Hermelijn

Part 5

Chapter 53,935 wordsPublic domain

De lucht brandde van het vuurwerk en de sierlichten; in de verte schitterde als een poort van het zonnerijk een groote helder verlichte boog in blauwe, roode en gouden glanzen; de boomen en rotsen werden door bengaalsch vuur afwisselend met zacht zeegroen, hel oranje of teeder azuur overgoten; alles verkreeg een tooverachtig aanzien in dat geheimzinnige licht.

De bergen straalden een vreemden bovenaardschen gloed uit, de kleine gestalten der Javanen schenen als berggeesten heen en weer te gaan, hun bamboezen woningen geleken paleizen, waardig de hovelingen van een bergkoning te herbergen.

»Zullen we uitstappen, meneer van Akkeveen?” vroeg Thoren van Hagen.

»Dank je, ik zit goed,” was het flegmatische antwoord.

»Wacht, ik wil wel,” en met een sprong was August hem voor.

Conrad maakte ook aanstalten hem te volgen.

»Wat beteekent dat?” vroeg barsch en kort de vader, »je blijft!”

En de hoofdpersoon van het feest kroop weer in zijn verloren hoekje. Hermelijn had een onweerstaanbaren lust iets te zeggen, iets te vragen, maar de woorden bleven haar voor de lippen steken.

»’t Is een misverstand, Conrad meent het zoo goed,” zoo troostte zij zich zelf en begon met werkelijk genot naar die schitterende ontvangst te zien.

Hoe heel anders zou ’t geweest zijn, als zij Conrad naast zich mocht hebben, hoe had zij zich dan verheugd; want waarlijk in haar stoutste droom en had zij zulk een intrede niet durven hopen.

De voetgangers hadden een onvergelijkelijk schouwspel voor oogen, dat bij elke kromming van den weg veranderde; een reusachtige waaier van gouden vonken, steeg achter de eerepoort op en liet haar vallende sterren regenen over boomen, menschen en rotsen.

»’t Is eenig,” riep Thoren van Hagen opgetogen uit, »ik heb respect voor degene, die dit feest zoo regelde. Uw zuster deed het immers?”

»Jawel, maar Javanen helpen haar.”

»Dat spreekt, de hoofdgedachte komt toch van haar.”

»En van Portias.”

»De bruidegom schijnt niet in zijn humeur. Waarom zou dat zijn?”

»Weet niet.”

»Hij krijgt toch een allerliefst vrouwtje.”

»Jawel.”

»Zie, wat een feeënslot!”

Inderdaad waren ze nu op het punt gekomen, van waar men het tooverpaleis kon zien in dit feeënland; een paleis, zoo scheen Thoren van Hagen het sneeuwwitte, hooggelegen gebouw toe, dat op eenigen afstand van de eereboog, zich als een lichtende massa losmaakte van den somberen achtergrond, vonkelend in verblindenden goudglans.

Slingers van licht, strekten zich uit van dat hoofdgebouw, naar de vleugels en de eerepoort; loodsen, waarin de Javanen voor hun instrumenten zaten, waren eveneens door de lampen in lichtkiosken herschapen; danseressen wier glazen kralen in al dien glans flikkerden als topazen en brillanten, kronkelden hun lenige ledematen tot het voeren van den tandakdans; op het oogenblik dat de reiswagen in volle vaart de eerepoort doorreed, lieten alle instrumenten den koningsmarsch hooren.

»O hoe heerlijk, hoe poëtisch,” riep de bruid, slechts door één wensch bezield, »Conrad, kom hier naast mij!”

Er lag zulk een smeekende toon in haar stem, dat de oude heer, die anders niet aan overmaat van gevoel leed, er door getroffen werd.

»Neem er geen notitie van!” zeide hij knorrig, »die kwajongen is boos op zijn vader, recht mooi op zulk een dag! Wij allen zeggen u hartelijk welkom, Hermine, ik ben er van overtuigd dat je een goede dochter voor ons zijn zult.”

»O vader, kan u er aan twijfelen?” vroeg Hermelijn en schoof zich dorstend naar een liefkozing aan zijn zijde; hij sloeg den arm om haar middel en kuste haar hartelijk. »Je zult van dien wildeman een mensch maken, ik ben er van overtuigd,” fluisterde hij en voegde er bij:

»Je moet Corona ook zeggen dat je ’t zoo mooi vindt.”

»Zeker papa, ’t is dan ook tooverachtig!”

Zoo grootsch en indrukwekkend als de mise en scène, zoo ongeregeld was de eigenlijke intocht.

De eerewacht reed nog steeds om den reiswagen, Portias liet zijn paard allerlei fraaie sprongen maken; August wandelde naast Thoren van Hagen, op geringen afstand van het rijtuig; toch zagen zij ’t eerst de tot plechtige ontvangst bestemde groep.

Een twaalftal kinderen, meisjes in witte kleeren, jongens in blauwe pakjes, met krullende kopjes, en bloemen in de hand, stonden op de marmeren trappen, tusschen de met hooge aloës en cactussen gevulde vazen; achter hen strekte zich de breede galerij uit, badend in licht; de pilaren waren alle met groene slingers van boven naar beneden omwonden, waarin, vurig brandende rozen gelijk, de veelkleurige lampjes verscholen waren, die aan het huis het aanzien van een tooverslot gaven.

In het midden hing een groote kroon van groen en lichten, tusschen een helder glinsterende C. en H.; op de bovenste trede der marmeren trap stonden verscheidene heeren en dames, onder welke het oog onweerstaanbaar getrokken werd door een koninklijke verschijning.

Zooals zij daar stond met het bevallig kindergroepje aan haar voeten, omgeven door verscheidene personen, die zich als bij afspraak naar het tweede plan terugtrokken, scheen zij de koningin te wier eere dat feest gegeven werd; haar donkerrood fluweelen costuum kwam scherp uit in het felle licht, om haar hals schitterden in duizend facetten de brillanten van haar ketting, in haar gitten lokken, die van haar breeden diadeem; haar armen en vingers wierpen vonken naar links en rechts, zoo waren ook deze met edelgesteenten bedekt.

Alles scheen een reusachtige troon voor haar; al dat licht moest slechts dienen om haar in een lichtgloed te baden om haar een aureool en een voettrede te geven, haar vorstelijkheid ten volle waardig.

Thoren van Hagen’s oogen trilden bij het zien van al dien glans.

»Moest ik daarom op Java en in dit bergland komen,” dacht hij, »om die koningin van den nacht te zien, in haar paleis, die prinses, wie de kroon van Insulinde alleen passen zou? Ik zag haar gelijke nog niet, ik die zoo verre ben geweest; zij of geen andere!”

Juist kwam de reiswagen aan den voet der trappen en hief Europeesche muziek thans de »Hochzeitsmarsch” aan; de oude heer de Géran, die al dien ophef kinderachtig vond en het liefst zijn huis donker en stil had gevonden, stapte het eerst uit en bood zijn schoondochter de behulpzame hand en daarna den arm aan; de bruidegom kwam achter hem, linksch, verlegen met zijn figuur, nog somberder en knorriger dan hij ’t reeds geweest was.

Hermelijn werd duizelig door al dien glans en pracht, zij voelde zich zoo klein, zoo nietig in haar eenvoudig reisjaponnetje, zoo ongeschikt om de hoofdpersoon van dat alles te zijn.

Een der kinderen bood haar een bouquet aan, zij nam het in de hand, onweerstaanbaar geboeid door de hooge, statige gestalte, die haar boven aan de trap opwachtte.

Twee armen sloten zich om haar, zij voelde het donzige fluweel aan hare wangen en haar oor schaafde door de aanraking met de à-jour gezette diamanten; zij hoorde dat men haar toefluisterde:

»Welkom, in ons midden! We hebben zoo naar u verlangd. Ik ben Corona!”

Maar zij kon zich van geen enkelen indruk meer duidelijk rekenschap geven; alles danste en flikkerde voor haar oogen, als in de verte hoorde zij wat Corona haar bij het voorstellen van elk der familieleden zeide:

»Sophie, Phientje, Dolly, Kitty, Margot...”

Zij zag schemerend voor zich een dikke, Indische dame, met een knap maar dom gelaat, een magere, schrale, blondine, die echter genoeg haar Oostersche afkomst verried; twee mooie brunetten, sprekend op elkaar en op Conrad gelijkend, een opgeschoten meisje, dat men in Holland zestien, hier echter gerust drie jaar jonger kon geven; door allen werd zij min of meer hartelijk gekust.

»Toen kwam de beurt aan de kinderen; als een eindelooze, verwarde litanie hoorde Hermelijn hun namen door de respectieve moeders opdreunen. Zij kuste en werd gekust, zij glimlachte en boog zich, altijd met het vage bewustzijn dat alles niet haar maar een geheel vreemde Hermine overkwam.

»U zal zeker behoefte hebben aan iets verfrisschends, mevraauw?” zeide een fleemende stem naast haar: Hermelijn zag om en verschrikte.

Een kleine, bijna monsterachtige gedaante stond voor haar.

’t Was een vrouwtje, niet grooter dan een kind van twaalf jaar, met een diep tusschen de schouders ingezakt hoofd, dat op een grooter lichaam scheen t’huis te behooren; de rug welfde zich van achteren tot een vrij hooge bult, waarover een netwerk van koordachtige losse krullen uitgespreid lag; de borst was ingezonken en het gelaat vergoedde niet, wat aan het uiterlijk overigens te kort schoot.

Een breede mond vertrok zich bijna telkens tot iets, wat een glimlach bedoelde te wezen maar het niet verder kon brengen dan tot een grijns; de oogen waren ver van elkander geplaatst en niet geheel en al eensgezind, als zij zich op één punt moesten vestigen; het haar was borstelachtig en stijf en slechts groote inspanning had het stellig tot krullen weten te wringen. Van voren gezien maakte het geheele menschje den indruk of zij oorspronkelijk van middelmatige lengte had moeten zijn, maar door een vreemd toeval in tweeën was gebogen; al het materieel scheen aanwezig om van haar een gewoon figuur te maken, doch een booze fee had haar op het hoofd geslagen en het was ingezakt, zoodat alles zich naar een verkeerde richting moest uitzetten.

Dat afzichtelijke voorkomen had Hermelijn uit haar verdooving ontrukt, en zonder het te willen teekende haar gelaat schrik of afkeer; voor een seconde slechts, want om haar onwillekeurige beweging goed te maken, zeide zij zoo vriendelijk mogelijk:

»O, als ’t u belieft, ik voel me zoo mat.”

Het schepseltje verwijderde zich en dadelijk kwam een bediende, in het nette, witte en roode, liverei der Gérans, om de heupen met een korte, tot de knie afhangende sarong voorzien, haar een zilveren blad aanbieden, waarop champagne, pasteitjes, sandwiches en taartjes. Hermelijn dronk en herinnerde zich nooit iets gebruikt te hebben, dat haar meer goed deed; zij nam ook een pasteitje en zag onderwijl naar haar man om; hij was echter nergens te ontwaren.

Corona stond als middelpunt van een groepje heeren; juist werd Thoren van Hagen aan haar voorgesteld; zij sprak en lachte vroolijk, coquet spelend met haar grooten zilverkleurigen waaier, dien zij als een scepter wist te hanteeren.

»Is u moe, zuster?” vroeg de goedige dikkert, in wie Hermelijn August’s vrouw, de moeder van tien kinderen, raadde.

»Ik ben zoo af.”

»Dan u moet maar gauw slapen, anders wordt u nog ziek.”

»Ik geloof dat het ook ’t verstandigst zou wezen,” antwoordde Hermelijn glimlachend.

Als een gedienstig kaboutertje, stond de kleine bochel weer naast haar.

»Zou u willen rusten, zal ik juffrouw de Géran vragen, of ik u naar uw kamer zal brengen?” vroeg zij in zuiver Amsterdamsch dialect met den echt Haarlemmerdijkschen tongval.

»Als juffrouw de Géran dat moet beslissen dan maar ja,” antwoordde Hermelijn, die, hoe vermoeid zij ook was, het algemeen erkende overwicht van haar schoonzuster maar niet zoo voetstoots wilde erkennen.

De kleine figuur schoot snel weg en was onmiddellijk naast Corona te zien, die haar hooge gestalte voorover boog om haar fluisterend te woord te kunnen staan.

»Wie is die dame?” vroeg Hermelijn aan de dikke vrouw.

»De juffrouw.”

»Een gouvernante?”

»Ja, huishoudster meteen.”

»O zoo en u is zeker de vrouw van August.”

»Ja, ik ben Poppie.”

Hermelijn herinnerde zich niet dien naam gehoord te hebben bij de opnoeming, maar deed geen verdere navraag.

»Dan zijn we schoonzusters, ik heet Hermine.”

»Ja, ik weet wel.”

Juist kwam »de juffrouw” terug.

»Juffrouw de Géran vindt het jammer, dat u al heengaat. Het bal gaat dadelijk voort en u moet niet vergeten, dat u er hoofdpersoon van is.”

»Ja, ik had ’t vergeten,” antwoordde Hermelijn weemoedig, »maar mij dunkt dat alleen mijn man hier te beslissen heeft.”

Vier hoofden werden bij deze woorden nieuwsgierig bij elkaar gestoken; Hermine was ontevreden gestemd, zij voelde er behoefte aan zich te kanten tegen haar omgeving en had lust haar wil door te drijven.

De vier schoonzusters keken elkaar veelbeteekenend aan.

»Waar is Conrad?” vroeg zij.

»Wel!” sprak de juffrouw, »ik weet het niet. Ik zal ereisis kijken, mijnheer is misschien ook moe.”

De zusters gichelden onder elkaar, Hermelijn, door de champagne opgewekt, voelde haar bloed koken.

»Ik zal het mijn man vragen en wat hem dunkt, is natuurlijk goed.”

»Ik zal ’t juffrouw de Géran ereisis zeggen,” sprak de juffrouw op een toon, die duidelijk beteekenen moest, »dan ben ik van de verantwoordelijkheid ontslagen.”

»We hebben nog geen oogenblik samen gesproken,” klaagde Hermine, die van het viertal afgescheiden stond, als ging het geheele feest haar niet aan.

»Mag ik mij aan u voorstellen, waarde zuster!” zeide, op een wijze die niet van pedanterie vrij was, een hoogst welluidende stem, en Hermelijn herkende in het rijcostuum, dat hem zeer goed kleedde, den kommandant van de eerewacht, haar zwager Portias.

»Mijn man,” zeide Kitty trotsch.

»Juist, die eer en dat geluk heb ik, lieve vrouw! Ik hoor dat u muzikaal is, zuster Hermine! Ik aanbid de muziek, ik had er mijn leven aan gewijd, voordat Amor onder gedaante van dat ondeugende schepseltje daar naast u, mij trouweloos had gemaakt aan mijn hooge bruid, niet waar, beste harp?”

Kitty lachte en vleide zich liefkozend naast haar man, die haar met zijn arm omgaf en snel een paar kussen op de lippen drukte; ’t was het eerste bewijs van hartelijkheid, dat Hermelijn van haar nieuwe familieleden zag en het maakte een aangenamen indruk op haar.

»Hoe veel ik anders ook van muziek houd,” zeide Hermelijn glimlachend, »nu kan ik het woord zelfs niet meer hooren. Ik ben zoo moe en Conrad...”

»Heeft nog niet naar mij omgezien,” wilde zij zeggen, maar weerhield het verwijt op haar lippen.

»Ik hoop dat u beiden langzamerhand twee gelijkgestemde instrumenten moogt worden,” wenschte Portias, »’t gaat zoo spoedig niet, dat stemmen neemt veel tijd weg, daar weten wij van mee te praten, niet waar viooltje, maar als ge eenmaal op één diapason staat, dan hinderen sommige dissonanten niet; al zijt ge dan nog zoo geheel verschillend van neigingen en karakter, dat beteekent niets, ge zult toch aangename harmonieën voortbrengen.”

»Een mooie vergelijking,” zeide Hermine lachend.

»Hij praat altijd zoo,” verzekerde Kitty met een lief Indisch accent, en wierp haar man een bewonderenden blik toe.

»En de stemvork is liefde en de stemhamer geduld, denk daar aan, zus Hermine!”

»Ik zal er om denken,” en de tranen schoten haar in de oogen en reeds dadelijk voelde zij zich tot dit paar meer aangetrokken dan tot de overigen.

»Als ik me niet vergis zijn wij nog al in denzelfden toon gestemd,” merkte Portias op als had hij haar gedachten geraden, »denk je ook niet, kleine Cello? Wat dunkt je, zullen wij ’t nieuwe zusje naar haar kamer brengen.”

»Ach neen, Jo, Cor wil ’t niet.”

»Mijn piano! durf je het waarlijk niet doen? Kom, ik zal het Cor maar eens vragen.”

»Niet doen, Jo, niet doen! Waarvoor toch je daarmee bemoeien?”

Juist viel de dansmuziek in en eindelijk was Conrad gevonden; Corona gaf hem den arm en bracht hem zoo naar Hermelijn.

»Zie, nu moet je de polonaise openen,” zeide zij.

»Geef je ons nog geen vrijaf?” vroeg Hermine, »ik heb meer behoefte aan rusten dan aan dansen.”

»Na de polonaise ben je vrij.”

Conrad gaf zijn vrouw den arm, zonder de uitdrukking van zijn gelaat te veranderen, zonder haar een woord te zeggen, zonder haar hand meer te drukken dan volstrekt noodig was.

Vlak achter hen ging Corona aan den arm van een veel kleineren man, den resident der residentie, waarin Ngaroengan gelegen was en die reeds sinds verscheidene jaren alle mogelijke pogingen deed om het onneembare hart der schoone, trotsche jonkvrouw de Géran te veroveren; achter hen gingen familieleden en genoodigden, paar aan paar; enkelen bleven terzijde, waaronder Augustus vrouw, de oude heer, Thoren van Hagen en de steeds bedrijvige juffrouw.

Hun blik volgde onophoudelijk het zonderlinge bruidspaar; niemand kon ontkennen dat zij een fraai contrast met elkander vormden; beiden stralend van jeugd, flink gebouwd, maar toch kon niemand hen met voldoening nastaren. Zij zag er nu althans afgemat en treurig uit, en sleepte zich voort en Conrad ergerde ieder door zijn onverschillige houding en knorrig gelaat.

»Arme Hermelijn,” dacht Thoren van Hagen, »zult ge gelukkig worden, ik vrees dat ge uw geluk tot duren prijs moet koopen.” Maar onwederstaanbaar werden zijn oogen geboeid door de godinnen-gestalte van Corona.

»’t Is jammer dat zij zoo’n partner heeft,” mompelde hij, »ik geloof dat ik alleen haar nog in lengte voor ben.”

Plotseling bleef de bruid staan.

»Ik kan niet meer,” fluisterde zij, de aandoeningen werden haar te machtig, de gedachte, dat zij vertoond werd als een kermispop onder het klinken eener luidruchtige muziek, dat ieder haar besprak en beoordeelde, hinderde haar eenigszins, maar zou haar op andere tijden slechts een hartelijken lach hebben ontlokt; nu echter voegde dit denkbeeld zich bij haar hopeloos smachten naar een woord van herkenning, naar een schaduw van een liefkozing van hem, wien ten wille zij haar vaderland en vrienden had verlaten.

Alles werd haar onverschillig, een onverklaarbare, namelooze walg voor de geheele omgeving vervulde haar ziel, alles scheen haar een landschap toe in motregen, een boek zonder geest, een schilderij zonder kleur.

»Laat mij gaan, ik bid het u!”

De levendige gordel hield op zich voort te bewegen.

»Iteko,” riep Corona en op dezen zonderlingen naam sprong de juffrouw overeind en tusschen alle paren, die elkaar eensklaps loslieten en zich met de anderen vermengden, baande zij zich een weg en hoorde het kort uitgesproken bevel harer meesteres aan.

»Breng mevrouw naar de logeerkamer!”

»Bestig, juffrouw.”

Wat er nu gebeurde, wist Hermelijn zich later niet meer met nauwkeurigheid te herinneren; alleen voelde zij dat Conrad haar zijde verliet, dat de muziek een anderen deun aanhief en dat het monstertje haar voorging naar een der binnenkamers, haar hielp ontkleeden en toen te bed bracht, waar Hermelijn onmiddellijk in een doffen slaap viel, die veel van bewusteloosheid had.

IX.

Toen Hermelijn den volgenden morgen ontwaakte, vielen de zonnestralen door de rieten gordijnen op den marmeren vloer, waarop, als een vurige roode vlek, een tapijt uitgestrekt lag voor het in mousseline gehulde ledekant.

Hermelijn sprong verschrikt op en het duurde eenige seconden voor zij tot bezinning kwam; het scheen haar onmogelijk toe dat zij den vorigen nacht nog aan boord had doorwaakt, in blijde spanning naar hetgeen haar dien dag wachtte, de blijde ontmoeting met haar man.

Haar man! was zij dan werkelijk getrouwd, was het geen droom, zou hij van daag eindelijk eenig blijk geven, waaruit zij kon opmaken dat zijn uit verre landen overgekomen bruid hem welkom was?

Hermelijn moest sterk blijven; zij wilde tot geen prijs zich laten ter neder slaan, en die mijmeringen benamen haar den moed. Aan één hoop klampte zij zich vast, al dat feestvieren en die drukten, kwamen Conrad ten hoogste ongepast en onaangenaam voor, als zij eindelijk eens alleen tegenover elkander stonden dan zou hij zijn hart uitstorten en zijn onverklaarbare houding vergoelijken.

Zij kleedde zich snel, stak haar dikke lokken, die nu door de ochtendzonnestralen in goudgloed baadden, met een zwarten pijl op, en was juist bezig de laatste hand aan haar toilet te leggen, toen de juffrouw, door Corona als Iteko betiteld, binnentrad.

»Wat zie ik mevrouw!” riep zij verbaasd, »reeds gekleed maar gaat u zich niet mandi?”

»Mij baden? Och neen, ik heb er niet aan gedacht, de waschtafel is mij genoeg geweest.”

»Maar kleedt u zich dadelijk aan, waarom niet eerst in négligé voor den dag gekomen.”

»Ik heb geen négligé in mijn koffertje; mijn goed is nog niet aangekomen?”

»Daar kon in voorzien worden; juffrouw Corona had mij gezegd, dat ik er voor zorgen moest, maar ik had niet gedacht...”

»Men kan niet aan alles denken; ik elk geval zal ik geheel gekleed meer op mijn gemak wezen.”

»Naar uw verkiezing, mevrouw! Juffrouw Corona wacht u op haar kamer, vóór u naar de achtergalerij gaat. ’t Bal heeft lang geduurd, tot vier uur ’s morgens; maar juffrouw Corona vindt het ’t best dat u om 11 uur vóór de rijsttafel vertrekt.”

»Waarheen moeten we vertrekken?”

»Naar Djantong, waar u gaat wonen.”

»Daar weet ik niets van.”

»Dat huis hebben we voor u in orde gemaakt; Baboe Tjita zal voor het eten gezorgd hebben; het feest gaat hier natuurlijk door, maar de juffrouw dacht, dat u wel zou verlangen in uw eigen huis te komen.”

»’t Is zeer vriendelijk van de juffrouw dat eindelijk te bedenken.”

»O de juffrouw denkt om alles, een buitengewone dame, hoogst buitengewoon. Vindt u ze geen beeld?”

»Neen, een beeld juist niet.”

»En iedereen roept zoo over haar schoonheid.”

»Dat kan wel wezen, maar niet ieder beeld is schoon en alle vrouwen, die mooi zijn, zijn daarom nog geen beelden.”

»Een juiste opmerking, mevrouw! Zeer juist! Zoo bedoelde ik het dan ook. Als u gereed is, wil u mij volgen naar de kamer van juffrouw Corona.”

»’t Is goed.”

Hermelijn volgde haar naar de buiten-zijgalerij, waarop ook de kamer van Corona uitkwam; deze was even groot als de logeerkamer en bijzonder fraai gemeubeld, met turksch roode divans, hooge kasten, marmeren beelden, ingelegde chineesche tafeltjes, japansche vazen, ivoren snijwerk, een allersierlijkst ledekant met witte en roode gordijnen.

Corona zat voor de toilettafel; een handig Javaansch meisje kamde haar lange, schitterend zwarte haren uit, die, een fluweelen mantel gelijk, over de leuning van den stoel ter aarde hingen; in haar eene hand hield zij een spiegeltje in schildpadden lijst, waardoor zij zich van ter zijde en van achteren in den grooten spiegel bezag; een kleiner meisje zat voor haar voeten geknield en trok haar dunne rooskleurige kousjes aan; een derde veel oudere Javaansche vrouw ging in de kamer op en neer, van de eene kast naar de andere, de kleederen met geurige ramping (fijn gesneden bloemen en bladeren) bestrooiend. Toen juffrouw Iteko met Hermelijn binnenkwam, legde zij het spiegeltje neer en stak haar schoonzuster beide handen toe.

»Wat ben je matineus, kom hier geef mij een kus. Al zoo vroeg gekleed en gekapt! Ik kan je niet zeggen, Hermine, hoe ik met mijn nieuwe schoonzuster ingenomen ben,” zeide zij op hartelijken toon.

»Dat doet mij pleizier, Corona, en ik hoop dat Conrad van dezelfde meening is.”

»Die kwajongen, foei, ik ben zoo boos op hem geweest, ik heb hem gisteren avond de les gelezen, ongemakkelijk hoor! ’t Zal hem heugen.”

»En waarom dan?”

»Wel, om zijn malle kuren.”

»Conrad zal wel weten, waarom hij zoo doet.”

»Wat, verschoon je hem nog?”

»Moet ik niet!”

»Ben je dan niet boos op hem?”

»Op mijn man, wel neen! Ik denk er niet aan.”

»Hij heeft zich gedragen als een sinjo, als een kwast,” siste zij met een onheilspellend fronsen van haar wenkbrauwen en een zenuwachtig samenpersen der lippen.

»Ik zal wachten zijn gedrag te beoordeelen, tot hij mij daarvan uitlegging geeft, ik twijfel niet of deze zal mij geheel tevreden stellen.”

»Zoo’n kind, hij uitleggingen geven! ’t Zal wat moois wezen als het voor den dag komt, enfin, je zult het mij vertellen als hij je gesproken heeft. Ik ben geïndigneerd.”

»Alles schijnt me zoo vreemd en zonderling, dat ik nog niet weet wat te gevoelen. Mag ik u vragen, hoe laat het is?”

»Over negen! Ik heb wat langer geslapen omdat het zoo laat geworden is met het bal. ’t Is jammer dat je zoo vroeg bent heengegaan; wij hebben nog zooveel pleizier gehad.”

»Ik was doodmoede.”

»Ja dat begreep ik wel, anders had ik je niet laten vertrekken. Is Iteko weg? Ik wilde haar vragen, welke kamer zij dien heer met den vreemden naam heeft gegeven. Is hij niet met je mee gekomen?”

»Bedoelt u Thoren van Hagen?”

»Juist; een oude kennis van je?”

»Ja, van mijn jeugd, ik was nog een heel klein ding, toen hij bij mijn vader aan huis kwam en met mij speelde.”

»Hij is officier geweest?”