Hermelijn

Part 7

Chapter 74,116 wordsPublic domain

»Maar mijnheer, u vergeet tot wie u spreekt!”

»Toch niet tot de bewerkster van dat huwelijk, wil ik hopen?”

»Waarom hoopt u dat?”

»Omdat ik u niet in staat reken tot een lage daad.”

»Een lage daad! maar dat is zij niet! Is Hermelijn niet beter af, dan dat zij bijvoorbeeld gouvernante was geweest?”

»Volstrekt niet! Dan had zij haar vrijheid nog en die is meer waard dan alle schatten van de familie de Géran.”

»Gelooft u dat werkelijk?”

»Zeker.”

»En toch vinden de menschen het zoo dwaas, dat ik mijn vrijheid niet wil verkoopen!”

»Omdat men er u nog niet genoeg voor geboden heeft, want, stellig heeft niemand u nog den eenigen prijs kunnen geven, welke die vrijheid waard is.

»En dat zou wezen?”

»De liefde van een man, dien u ook achten, beminnen en gehoorzamen kunt.”

»Ik gehoorzaam niemand.”

»Omdat u het nog niet wil.”

»Voor wien zou ik het willen?”

»Dat weet ik evenmin, maar dat die ergens ter wereld bestaat zal u niet ontkennen!”

»Ik zou hem eerst moeten zien.”

»En Hermelijn is de gelegenheid ontnomen om met voordacht te kiezen.”

»Nu, als zij het niet gaarne gewild had, zou zij niet toegestemd hebben.”

»Zij vertrouwde op zijn brieven, God geve dat haar vertrouwen niet moge beschaamd worden.”

Corona werd rood en toen bleek; zij sloeg haar oogen neer.

»Als u zoo’n belang in haar stelt, waarom is u niet met haar getrouwd?” vroeg zij min of meer verlegen.

»Omdat... omdat ik haar lief heb als een vriendin, een zuster bijna, maar ik een andere vrouw wensch te beminnen als mijn bruid.”

»Liefde is kinderspel en het huwelijk hooge ernst, die twee passen niet samen.”

»Een theorie om over na te denken,” zei Thoren met spottenden ernst.

Zij keerde zich om en ging naar haar kamer, waar de altijd bedrijvige juffrouw Iteko in de weer was.

»Iteko,” zeide Corona. »Iteko! Ze zijn weg!”

»Om u te dienen, juffrouw!”

»Zou ’t goed gaan, Iteko?”

»Waarom niet, juffrouw! Ze zijn jong en mevrouw Hermine is zeer verstandig.”

»Dat geloof ik ook, als ze maar niet te verstandig is, Iteko; we hebben tot nu toe met domme eendjes te doen gehad, maar zij heeft een wil en verstand. Als zij er achter kwam, o ’t stond mij altijd zoo tegen.”

»’t Was voor hun bestwil.”

»Jawel, jawel, ik weet het, maar toch! Zeg, Iteko, weet je ook hoe lang mijnheer Thoren van Hagen hier blijft?”

»Ik zal ’t eens zien te hooren, juffrouw.”

»Ik wil papa zeggen, dat hij gauw moet heengaan want hij hindert me, ik vind hem onuitstaanbaar pedant.”

»Hij ziet er erg knap uit, ik zag nog zelden zoo’n mooie man.”

»Och kom! kijk jij daar naar? Ik nooit! vond je Conrad niet dwaas, Iteko?”

»Ik had niet anders verwacht, juffrouw! ’t Valt me nog mee, na alles wat er gebeurd is.”

»’t Is een akelige dwarskop, ’t spijt me voor Hermelijntje, zij is alles, wat we wenschen kunnen, niet waar Iteko?”

»Ik hoop dat u ’t altijd zal blijven denken, juffrouw.”

»Vrees je het tegendeel?”

»Ik ken haar te slecht, ik durf niet beslissen.”

»Je bent ook altijd bang je te branden aan ijswater! Wat valt er op haar aan te merken?”

»Niets.”

»Ga heen, je maakt me zenuwachtig, ik weet toch niet wat mij van morgen scheelt. Ik ben mijzelf niet. Die man wordt mijn noodlot!”

XI.

De coupé rolde intusschen over den gladden weg, die bergafwaarts ging; Conrad leunde in een der hoeken zoo ver mogelijk van zijn vrouw af.

Hermelijn was doodsbleek geworden, zij voelde en hoorde niets anders dan het onstuimig kloppen van haar hart, dat zelfs het gerol der wielen overstemde.

»Conrad,” zeide zij met verstikte stem eindelijk. »Conrad!”

»Wat is er?” vroeg hij zonder zijn achtelooze houding te verlaten.

»Conrad, zal je mij nu eindelijk uitlegging geven van je onverklaarbaar raadselachtig gedrag.”

»Je bent immers met mij getrouwd, wat wil je meer?”

»Met je getrouwd! Heb jij dat dan niet gewild.”

»Geen oogenblik, ik kende je niet.”

»En weet je dan niet meer, hoe wij vroeger samen speelden, hoe je ziek bent geweest en ik je altijd voorlas, is ’t niet omdat je nog aan dat alles dacht, dat je mij ten huwelijk hebt gevraagd?”

»Ik heb je niet ten huwelijk gevraagd!”

»Wie deed het dan?”

»Cor, wie anders, Cor doet alles en papa ziet haar naar de oogen. Zij heeft op een goeden dag gezegd, Conrad moet trouwen, ik weet een goede vrouw voor hem, mijn nicht!”

»En heb jij toen dadelijk toegestemd?”

»Volstrekt niet, ik wilde nog niet trouwen en al zou ik het willen, dan nog bedankte ik er voor een meisje te nemen, dat Cor voor mij had uitgezocht, dat, dat... maar ze hebben mij gedwongen.”

En zijn hoofd in de handen verbergend, barstte hij in een luid snikken los.

»We mogen hier niets zijn dan poppen, eerst hebben ze mij belet officier te worden en nu... ben ik zoo ongelukkig,” jammerde hij.

»Meen je dat ik het niet ben?” vroeg Hermelijn op bijna onhoorbaren toon; zij huiverde en sloot de oogen; het was of zij zich op een helling bevond, die recht naar een afgrond voerde en of er niets meer te doen was dan zich te laten afglijden in den stikduisteren, eeuwigen nacht.

»Ik kan het niet helpen!” mompelde hij.

»Maar waarom je laten dwingen, Conrad, waarom mij bedrogen, ik vertrouwde zoo op de liefde, die uit je brieven sprak.”

»Welke brieven?”

»De uwe.”

»Ik schreef geen brieven aan je.”

’t Was of het nog donkerder om haar heen werd; zij bracht de hand aan de ooren en aan de oogen, als wilde zij de vreeselijke verwoesting van haar jeugdig leven niet hooren of aanschouwen.

»Maar wie schreef ze dan?” vroeg zij bevend.

»Weet ik het? Zij zelf misschien.”

»Corona! O God, ’t is ongehoord, maar dan zijn we niet getrouwd, Conrad, we kunnen nog vrij worden.”

»Neen, ik heb het stuk immers geteekend, we zijn vastgeketend voor altijd.”

»O, dat het kort moge wezen! Schande, schande, eeuwige schande... Waarom juist mij?”

»Je bent een nicht van Corona! Zij wilde je volstrekt bij zich hebben, ze wilde in de eerste plaats haar familie bevoordeelen, en al mijn broers en zusters, behalve Kitty, zijn getrouwd, omdat zij het wilde, August zelfs en toen was zij pas zestien jaar; zij heeft mijn arme mama verdriet gedaan tot zij gestorven is en zij heeft ook Kitty bijna vermoord, omdat zij Portias heeft getrouwd en niet den akeligen resident, dien zij zelf niet hebben wou. Zij is een monster!”

»Maar waarom ben je ook niet flink geweest.”

»Omdat.... omdat.... ik kan ’t niet zeggen! Maar ik mocht niet anders handelen, en ik had vroeger gezworen, dat ze mij nooit een vrouw zou opdringen en nu ben ik er ’t ergste aan toe. Ik haat je, zooals ik Corona haat, en ik kan niet anders handelen; al wil je ’t ook alles vertellen aan haar, ik geef er niets om! Ga gerust, zoek bescherming bij papa of bij haar, dan zal ik weggaan, al moest ik ook soldaat worden; ik had het zeker gedaan, maar die arme, lieve Kitty!”

»Ik begrijp niet wat Kitty en papa en Corona hier te maken hebben; wij zijn man en vrouw, daaraan kan niets veranderd worden, niets.”

»Neen, en daarom moet ik ook bij je blijven. Ik heb het beloofd, gisteren in de kerk, en vroeger aan papa, maar vriendelijk tegen je zijn, dat kan ik niet, want je lacht ons sinjo’s toch uit, je vindt mij een kwajongen; dat ik rijk ben is je genoeg. Corona geeft je diamanten, wat zal ik je meer geven? Mijn naam, dien heb je, ik kan er niets aan doen, maar ik wil niets anders met je te maken hebben, niets!”

»Dat moet jij weten, maar ik heb me niets tegenover je te verwijten, Conrad. Ik dacht waarlijk, dat ik een goede, trouwe vrouw voor je mocht wezen, dat je het verlangde; nu is ’t anders uitgekomen; één ding alleen moet ik je verzoeken, laat niemand vermoeden wat er tusschen ons is voorgevallen.”

»Je zult toch alles aan Corona vertellen, dat begrijp ik wel, maar ik geef er niets om. Ik ben getrouwd en niemand zal iets te zeggen hebben in mijn huis, ik zal daarin handelen, zooals ik verkies.”

»Dan is er tenminste een zaak, waarover wij ’t eens zijn,” zeide Hermelijn kalm en waardig.

Hij zweeg en zag naar buiten, zij vouwde de handen en bad:

»Goede God, verlaat mij niet! Ik heb niemand meer op aarde, niemand dan mij zelf.”

Geen woord werd er meer gewisseld tot zij in Djantòng kwamen, een allerliefste, kleine woning, schilderachtig gelegen tusschen hoogopgaande tjamara [12] boomen, in een verrukkelijk klein dal; waarvan men zich niet voorstellen kon, dat het op Java en niet in Zwitserland lag; de rieten gordijnen hingen omlaag; de trappen waren met uitgezochte bloemen voorzien, perken veelkleurig en bloeiend schitterden in de zonnestralen achter de loentasheg; alles was hier vereenigd om een paradijs te vormen voor een liefhebbend, gelukkig paar en die beide jonge menschen traden er binnen, met nog smartvoller bewustzijn dan gevangenen, die de cel ingaan, hun levenslang tot verblijf aangewezen.

Hermelijn trad het huis binnen, alles was even smaakvol en keurig ingericht, de meubeltjes waren van sierlijker en artistieker vorm dan men gewoonlijk in Indië ziet. Fraaie staalgravuren en busten versierden de muren. Overal waren bloemen en planten, aan alles scheen gedacht; al had Hermelijn zelf alles willen schikken, zij had niet beter haar eigen smaak kunnen treffen, maar nu zag zij niets; alles boezemde haar bitteren afkeer in, zij liep de eene kamer in, de andere uit, als in een droom. In de achtergalerij stond de tafel gedekt, een Javaansche vrouw begroette het jonge paar en legde de sleutels voor Hermelijn neer; zij nam ze werktuigelijk aan en zette zich op de canapé neer, wezenloos voor zich uitstarend; hij ging heen en weer, blijkbaar verlegen en besluiteloos.

»Conrad!” zeide zij eindelijk, »we moeten een besluit nemen; wij kunnen niets anders doen dan hier blijven; de wereld heeft niets te maken met hetgeen tusschen ons is voorgevallen. Ik wil niet dat Corona vermoedt, hoe rampzalig zij mij gemaakt heeft; ik ben te trotsch om te klagen. Stel dus niet de geheele familie, die je houding tegenover mij gezien heeft, in de gelegenheid ons te bespotten, wij behoeven niet hartelijk te wezen in hun bijzijn, maar laten we dan ook geen vijanden schijnen.”

»Ik kan niet veinzen.”

»En ik verlang het, je bent het aan mij verplicht, aan mij, arm bedrogen meisje, dat op je liefde rekende en niets ontving dan de verzekering van je haat.”

Een onderdrukte snik ontsnapte haar.

»Verneder mij niet in het gezicht van anderen, dat vraag ik je alleen!”

»En zal je dan niemand iets zeggen, van hetgeen hier gebeurt?”

»Wat denk je van mij? Alles is heilig, wat in dit huis voorvalt en zelfs al zoudt je mij mishandelen, dan nog zou ik zeggen, dat het aan een ongeluk te wijten was en niet aan mijn man.”

»Dat zal ik nooit doen.”

»En beloof je mij, dat je voor de buitenwereld tegen mij zult wezen zoo als hier de mannen, op Portias na, tegen hun vrouwen zijn?”

»’t Is goed!”

»Ik dank er je voor.”

Het eten werd opgebracht; zwijgend trachtten zij eenige beten door de keel te krijgen; zoo was het eerste middagmaal, dat Hermelijn in haar huis met haar man gebruikte. Hoe heel anders had zij zich dat eerste samenzijn gedroomd, zelfs van morgen nog! Zij voelde zich diep vernederd, ellendig bedrogen en toch.... toch kon zij niet boos zijn op haar jongen echtgenoot, zij kon haar oogen niet afwenden van zijn mooi, donker golvend haar, van zijn gelaat, dat sprekend op Kitty geleek, van zijn levendige, gitzwarte oogen, die nu meer bedroefd dan boos voor zich uitstaarden, van zijn lippen, die zij nog niet had zien glimlachen, maar die dan zeker zijn gelaatsuitdrukking even aantrekkelijk zouden maken als die zijner zuster.

Had zij de neiging van haar hart gevolgd, zij zou hem de hand hebben toegestoken en gevraagd:

»Och Conrad, waartoe dient het zóó boos te zijn? Zou je dan niet kunnen beproeven van mij te houden? Ik verlang zoo je te kussen en door je gekust te worden?”

Maar haar fierheid belette haar een stap te doen, die wellicht tot nog meer verwijdering tusschen hen aanleiding zou geven. Zij dacht aan de ruwe wijze, waarop Conrad straks Kitty had afgeweerd, Kitty, die hij toch scheen te beminnen; als hij haar nu van zich stiet, wie weet of zij zelf dan geen afkeer van hem ging voelen. Neen, ’t was zoo beter!

Toen het schijnmaal afgeloopen was, stond zij op en begaf zich naar haar kamer; de baboe wachtte haar, Hermelijn kon zich redelijk goed in ’t Maleisch uitdrukken, en zij liet zich alles door het meisje aanwijzen.

De kast was gevuld met de kleederen van mijnheer, en een volledig Indisch négligé van mevrouw, de toilettafel, versierd met witte en blauwe tulle, droeg een schat van odeurs en poeiers; de divans en stoelen waren met licht blauw cretonne overtrokken, alles even jeugdig, even frisch, even geurig.

Een verkwikkelijke koelte blies door de neergelaten jaloezieën, en voerde een sterke geur van kananga en patjar [13] naar binnen, de tjemara’s wuifden zacht en vriendelijk hun pluimen, en de zon strooide schijven, groot als goudguldens, op den met fijne matten bedekten vloer.

Nadat Hermelijn zich in sarong en kabaja had gekleed, stuurde zij haar meisje weg en wierp zich op den divan neer met samengewrongen handen en bevende lippen.

Een gedachte vervolgde haar, aan de arme, bedrogen moeder van Thoren van Hagen, die ook zoo innig bemind had en toch tot stervens toe vernederd was.

»Zoo zal ’t gaan, ons lange leven door! We zijn beiden nog zoo jong! Sterven als zij, wellicht dat hij dan...”

Maar zij was te krachtig, te jong, te gezond van lichaam en geest om aan zelfmoord anders dan vluchtig te kunnen denken; haar sterke ziel, afkeerig van berusten, dorstte naar handeling.

Zij wilde iets hebben om zich in de toekomst aan vast te klampen, een hoop, hoe gering ook, moest in den donkeren nacht schitteren, dan kon zij worstelen tegen de golven, dan kon zij vooruitgaan en haar weg zoeken; niets gemakkelijker dan neer te zitten en zich te laten meeslepen door den stroom van haar droefheid; weenen als een kind, wat een zaligheid! maar het zou haar verzwakken en zij mocht niet zwak zijn, zij wilde sterk blijven, niemand het voorrecht gunnen van haar vernedering te aanschouwen, dat was er voor het oogenblik te doen en anders niets, niets!

En later!

Later: zij sidderde maar trad niet terug, zij wilde dat gevreesde later onbevreesd in het gelaat zien.

»We zijn nog zoo jong, en de toekomst is zoo lang. Ik heb hem lief ondanks alles, kan ik hem dan niet leeren mij ook te beminnen? Ik ben toch geen monster als Iteko. Simons, wien ik nooit iets anders zeide dan scherpe dingen, hield van mij en als ik mij er op toelegde Conrad’s hart te winnen, als ik hem eerst leerde mij te achten en dan lief te hebben, zouden we dan niet eenmaal gelukkig kunnen worden?”

Zij ging voor den spiegel staan en bond haar rijken haartooi los, die thans als een gouden helm ver over haar schouders reikte; het Indische négligé kleedde haar even goed als Corona, zij miste de onbeholpenheid, welke andere Europeesche vrouwen nooit verlaat, en die hen belet met gratie dat kleed te dragen.

Voor ’t eerst bezag Hermelijn zich met het doel zichzelf schoon te vinden; zij had vroeger altijd zorg gedragen voor haar uiterlijk zonder ooit mee te doen aan de overdreven eischen der mode. De bekrompen leefwijze in haar vader’s gezin had haar steeds genoodzaakt veel te doen met weinig geld, haar aangeboren smaak bewees haar hierbij de beste diensten; wat zij ook aanhad, het stond haar mooi en zooals zij was, zoo vond zij zich goed zonder zich er ooit om te bekommeren, wat anderen van haar zeiden.

Nu echter bezag zij zichzelf met het zoekend oog van den strijder, die vóór den kamp zijn wapenen beproeft; zij liet haar blonde haren schitteren in de zonnestralen, zij streek de hand over haar huid om elke oneffenheid te verwijderen, zij beet zich de lippen, die er thans bleek en bestorven uitzagen, om ze frisch en rozig te maken; zij wreef haar wangen om er een blos op te voorschijn te roepen, zij welfde de wenkbrauwen en bezag haar fijne, witte handen.

»Ik ben de mooiste van alle schoondochters,” dacht zij; »maar foei! ’t Is schande, dat ik mijn lichamelijke gaven zoo hoog stel; die moeten het laatste middel zijn om hem te winnen. Hij moet eerbied krijgen voor mijn karakter, hij moet mijn hart leeren kennen en liefhebben.”

Zij knielde neer op den grond, niet op het sierlijk gothische prie-Dieu, dat Corona’s zorg ook niet had vergeten, en smeekte:

»Laat ons eens gelukkig worden, Vader in den hemel! ’t Is immers geen zonde te vragen dat te mogen zijn, wat mijn plicht gebiedt, een goede vrouw voor mijn armen, lieven Conrad.”

XII.

De dagen kropen voor Hermelijn om; zoo zwaar had zij zich haar taak niet gedacht. Conrad ging zijn eigen weg; ’s morgens vroeg vertrok hij naar de koffietuinen, te paard of te voet, in het laatste geval met zijn geweer op schouder. Tegen etenstijd kwam hij t’huis, wierp zijn wild in de keuken en hield met de kokkie een conferentie over het behandelen daarvan, trad in de achtergalerij, waar Hermelijn zat te werken, zeide onveranderlijk zonder haar te noemen:

»Goeden dag”, waarop zij met een vriendelijk:

»Dag Conrad!” antwoordde.

Dan liet hij zijn bemorste schoenen of rijlaarzen door den knecht uittrekken, ging met zijn groote honden spelen om zich een houding te geven, totdat het eten was opgediend, nam van alles zonder zijn vrouw iets aan te bieden, at zoo haastig mogelijk zijn bord leeg om haar verder alleen te laten en zich in zijn kamer op te sluiten.

Hermelijn sprak geen woord, zij ging kort daarop eveneens naar binnen, hetzij om huiswerk te doen, of om te lezen, want ook de bibliotheek in Djantong was rijk voorzien en met zorg gekozen.

In de eerste dagen had zij genoeg te doen met haar koffers uit te pakken en de duizend kleine nietigheden, waaraan haar hart hing, een plaats te geven; een bitter oogenblik was het, toen zij de geschenken uitpakte, welke zij met zooveel liefde voor Conrad had gemaakt. Maar zij wilde zich niet laten verteederen, zij pakte ze bij elkander en verborg ze in een der geheimste afdeelingen van haar kast.

Tegen vier uur was het theedrinkenstijd maar ook de thee moest zij alleen gebruiken; Conrad op bloote voeten, in een kort Chineesch buisje met pantalon van sarongstof, liep naar den stal, dresseerde de paarden, liet zijn honden apporteeren, en kleedde zich tot haar groote ergernis voor den middag niet beter. Zij ging zich baden en trok een harer liefste toiletten aan, dan zette zij met een boek in de hand zich in de voorgalerij op een wipstoeltje neer. Haar man vermeed haar zorgvuldig; zij wist niet waar hij bleef, totdat om zeven uur het avondeten werd voorgediend; dan zetten zij zich weer zwijgend tegenover elkaar; het was een zonderling contrast, zij keurig als een voor een feest gekleed vrouwtje, hij in zijn onbehoorlijk négligé.

Conrad’s oogen staarden grimmig voor zich uit; hij voelde zich niet op zijn gemak, hij had gaarne iets gezegd, maar deed het niet. Na het eten, nam hij een zaagmachine en ging aan het zagen van allerlei knutselarijen, altijd even zwijgend, even boos. Reeds den tweeden avond zette Hermelijn zich voor de piano en goot haar geheele ziel in de tonen over; zij weende en smeekte, zij bad en hoopte. Conrad luisterde soms met opgeheven hoofd maar dan flikkerde er een straal van toorn in zijn oogen en hij begon verwoed te werken en met zijn machine zulk een geweld te maken, dat het Hermelijn stellig zou gehinderd hebben wanneer zij niet zoo verdiept was geweest in haar spel. Eindelijk om tien uur verdween hij voor goed en Hermelijn trok haar mooie kleeren weer uit en voelde zich zoo eenzaam, zoo verlaten, dat zij al haar geestkracht noodig had om niet te bezwijken.

»Je moet niet denken, dat ik mij mooi zal gaan kleeden voor boomen en beesten,” snauwde hij haar eens toe.

»Dat moet je zelf weten Conrad. Ik kleed me zoo om mij zelf en om niemand anders.”

»Je bent even koket als je nicht.”

»Wanneer je dit koketterie noemt, dan zal ’t wel zoo wezen.”

»En ik blijf zoo gekleed.”

In de verte hoorde men paardengetrappel; de huisjongen kwam binnen met het bericht dat toewan besaar [14] en de nonna in aantocht waren.

»Zal je nu volgens onze afspraak je gaan kleeden, Conrad?” vroeg Hermelijn bedaard, »je begrijpt dat je mij geen grooter beleediging kunt doen dan je vader en zuster in zulk een toilet naast mij te ontvangen.”

»Trek je kabaja dan ook aan!”

»Dat ben ik ’s middags niet van plan ooit te doen. Denk aan onze afspraak!”

Conrad stond besluiteloos, maar hij bedacht zich na een poos en ging zwijgend heen.

Intusschen was een geheele cavalcade genaderd; aan het hoofd daarvan reed de oude heer de Géran, nog kaarsrecht en ridderlijk, zooals zijn vader de keizerlijke kolonel zeker eens vóór zijn regiment had gereden, naast hem Corona op haar sneeuwwit paard; zij droeg een donkerblauwe amazone en een hoed met lange afhangende veer; achter hem herkende Hermelijn Thoren van Hagen, Guillaume en Conrad’s jongeren broeder Philip.

Haar hart klopte van gemengde aandoeningen; zij was blijde menschenstemmen te hooren, bekende gezichten te zien na de doodsche stilte van haar bruidsdagen, maar zij schrikte terug voor een ontmoeting met de bewerkers van haar ongeluk, van Corona bovenal. Zij stapten af en Hermelijn ging hen met lachend gelaat tegemoet.

»Ik ben nieuwsgierig hoe dat veinzen mij afgaat,” dacht zij vol bitterheid.

De oude heer de Géran gaf haar een vaderlijken kus; terwijl hij haar eenigszins bezorgd aanzag.

»Gaat het goed, kind?” vroeg hij.

»O, zoo goed papa! Wat heeft u hier een heerlijk nestje voor ons gebouwd!”

»Zoo bevalt het je, wel dat doet me genoegen, en Conrad?”

»O Conrad, is zoo’n lieve jongen, hij is nog niet gekleed, verbeeld u eens!”

»En verwachtte je ons, dat je er zoo keurig uitziet.”

»Wel neen, maar Conrad wil me niet anders hebben.”

Corona had Thoren’s hand aangenomen bij het afstijgen, haar gelaat schitterde van vreugde toen zij Hermelijn hoorde spreken.

»Wel lief zusje, ben je tevreden?”

»O ik ben u zoo dankbaar voor de ontvangst mij bereid, ik begrijp het wel, alles heb ik u te danken; ik erken overal uw teedere zorg en ik weet niet hoe mijn erkentelijkheid uit te drukken...” verzekerde zij op een toon, die Thoren van Hagen plotseling den schrik om het hart deed slaan.

Niemand anders vermoedde echter welke geheime beteekenis zij in die woorden legde; zij was geheel de beminnelijke, vroolijke gastvrouw, alleen voor hem, die haar goed kende, al te opgewonden om natuurlijk te zijn, maar voor anderen, die nog niets van haar wisten, opgewekt, en gelukkig zoo als elke jonge vrouw het in de schoonste dagen van haar leven is.

»Heb je de piano reeds geprobeerd?” vroeg Corona.

»O zeker, alle avonden breng ik er een paar genotvolle uren aan door.”

»En Conrad?”

»Ik heb hem nog niet gehoord.”

»Hij speelt toch heel goed.”

»Maar nu luistert hij liever,” merkte Thoren van Hagen op.

»Wij krijgen je toch ook te hooren, Hermelijn! Zondag kom je den heelen dag op ’t groote huis, dan is er zulk een drukte niet, want ze zijn allen weg op de muzikanten na.”

»Bedoel je Portias en Kitty?”

»Ja, hij heeft nog geen huis, zij wonen in een paviljoen op ons erf. We kunnen al die djankriks [15] niet onderhouden.”

»Je hebt ook reeds zooveel te doen! Corona, ’t is geen wonder dat je er soms moe van wordt.”

»Och ja, maar ik doe het met genoegen.”

»O je dienstvaardigheid is boven allen lof verheven,” en zich tot haar schoonvader wendend, »wat mag ik u aanbieden, vindt u niet dat bij zulk een heugelijke gebeurtenis, als uw eerste bezoek ten huize van uw kinderen, de champagneflesch wel mag opengetrokken worden? Coen geeft me stellig gelijk.”

Zij riep den huisjongen en beval hem glazen en angor-poef [16] te brengen; zij zag er vreemd uit, schooner dan ooit maar heel verschillend van vroeger; er lag een nieuwe uitdrukking op haar gelaat, men leert niet veinzen dan ten koste van zijn innigste, zijn heiligste gevoelens.