Part 36
»Je blijft mij het antwoord schuldig. Ik begrijp ’t, Hermelijn, ik verdien je genegenheid nog niet, ik hoop dat je mij die eens zult schenken.”
»Word geen zelfkwelster, Corona, je hebt al leed genoeg!” zeide Hermelijn, haar op het voorhoofd kussend, »ik heb me altijd tot je aangetrokken gevoeld, altijd, zelfs toen ik reden meende te hebben je veel te verwijten, maar dat alles is voorbij. Nu is ’t vrede tusschen ons!”
»En het wordt ook vrede in mijn hart, als... als ik slechts wist dat je weer rustig bij Conrad terug waart en dat... hij me vergeven heeft.”
»Wie, Conrad toch niet?”
»Neen, hij! Hermelijn, wie weet in welk werelddeel hij nu rondzwerft met zijn haat, zijn wrok tegen mij! Nooit, nooit zal hij mij vergeven. Ik ken hem te goed!”
»Als hij je nu zag!”
»Dan zou hij me beklagen! O, ik zou hem danken voor elk woord van medelijden, ik zou mijn ziekte, mijn eenzaamheid, mijn leed geduldig dragen mijn leven lang, als hij daarin een reden vond om medelijden met mij te hebben!”
En de arme barstte in snikken los.
Hermelijn zag haar deelnemend aan; nu eerst begreep zij hoe Corona’s trots gebroken was.
»Wie weet,” sprak zij weer om Corona te beproeven, meer dan omdat zij zelf eenig geloof hechtte aan haar eigen woorden, »of je hem niet eens ontmoeten zult, of er dan geen verzoening mogelijk is, wanneer je geheel herstelt, of je dan niet samen nog gelukkig kunt zijn.”
Droevig en strak zag Corona haar aan als wilde zij Hermelijn’s gedachten doorgronden.
»Dat is je geen ernst, Hermine, ’t kan het niet wezen. Al herstelde ik ook, dan nog zou er van een hereeniging geen sprake kunnen zijn; misschien heeft hij andere banden aangeknoopt, stellig denkt hij alleen aan mij om mij te vervloeken. Dikwijls is het mij of die uitbarsting van den vulkaan slechts geschiedde om mij. Ik heb den Merawoe getergd door mijn ketting in den afgrond te werpen zooals ik in mijn overmoed alles tartte, zelfs zijn liefde.”
»Maar, lieve Corona!”
»Noem ’t bijgeloof, je weet ik ben bijgeloovig; ik hechtte aan de verschijning van den rooden hond en aan hetgeen hij voorspelde, maar juist op het oogenblik toen Alain de Géran mij iets toefluisterde dat naar een declaratie geleek, dacht ik aan Iwan, en toen werd het zoo vreeselijk licht en de aarde begon te beven en te schudden, misschien was het zijn vloek, misschien is hij dood, misschien heeft hij den vulkaan met zijn wraak belast, misschien was ’t zijn stem die daar bulderde....”
»Corona, wind je niet op door die dwaze fantasieën,” bad Hermelijn, »wie weet of hij ook niet smacht naar verzoening.”
»Geen verzoening, slechts vergeving heb ik noodig. Ik dorst, ik smacht er naar, dan eerst zal ik denken dat papa, en je schoonmoeder, en Dolly mij vergeven hebben, dan zal ik mijn lijden geduldig kunnen dragen, al moet ik nog jaren en jaren leven en tot mijn dood hulpbehoevend blijven.”
»En heb je de anderen ook vergeven?”
»De broers en zusters en Akkeveen.... och ja, ik geloof ’t wel maar hij heeft je karakter niet, hij is een man in de volle beteekenis van het woord. Ons vrouwen valt vergeven gemakkelijker, ik zie ’t aan jou, Hermelijn. Ik kan mijn vergiffenis niet anders uitspreken dan door mijn lippen. Door daden ze te bewijzen is mij ontzegd.”
Nimmer kwam Iteko’s naam over Corona’s lippen, zij had voor haar geen verwijt, geen uitdrukking van wrok of toorn. Zij vond niet dat Iteko in schuld tegenover haar was; niemand had zij het te verwijten dan zichzelf, dat zij zich door zulk een nietswaardig schepsel had laten verleiden tot valschheid in geschrifte, tot wantrouwen, achterdocht, jalouzie, toorn en onrechtvaardigheid van allen aard.
En ook Hermelijn sprak nooit over dit teeder punt; haar doel was Corona’s aandacht van het verledene af te leiden en, daar zij haar niets te bieden had voor de toekomst, op het tegenwoordige te vestigen. Haar kind was haar daarbij een geschikt hulpmiddel. Leni ontwikkelde zich allerliefst. Corona zag haar met liefde en belangstelling aan.
»Mijn kleine reisgenoot wordt mijn eenige erfgenaam,” zeide zij dikwijls.
»Je bent nog niet aan je testament,” antwoordde Hermelijn lachend.
Nadat zij in Marseille aankwamen, ontwikkelde zich Hermelijn’s energie ten volle; zij wist overal raad op, besprak de gemakkelijkste reisgelegenheden voor de zieke, onderhandelde nu eens met spoorwegbeambten, dan weer met hotelhouders, of met Parijsche professors van de geneeskundige faculteit, liet zich door niets uit het veld slaan, ging dapper op haar doel los en verwaarloosde intusschen noch haar kind, noch haar patient. Zoo slaagde zij er in, Corona op de gemakkelijkste en minst pijnlijke wijze naar Parijs te doen voeren, waar zij eenigen tijd onder behandeling bleef van een specialiteit voor haar ziekte.
Corona drong er op aan, dat zij nu terug zou gaan, maar standvastig bleef zij weigeren.
»Ik heb ’t op mij genomen je op den weg van genezing te brengen. Conrad heeft het mij toegestaan, zoolang verlaat ik je ook niet,” was haar antwoord.
»Je weet ook niet hoe ik je bewonder,” hernam Corona, »hoeveel berouw of ik ook hebben mag over mijn vroegere daden, één zaak kan ik niet betreuren, nu ik je dagelijks aan het werk zie. Dat ik namelijk voor Conrad zoo’n vrouwtje uitkoos. Ik hoop maar dat het uit dankbaarheid daarvoor is dat hij je toestaat mij te vergezellen.”
LVIII.
’t Is winter, een echte ouderwetsche winter; het sneeuwkleed is gespreid over velden en steden; de breede rivier is een uitgestrekte ijsvlakte, waarover honderden en honderden met levenslust op het gelaat en blijden glans in de oogen opgewekt heen en weer zwieren.
Holland is nu zichzelf meer dan ooit; op schaatsen, volgens het buitenland, is de Hollandsche jonkvrouw het schoonst en het bevalligst; dan worden de bleekste wangen met een zacht fijn rood overtogen, dan komt er in de flauwste en matste oogen een vonkje stralen, tintelend van genot. Uit het diepste van een schijnbaar onbeduidend wezen stijgt alles op, wat daar binnen gloeit aan verborgen warmte en geest; de ouderen van dagen voelen de herinnering aan vroeger genoegen hun op nieuw vervullen, voor een oogenblik schijnt gelijkheid op aarde neergedaald, alles krielt door elkaar, ieder heeft voor den ander een woordje, een hoofdknikje veil; zijn de schaatsen ondergebonden, dan is de rijder evenals de Grieksche tooneelspeler, die zich op zijn cothurnen omhoog heft, een ander mensch geworden; hij vergeet alles wat geen ijs is, hij laat de herinnering aan zijn dagelijksch werk, aan zijn beslommeringen aan den oever, hij denkt nu alleen aan zijn uitspanning, aan zijn vermaak.
En zij, die sinds jaren de ijsvreugde vaarwel zeiden, zij, die het nooit nog genoten, allen voelen zich als door magnetische kracht aangetrokken door de geheimzinnige vreugde, welke de gladde oppervlakte mededeelt aan allen, die haar betreden, ook zij wagen zich, de eenen om dadelijk weer door het oude vuur, dat hen eenmaal vervulde, op nieuw te worden bezield en zich weer jong te voelen voor enkele oogenblikken; anderen om zuchtend tot de ontdekking te komen dat zij werkelijk oud en stram zijn geworden en tot niets deugen dan om door hun val den glimlach op te wekken van hen, die zelf voetje voor voetje zich tevreden stellen met op het ijs te loopen, want de schaatsenrijders in het vuur van hun rit, lachen niet als er tol betaald wordt aan het gladde element.
En boven al die bevallige vrouwengestalten in korte mantels met bont omzoomd, in toiletten ontdaan van alle nuttelooze aanhangsels van twijfelachtigen smaak, waarvan enkele voortzweven als gedragen door de tonen eener voor oningewijden onhoorbare muziek, andere het laatste greintje sierlijkheid verliezen, dat hen anders nog kenmerkt op het asphalt, door hun haastig voortschuifelen, door hun gebogen houding en hoofd—boven al die kloeke mannen in eenvoudig wambuis of lichte paletot, die daar òf met zelfbewuste gratie kunststukken met de schaats uitvoeren even gemakkelijk als passen in de danszaal, òf die met schijnbare onverschilligheid de handen over de borst gevouwen zich doen kennen als de meesters van het terrein—boven allen, leerlingen en toeschouwers, kenners en spotters, welft zich de hemel in haar saffieren glans even strak en even blauw als ’s zomers, wanneer de zon in de kabbelende thans verstijfde wateren speelt. Nu werpen haar schuine stralen een lange streep purper over de gevels der huizen en doen in het verschiet hemel en aarde elkaar omhelzen onder een sluier van verblindend zilver; de sneeuw glinstert als een tapijt van diamanten waar zij nog rein en onvertreden is, het ijs neemt tinten aan van paarlemoer en kristal, waar de schaatsenrijders haar niet tot een zwarte massa hebben gemaakt; ’t is winter, maar hoe leeft, hoe ademt alles, hoe stroomt van alle kanten een ontwaakt leven naar de rivier, die heet door den winterslaap bevangen te zijn.
Winterslaap! dwaas woord, want juist de winter lokt tot beweging, tot leven uit; is dat slaap, het feest, dat gevierd wordt midden in den nacht, als de andere helft van de bevolking vergetelheid zoekt en vindt, is dat een ontheiliging wellicht van de rust, die de natuur neemt, in afwachting van haar ontwaken tot bloeien en rijpen? Neen, ’t is het Noordsche leven in volle kracht, in volle ontwikkeling! Het ijs is de eenige vergoeding, die den bewoners van een meerendeels doffen, killen, vochtigen hemel verleend wordt voor het gemis dat zij bijna altijd hebben te verduren aan zonnelicht en warmte; hoe zelden echter brengt de ijskoning zijn bezoek aan deze streken, hoe kort, hoe verraderlijk is dan zijn verblijf, hoe veel beloften geeft hij, welke niet zullen vervuld worden, hoeveel teleurstelling laat hij achter door zijn plotseling vertrek, hoe grillig zijn de gunsten, die hij uitdeelt, en toch, om dat korte bezoek, zoo dikwijls aangekondigd en zoo veel uitgesteld, heeft de Hollander zijn winter zoo lief, neemt hij de herinnering daaraan mee naar de nachten vol bloemengeur en poëzie onder den tropischen hemel, zucht hij naar zijn vaderland te midden eener natuur, die niets dan een eeuwige lente bezit.
Voor één van zulke dagen als deze, tart hij maanden vol mist en regen, een zomer vol stof en muggen, zou hij afstand doen van een wonderland, dat het zijne niet is, zou hij jegens ieder durven volhouden, dat er geen natuur is, zoo schoon als de ijsvlakte, door den winterkoning uitverkoren om er zijn hof op te slaan.
»Een heerlijk opwekkend gezicht. Wil je gelooven, Corry, dat mijn voeten tintelen van verlangen om er aan deel te nemen?” vroeg Hermelijn de Géran aan haar schoonzuster, die, op haar sofa uitgestrekt, uit het midden der hotelkamer het voor haar geheel nieuwe schouwspel met belangstelling volgde.
»Maar Hermelijn, wat belet je het te probeeren? Ik zou je zoo gaarne op het ijs zien. Me dunkt, je zult het zoo bijzonder bevallig en vlug kunnen doen.”
»Meen je dat, Corona? ’t Is waar, ik was er dol op, ik heb ’t indertijd veel gedaan met.... Och ja! als men jong is en ongetrouwd.”
»Met wien heb je veel gereden, Hermelijn? Ik geloof dat ik het weet. Ik ben zeker dat hij het mooier doet dan een van allen, daar voor ons.”
»’t Is zoo, Corona, ik heb zijns gelijke op het ijs niet gezien, we hebben menig heerlijk tochtje samen gemaakt.”
»Je hadt een paar moeten worden, je hoordet zoo bij elkander.”
»Ik dank je voor die bezorgdheid, zusje, maar ik ben tevreden met mijn eigen man en Leni is het ook met haar vadertje, haar jong, aardig vadertje, niet waar, kleine stoute bengel? Zal je papa weer kennen als je hem ziet?”
»Ach, wanneer zal dat wezen, Hermelijn? Ik bid je, laat mij nu achter; ik zal nu zoo geduldig zijn, zoo gewillig om mij te laten helpen door wie ook!”
»Ik geloof dat het helpen veel minder noodig zou wezen wanneer je zelf eens beproeven wildet niet zoo hulpeloos te zijn. Je weet wat de dokter gezegd heeft.”
»Och Hermelijn, je wilt niet gelooven hoeveel verdriet je mij doet door me telkens die hulpeloosheid te verwijten als zou zij aan mij liggen.”
»Maar Corona, ik verwijt je niets, ik zou je graag geheel hersteld willen zien en je weet wat de dokter zei: niets anders dan een vaste wil om je ledematen te gebruiken ontbreekt je nog; zoodra je het zelf wilt, zullen ze je weer ten dienste staan. Beproef het eens!”
»Ik kan ’t niet, Hermelijn, ik kan ’t niet. Het zou immers de kroon stellen op al mijn slechtheid wanneer ik je nu moedwillig hier hield, alleen omdat ik geen lust had mij op te heffen. ’t Is geen onwil, ’t is niet om je te dwingen bij mij te blijven. Elken dag is het me een nieuwe kwelling, een nieuwe wroeging dat je hier bent om mijnentwille, terwijl je plaats toch is op Java naast je man.”
»We zullen zien of de nieuwe verpleegster, met wie ik in onderhandeling ben, een geschikt persoon is, maar ik zal met een veel lichter hart vertrekken als ik wist dat je loopen...”
»En dansen, en zelfs schaatsenrijden kon. Lieve zus, ik heb van dansen te veel gehouden, ik geloof dat ik een dolle liefhebster van schaatsenrijden zou wezen, als ik het maar eenmaal beproefde, doch ik word gestraft in hetgeen mij het meeste waard is, in lichaamsbeweging...”
»Geen reden om er zich zoo kalm bij neer te leggen en niet te trachten de kwaal te overwinnen. Zal ik je eens helpen naar het raam te wandelen? Kom, moed!”
»Ach neen, Hermelijntje, waarlijk niet! Ik zou ’t doen als ik het kon, maar geloof me, ’t is onmogelijk.”
En zij begon te schreien; Hermelijn haalde de schouders op; de dokter had verklaard dat alleen goede wil haar ontbrak, maar met alle zenuwlijders had zij het gemeen, dat zij aan wilskracht te kort kwam.
Niets scheen gemakkelijker dan op te staan en zich te bewegen, maar zij beweerde dat het haar onmogelijk was en Hermelijn durfde niet te veel bij haar aandringen, uit vrees dat zij dien raad aan den wensch zou toeschrijven om zich haar taak te vergemakkelijken.
»We zullen er niet meer over spreken, Corry,” zeide zij, bij de sofa zittend en haar liefkoozend, »ben je werkelijk er op gesteld mij te zien rijden? Ik zelf heb er den grootsten zin in, vóór dat ik naar Indië terugkeer. Leni zal ik maar in haar mandje leggen, dan zal je er geen last van hebben. We moesten de sofa aan het raam schuiven.”
»Dat kunnen we morgen wel doen. Ga maar op het ijs, Hermelijn; hoe meer genot je in Europa hebt, hoe liever het mij is. Conrad zal ’t met mij daarover ten minste eens zijn.”
»Zou hij ’t goed vinden?”
»Dat is me ook een vraag! Kom gauw, anders wordt het te laat. Ga je kleeden!”
Hermelijn zag er allerliefst uit in haar wintermantel met bever omzet, het bonten mutsje op de dikke blonde lokken, terwijl de frissche kleur, die de Hollandsche winter op haar wangen getooverd had, in volle harmonie was met haar schitterende oogen.
Zij wierp een laatsten blik op haar beide kinderen zooals zij Corona en Leni noemde en nadat zij zich overtuigd had dat alles in orde was, verliet zij het hotel om zich eerst van schaatsen te gaan voorzien.
’t Duurde een poosje vóór Corona haar op het ijs zag. Eindelijk viel het lichte bont van haar mantel de zieke in het oog; spoedig was zij op dreef.
»Wat doet zij het elegant,” dacht Corona, »hoe buigt ze zich gracieus, wat maakt ze lange strepen. Zoo moest Conrad haar zien! Ieder kijkt haar na. Heb ik wel goed gedaan ’t haar aan te raden? Ik ben tegenover Conrad verantwoordelijk voor zijn mooi vrouwtje. Daar zweeft ze heen, ik kan haar niet langer meer zien..... Die heer doet het ook mooi! Als ze eens samen reden!”
Die heer, wiens fraaie kunst Corona in het oog viel, had een fluweelen jasje aan, op zijn hoofd droeg hij een pelsmuts; hij was reeds een keer langs gekomen. Corona moest hem nog eens zien, hij trok haar aan.
»Hij is even groot.... ’t is dezelfde gestalte,....” zoo sprak zij tot zichzelf, »ik wilde dat ik hem meer van nabij kon zien. Me dunkt, zij gelijken op elkander. Daar komt Hermelijn terug... hij staat stil..... en zij kijkt om..... daar rijdt hij op haar af...... Mijn God! het kan toch niet zijn.... als hij ’t eens ware!”
Het koudzweet parelde op haar voorhoofd, zij beefde over alle leden; zonder meer aan haar ziekte te denken, richtte zij zich half op en staarde naar buiten, maar het raam stond haar in den weg; zij kon niet zien of ze met elkander spraken, en toch, het scheen zoo te wezen, want geen van beiden verscheen weder onder de rijders.
Een schier ondragelijke spanning maakte zich van haar meester.
»Zou hij ’t zijn, en in gesprek met Hermine! Dan weet hij ook dat ik hier ben... o die onzekerheid is niet te dragen, kon ik mij bewegen!”
Doch er verscheen niemand, misschien waren er nog geen twee minuten verloopen maar in Corona’s schatting waren het twee uren; zij kon niet langer geduld oefenen en beproefde zich op te heffen, nu zat zij recht op de sofa en trachtte op te staan, langzaam en onzeker; voor het eerst sinds maanden raakten haar voeten den grond aan. Het was een zonderling gevoel of duizend spelden haar staken, het scheen of zij telkens in elkander moest zakken, maar toch bleef zij overeind: Toen greep zij een stoel en deed haar best een stap vooruit te gaan; wat zij steeds geweigerd had met behulp en steun van haar zuster, gelukte haar thans boven verwachting.
Langzaam en wankelend, zich vasthoudend aan tafels en stoelen, schoof zij vooruit tot zij het raam bereikte en in een fauteuil neerviel; de geneesheer had gelijk, niets ontbrak haar dan wilskracht, maar nu dacht zij aan niets meer, niet aan de groote overwinning door haar behaald op de ziekte, niet aan de tegenspraak, waarin zij met zich zelf was gekomen, niet aan de voldoening, waarmede Hermelijn straks haar dadelijk zou aanhalen, zij dacht aan niets dan aan den man, die daar stond te spreken met Hermelijn.
Geen twijfel meer, hij was het, die dag en nacht haar gedachten bezig hield, de man, die haar stellig haatte, maar dien zij nog lief had, meer dan ooit te voren.
Hij stond met den rug naar het hotel en hij zag haar niet; Hermelijn sprak levendig en opgewekt, hij luisterde met afgewenden blik.
Wat zou zij zeggen? Zeker hem verhalen hoe ongelukkig Corona er aan toe was; hoe bitter berouw zij had, hoe zij smachtte naar vergeving!
O, kon zij zich voor hem in het stof vernederen maar dan moest hij niet meenen, dat zij, de gebrekkige, verzwakte Corona van heden, hoopte de banden van vroeger aan te knoopen. Daar dacht zij niet meer aan; op zijn vriendschap zelfs maakte zij geen aanspraak. Neen, zij verlangde niets van hem, dan dat hij niet meer in vijandschap aan haar zou denken.
Daar legden zij met elkander op en voort ging het langs alle groepjes schaatsenrijders heen; ieder zag hen na, het was een bewonderenswaardig paar. Corona bewonderde hen misschien het meest, doch geen zweem van jalouzie was er meer over in haar ziel. Het lijden had haar werkelijk beter gemaakt, zij kende inderdaad slechts één wensch—zijn vergiffenis. Als Hermelijn die voor haar verkrijgen kon, dan zou zij de kroon stellen op al haar goedheid en weldaden.
Spoediger dan zij dacht kwam het paar terug; Hermelijn bond haar schaatsen af, Iwan hielp haar, toen gaven zij elkaar de hand tot afscheid, hij reed naar den overkant der rivier om aan wal te stappen.
Geen blik had hij geworpen naar de ramen, waarachter zij leed, die hem zoo doodelijk had beleedigd.
Zuchtend leunde Corona achterover en sloot de vermoeide oogen; er was niets dat haar meer belang inboezemde, nu hij het ijs had verlaten.
»Corona!”
Met dit woord, vol verbazing en schrik uitgesproken, trad Hermelijn binnen; het was of zij droomde, de hulpelooze Corona bij het raam in een fauteuil gezeten. Na dien uitroep, zag zij haar schoonzuster vragend aan.
»Maar hoe kom je daar? Toch niet geloopen!”
»Ik weet het niet,” was het antwoord, »ik begrijp het zelf niet, hoe ik hier gekomen ben. Ik moest hem zien, toen hij met je sprak! Hermelijn, wat heeft hij gezegd?”
»Je weet het dus.... Ik had gehoopt dat je het niet zien kon.... ik zou ’t je niet verteld hebben.”
»En waarom niet? Wil hij van geen vergeving weten?”
»Ik heb ’t hem niet gevraagd.”
»Niet gevraagd, dan zal ik hem schrijven! Waar is zijn adres?”
»Dat heb ik niet onderzocht.”
»Och neen, ik mag ’t ook niet doen. Maar wat heb je dan samen gesproken?”
»Ik heb hem alles verteld, wat er gebeurd is.”
»Van mijn ziekte en wat zeide hij er van?”
»Geen woord, maar hij luisterde aandachtig.”
»En hoe zagen zijn oogen er uit, zoo ernstig of zoo spottend?”
»Dat kan ik je niet zeggen, hij heeft alles aangehoord maar zonder een woord te spreken, zonder mij aan te zien..... we zijn verder gereden; toen heeft hij me verteld, dat hij sinds een paar maanden in Holland terug is. Zijn vader heeft hij verloren en.....”
»En wat nog meer?”
Hermelijn knielde voor haar schoonzuster neer, nam haar beide handen in de hare en zag met haar lieftallige oogen Corona deelnemend aan.
»Lieve zuster, zul je sterk zijn?” vroeg zij hartelijk.
»Ben ik in geen goede leerschool geweest? Zeg alles, Hermelijn, ik kan alles verdragen. Wat heb je gehoord? Is hij met een ander verloofd?”
Hermelijn schudde het hoofd van neen.
»Getrouwd misschien?” vroeg Corona met verstikte stem.
»Ja,” fluisterde Hermelijn.
Corona boog haar hoofd op de borst, haar handen trokken zich krampachtig samen en haar lippen trilden.
»Nu kan ik hem vrij om vergeving vragen,” stamelde zij en groote tranen rolden langs haar wangen.
LIX.
Den volgenden dag verscheen Iwan niet meer op het ijs. Het dooiweer viel overigens in en Hermelijn borg glimlachend haar pas gekochte schaatsjes weg.
»Dat je hem zijn adres niet vroeg!” zeide Corona, »zou hij met haar hier wezen?”
»Ik geloof het niet, hij sprak er alleen van dat hij voor zaken in Amsterdam was.”
»En weet hij dat we hier gelogeerd zijn?”
»Ook niet. Je begrijpt dat ik het niet uit mij zelf zeide. Ik had genoeg te vertellen, ik moest hem nog antwoorden op den brief, dien hij me toen geschreven heeft.”
»Ja, ik herinner ’t me. Heb je hem alles verhaald?”
»Zoo kort mogelijk en hij zeide dat de uitbarsting één goed gevolg ten minste had gehad, daar dat insect er door vernietigd was.”
»Och, het insect had zooveel leed niet kunnen veroorzaken, als zij meer tegenstand had ontmoet. Er zal dus geen kans zijn om hem hier te bereiken. Weet je zijn adres in Limburg? Dan kan ik hem daarheen schrijven.”
»Zeker, weet ik dat, maar zou je het kunnen doen?”
»Ik zal ’t beproeven met mijn linkerhand. Voor hem kan ik alles doen, dat weet je!”
»En daarom moet je nu beginnen je te oefenen. Je ziet dat ik gelijk had, alleen de wil ontbrak je.”
Gehoorzaam als een kind liet Corona zich thans leiden; aan Hermelijn’s arm ging zij de kamer op en neer, zij moest zich langzaam oefenen, eerst ging het voetje voor voetje maar allengs werd het beter; zij begon er zich over te verheugen dat zij niet meer zoo afhankelijk was en wanneer Hermelijn met haar kindje bezig was, nam zij den steun aan van de kamenier, die haar schoonzuster in de laatste dagen bijstond.
Spoedig voelde zij lust om in de gangen van het hotel op stille uren heen en weer te gaan; den tweeden dag na haar eerste proef, wandelde zij daar ook weer toen een der deuren plotseling geopend werd en een heer in vlugge beweging haar tegemoet kwam en bijna tegen haar aanstiet.
Even zagen zij elkaar aan; zij ware in elkaar gezakt als zij niet op den arm der dienstbode geleund had; hij bracht even de hand aan den hoed en ging haar voorbij zonder blik, zonder verderen groet als zag hij in haar een wildvreemde.
»De juffrouw is nog erg zenuwachtig en opschrikkerig,” zei het meisje, »maar u moet er zich aan wennen, dat er heeren onverwacht uit de kamers komen.”
»Breng mij terug naar de kamer van mevrouw,” zeide Corona nog steeds bevend, »voor vandaag heb ik me genoeg vermoeid.”
En bij Hermelijn gekomen, zeide ze dadelijk toen zij alleen waren:
»Ik heb hem gezien!”
»Waar?”
»Hier in de gang; me dunkt dat hij hier logeert.”
»En hij heeft je herkend?”
»Hij groette me zooals hij ’t elk ander had gedaan. Ik ben voor hem ook niets meer dan de vrouw, die hem heeft beleedigd. Zou het mogelijk wezen, dat wij onder een dak woonden?”