Part 6
»Korten tijd, naar ik hoor, toen was hij pas sergeant.”
»O zoo, weet je waarom hij den dienst verlaten heeft?”
»Omdat hij er geen lust meer in had.”
»Is hij dan zoo rijk om alles te doen, waartoe hij lust voelt?”
»Ja, hij moet heel rijk wezen.”
»En heeft hij nooit moeite gedaan voor je hand?”
»Voor mijn hand,” en Hermelijn lachte, »wel neen, hoe komt u er aan?”
»Me dacht zoo. Weet je wel dat je mijn nichtje bent, Hermine?”
»Ja zeker, en van wie nog meer.”
»Van August en Guillaume. Zij lijken niet op mij, vind je wel?”
»Neen, niets.”
»Als ge ja had gezegd, zou het geen compliment geweest zijn, ten minste wat August betreft.”
»Daarom zou ik het toch niet verzwegen hebben, zoo ik ’t had gedacht. Ik geef alleen complimentjes, als ik ze werkelijk meen.”
Corona zag haar glimlachend aan en zeide toen:
»Je bevalt mij hoe langer hoe meer! Je bent zoo heel anders, dan al die zusters en schoonzusters van me. Conrad moest mij op zijn knieën bedanken.”
»Waarom?”
»Wel omdat ik hem mijn nichtje heb afgestaan.”
»Een zonderlinge afstand.”
»Nu we zullen er later over spreken, om elf uur vertrek je naar Djantjong.”
»Met Conrad natuurlijk?”
»Dat spreekt, dan begint je huwelijksreis; hoe heerlijk als men in Europa is, dan gaat men naar Italië of Zwitserland. Hier is alles even eentonig en prozaisch.”
»Daarom wacht u zeker met uw huwelijksreis tot u in Europa is.”
»Ik wacht met mijn huwelijk tot ik iemand vinden kan, die mij in alles en alles bevalt.”
»Dan zal u lang moeten zoeken.”
»Denk je dat ik zoo moeilijk te voldoen ben?”
»Dat weet ik nog niet; maar ’t is in het algemeen niet mogelijk iets te vinden dat ons geheel bevalt, hoe lang men ook zoekt.”
»Meen je dat? Nu, ik heb nog niets gevonden wat er in de verste verte op geleek. Je hebt groot gelijk, Hermine, van niet te hebben gekozen, maar met gesloten oogen je toekomst bent tegemoet gegaan.”
»De tijd zal leeren of ik wijs heb gehandeld.”
»Ik vrees dat je te goed bent voor dien jongen, maar ik zal er niets meer van zeggen; je moet het zelf ondervinden. ’t Doet me pleizier dat ge je gekleed hebt, dan zal het beter uitkomen. Zie eens hier!”
Op de toilettafel tusschen de poeierdoozen, de reukflesschen en de ringenbakjes lag een donkerblauwe étui met gouden letters versierd.
»Dat is voor jou!” sprak Corona, het haar overreikend.
»Voor mij?”
»Ja, alle dochters en schoondochters van ons krijgen iets op hun huwelijksdag, je hebt er dus recht op.”
Zij las het opschrift: »Hermine.”
»Nu maak je het niet open, ben je niet nieuwsgierig? Geef dan maar eens hier!” en Corona zette de étui open en de zonnestralen kwamen zich met veelkleurige prisma’s breken in de fijn geslepen facetten van een rijke parure, halsketting, bracelet, oorringen en broche.
Hermelijn was te veel vrouw, dan dat ook haar oogen niet zouden schitteren, op het gezicht van al dat goud en brillanten.
»O Corona, dat is te veel,” riep zij.
»Te veel! En die dikke logge Sophie heeft het ook gekregen, en die domme gans van een Toetie en toen wij een fat als Portias in de familie toelieten en een slaapmuts als van Akkeveen, toen kregen Kitty en Dolly ook zoo’n parure.”
»Je denkt niet hartelijk van je aangetrouwde familie,” zeide Hermelijn lachend, »hoe zal je eens over mij spreken?”
»Je bent heel iets anders, mijn mooie blondine! Ik ben dol op blondines, maar niet op zulke blonde nonnies als Toetie. Kom hier ik zal het je om doen.”
»Op mijn zwarte jurk?”
»Wel zeker waarom niet.”
»En aan de ontbijttafel, dat staat zoo pronkerig!”
»Papa zal het genoegen doen.”
»En Conrad?”
»Och die! Laat me eens zien.”
Zij stond op, zonder er op te letten dat zij haar met moeite opgericht kapsel weer geheel in de war bracht, en versierde Hermelijn’s hals, ooren en arm met de glansvolle diamanten.
»Zie nu eens in den spiegel,” sprak zij.
»Marguérite ce n’est plus toi!”
»C’est la fille d’un roi!” neuriede Hermelijn.
»Het eerste bal het beste dat we geven, en ’t zal spoedig wezen, zal ik voor je toilet zorgen, Hermine; lichtblauw gaas met witte rozen en... wacht eens Iteko!”
»Iteko is er niet.”
»Zij zorgt voor het ontbijt, nu dat is minder, ik zal mijn Mode Illustrée er eens voor opslaan, ik moet je prachtig hebben, Hermine, prachtig, eindelijk zal ik eens eer beleven.”
»Aan mij!”
»Aan een van de zusters! Tot nu toe kijken ze alleen naar mij, dat verveelt me zoo vreeselijk, ik moet er een eind aan maken, nu zal ’t jou beurt wezen, Hermine!”
»’t Is nog de vraag of Conrad het goed vindt.”
»Altijd die Conrad.”
»Natuurlijk. Hij is toch mijn man.”
»Nu ja, dat is wel zoo... maar... ik wil je geen illusiën ontnemen; zou die Thor of Thoren lang blijven?”
»Ik weet er niets van, papa stelde hem voor mee te rijden. Heeft u met hem gedanst?”
»Neen, ik had mijn balboekje reeds geheel vol. Is hij aardig?”
»Aardig, dat weet ik nu juist niet, maar ik mocht hem vroeger graag, hij was erg wild en ik niet minder.”
»Hij kan iemand zoo raar aanzien of hij je bespot.”
»Ja, hij ziet er soms erg ondeugend uit, maar toch zijn er oogenblikken dat hij somber is. Zijn moeder heeft hij jong verloren.”
»Ik ook en toch kijk ik niet somber.”
»Ja, maar het was een treurige dood; zij heeft zich zelf gedood.”
»En waarom?”
»Ik weet het niet, haar huwelijk was ongelukkig, zeggen sommigen; anderen verzekeren dat zij krankzinnig was, maar na dien tijd leeft zijn vader als een kluizenaar; hij heeft vroeger ook zelfmoord beproefd, hij draagt nog altijd een zwarten halsdoek en is daarbij zeer, zeer streng tegenover Iwan.”
»Heet die mijnheer zoo, wat dwaze naam!”
»Ja, wij plaagden er hem vroeger altijd mee; eigenlijk heette hij Johan, doch zijn moeder noemde hem Iwan—dat vond ze zoo mooi—en hij is aan dien naam gehecht.”
»Ik kan niet zeggen dat hij mij bevalt.”
»Och, ik mag hem wel, hij heeft een goed hart.”
»En ik kan geen goede harten uitstaan. Goede harten hebben al degenen, die dom, onbeduidend, onhandelbaar, lastig, onuitstaanbaar zijn; als men geen enkele goede eigenschap vinden kan, dan wordt dat goede hart er met de haren bijgesleept. Verbeeld je dat ze van mij ook durven zeggen dat ik een goed hart heb.”
»Ik hoop, dat ik het zal ondervinden, Corona.”
»Bezit ik dan zoovele ondeugden, dat mij zoo’n vergoeding moet gegeven worden? Tima ben je nog niet klaar,” de laatste woorden in het Maleisch, »wat duurt het toch lang! Steek het maar vast, ’t komt er niet op aan, hoor!”
De kamenier stak in de dikke zwarte massa een paar diamanten haarpennen en zeide toen het enkele woord:
»Abis.” (Klaar!)
Corona stond op; zij had een sarong [7] van keurige teekening in fraaie donkerroode kleur aan; een fijne, witte kabaja[7] deed haar slanke, welgevormde gestalte ten volle uitkomen. Hermelijn vond haar nu nog schooner dan gisteravond; haar gelaatskleur had de warme tint, herinnerend aan die der agaatroos en door velen boven lelieblank verkozen. In elk geval is het de kleur, die in de tropische landen het best tegen de werking van het klimaat bestand is, en nog steeds dezelfde blijft, als de rozentinten reeds lang in wasgeel zijn overgegaan; haar trekken, hoewel eenigszins scherp, waren fijn besneden en regelmatig, doch het meest trokken hare oogen aan, wonderbare diepe amandelvormige oogen, niet ongelijk aan die van Hermelijn, schuil gaande achter lange, franjeachtige wimpers, die, als zij ze nedersloeg, een schaduw op de wangen wierpen; hun opslag was echter gebiedend, geheel in overeenstemming met den strengen trek om de lippen, die onaangenaam trof, als Corona iets afkeurde of haar wil als een wet opdrong; glimlachte zij echter, dan straalde uit haar blik een teedere smeltende gloed, alles, wat zooeven als hard en scherp had teruggestooten, scheen in een oogwenk verdwenen en niets bleef over dan een zachte, vriendelijke, onweerstaanbaar aantrekkelijke uitdrukking.
Nu lachte Corona en zooals zij daar tegenover haar schoonzuster stond, haar tooiend en opsierend, viel de gelijkenis tusschen de beide nichten nog meer op dan haar verschil in complexie zou kunnen doen vermoeden.
Zij sloeg haar arm om Hermelijn’s hals en verliet met haar de slaapkamer om zich naar de achtergalerij te begeven. Daar was de geheele familie vereenigd rondom de ontbijttafel; August’s vrouw zat voor een bord gevuld met ham, pâté de foie gras en pauwenbout en zij, die ook de appetijt van haar man hadden gezien, zouden wel reden hebben zich te verbazen over de hoeveelheden mondbehoeften, voor dat groote huishouden noodig. Drie of vier kleine kinderen hingen aan mama’s stoel, zagen haar de beten uit den mond en dwongen telkens en niet te vergeefs nu om dit, dan om dat stukje.
Mevrouw Guillaume schommelde in een wipstoel met een klein meisje op den schoot en een jongetje, dat in een djamboe [8] beet, naast haar! Dolly van Akkeveen liep heen en weer met een wanhopig schreeuwend kind op den arm, dat weerstand bood aan al haar pogingen om het tot bedaren te brengen.
Aan een tafeltje stond Kitty Portias, allerliefst en frisch in haar Indisch morgen-négligé, voor een hoop bloemen, die zij tot bouquetten samenbond; haar zusje Margot heette haar te helpen, maar had het nog drukker om door allerlei half Maleische, half Hollandsche scheldwoorden een paar alleraardigste jongentjes, van wie niemand zeggen zou, dat zij oom en neef waren, van de bloemen en van haar lange vlechten af te houden.
In een grooten luiaardstoel lag van Akkeveen in de bijna ondoordringbare blauwe rookwolken van een manillasigaar gehuld; nog een paar van de broers waren of aan het eten of aan het spelen met de door alles krioelende, woelige kinderen. Het was een levendig, aantrekkelijk gezicht, dat den indruk van gezondheid en jeugdige kracht gaf.
Tegen het hek op een afstand van het gezelschap geleund, stond Portias te praten met Thoren van Hagen, die hem glimlachend aanhoorde, totdat zijn aandacht plotseling afgeleid werd door het binnentreden der beide schoonzusters, die arm in arm aan den ingang verschenen.
»Twee luchtstreken, twee beschavingen, twee rassen, twee instrumenten, de trotsche harp, de liefelijke mandoline,” zeide Portias.
Het sterke zonnelicht speelde in de brillanten parure van Hermelijn en bedekte den marmeren vloer en de geel-witte muren met een regen van roode, blauwe en paarsche vonken, die de kinderen tot de grootste luidruchtigheid voerden; allen sprongen en dansten om de trillende, vluchtende prismabeelden, welke zij als bonte kapellen aanzagen en te vergeefs trachtten te vangen.
»Bienatang, bienatang! Poepoe [9]!” gierden zij op alle tonen en klanken.
»Houd jelui toch je snaters ver....” barstte Akkeveen los, in zijn zoete rust gestoord.
»Ik zou de kinderen maar niet tot een verwijt maken, wat voor een gering gedeelte je niet zou misstaan, Ak,” zeide Corona spottend en wees Hermelijn een stoel aan.
»Is papa uit?” vroeg zij haar groote oogen over het gezelschap weidend.
»Natuurlijk,” bromde Akkeveen, »de ouwe is wel zoo wijs om zoo vroeg mogelijk uit te rijden, als er hier zoo’n Babelsche verwarring heerscht. Zeg Dol, je zorgt dat je tegen vier uur klaar bent, dan gaan we heen.”
»Ik dacht één uur.”
»’t Is waarlijk of de nacht niet kort genoeg is geweest, dat je mij mijn middagslaapje niet gunt.”
Margot was Hermelijn genaderd en onderzocht haar diamanten.
»Mooier dan van Toetie en Dol,” zeide zij, »die steenen zijn niet zoo geel.”
»Dat spreekt! ’t Is ook een nicht-zuster,” mompelde Akkeveen, »verdraaide meid, zit daar niet zoo aan mijn stoel te dauwelen.”
»’t Is geen parure voor mijn kleedje,” sprak Hermelijn glimlachend, »maar Corona wilde dat ik.....”
»Dat je ons allen de oogen daarmee uitstak. Jawel juist iets voor Cor.”
»Mijn hemel, Akkeveen, wat ben je onhebbelijk van morgen, haarpijn he?” vroeg Corona gemelijk.
»Ik dank u wel lieve zuster voor dien inval,” zeide Portias, »niets heerlijker dan die schitterende glans, welke een jonge bruid omgeeft; is u uitgerust?”
Ook Thoren van Hagen was beide dames genaderd.
»U heeft gister te veel van uw krachten gevergd, Hermelijn, ik bedoel mevrouw,” sprak hij.
»Hermelijn, wat een naam, maar veel mooier dan Hermine. Hoe kom je daaraan?” vroeg Corona.
»Conrad gaf mij dien!” antwoordde zij met een diepen blos.
»Conrad? Och, ’t is waar, je kent hem nog uit Holland!”
Hermelijn zag haar verbaasd aan, de vraag brandde haar op de lippen:
»Meent u dan dat ik hem anders zou getrouwd hebben?” Maar zij hield zich in, niets mocht hier in het openbaar haar gevoelens verraden; vergeefs had zij haar man gezocht, hij ontbrak in den kring en die afwezigheid scheen nu ook Corona op te vallen.
»Waar is dat onhandelbare ventje gebleven?” vroeg zij rondziende.
»Wie heeft het geluk zoo door u betiteld te worden.”
»Mijn broeder, de bruidegom, mijnheer van Hagen!”
»Coen is na de partij dadelijk gaan jagen,” zei Margot.
»Heeft hij nog niet ontbeten?”
»Neen!”
Een kleine Géran, bruin en lenig als een katje, was onder de tafel gekropen en scheen zijn tante of zuster, daar op de fijn geborduurde gouden muiltjes te hebben getrapt, want plotseling flikkerde een bliksemstraal in Corona’s oogen, de zwarte wenkbrauwen trokken zich onheilspellend als onweerswolken samen, de mond nam een toornige uitdrukking aan; met een forschen ruk haalde zij het ventje onder de tafel vandaan, gaf hem een fikschen klap om de ooren, en een duw, die hem drie stappen vooruit deed stuiven, en beval toen:
»Nu heb ik genoeg aan al dien rommel! Baboe’s en kinderen naar de bijgebouwen! Iteko, zorg dat die levenmakers wegkomen en wij mekaar eindelijk verstaan kunnen.”
»Een wijs besluit,” gromde Akkeveen, »als men zelf het maar eens ondervindt.”
»Ja, kassian!” riep Toetie zich uit haar wipstoel opheffend, een kind op den grond zettend en het geslagen jongentje troostend, »kassian mana sakiet, njo?” [10]
Corona’s toorn was nog niet bedaard.
»Toetie! laat die komedie varen,” snauwde zij haar toe, »op die manier, als dat jonge volk zoo verwend wordt en in alles zijn zin krijgt, wordt het hier nog een kolonie van boeven en schurken.”
Toevallig ontmoette haar verontwaardigde blik de lachende oogen van Thoren van Hagen, die op zijn knevel beet om een glimlach ook niet over zijn lippen te laten spelen.
Zij zag hem strak aan, maar die lach werd nog duidelijker en toen vroeg zij:
»Waarom lacht u?”
»Omdat ik het altijd prettig vind naar een onweer te kijken.”
»Koerang adjar,” [11] mompelde zij tusschen haar lippen en wendde zich weer met een bevel naar Iteko, die haar handen vol had om chocolade te schenken voor de beide laatst gekomen dames en om de kinderen, die allen min of meer tegenstribbelden, de galerij uit te krijgen.
»Wat zijn wij gelukkig er geen te hebben,” fluisterde Portias, de bloemen naderend en zijn vrouw over de geurige, losse zwarte haren strijkend, »je zoudt er genoeg van krijgen alleen door het gezicht.”
Zij glimlachte min of meer treurig.
»Als Corona ze sloeg, kon ik het niet velen!” zeide zij zacht.
»Neen, ik ook niet.”
Zij stak hem een paar rozenknopjes in de tressen van zijn chineesch buisje, waarvoor hij haar door een zoen beloonde.
»Als je vrijen wilt, Kit, zou ik maar heengaan,” beet Corona haar zusje toe, »ik heb hier al ergernis genoeg!”
»Niets liever dan dat, zus Cor! We zullen het ontstemde instrument uwer ziel geen verdere dissonanten meer doen voortbrengen. Mijnheer Thoren, u wilde de paarden immers zien. Tot straks, Violetta mia!”
Zoo werd de galerij allengs leeger en Corona zeide op kalmer toon:
»Zie zoo, nu kunnen we tenminste ademhalen. Je ziet hier van alles Hermelijn, vechten, vrijen, schelden, luieren, huilen, grienen. Als ik er geen orde onder hield, hoe zou het dan gaan? Ik vind dien logé van papa vreeselijk impertinent. Mij in mijn gezicht uit te lachen.”
»Hij heeft nog niet gelachen, Cor!” riep Margot.
»Ben je nog hier! Je hoort er ook niet.”
»Jawel, ik wil bij Hermelijn blijven, heeft u mooie dingen uit Holland mee gebracht? Wanneer komen uw koffers?”
»Iteko, moet Margot geen piano studeeren, zij heeft al lang genoeg vacantie gehad!”
»Zeker, juffrouw de Géran, zoodra het ontbijt afgeloopen is.”
»Het ontbijt is afgeloopen, ik heb gedaan en mevrouw Conrad ook. Laat Sarko de tafel afhalen.”
»Maar mijnheer Conrad!”
»Dan moet hij maar op zijn tijd komen. Zullen we wat muziek maken, Hermelijn, ik vind dien naam zoo mooi, en zoo geschikt voor je.”
Margot was op het eerste woord van piano onzichtbaar geworden.
»Ik dacht dat Margot studeeren moest,” antwoordde Hermelijn.
»Ja, op haar piano in de schoolkamer, want aan de mijne mag dat nest nooit komen.”
»Zal ik me niet moeten klaarmaken?”
»En je man is nergens te vinden. Zoo’n bruidegom heb ik nog nooit eerder gezien.”
X.
Juist verscheen de nooit eerder geziene bruidegom op de trap, die den tuin aan de galerij verbond; hij zag er nu heel anders uit dan gisteren; de booze uitdrukking van zijn oogen was verdwenen, zij lagen hol en diep in hun kassen, hij was doodsbleek en er rustte een moede trek om zijn lippen.
»Conrad, waar ben je toch gebleven?” vroeg Hermelijn, hem ongedwongen tegemoetkomend.
»Goeden morgen!” zeide hij koel zonder hand en zonder kus, de armen op zijn rug gekruist.
Met een hatelijken glimlach had Akkeveen zich opgericht, en verliet het bruidspaar niet met zijn kleine oogen.
Corona sloeg den arm om Hermelijn en kuste haar met een hartelijkheid, die te heftig was om niet het gevolg te zijn van inwendige opgewondenheid.
»Je moet het je niet aantrekken, wat die akelige jongen doet of zegt, hij verdient niet de punt van je pink te kussen, zoo’n lummel.”
»Corona,” zeide Hermelijn, zich zacht maar beslist aan die liefkozingen onttrekkend, »we zijn man en vrouw! Alles wat u van mijn man zegt, is ook van mij gezegd! Ik wil het niet aanhooren.”
Verbaasd zag Corona haar aan; zij voelde zich vreemd te moede, ’t was of met de nieuw aangekomenen van gisteren een nieuw element zich in haar leven had gemengd, of alles niet meer zoo zou worden als vroeger toen zij onbeperkte heerscheres was, toen men wel tegen haar heerschzucht durfde opkomen, maar er niemand was, die lachte om haar toorn, of haar liefkozingen van zich afweerde.
Conrad scheen niet te luisteren; met den rug naar zijn vrouw en zuster gekeerd, dronk hij in kleine teugen het kopje koffie door Iteko hem voorgezet en weigerde hardnekkig al haar aanbiedingen om iets te eten. Hermelijn ging intusschen naar haar kamer, legde haar parure af en deed hoed en mantel om, trouw aan haar Hollandsche gewoonten; zelfs trok zij haar handschoenen aan, zich verwonderend over haar eigen kalmte en onverschilligheid.
»Mag ik binnenkomen?” vroeg een zachte, vriendelijke stem en Kitty’s lief kopje verscheen boven een fraai bouquet, dat zij in de handen droeg.
»Ik hoop dat je gelukkig zult worden, zusje Hermine,” zeide zij, »zoo gelukkig als wij; Conrad is zeer goed, hij is mijn lievelingsbroer maar... Cor weet niet met hem om te gaan.”
»Dat behoeft ook niet, lieve Kitty! Als ik ’t maar kan.”
»Dat zal wel komen mettertijd.”
»Mettertijd.” Hermelijn herhaalde het woord werktuigelijk, dat had zij zich niet voorgesteld, mettertijd!
»Ik zal die bloemen in den wagen laten brengen, niet waar Hermine! Ik heb ze zelf met José geplukt van morgen vroeg.”
»Lieve Kitty, ik dank je!” en Hermelijn kuste haar hartelijk en voelde dat haar oogen vochtig werden, bij dat ongekunstelde blijk van sympathie.
Zij gingen naar buiten en kwamen Corona tegen, die maar half tevreden scheen Kitty in Hermelijn’s gezelschap te zien.
»Je moet niet zeggen dat ik bij je ben geweest op de kamer,” fluisterde Kitty haastig.
»En waarom niet?”
»Anders wordt zij boos!”
»Boos worden, ik zou ’t niet denken.”
»Och, zij wil je heelemaal voor zich hebben en kan niet verdragen dat wij ons met je bemoeien.”
»’t Is waarlijk of ik met haar getrouwd ben.”
Kitty lachte, als zij niet zoo’n door en door goed schepseltje was geweest zou men kunnen meenen, dat die lach de beteekenis had van:
»Nu wat anders?”
»’t Rijtuig staat je te wachten, Hermelijn!” sprak Corona vrij effen, en toen tot Kitty, »o foei, wat bederf je het huis al vroeg in den morgen met die bloemenlucht, zonder nog te denken aan al de rupsen, die je in huis haalt.”
»Ik ben klaar, wacht Conrad mij?” vroeg Hermelijn op vastberaden toon.
»In de voorgalerij, de heele kolonie is er verzameld; Papa is zoo wijs geweest het land in te gaan, als ik me niet had verslapen had ik ’t ook gedaan. Kan je paard rijden, Hermelijn?”
»Ik heb ’t tenminste geleerd.”
»Heerlijk, dan zullen we samen prachtige tochten maken. Die andere vrouwen kan ik nooit mee krijgen, Kitty was vroeger mijn trouwe kameraad, maar nu wil die malle Jozef het niet meer hebben.”
Een grenzenlooze verachting sprak uit dat woord, waarmede zij zich beklaagde dat een man zijn vrouw iets durfde verbieden, wat haar, Corona, aangenaam was.
Zij kwamen in de rijk gemeubelde voorgalerij, klein en groot was daar vereenigd; op de onderste trede stond Conrad naast een opgeschoten knaap, en zag naar de fraaie koets met vier gitzwarte paarden bespannen, die op het kiezelzand ongeduldig stonden te trappelen.
»Ongeduldiger dan de bruidegom,” grinnikte Akkeveen, »en ’t is toch zonde, zoo’n pracht van een meid! Als ik in zijn plaats was....”
Thoren van Hagen was er ook en toen Hermelijn zich gedwee door allen liet kussen en de hand drukken, naderde hij haar eveneens en nam haar kleine hand in zijn beide.
»Moed Hermelijn, moed!” fluisterde hij haar hartelijk toe.
»Geloof je werkelijk dat ik dien noodig zal hebben?” vroeg zij met een droevigen blik.
»Ja, maar je vader waakt over je!”
»Dank je,” antwoordde zij eenvoudig en steeg, door Portias geholpen, in het rijtuig, dat geurde van Kitty’s bloemen, Kitty wierp zich om Conrad’s hals:
»Zij is zoo lief, wees toch goed voor haar!” smeekte zij zacht.
Met een alles behalve vriendelijke beweging weerde de broer zijn zuster af, en toen alles overziende, riep hij kortaf:
»Goedendag!”
»Goede reis, goede reis, dag Conrad, dag Hermine!” riepen allen en Hermelijn wuifde met haar hand en haar zakdoekje, hen allen een vaarwel toe; Conrad leunde achterover en verwaardigde zich niet iets meer van zich te laten zien.
»Zie zoo, nu moeten zij varen in de huwelijksschuit,” zeide Guillaume.
»Het accordeeren begint, dat kost altijd moeite, en in deze omstandigheden meer dan ooit,” meende Portias.
»Conrad is een windbuil, een domoor,” beweerde Akkeveen.
Thoren van Hagen zag ernstig, zijn oogen hadden hun peinzende, droevige uitdrukking.
»Zoo zag zijn moeder er uit, toen zij hem het laatst kuste,” placht dan de oude, trouwe dienstbode te zeggen, die hem opgevoed had.
»Waarom is u zoo stil, mijnheer van Hagen, benijdt u Conrad?” vroeg een spottende stem.
»Neen, juffrouw de Géran, ik dacht niet aan uw broer, ik dacht aan een meisje, dat rijk aan illusiën haar vaderland verliet en hier niets vindt dan onverschilligheid en wantrouwen.”
»Bedoelt u Hermine, wat ontbreekt haar?”
»Het eenige, wat zij noodig heeft, de liefde van haar man.”
»Liefde? Komt u pas uit Europa en gelooft u daaraan?”
»Wordt dat artikel dan niet uit Europa geïmporteerd?” en hij begon weer te lachen.
»We kennen dat tenminste hier niet! Hermelijn wordt door mij ontvangen als een zuster, verwelkomd als een vriendin, zij had in Europa niets anders dan de keus tusschen dienstbaarheid en genadebrood. Zij is getrouwd, rijk....”
»En haar man behandelt haar met beleedigende onverschilligheid; wie voorspelt, wat hij nog doen zal?”
»Och kom! Conrad is nog een kwâjongen.”
»Des te erger voor Hermelijn, die een man verdiende.”
»Zij zal hem wel naar haar hand zetten.”
»Nooit gehoord, dat huwelijksgeluk in naar de hand zetten bestaat.”
Corona lachte nu ook, maar gedwongen.
»Dat is zeker,” ging hij ernstig voort, »die haar bedroog, en deed gelooven dat Conrad haar ten huwelijk vroeg, omdat hij nog iets voor haar voelde uit zijn kinderjaren, deed een slecht werk. Ik weet natuurlijk niet hoe men hem heeft kunnen brengen tot een huwelijk, dat hij blijkbaar niet wenschte, maar de wijze waarop Hermelijn er toe overgehaald werd, noem ik onverantwoordelijk.