een ander gedicht: »Le Lac”.

Dat had Kitty gezongen, hij herkende de woorden, dit was toch knap geweest; neen, hij begon pleizier in zich zelf en in zijn vorderingen te krijgen. ’t Ging goed, de avond was omgevlogen, als hij dit meer beproefde, dan behoefde hij zich tenminste in zijn gedachten niet beschaamd tegenover zijn vrouw te gevoelen.

Den volgenden morgen verscheen hij niet aan het ontbijt en ’t was voor Hermelijn een verlichting, zijn boos, zwijgend gelaat niet tegenover zich te hebben; haar plan was gevormd, zij wilde haar leven zoo bezig mogelijk inrichten om geen tijd tot veel nadenken te hebben.

Het opzicht over het kleine huishouden, de zorg voor haar bloemen en vogels, het maken van handwerken en vooral het lezen en de muziek vulden afwisselend haar dagen; zij ging haar weg en bekommerde zich volstrekt niet om Conrad. Hij bracht den morgen in de koffietuinen door, jaagde, en reed; wanneer het regende bleef hij t’huis zagen; lezen deed hij alleen, wanneer zijn vrouw naar haar kamer was; hij vreesde niets meer dan dat zij hem op zulk een misdaad betrappen zou, overigens legde hij haar niets in den weg; zij gingen bedaard naast elkander, de gedachten van den eene steeds met de andere vervuld en toch schijnbaar, als merkten zij niets van elkaars bestaan.

Toen het Zondag was, zeide Conrad ’s morgens:

»Wij moeten vandaag naar het groote huis!”

»Om hoe laat?”

»Om tien uur!”

»Ik zal klaar wezen.”

Zij kleedde zich met nog meer zorg dan anders, geheel in Europeesch wandeltoilet met een veeren toque op, een voilette vóór, glacé handschoenen en een licht manteltje om.