Hermelijn

Part 37

Chapter 374,090 wordsPublic domain

Hermelijn schelde.

»’t Is gemakkelijk te onderzoeken, ik zal het vreemdelingenboek laten komen.”

Inderdaad kwam daarin de naam voor van Thoren van Hagen, die er reeds eenige dagen logeerde.

»Geef me pen, papier en inkt,” verzocht Corona, »ik zal mijn best doen te schrijven.”

Haar rechterarm weigerde echter nog allen dienst en zij schreef met de linkerhand; telkens verscheurde zij het blaadje.

»Ik wist niet dat het zoo moeilijk was,” zuchtte zij, »ik kan den waren toon niet treffen.”

»En ik kan je niet helpen, al wilde ik ook,” sprak Hermelijn.

Eindelijk had zij iets neergekrabbeld in groote, wankelende letters geheel verschillend van haar vroeger fraai, duidelijk, bijna mannelijk schrift.

»Iwan,” stond er, »ik schrijf u met mijn linkerhand, de rechter, die u zoo beleedigde is zwaar gestraft voor haar misdrijf. Gij hadt dien morgen ten volle gelijk, ik heb het geleerd tot mijn ongeluk. Kunt ge mij vergeven?

»Ik zou willen dat ge mij toestondt voor u en uw vrouw een oprechte, trouwe vriendin te zijn.

Corona.”

»Hermelijn,” vroeg ze thans, »wilt ge mij nog een dienst bewijzen, den laatsten voor ge mij verlaat?”

»Je weet, daarvoor ben ik hier,” antwoordde zij op haar gewone luchtige en toch hartelijke manier.

»Breng Iwan persoonlijk den brief, en als hij onverzoenlijk mocht blijven, zeg dan een woord te mijner gunste.”

»Ik zal er voor zorgen, Corona, en neem nu wat rust. Je bent overspannen.”

»Als ik zijn antwoord heb, dan zal ik rusten, eerder niet.”

Hermelijn kleedde haar Leni aan en zond toen een boodschap aan den portier om aan mijnheer Thoren van Hagen te zeggen dat zij hem in den loop van den dag wenschte te spreken.

»Waar zal ik hem ontvangen?” vroeg zij Corona.

»Hier naast in het salon. Ik blijf hier.”

»Om alles af te luisteren.”

»Meen je dat ik stil zou kunnen wachten terwijl mijn toekomstige zielsvrede beslist wordt?”

De portier liet zeggen, dat mijnheer uit was gegaan, doch zoodra hij terug was, zou hij de boodschap overbrengen.

Eenige uren verliepen, die Corona in de grootste spanning doorbracht.

»Je ziet toch,” zeide zij aan haar zuster, »hoeveel mij aan zijn vergeving alleen gelegen is, nu zelfs, nu het geheel onmogelijk is iets meer te hopen.”

Eindelijk werd er gewaarschuwd, dat mijnheer Thoren van Hagen dadelijk zou komen; Corona ging in de slaapkamer terug en Hermelijn wachtte met haar kind op den arm den bezoeker af.

Met zijn gewone losheid van beweging trad Iwan binnen.

»Ik wist niet, dat je hier logeerde, Hermelijn,” zoo begon hij, »anders had ik je stellig een bezoek gebracht. Is dat je kleine, een allerliefst ding, precies Conrad.”

Hij nam Leni in de armen en was dadelijk op een goeden voet met haar; niets geschikter bij gesprekken, die moeilijk te beginnen en nog moeilijker vol te houden zijn dan een kind, dat altijd gelegenheid geeft tot het vullen der onvermijdelijke gapingen in het onderhoud en aanleiding wordt tot het maken van opmerkingen en zelfs tot het loslaten van eenige scherts, maar vooral tot het uitstellen van het beslissende woord.

»Een aardig diertje, niets eenkennig.”

»Anders is ze het wel. Vind je werkelijk dat ze op haar vader gelijkt?”

»Sprekend, een echte kleine Géran!”

»Een mooi compliment.”

»Zeker, ’t is een knap volk; die arme Dolly, wat heeft het bericht van haar dood me getroffen.”

»En Akkeveen is reeds geëngageerd.”

»Meer te begrijpen dan te prijzen, in hem althans. Heb je niet veel last van haar op reis gehad?”

»’t Schikt nog al; zij was zoo erg lastig niet, Corona overigens nog minder, ondanks haar hulpeloosheid, och! ’t is me erg meegevallen, ik zag er zoo tegen op.”

»Weinigen zouden het je hebben nagedaan!”

»Dat geloof ik toch wel, er was niets anders op. Geef me de kleine, Iwan, ik zal haar aan de baboe toevertrouwen.

»Waarom, ze hindert mij niet.”

»Maar mij wel, je begrijpt toch, dat ik je niet heb laten roepen om voor speelkameraad van nonnie Leni dienst te doen.”

Iwan lachte maar het ging hem niet van harte; Hermelijn bemerkte duidelijk dat hij ondanks al zijn pogingen om een tegenovergestelden indruk te maken iets gedwongens had in zijn geheele optreden, dat hem anders geheel vreemd was.

Hermelijn riep de baboe en zond haar dochtertje de kamer uit en zette zich toen tegenover Iwan neer.

»Nu mijn opdracht,” zoo begon zij.

»Dat klinkt plechtig,” zeide hij spottend.

»Wist je waarlijk niet, dat wij hier logeerden voor dat je mijn boodschap ontving? Heb je haar niet gezien van morgen?”

»Wie, die ziekelijke dame in de gang? Was zij dat? Werkelijk, Hermelijn, ik herkende haar niet, want ik zag haar niet aan.”

»Zij verzocht mij je dit briefje te geven.”

Zijn sterke handen beefden zichtbaar toen hij het toegevouwen papier aannam en op de misvormde letters staarde; zijn wenkbrauwen fronsten zich terwijl hij las en nog eens las; een spottende glimlach speelde even om zijn lippen maar verdween dadelijk weer.

’t Was Hermelijn of zij het kloppen van Corona’s hart en polsen in de aangrenzende kamer hoorde, zoo geheel dacht zij zich in haar toestand.

»Ik kan ’t niet,” zeide hij met doffe stem en stond op, »ik kan ’t nog niet vergeten.”

»En ook niet vergeven, Iwan?”

»Dat is hetzelfde. Je begrijpt niet, Hermine, wat ze voor mij geweest is. Toen ik in Indië aankwam, had ik geleefd alleen voor mijn genoegen; ik zocht nieuwe indrukken, altijd nieuwe indrukken, daar ontving ik er een, den machtigsten, die me ooit gewerd. Ik zag haar staan als de koningin van den nacht, of wat zij mij al te binnen bracht toen ze daar stond tusschen de bloemen en het licht om je te ontvangen. Van dat oogenblik kende ik maar één levensdoel; zij moest me leeren beminnen. Ge herinnert je, hoe alles zich heeft toegedragen, zij kreeg me lief, te lief meende ik dikwijls. Ik was bevreesd die groote liefde niet waardig te blijven en daarom moest ik mijzelf beter maken; daar liefde alleen mijn ziel niet kon vervullen, wilde ik mijn arbeid aan haar dienstbaar maken. Toen zag ik eerst wat mijn leven kon worden, met en door haar, toen leerde ik haar eerst beminnen, zooals zij bemind moet worden, niet met een blinde, afgodische vereering, maar met een liefde, die steunt, die raadt, die onveranderlijk blijft, ik moest mijzelf beter maken om haar meerdere te blijven en eindelijk zag ik de toekomst hoopvol in. Ik voelde dat ik niet meer alleen was, dat ik met mijn schoone vrouw een vader, een gezin zou terug vinden, ik was zoo gelukkig totdat die brief alles vernietigde.”

»Vreeselijk!”

»Wel vreeselijk! Maar het vreeselijkste volgde, ik beminde Corona met al haar gebreken, ik zou haar de onkiesche daad, waarvan je, zoo ’t heette, haar beschuldigdet, gaarne vergeven, maar ik moest een waarborg hebben voor de toekomst. Zij koos tusschen mij en haar booze raadgeefster. Je weet op welke wijze.”

Hij drukte de hand op zijn gelaat als wilde hij den gloed van het schandmerk verkoelen.

»Zij heeft bitter gedwaald, maar nog bitterder gerouwd. Zij is zoo veranderd, Iwan, zij is dezelfde niet meer!”

»Omdat zij zwak, en ziekelijk, en hulpeloos is? Denk je dat ik eenige waarde aan zulke bekeeringen hecht?”

»Haar geest is veranderd, haar karakter is gesterkt. Wie kan er beter over oordeelen dan ik, die dag en nacht met haar ben? Eén ding ontbreekt haar alleen, om haar gemoedsrust te herwinnen, de zekerheid dat gij haar vergeven hebt.”

»Ik begrijp niet, welk belang haar dit inboezemt.”

»Rechtstreeks niets. Was je niet getrouwd, zij zou je die vergeving niet hebben gevraagd.”

»En waarom niet?” vroeg hij spottend.

»Omdat het voor de hand ligt, dat je haar stap zoudt toeschrijven aan haar wensch om voor je dezelfde te worden als vroeger.”

»Vindt ze het dan beneden haar, de vrouw te worden van hem dien zij schandvlekte?”

Hermelijn leed voor de arme, die alles hoorde, tranen sprongen haar in de oogen.

»Je bent wreed, onbarmhartig, Iwan,” zeide zij streng.

»Ik ben alleen ongelukkig.”

»Zelfs nu je over je leven hebt beschikt? Hoe ongelukkig moet zij dan niet wezen, zij die zooveel verloor, die verlaten werd door haar familie, die met haar vader haar natuurlijken steun zoo mist, die verminkt werd tot belooning van een heldhaftige daad. Maar zij heeft zich boven haar smart weten te verheffen, zij is een andere, een betere geworden en je hebt alleen in zelfzucht je troost gezocht; je wilt niet gelukkig zijn omdat je alleen in wrok en toorn aan het verleden denkt en een hulpelooze vloekt. Ik weet niets van je huwelijk, maar dit begrijp ik alleen, je eigen stemming belet je gelukkig te zijn. Eerst als je vergeven hebt, kan je vrede vinden.”

Hij wendde zich van haar af en ging aan het raam staan.

Hermelijn volgde hem.

»Wij hebben ook vergeven, Iwan,” fluisterde zij hem toe, »hadden Conrad en ik haar niet meer te vergeven dan een slag in drift toegebracht?”

»Ik ben zoo edelmoedig niet,” antwoordde hij barsch, »en je hebt haar niet lief gehad zooals ik...”

»Een reden te meer om haar te vergeven nu die liefde een zonde voor je beiden zou zijn, en je haar vergeten moet. Maar ’t is niet zoo, je hebt haar nooit liefgehad. Weet je nog hoe ik je waarschuwde? Je liefde was slechts zucht naar het onbereikbare.”

»Thans niet meer.”

»Dan moet je vergeven. Ware liefde denkt geen kwaad. Wat zal ik haar zeggen, Iwan?”

»Niets. Het ga haar wel! Als mijn wrok voorbij is kan ik vergeven, anders niet, en wat beteekent een woord, dat het hart niet uitspreekt... Of neen, zeg haar dat ik haar bemin meer dan ooit!”

»En haar vergeeft?”

De deur werd zacht, schier onhoorbaar, geopend; hij stond met het gelaat nog steeds tegen het vensterglas gedrukt en zag niet om; Corona trad binnen, wankelend, met de linkerhand een steun zoekend.

»Iwan,” riep zij zacht.

Als door een electrischen schok gedreven, wendde hij zich om; en zag haar voor hem staan, in het lange slepende zwarte huiskleed, door geen kleur verhelderd; een doek van spaansche kant viel van haar donkere lokken langs haar vermagerde trekken af; zij was nog schoon, maar van een geheel andere schoonheid dan vroeger.

Smart en nadenken hadden de uitdrukking van haar trotsche oogen verzacht, om haar lippen lag een trek van stillen weemoed, haar blik rustte op hem met een stomme bede van vergiffenis.

»Corona,” riep hij plotseling en snelde toe; alles, alles was vergeten toen hij haar zag; hij wist nu alleen dat zijne liefde groot genoeg was ook om te vergeten; hij sloeg zijn arm om haar heen en drukte haar aan zijn borst.

»Mijn arme Corona! hoe kan ik zoo laf zijn, nog wrok tegen je te koesteren! Ik heb je terug! ’t Is genoeg!”

»Je vergeeft me, Iwan, ik dank je!”

Zij wilde zich losmaken uit zijne omarming maar hij leidde haar naar de sofa en zette zich naast haar neer.

»Er is geen sprake van vergeven. Ik laat je niet weer los, nu ik je gevonden heb, nooit meer, nooit,” fluisterde hij haar hartstochtelijk toe.

»En je vrouw?” was haar zachte vraag.

Hij hoorde niet en zag haar diep in de oogen en greep haar machtelooze hand, die hij aan de lippen drukte.

Zij waren alleen, Hermelijn had hen verlaten, zoodra zij zag dat het ijs gebroken was.

»Zie me aan, wend je niet van mij af! Ik ben dezelfde nog, ik kan niet meer toornig op je zijn, mijn kroon, mijn lieveling! We hebben zooveel door mekaar geleden, nu is alles voorbij, alles!”

»Maar Iwan!”

»En wanneer word je voor goed mijn bruid? Vandaag nog?”

»Iwan,” riep zij ontzet. »Is ’t dan niet waar?”

»Wat is niet waar?”

»Je huwelijk!”

»Mijn huwelijk? O ja, Hermelijn heeft dat gefantaseerd! en ik liet haar in die verbeelding, ik ben niet getrouwd!”

»Niet getrouwd?”

Zij herhaalde het langzaam, woord voor woord:

»Niet getrouwd! Kan ik nog geluk hopen! O Iwan, bedrieg mij niet, ik heb zooveel, zoo bitter geleden.”

Toen verborg zij het hoofd aan zijn borst en snikte het uit.

»Die gedachte is zoo bedwelmend, gelukkig worden met jou! O Iwan, mijn leven lang zal ik alles aan je goedmaken. Laat mij die striem uitwisschen!”

En zij legde haar handen op zijn gelaat en drukte haar lippen op de plek door haar slag verwond.

»Gloeit ze nog?” vroeg zij.

»Niet meer!” fluisterde hij haar toe, »we zijn wijzer dan dien morgen in het rozenparadijs. Wij kunnen ons leven op nieuw beginnen, nu er geen scheidsmuur tusschen ons oprijst. Wil je morgen reeds mijn bruid worden?”

»Is ’t je ernst, Iwan? Zie mij aan, ik ben dezelfde niet meer, ik ben zwak en ziekelijk.”

»Ik zal je steunen, ik zal je sterken, dat is voortaan mijn levenstaak. Vertrouw je op mijn liefde?”

»En op alles wat van je komt! O Iwan, wat ben ik dwaas geweest.... maar laat ons nu Hermelijn roepen, ik dank alles aan haar.”

»Ze is weg!”

»Nog één woord, nog één bekentenis heb ik je te doen; kom hier, Iwan, weet je waardoor alles ontstaan is, mijn dwaze toorn, mijn eigenzinnigheid? Iteko heeft wel het vuur aangewakkerd, maar de vonk was er toch. Ik heb altijd gemeend dat je eigenlijk Hermelijn liefhad... dat je mij ten huwelijk vroeg om in haar nabijheid te kunnen blijven.”

»Stout kind! Voor hoe slecht moest je den man aanzien, wien je toch je leven wilde toevertrouwen. De dochter van mijn vaderlijken vriend, de vrouw van een mijner gastheeren zou ik iets anders dan een broederlijke genegenheid toedragen? En ook Conrad was jaloersch...”

»En bij hen is die argwaan oorzaak geworden van hun geluk maar bij ons .... O Iwan, ik beloof je vertrouwen, volledig vertrouwen altijd en overal!”

»Dat ik steeds zal trachten te verdienen!”

Hij drukte haar ernstig de hand en in dien handdruk lag een belofte zoo plechtig als stonden zij reeds voor het altaar.

»Hen, die mij thans ’t liefst op aarde zijn heb ik het meest gewantrouwd... Hoe verdien ik nog mijn geluk... Ga nu en roep haar!”

Iwan ging in de aangrenzende kamer maar daar was niemand; op de gang echter stond Hermelijn en zag hem eenigszins bezorgd aan; zij vreesde zeker dat de verzoening te ver zou gaan.

»Kom maar binnen, zusje,” verzocht hij, »ik heb je raad gevolgd. Vergeven is zoet, vergeven schenkt alleen vrede.”

Zij zag hem in de stralende oogen en volgde hem bezorgd en besluiteloos.

»Hermelijn,” sprak Corona toen zij binnentrad, »je hebt mijn smart gedeeld, deel nu mijn vreugde. Alles is goed tusschen ons, we beginnen het leven op nieuw.”

»En zijn vrouw?”

»Die leeft nog maar alleen in je verbeelding, maar ik hoop er spoedig werkelijk een te bezitten; morgen zal ik een bruid rijk wezen!” antwoordde Iwan bijna juichend.

»Maar ik begrijp het niet! Heb je mijzelf niet gezegd dat je werkelijk getrouwd waart?”

»Gezegd heb ik het niet! Ik zeide alleen op je vraag hoe ’t met mijn leven stond; dat ik op weg was boer te worden, maar daarvoor het noodig achtte te trouwen. Noodig was het ook, maar ik kon er niet toe komen.”

»En ik zei daarop: Je hebt het natuurlijk gedaan, toen spraken we over iets anders en aan je vinger zag ik een trouwring.”

»Die mijns vaders!”

»In elk geval is het zoo veel beter! Liefste Corona, wat ben ik blijde.”

»En beklaag je hem niet, dat hij nu een vrouw uit medelijden neemt?”

»Neen, de Corona van heden is meer, veel meer waard, dan de andere die eens zijn geest betooverde. Ik kan nu eerst uit het volle van mijn hart Iwan geluk wenschen!”

»Ik ga je aflossen, Hermelijn! Wat is een mensch toch weinig meester van zijn lot, wie had het mij voorspeld toen ik deze kamer binnentrad, dat ik weinige oogenblikken later zulk een besluit zou nemen. Ik kende geen middenweg tusschen haat of liefde. Je hand drukken, koele woorden van verzoening en zelfs vriendschap wisselen, ’t ware mij onmogelijk. Alles vergeten, alles op nieuw beginnen, dat zou ik kunnen misschien. Toen Hermelijn mijn grief onder woorden bracht, en toen ik je terug zag, toen eerst voelde ik dat niets die groote, die innige liefde in mijn hart kon uitdooven, dat ik je liever had dan ooit, zelfs toen ik meende je te haten!”

»En mijn kleine Leni gaat terug naar haar lief klein paatje, nu eerst vertrek ik met een gerust hart; Corona, nu word ik door een betere vervangen,” zeide Hermelijn.

LX.

Het waren dagen van onvermengde zaligheid en geluk, die nu voor Iwan en Corona aanbraken; zij namen hun liefdesroman op, van de plaats, waar zij dien neergelegd hadden. Vluchtig gingen zij over het oogenblik heen, toen het verhaal zoo plotseling afgebroken was; het geluk was de beste geneesheer voor Corona, zij wilde sterk worden, zij wilde Iwan iets beters gunnen dan een gebrekkige vrouw en zoo ging haar gezondheid snel vooruit.

Zelfs haar arm leerde zij gebruiken, daar hij het verlangde; Iwan waardeerde nu ook beter haar liefde, hij zelf was wijzer geworden en begreep dat haar karakter, hoe ook veranderd, geleid moest worden door zachtheid en geduld; Hermelijn had er den weg toe gevonden, hij wilde haar werk in alle opzichten voortzetten en besloot in de eerste plaats te trachten werkelijk haar meerdere te worden om voortdurend niet alleen haar liefde maar ook haar achting waardig te blijven.

Zoo gingen zij het huwelijk tegemoet, als menschen, die de lessen van de hardste leermeesteres, de smart, ontvangen hebben en er hun voordeel mee wisten te doen; zij hadden geleerd dat, daar waar de natuurlijke neiging van het hart te kort schiet om het goede te verrichten, de stem van den plicht moet gehoorzaamd worden, die den rechten weg aanduidt; zij zochten het geluk van elkander op ieders wijze te bevorderen; zij, door naar hem op te zien als naar een veiligen leidsman, hij, door dat vertrouwen te blijven verdienen.

Zijn vroolijkheid vulde aan wat aan de hare ontbrak; haar geluk toch werd getemperd door de herinnering aan het verledene; de gelukkige tijden van haar eerste engagement herleefden telkens in haar geest; zij dacht aan haar vader, aan de arme Dolly, aan haar zwakheid tegenover Iteko; hij daarentegen voelde zich trotsch op de overwinning, die hij op zichzelf had behaald, toen hij haar vergaf en vertrouwde op de toekomst, die nog zooveel herstellen kon.

»Maar vertel me nu iets over je wedervaren in dien tijd,” zoo verzocht hem Corona eens, terwijl Hermelijn hen gezelschap hield aan de theetafel, »heeft niemand mijn plaats bij je bekleed?”

»Wel stellig, ik ben geëngageerd geweest, Hermelijn had bijna gelijk: het scheelde maar een haar of ik zou nu getrouwd zijn. Zal ik je de geschiedenis vertellen?”

Op Corona’s voorhoofd dreef een wolkje, maar zij knikte van »ja.”

»Nu dan, ik kwam in mijn Hollandsch huis terug, zooals mijn goede pleegmoeder Kaatje zeide »vleugellam.” Ik had genoeg van alles, ik had in niets moed.”

»Evenals ik!” fluisterde Corona.

»Ik moest toch een besluit nemen en toen dacht ik: Mijn leven lang deed ik alles, waarin ik lust had, nu ga ik voortaan doen, wat mij volstrekt niet aantrekt, dat is iets nieuws, misschien zal me dat genezen. En zoo besloot ik dan Limburgsche boer te worden en te trouwen met een meisje, dat klein, blond, zacht en onbeduidend was.”

»Je ideaal!”

»Het tegenbeeld! Ik vond ze spoedig, zij was weinig meer dan een boerenmeisje, het deerde me niet, ik vroeg haar ten huwelijk en denzelfden dag verscheurde ik met betraande oogen zeker portret.”

»Corona,” fluisterde hij haar toe, »als je wist hoe hard ’t mij viel ook van je beeld te scheiden,” en hardop ging hij voort, »we waren verloofd tot groote verwondering van iedereen, Mimi...”

»Heette ze Mimi?”

»Ja, Mimi werd benijd. Waarom, mag de hemel weten; ik begrijp niet, wat voor aantrekkelijks schuilen kan in de hoop op een hart, dat aan een ander toebehoort; ik had haar mijn liefde niet verklaard, alleen gevraagd of ze mijn vrouw wilde worden; het kind was en bleef bang voor mij en ik gevoelde mij in haar tegenwoordigheid zoo diep ongelukkig, zoo neergeslagen als nooit te voren, ik geloof dat de zes weken van ons engagement dubbel rekenen in mijn leven. Ik dacht slechts aan mijn Corona terwijl ik Mimi liefkoosde.”

»Zoo zou ’t mij ook gegaan zijn als ik met Alain de Géran geëngageerd was geraakt.”

»In dien tusschentijd stierf mijn vader; hij was dood in zijn stoel gevonden en zijn zaken verkeerden in een allertreurigsten toestand; de man was jaren lang om den tuin geleid door bedriegers van allerlei aard; ik had genoeg te doen om in dien chaos eenig licht te brengen en daardoor raakten mijn toekomstplannen op den achtergrond. Ik merkte spoedig dat Mimi niet tevreden was, dat haar illusiën niet vervuld werden; ik had mij gevleid dat zij mijn persoon lief had, die zoete hoop werd aan mijn ijdelheid spoedig ontnomen. Mimi had het alleraardigst gevonden, mevrouw Thoren van Hagen te worden, omdat het zoo deftig klonk en ze mooie japonnen zou kunnen dragen en dat men uren in het rond zou gaan spreken van het wit satijnen bruidstoilet van de meestersdochter, den man wilde zij er wel op den koop toe bij nemen. Gelukkig toen de keten mij ondragelijk zwaar werd, kwam ik tot de erkenning dat hij ook haar hevig drukte. Een kleinigheid bracht de uitbarsting teweeg, of liever de oplossing, een kalme, vreedzame oplossing die mij een schier ondragelijk juk van de schouders nam. Ik had in de laatste nachten niet meer geslapen, ’t was mij of ik vluchten moest ver van daar, en zoo mijn eerewoord tegenover een onervaren kind mij niet gebonden had, wie weet welk besluit ik genomen had. Nu was ik vrij, maar weer even eenzaam, even doelloos als voorheen; het boeren trok mij volstrekt niet aan en ik maakte plannen om weer de wereld in te trekken, Europa voorgoed te verlaten...”

»En nu?”

»Nu is het aan mijn bruid om te beslissen; ik ben Goddank niet vrij meer, ik leg mijn leven in Corona’s handen.”

»Iwan, ga met me mee naar Indië, help mij, in mijn vaders geest voort te leven, zijn plannen voort te zetten, orde te brengen in die verwarring.”

»Ik zal je eerste minister zijn, Corona, meer niet!”

»Wat ben ik blij om Conrad!” juichte Hermelijn, »de arme jongen staat nagenoeg alleen. Nu krijgt hij zeker een steun en een goeden ook!”

»En papa, die je reeds zoo lief had, verheugt er zich over,” zeide Corona diep ontroerd, »ik zal mijn best doen, spoedig sterk te worden, opdat ge je niet te veel over je vrouw behoeft te schamen, Iwan!”

»Die moed heeft, het nog eenmaal te wagen met zulk een windwijzer als ik ben geweest.... naar ik hoop! Maar eerst moet je meer van Europa zien, Corona, we gaan naar Italië en Zwitserland en dan volgen we zusje Hermelijn naar huis!”

Het was een stille plechtigheid, die van Iwan en Corona’s huwelijk. De bruid scheen nog zwak en leunde geheel op den sterken arm van haar bruidegom; zij droeg een eenvoudig maar smaakvol toilet van zwart kant, door geen diamant opgesierd; slechts een enkel takje natuurlijke oranjebloesems had Iwan op haar kleed gestoken; haar rechterhand kon moeilijk haar naam teekenen, toch stond zij er op, die te gebruiken. Iwan begreep waarom.

In haar oogen blonk de glans van een rein, edel geluk en hij zag met trots en zelfvoldoening neer op de schoone bruid, die hij na zooveel strijd en smart eindelijk gewonnen had.

»Iwan’s oogen lachen den geheelen dag,” zeide Hermelijn, die hen in het hotel bij een eenvoudig déjeuner opwachtte, maar ook haar geheele wezen lachte van vreugde bij het vooruitzicht dat zij reeds morgen Holland ging verlaten.

»Mijn taak is volbracht, ik ga gerust heen,” zeide zij bij het afscheid nemen, »tot wederziens!”

Het afscheid viel echter ook haar zwaarder dan zij dacht. Corona kon zich slechts met moeite van haar lieve, bezorgde gezellin wegrukken; gelukkig dat zij in haar man een troost vond, die tegen alle andere ruim opwoog.

Hermelijn vertrok met de Fransche mail, zij kwam met haar Leni en de bedienden behouden in Singapore aan; groot was haar verrassing toen zij geheel onverwacht Conrad voor zich zag staan.

Hij had zijn ongeduld naar vrouw en kind niet langer kunnen bedwingen, en was hun tegemoet gereisd.

Hermelijn vergeleek deze ontmoeting met haar eerste aankomst en dankte God in stilte dat de omstandigheden zulk een loop hadden genomen, en zij, de eenzame weeze van voorheen, thans een beminde vrouw, een gelukkige moeder, een hooggewaardeerde bloedverwante was geworden.