Part 4
»En trek je nu de wereld zoo doelloos rond?”
»Wel zeker, ’t is de nuttigste en prettigste manier om mijn tijd zoek te brengen.”
»Is dat het doel van ’t leven?”
»Voor jou niet, lief bruidje, je hebt nu maar een doel, straks zoo mooi mogelijk in tegenwoordigheid van je heer en meester te verschijnen. Maar zeg eens Hermelijn, vind je dat niet wat raar? Ik ben, geloof ik erg in den smaak gevallen van den heer de Géran; hij heeft op alle manieren bij mij aangedrongen, dat ik mee zou gaan naar zijn land, maar toen wist ik niet dat hij nog een schoondochter verwachtte en nu schijnen wij samen te reizen met het jonge paar.”
»Ik weet het niet, ik vind alles hier zoo wonderlijk. ’t Is misschien Indische mode, maar ik kan er niets tegen zeggen, als anderen het goed vinden.”
»Nu ’t is mij een troost, dat ik het ten minste niet ben, die het tête à tête verstoor; waar een papa bij is en dan nog bovendien zoo’n hark als die nieuwe zwager van je, daar is van een zoet samenzijn toch geen spraak. Wat zult ge mekaar veel te vertellen hebben als het ijs eenmaal gebroken is; nu in die heerlijke Indische natuur kan je een verrukkelijke honigmaand doorbrengen.”
»Ik heb nog een schoonzuster à prendre.”
»Daar heb ik van gehoord! Dat moet geen katje zijn om ongehandschoend aan te pakken; meen je dat ik er roeping toe voel om »the Taming of the Shrew” bij haar te beproeven?”
»Ik weet het niet, ik heb dat altijd een akelig stuk gevonden.”
»Met jou zal zoo’n operatie wel niet noodig zijn, zachte Hermelijn?”
»Ik ben niet zacht.”
»Daarvan weet ik mee te praten; wat hebben wij veel gekibbeld en mekaar geplaagd.”
»Toch zijn wij steeds goede vrienden gebleven.”
»Dat schijnt zoo, als ik me niet vergis, zijn we als kwade gescheiden.”
»Omdat je mijn poes op de gracht had laten schaatsenrijden; ’t beest is na dien tijd niet meer gezond geweest.”
»O ja, door mij is ze zeker in het katten-asyl terecht gekomen?”
Beiden lachten en voelden zich recht op hun gemak; de heer de Géran keerde zich juist om en zeide aan August, die zijn laatste spinazie had gegeten, dat hij zijn schoonzuster naar haar kamer moest brengen, dan kon zij zich lekker maken.
»Maar precies om half vier komt Conrad, zorg dat je dan klaar bent.”
Thoren van Hagen glimlachte om die zonderlinge manier van bruiloft vieren.
Hermelijn boog zich voor de heeren en volgde toen haar langen, stakerigen zwager, die haar voor ging naar de buitengalerij.
Voor een der kamerdeuren, die daar op uitkwamen, bleef hij staan.
»Van u,” zeide hij alleen.
»Dank je wel, August.”
Zij ging naar binnen en vond er haar handkoffertje en granatendoekje; de kamer was groot, eenvoudig maar netjes gemeubeld, een groote divan stond tegenover het ledekant; zonder zich uit te kleeden, strekte Hermelijn zich daarop uit, nog steeds onder den indruk van al het vreemde dat haar overkwam.
Zij had zich alles zoo heel anders voorgesteld; waarom moest ze hier nu alleen zitten in dit vreemde logement, terwijl het anders zoo’n geschikte gelegenheid zou geweest zijn om met haar man kennis te maken. Zij trachtte de gedachte, die zich telkens en telkens aan haar opdrong, met geweld te verdrijven en de vraag niet te beantwoorden.
»Of zulk een talmen wel verwacht mocht worden van een jongen bruidegom en of dat niet gelijk stond met onverschilligheid?”
Liever dacht zij aan Iwan Thoren van Hagen; hoe aardig, dat zij dien dollen jongen hier moest terugzien; hij scheen bedaarder geworden, hij was dan nu ook een groot, deftig heer, keurig in kleeding en verzorgd in voorkomen, met een vollen, kort geknipten donkeren baard; maar zijn mooie oogen, die soms zoo ontzaggelijk treurig konden zien, om dadelijk weer te tintelen van ondeugende vroolijkheid waren dezelfde gebleven en daaraan had zij hem dadelijk herkend. Wat had die wildzang haar vader soms moeilijke uren doen doorleven en als die oude heer Thoren van Hagen kwam met zijn gebogen gestalte, en zijn vergrijsde lokken en den zwarten doek om zijn hals, die iets bedekte, waaraan een vreeselijke geschiedenis heette verbonden te zijn, dan was Iwan stellig nergens te vinden. Hoe was Moe steeds uit haar humeur, als hij een paar van haar kleine jongens mee had genomen naar Velp of Escharen en laat in den avond met hen thuis kwam, berooid en wel; natuurlijk volgden daar weer eenige dagen arrest op, totdat de majoor eindelijk verzocht had ontheven te worden van zulk een voogdijschap en hij naar Maastricht in garnizoen werd gezonden, dicht bij het landgoed van zijn vader, tot groote blijdschap van haar stiefmoeder, tot verdriet van de broertjes en zusjes en zelfs van haar, want zij mocht hem graag als haar oudsten broer, maar niet zooals zij van Conrad hield, dat was iets heel anders geweest, reeds toen.
Zij had veel onder kinderen verkeerd en nu raakte zij er weer geheel in; hoeveel kneuters waren er wel bij de Gérans, tien van August, vijf van Guillaume, zes neen zeven... zij raakte verward in al die cijfers, en kon ze niet meer uiteenhouden.
’t Was koel en frisch in de kamer, de jalouzieën van deuren en ramen stonden open, de rieten valgordijnen in de voorgalerij hingen neer, een zacht koeltje streelde Hermelijns wangen, zij was moe gedacht en moe gerekend. Voor eenige oogenblikken vergat zij alles om zich heen.
VII.
Er werd aan de deur getikt.
»Hermine.”
Zij sprong op, en riep »Binnen”; er was niets aan haar toilet te veranderen, alleen haar blonde lokken hingen in allerliefste verwarring om haar voorhoofd en slapen, maar zij was te bevangen door den slaap om daarvan bewustzijn te hebben.
De deur werd geopend en haar schoonvader trad binnen, gevolgd door een slanke jongensfiguur.
»Hier is je man, Hermine.”
Zij stond als vastgenageld, waarom kwam hij niet nader, was het aan haar om hem tegemoet te gaan? Was dit het oogenblik, waarnaar zij zoo lang en vurig had gesmacht?
Hij geleek sprekend op zijn portret: een mooie, donkere knaap, nog niet geheel uitgegroeid misschien, maar met een norsche, ontevreden uitdrukking onder de gefronsde wenkbrauwen; als een automaat stak hij de hand uit, waar hij beide armen had moeten uitbreiden en vroeg op een toon als zeide hij een van buiten geleerd lesje op:
»Hoe maakt u het?”
’t Liefst was Hermelijn in tranen uitgebarsten maar haar trots hield haar staande en eenigszins spottend antwoordde zij:
»Heel goed, dank u en u ook?”
De heer de Géran, hoewel hij zeker genoegzaam wist, hoe een bruidegom zijn bruid op den huwelijksdag begroeten moest—hij had driemaal in dat zelfde geval verkeerd—achtte het beneden zijn waardigheid tusschenbeide te treden, misschien bezat hij ook geen oog voor zulke kleinigheden.
»Ben je klaar?” vroeg hij.
»Op mijn haar na.”
»’t Is hoog tijd, zet je hoedje maar op en kom dan mee!”
Volgens Fransche wijze bood hij als vader haar den arm, de bruidegom volgde; Hermelijn meende den sleutel van Conrad’s zonderling gedrag gevonden te hebben, hij was uit zijn humeur over die gestadige tegenwoordigheid en inmenging van zijn vader. ’t Pleitte voor zijn karakter, dat was ontegenzeggelijk; maar toch wilde zij niet de minste toenadering van haar kant doen.
Wat was dat toch een vreemd huwelijk, het hare; hoe geheel anders was die burgerlijke en kerkelijke plechtigheid bij volmacht niet geweest, in het kleine garnizoensplaatsje, waar iedereen uitgeloopen was om de jonge bruid, die trouwde met een getrouwd man, zonder eigen bruidegom, te komen zien. Zij had zich toen niet in ’t wit willen kleeden, omdat zij dat minder gepast vond, maar nu zou zij zoo gaarne anders dan in reistoilet geweest zijn.
Al het bruidachtige ontbrak zoo, zelfs geen bloempje kon zij op haar borst steken; ’t is waar, nu gold het ook niets dan een bloote plechtigheid, welke de Gérans, die aan hun godsdienst, zelfs in de anders zoo onverschillige koloniën, trouw waren blijven hechten, op prijs stelden, maar voor haar eigen gevoel had Hermelijn zich nu zoo gaarne als bruid gevoeld, naast den man, wien zij haar hart onvoorwaardelijk had geschonken.
Zij ging naast haar schoonvader, bleek maar hoog opgericht, zij wilde niet den schijn aannemen, dat zij zich over iets verwonderde. Aan de trap stond Thoren van Hagen, in zijn lange gekleede jas, veel meer op een bruidegom gelijkend dan de jongen in zijn fantasiepak achter haar; hij hield een bouquet melati’s en witte rozen in de hand, dat hij het bruidje aanbood.
»Die bloemen groeten de dochter van mijn hooggeachten vriend op haar hoogtijdsdag,” sprak hij ernstig.
Hermelijn zag hem dankbaar aan en de tranen sprongen haar in de oogen; het eenige bewijs van belangstelling, dat zij ontving, werd haar thans uit naam van haar vader geboden, en zij wilde er gaarne een goed voorteeken in zien.
Met meer moed nam zij thans naast haar schoonvader plaats, de andere vier—er was nog een broer of zwager bijgekomen, en ook Thoren van Hagen reed mede, als getuige—zaten in het tweede rijtuig; in de stille, lieve kerk voelde Hermelijn zich diep bewogen; zij boog het hoofd en bad oprecht en vurig om kracht, ten einde een goed, trouw echtgenoot te mogen zijn voor den jongen man, die naast haar knielde en die geen oogenblik vriendelijker zag, zelfs niet toen zij de handen in elkander legden en God tot getuige namen van den bond, dien zij voor het leven hadden gesloten.
Nog geen uur later reed de ruime reiswagen den weg op naar Oenarang; altijd zat Hermelijn naast den ouden heer, op het middelbankje werden Thoren van Hagen en Van Akkeveen, de zwager, neergezet, op de voorbank tusschen een koffer en een mand nestelden zich de beide broeders, waarvan niemand meer de stem hoorde en tusschen wie het waarlijk moeilijk zou gevallen zijn den bruidegom te zoeken.
De drie andere heeren hadden een druk gesprek; maar Hermelijn nam er geen deel aan; zij vond haar toestand allertreurigst; als Conrad tenminste met een blik of een handdruk haar moed had ingeboezemd, maar neen, hij bekommerde zich even weinig om haar als August. Akkeveen, die zijn wereld scheen te kennen, ofschoon zijn bleekgeel papperig, dik gelaat en gezette gestalte lang geen aangenaam uiterlijk vormden, had dikwijls beproefd met haar een gesprek te beginnen maar het praten was haar te veel, zij was moe, dood moede.
De avond was intusschen gevallen, de reiswagen vloog er goed door, de loopers met brandende fakkels draafden bijna gedurig even hard als de vier paarden, hijgend naast het gevaarte; om de vijf palen kondigden lichten een post aan, waar het vierspan moest verwisseld worden; daar stond het rijtuig even stil om dan met nieuwe kracht weer het gebergte te doorvliegen.
Een heerlijke sterrenhemel welfde zich boven hen; bij dat schemerende schijnsel onderscheidde Hermine bosschen en ravijnen, vlakten en bergen, hier en daar een flikkerend licht, maar overigens niets dan de trotsche eenzaamheid der onverstoorbare natuur.
Huiverend en met gesloten oogen leunde zij achterover, de stemmen van de sprekende reizigers klonken haar onnatuurlijk en vreemd toe; op haar schoot lagen nog de melati’s van het bruidsbouquet, dat de vriend harer jeugd haar had aangeboden, die frissche geur bedwelmde haar min of meer. Akelige beelden traden voor den geest, ’t was of zij alleen, geheel alleen een vreemde wereld betrad, of niets meer haar zou ontmoeten, dat aan het verledene herinnerde, of zij er verlaten en eenzaam zou wezen, of geen vriendenhand ooit de hare meer mocht drukken, of zij nooit meer zou leunen op een sterkeren arm, of alles, alles haar begaf en zij voortaan doelloos een onbekenden weg moest gaan.
Dan sloeg zij de oogen op en trachtte haar man te onderscheiden, maar het voorbankje was zoo ver weg; waarom was hij daar gaan zitten, of liever, welke overdreven beleefdheid van haar schoonvader haar de eereplaats naast hem te geven, hoeveel liever had zij daar in August’s plaats gezeten, doch zekere schroom hield haar terug. Geen woord, geen blik van Conrad had haar welkom geheeten, zou hij wel verheugd zijn haar te zien en zij herinnerde zich zijn brieven, die zij zoo dikwijls had overgelezen, de geschenken, die hij haar had toegezonden. Dat was toch geen droom, maar zij smachtte naar een tastbaar bewijs, dat het waarheid was, dat zijn oog, zijn hand, zijn kus bezegelde wat zijn pen geschreven had. O konden zij maar een oogenblik alleen zijn, dan zou hij alles goed maken. En dan dacht zij er bevend aan, hoeveel ongelukkiger en eenzamer zij zou wezen als zij die bekende stem van Thoren van Hagen niet hoorde; als zij daarin geen band had gevonden, die haar aan Holland, aan haar vader hechtte.
Wanneer de loopers in hun onvermoeide haast met hun flambouwen langs de open portieren snelden, wierpen zij plotseling op de reizigers een roodachtig licht, dat even gloeide in de gitzwarte kijkers van Conrad, die altijd even barsch en strak voor zich uitstaarden, op het slapende gezicht van August, die tegen den koffer aanleunde, op den witten knevel van haar schoonvader en het grijze jasje van Akkeveen, maar dan ook op de edele, fijn besneden trekken van Iwan, wiens oog steeds beschermend op haar rustte.
Aan een der posten was de oude heer uitgestapt, en ook Conrad had, vlug als een eekhoorn, zich over beenen en pakken een weg gebaand en stond nu naar het verspannen der paarden te zien.
»Zijn we er haast?” vroeg Hermelijn rillend.
»Heb je het koud?” vroeg Thoren belangstellend: »de lucht in het gebergte is frisch en kil; doe je sortie om,” en hij nam den granatendoek, die ergens op een der koffers lag, reikte haar dien over, en toen hij zag, dat het haar moeilijk viel zich daarin te wikkelen, stond hij op en hielp haar.
»’t Zal nog een drietal posten aanhouden, zoowat drie en een half uur,” antwoordde Akkeveen. »Hoe bevalt u het reizen in Indië, Hermine?”
»Uitstekend.”
»Ik hoop dat de verwantschap met de Gérans u ook zoo goed zal bevallen. Men moet er zich in leeren schikken” zeide hij op hoogwijzen toon.
»Men schikt zich in alles,” antwoordde zij dof en zag naar buiten.
Conrad had onafgebroken naar binnen gestaard; het weifelend licht der flambouwen en der olielampen van de afspanning wierp zijn weifelende weerglanzen op het matbleeke gelaat van zijn jonge vrouw, dat tegen den donkeren achtergrond rein en wit uitkwam als een marmeren beeld; met toornige oogen had hij Thoren’s bereidwilligheid om haar te helpen gezien en den glimlach, waarmee zij hem bedankte.
Nu zij hem scheen te zoeken, keerde hij zich snel om en keek naar een arme bedelares, die met haar kind op den arm aalmoezen vroeg en sprak haar in het Javaansch toe.
»Een malle vent,” zei Akkeveen lachend het hoofd schuddend tot Thoren, en fluisterde »het zit in de familie. Een wonderlijke pan menschen.”
Hermine verstond de woorden niet, maar raadde den zin; zij voelde, als instinktmatig, dat zij vóór een afscheid stond, het zwaarste, dat een jong, liefhebbend gemoed kan nemen, dat van haar liefste illusiën. Bij den volgenden post, was het aan Thoren van Hagen en Akkeveen om zich even buiten te vertreden.
»Ik begrijp er niets van,” zeide Thoren. »Mijn God, wat een toekomst gaat dat kind tegemoet!”
»U kent haar van vroeger.”
»Ja en ik stel groot belang in haar.”
»Och, die man, of liever die jongen, heeft nog ’t meeste karakter van de heele troep. ’t Zijn anders alle poppen, die beven en sidderen op een wenk van den vader of de zuster. Ik heb moeite genoeg gehad er mij aan te wennen, maar nu gaat het goed. Mijn vrouw is een best schepsel, dat me niets in den weg legt, ik haar ook niet; als we maar weten te schipperen buiten de groote Cor om, die me alles behalve genegen is en ’t mij ook laat voelen, dan gaat het nogal!”
»En wat denkt u dan van Hermine’s toekomst?”
»’t Zal wel losloopen; ze zullen eens in mekaar passen! Ik zal ’t je later uitvoerig vertellen, er is een heele historie aan verbonden. Och zie je, ik was ’t van huis niet zoo bijzonder gewend, ik ben als onderwijzer uitgekomen, werd gouverneur bij de Géran’s en raakte toen min of meer verliefd op Dolly. Of zij ’t ooit op mij was, weet ik niet, maar de oude heer en de groote Cor vonden mij geschikt om in hun kader te worden opgenomen, en vóór wij ’t recht wisten, waren wij getrouwd, en ons huwelijk is niet ongelukkig.”
»Maar niet ieder schikt zich zoo spoedig, er zijn karakters, die...”
»Kom, wat is een karakter anders dan ballast; niets beter dan zich te plooien en te buigen; er zijn ijzeren en aarden potten. Nu, als de aarden potten zich willen meten met de ijzeren, dan gaan ze stuk, het beste is dus maar ze stil hun gang te laten gaan in afwachting dat men zelf voor ijzer kan spelen en het de anderen eveneens laat voelen.”
»Mooie theorieën, recht verkwikkelijk voor een twintigjarig bruidje.”
»Ik zal haar bij gelegenheid op de hoogte brengen; mijn zwager Portias, een idealist, en een wijsgeer op zijn tijd, heeft de in Ngaroengan opgedane wijze ondervindingen verzameld; hij spreekt er van ze uit te geven, bij wijze van handleiding voor degenen, die plan hebben, zich te doen opnemen in de familie de Géran. ’t Is een verdienstelijk werk. Hun getal zal fameus groot worden, want de kolonie breidt zich hoe langer hoe meer uit.”
»’t Doet me genoegen haar op mijn omzwervingen te hebben aangetroffen, meer dan dat ik de dochter van mijn vaderlijken vriend reeds in haar midden opgenomen vind. Daar komt de bruidegom ook aan! Mijnheer de Géran, ik moet u nogmaals hartelijk gelukwenschen met de aankomst van uwe jonge vrouw. U was straks zoo gauw verdwenen....”
»U behoeft mij niet te feliciteeren,” was het korte, gemelijke antwoord. »Als u iemand feliciteeren wil, dan moet u papa en de rest gelukwenschen. Ik heb geen geluk noodig.”
»Maar ’t komt tot u in den vorm van een welopgevoede, mooie vrouw.”
Hij keerde zich zonder plichtplegingen om en wendde den beiden sprekers zijn rug toe.
»Een ongelikte beer,” sprak Thoren half lachend, half ongerust »maar er is iets in zijn manier van doen, dat mij bevalt.”
»Ik heb ’t u gezegd, hij is misschien de beste van den heelen rommel. Ik verzeker u dat het moeite heeft gekost.”
»Om het huwelijk tot stand te brengen?”
»Stil, de oude heer roept ons, de paarden zijn ingespannen.”
VIII.
»Zie eens Hermine!” riep van Akkeveen plotseling, toen zij de laatste afspanning achter zich hadden.
»Wat is er?” vroeg zij, zich verschrikt opheffend, want zij was juist even ingesluimerd zonder het zelf te weten.
»U wordt begroet op het grondgebied van Ngaroengan.”
Drie, vier luchtpijlen stegen in de duisternis op en lieten een regen van bont gekleurde sterren na, die tusschen de groote constellatiën aan den donkeren hemel een oogenblik flikkerden om dadelijk weer te verdwijnen.
»Dan heeft Cor toch de boel in beweging gebracht,” zei de oude heer ontevreden.
»Natuurlijk papa!” antwoordde van Akkeveen spottend. »U zal nog wel wat anders zien, alle kampongs zijn in rep en roer.”
Werkelijk hoorde Hermelijn een verward gedruisch van Javaansche muziekinstrumenten, dat zelfs het gerol van de wielen overstemde.
»Is dat voor ons?” vroeg zij verbaasd.
»Ja zeker, voor u en voor dien akeligen Sinjo, die daar in den hoek zit en niets van al dat spektakel verdient,” sprak haar schoonvader met verbeten toorn, die nu eindelijk zich lucht gaf.
Hermine werd ijskoud, zij voelde zich vernederd en beschaamd in den persoon van Conrad. Een onbestemde vrees voor verschrikkelijke dingen verlamde haar spraak en deed haar huiverend ineenkrimpen.
»’t Liefst had zij zich thans aan Thoren geklampt en hem gesmeekt:
»Niet verder, neem mij mee! Ik vertrouw u alleen, Iwan! Ik ben zoo bang voor al die zonderlinge menschen.”
Maar reeds dadelijk verweet zij zich die gedachte als een zonde tegen haar man, als een beleediging hem aangedaan; hij zou haar steunen, zoodra zij hem slechts beter begreep; zij overwon den aanval van echt vrouwelijken angst, die haar had bevangen en staarde naar buiten.
Overal brandden lichten, overal waren vreugdevuren ontstoken ter eere van de jonge bruid, die haar intrede kwam doen en die den bruidegom nog steeds aan haar zijde miste.
Conrad had nu eindelijk zijn oogen gesloten en leunde achterover; zijn hand hield hij gebald als in machtelooze woede, zijn trillende lippen perste hij samen als om de bittere woorden te onderdrukken, waarmede hij zoo gaarne den uitval zijns vaders had beantwoord.
August richtte zich op, wreef zijn oogen uit en zeide alleen:
»Nu bijna. Ik hoor al de doeng-doeng!” [5]
»En ik de breng-breng,” merkte Akkeveen lachend op, »zusje Hermine, u is muzikaal heb ik gehoord, wat zal u genieten bij dat concert, waarnaast de Grenadiers in de schaduw verzinken.”
»’t Maakt toch een heerlijk effect.”
»Getemperd door den afstand en de geheimzinnige muziek van een tropischen nacht,” zeide Thoren, »ik ben u zeer dankbaar, mijnheer de Géran, dat u mij in de gelegenheid heeft gesteld tot het bijwonen van zulk een echt Indisch feest.”
»Daar was het toch niet om, Thoren,” was ’t antwoord, dat aan oprechtheid niets te wenschen overliet; »ik wist er niets van dat mijn dochter die komedie had gearrangeerd. Enfin, ze houdt van zulke dingen.”
»’t Bewijst voor juffrouw de Géran’s poëtische neigingen.”
Akkeveen grinnikte van pret; August zelfs deed iets hooren, dat eenigszins op een lach geleek, de slaap had hem blijkbaar wakker achtergelaten. Conrad stopte zijn ooren toe als een bewijs dat hij niets wilde hooren.
»Wat zijn de bloemen spoedig verflenst,” zeide Hermine met een zucht.
»Geef hier, ik zal ze wegwerpen,” vroeg Thoren, »een bruid mag haar blijde intrede niet doen met verwelkte bloemen.”
»Neen, laat ze mij houden, ten wille van hem, wiens naam je bij het overreiken hebt genoemd,” fluisterde zij met vochtigen blik.
»En als een herinnering aan de onbeleefdheid van uw bruidegom,” beet de oude heer haar spijtig toe.
Zonder een woord te zeggen, wierp Hermelijn het bouquet ’t raampje uit.
Even opende Conrad zijn groote oogen maar sloot ze weer en alleen August hoorde hem zacht kreunen.
»Allah, allah!”
»Diam,” zeide hij op een soort van troostenden toon goedig en medelijdend, »toch tra boleh boeat!” [6]
Niemand, die dat groote rijtuig, schijnbaar vroolijk en opgewekt, den weg zag overvliegen, terwijl links en rechts vuurpijlen opstegen en de muziekinstrumenten hun groet brachten, kon vermoeden hoeveel daar binnen geleden werd.
De weg ging nu langzaam stijgend, want het landhuis van de Gérans lag op de helling van een berg; sterke balsemgeuren vervulden de lucht en stegen Hermelijn naar het hoofd.
»Dat zijn de bloeiende koffiebosschen,” sprak Akkeveen, »zie nu daar tegen dien berg op, Hermine!”
Een roodachtig licht, gloeiend als een ontzaggelijke brand, spreidde zijn schijnsel in de donkere massa uit, de palmboomen schenen gloeiende pluimen; een keten van gouden kralen gelijk, kronkelde een rij lichten zich langs de helling omhoog als om den weg te wijzen naar die groote glinsterende lichtbron.
»Cor heeft alles grootsch gedaan,” zei Akkeveen en August scheen geen rust meer te hebben, hij wrong zich naar het portier en stak zijn hoofd naar buiten.
»Daar is Portias!” riep hij uit.
Een ruiter kwam hen tegemoet, aan het hoofd van een soort eerewacht, bestaande uit Javanen op hun kleine, vurige met roode linten en kleurige schabrakken opgesierde paarden; allen hielden brandende toortsen in de hand, die zij bij wijze van welkomstgroet hoog boven het hoofd zwaaiden.
Er scheen plan te zijn een aanspraak te houden maar de heer de Géran gaf bevel voort te rijden.
»Ga door, ga door! Ik heb haast om met die ellendige komedie gedaan te maken,” zeide hij.
Nu reed de eerewacht langs beide zijden van het rijtuig, dat thans slechts stapvoets de helling kon opkomen; de muziek werd hoe langer hoe levendiger en minder harmonisch; anklong, rebab, gambang en gamelang vereenigden hun onsamenhangende klanken in een concert, dat de dieren van het woud zeker deed wakker schrikken; er werd geschoten en gevuurd, en de echo’s uit het gebergte weerkaatsten het feestgejuich honderden malen.