Part 35
»O Iwan, dat is heel iets anders. U is niet te vergelijken met den ouden mijnheer, want dien bedoelt u toch! Uw streken zijn van een heel andere soort.”
De goede vrouw had gelijk, de beschaafde, gehandschoende losbandigheid zijns vaders had hem steeds afschuw ingeboezemd; nimmer zou hij de ondeugd der zoogenaamde jeunesse dorée hebben willen deelen; afkeer van regel, van dwang, van welke soort ook, was het hoofdgebrek zijns levens geweest; nu echter voelde hij een soort van behoefte aan banden, welke ook.
»Weet u, jonge heer!” ging zij voort, »waaraan u mij doet denken?”
»Nu dan, Ka?”
»Aan een vogel, die een schot in de vleugels heeft gekregen en niet meer vliegen kan.”
Thoren van Hagen lachte hartelijk maar toch merkte de trouwe ziel tegenover hem, dat die lach gemaakt was.
»Ik ben vleugellam; ’t kan zijn! Het beste is dan maar dat ik mijn vleugels niet meer gebruik om door de wereld te vliegen. Weet je wat, Kaatje, je moest een vrouw voor me zoeken; neem morgen je korf aan den arm en ga eens in de buurt rondkijken of daar geen aardig meisje te vinden is.”
»Jonge heer, dat is natuurlijk gekheid, maar meent u het waarlijk, zou u dat heusch willen?”
»Zeker, Kaatje, zeker, weet je er geen, maar ze moet blond wezen en klein en erg, erg zacht. Verder kan ’t me niet schelen of het een boerin of een freule is. Ken je er zoo een?”
»Laat eens kijken! Trinette van den notaris, o neen, dat is een echte kweggel, zooals ze hier zeggen voor een nuf, die zou u niet bevallen, de freule van het Eest, maar dat is een vervelende kwezel, Mimi, de dochter van den meester, die is blond en zacht en heeft zulke mooie blauwe oogen, maar dat is toch geen vrouw voor u, die met een prinses verangegeerd is geweest.”
»Juist daarom, Kaatje, Mimi moet mij de prinses doen vergeten. Verzoek ze hier op de koffie, dan kom ik eens binnen en maak een praatje.”
»Hier is de gazet, mijnheer!” zoo klonk de stem van het dienstmeisje door de kier van de deur.
»Hé, laat eens zien!” sprak Iwan, »ik heb een Hollandsche courant in zoo lang niet onder de oogen gehad.”
Kaatje, die er niet ontevreden over was, dat Hubertine haar in volle glorie tegenover den jongen mijnheer zag zitten, stond spoedig op om te voorkomen dat het meisje met haar klompen op den frisch geboenden vloer zou treden, waggelde naar de deur, nam de courant aan en reikte ze haar pleegzoon over. Met een glimlach keek Thoren van Hagen den inhoud langs en las de berichten, nog altijd in datzelfde Duitsch-Hollandsch geschreven, van vroeger; hij vond daar vele feiten bestatigd, verdiensten aanerkend, dingen versproken, zag de advertentiën door van candidaten voor de een of andere verkiezing, die zich zelf aanboden en beloften gaven, welke zij toch zeker van plan waren niet te houden, getuigenissen omtrent beginselvastheid, welke niemand vertrouwde, warme aanbevelingen van eenige kiezers om op X in plaats van IJ te stemmen, vergezeld door leelijke verdachtmakingen van de tegenstanders.
»Niets veranderd, niets!” dacht Thoren van Hagen, »ik ben dezelfde niet meer; kom, wie weet of mijn naam ook niet eenmaal op die vierde bladzijde met groote letters zal prijken of ik mij niet hoogachtend en minzaam aan heeren kiezers aanbeveel, wier belangen ik op de civielste wijze zal behartigen. Wel zeker, ik ga hier mijn tenten opslaan en zal met Mimi kennismaken. Hé wat beteekent dat..... Ramp op Java, uitbarsting van den Merawoe.”
Kaatje zag dat haar jonge mijnheer plotseling verdiept raakte in de lezing van de gazet, dat zijn wenkbrauwen zich plotseling samentrokken en een doodsbleeke kleur zijn wangen bedekte.
»Vreeselijk.... vreeselijk!” mompelde hij.
»Maar wat is er toch gebeurd, jonge heer?” vroeg zij bezorgd.
»Och, een groot ongeluk op Java, waar ik nog onlangs... ik bedoel het vorige jaar, geweest ben. Je moest mij eens alle couranten van den laatsten tijd bij mekaar zoeken, Kaatje! daar vind ik misschien iets naders. Morgen ga ik naar Maastricht. Mej. de G. zwaar gewond, mevrouw van A.—dat is Dolly—dood gevonden, het landhuis ingestort. Maar wat gaat het mij eigenlijk aan en toch... toch...”
Alle fraaie plannen van huwelijk en vestiging waren voorloopig tot onbepaalden tijd uitgesteld.
LVI.
De nasporingen die Thoren van Hagen in het werk stelde om nadere bijzonderheden te verkrijgen aangaande de ramp, die te Ngaroengan zooveel onheil had veroorzaakt, maakten hem niet veel wijzer. De geschiedenis van het pavilloen vond hij echter in een particuliere correspondentie vrij uitvoerig beschreven en vernam er tevens den dood uit van de achtenswaardige gouvernante, een bericht, dat hem natuurlijk niet tot wanhoop bracht.
Meer dan ooit gevoelde hij thans hoe groot zijn belangstelling nog was voor alles wat met Corona in verband stond. Nu eens, meende hij, was het niets dan nieuwsgierigheid, dan weer haat en wrok, nooit zou hij zich zelf bekennen dat het nog liefde kon zijn.
Na eenig beraad schreef hij naar Soekarenga, naar den persoon, wien hij de opdracht had gegeven zijn inboedel te verkoopen; hij vroeg hem hoe ’t met zijn zaken stond, of het huis niet ingestort was en hoe ’t met de familie de Géran ging. Ondertusschen trachtte hij zijn gedachten met iets anders bezig te houden; hij maakte kennis met den geestenziener uit Arendsberg en bemerkte spoedig hoe deze den ouden, naar lichaam en geest verzwakten man schandelijk bedroog; hij at niets dan meelspijs en dronk slechts water om de noodige helderheid van geest te behouden, die hem tot de conversatie met de geesten geschikt maakte, gaf groote sommen uit om de bekende mediums te laten overkomen en hun séances bij te wonen. Iwan voelde dat het ondoenlijk zou zijn hem te ontmaskeren en zijn vader van het bedrog te overtuigen, doch hij sprak den zoogenaamden vriend eens onder vier oogen aan en bedreigde hem met de justitie als hij voortging den afgeleefden man te kwellen en tot verwoesting zijner gezondheid aan te sporen.
Zoo kreeg hij dan gedaan, dat zijn vader weer toegestaan werd vleesch te eten en wijn te drinken, hij trachtte den uitgedoofden geest op te wekken door hem boeken en couranten voor te lezen en te dwingen in het tegenwoordige te leven, maar zijn pogingen leden schipbreuk op de halsstarrigheid van den grijsaard.
Intusschen verzuimde hij zijn andere plannen niet voor de keuze van een levensdoel; ernstig bestudeerde hij den landbouw in theorie en praktijk, stelde zich in verbinding met specialiteiten op dat gebied, begon aankoopen te doen voor zijn stallingen en lachte er soms in stilte over dat hij nu ook ging eindigen met dat te worden wat de laatste toevlucht is van alle Limburgsche zonen van goeden huize, die aan de académie of elders mislukt zijn, heereboer, euphemistisch uitgedrukt »econoom”.
»’t Is de moeite waard geweest, eerst den Noordpool te gaan zien, en den smaragd van den Indischen archipel te bewonderen, Australië en Afrika te bezoeken om te eindigen aarts-prozaïsch niet eens kool, maar boekweit en klaver te planten. Als ’t mij maar op den duur bevalt. Ik vrees er voor!”
En nu begon hij ook te denken aan het tweede gedeelte van zijn programma; doch een soort van eerbiedigen schroom hield hem terug; hij had kennis gemaakt met Mimi van den meester en haar een aardig, onbeduidend, lief kind gevonden.
»Een glas verfrisschende limonade na de bedwelmende champagne van mijn vorig leven,” dacht hij, maar het was hem vooreerst niet mogelijk een stap nader te doen.
Hij kwam bij den meester aan huis en las spoedig in Mimi’s vergeet-mij-nietjes oogen dat zij slechts een kleine aanmoediging noodig had om hoop op hem te verkrijgen; zij vroeg niets liever dan hem haar leven lang te mogen dienen als haar heer en meester, mits zij vrouwe van het dorp werd, doch hij vond het oneerlijk in haar een hoop op te wekken, die hij niet kon vervullen. Hij vreesde het knopje open te rukken, dat zich zoo gaarne voor hem in vollen geur en kleur wenschte te ontplooien, terwijl op het beslissende oogenblik hij misschien den moed zou missen het te plukken.
’t Was ook of hij in Mimi’s tegenwoordigheid de striem nog meer dan anders voelde.
»Je zult aan mij denken,” had zij hem toegeroepen en die voorspelling was vervuld; hij kon geen andere vrouw ooit meer van liefde spreken zonder dat de herinnering aan haar zich als een toornige schim tusschen beiden kwam plaatsen; maar hij voelde hoe langer hoe meer dat eerst als deze band hem was opgelegd, hij rustig aan de toekomst kon denken en sterk zou wezen om niet op nieuw de wereld in te gaan.
Dat Mimi een eenvoudig meisje was, verreweg zijn mindere in stand, woog volstrekt niet bij hem; als zij hem maar liefhad, hem een gezellig te huis bereidde, dat zou voldoende wezen en toch stelde hij het altijd uit van dag tot dag, luisterde geduldig alle avonden naar de diepzinnige verhandelingen van den meester over de oude en de nieuwe wet, over de eigenaardigheden der verschillende schoolopzieners, over het toenemend schoolverzuim en zag intusschen Mimi’s kleine maar bevallige gestalte heen en weer gaan om het eenvoudige avondmaal op te dienen en merkte op, hoe ze nu alle dagen gekleed was als vroeger alleen zondags en hoe zij dikwijls een bloempje op de borst droeg.
»Mimi,” zeide hij haar eens, »geef me dat roosje!”
Het kind bloosde en zag hem bedeesd aan.
»Gun je het mij niet?” vroeg hij toen.
»Als u er zin in heeft, mijnheer,” en zij gaf ’t hem over.
»Kom even met mij naar buiten! Mimi! Wil je?” vroeg hij.
De meester was verdiept in een tijdschrift dat Iwan hem gebracht had en de jongelui gingen naar den tuin; het was een heerlijke Septemberavond, een krachtige boschgeur vervulde de lucht, het goudgeel der stervende bladeren verguldde reeds hier en daar de boschachtige heuvels, de boomgaard prijkte met roode appels en gele peren, het was een echt Europeesch avonduur; van het kerkje luidde de avondklok, een troep zwaluwen trok over hun hoofden zuidwaarts; de velden waren van hun oogst ontdaan en in den tuin bloeiden de dahlia’s en late rozen.
»Ga met me daar ginds op de bank zitten,” zeide Iwan tot het meisje, dat hem gewillig volgde en haar hartje onrustig voelde kloppen.
De bank stond aan het einde van den moestuin, onder een katalpaboom, die zijn breede bladeren beschermend daarover uitstrekte; onder hen murmelde het riviertje in zijn diepe, rijk begroeide bedding.
»Kom, zet je naast mij,” sprak Iwan bijna vaderlijk.
’t Was vreemd, maar hij voelde zich op dat oogenblik diep bedroefd, nameloos ongelukkig en toch, hij wilde zich voor een onveranderbaar feit stellen.
»Luister je naar mij, Mimi?” zeide hij en nam haar handjes in de zijne en zag haar aan met zijn groote oogen, die nu droefgeestiger dan ooit te voren haar aanstaarden.
»Ja mijnheer!” antwoordde het kind bijna beangst.
Wat zou mijnheer Iwan haar te vragen hebben; gedroomd had Mimi er natuurlijk wel van, dat die mooie heer van het kasteel haar ten huwelijk zou vragen. ’t Gebeurde dikwijls in de sprookjes die zij zich nog uit haar kindsche jaren herinnerde dat koningen met herderinnetjes trouwden, waarom zou dan een jonker geen liefde kunnen voelen voor haar die een onderwijzersdochter van fatsoenlijke familie was?
Maar haar om liefde en hand vragen dat zou hij toch niet doen op zulk een ernstige, bijna bedroefde wijze.
»Ik wilde je vragen Mimi of je genoeg van mij houdt, om mijn vrouw te worden.”
Dat was dus de groote vraag; het meisje trok haar handen niet terug, zij bloosde alleen wat dieper en sloeg de oogen neer zonder te antwoorden.
»Ik geloof dat je goed voor mij zult zijn, Mimi,” ging hij voort, »en dat heb ik noodig. Zooveel van je houden als de hoofdonderwijzer van het dorp aan den anderen kant van den berg het stellig doet, dat kan ik niet meer. Ik ben op het punt geweest, te trouwen met een dame, die ik zeer lief had.....”
»Een prinses,” fluisterde het meisje, dat zeker met Kaatje over het onderwerp had gesproken.
»Neen, dat nu juist niet, dien titel had zij niet, maar zij was er schoon en trotsch genoeg voor geweest. Zij hoeft mij echter diep gegriefd en beleedigd, daarom moet ik altijd aan haar denken.”
»Alleen daarom?” vroeg Mimi nog altijd even ingetogen.
Hij antwoordde niet en hernam:
»Nu heb ik behoefte aan een goed, liefhebbend vrouwtje, dat mij het leven veraangenaamt en het huis aantrekkelijk maakt zoodat de lust mij zal ontbreken om weer de wereld door te zwerven, wat ik tot nu toe altijd heb gedaan. Je moet me nu niet antwoorden, Mimi, maar denk eens na, spreek er met je ouders over en onderzoek je zelf of je het met mij durft probeeren! Wil je dat doen, Mimi?”
Zij zag hem nu aan, hoe kwam het toch dat zij niet dadelijk volmondig ja! kon zeggen, dat zij zich niet trotsch en verheugd voelde over de eer, die haar geschiedde, dat zij niet dacht aan de verbazing, welke in den omtrek het bericht zou veroorzaken:
»Ons Mimi heeft kennis aan den jonker van den Blinkert.”
Zijn ernst deelde zich blijkbaar aan haar mede, want haar oogen vulden zich met tranen. Hij stond eensklaps op en gaf haar bijna met eerbied een kus op het blanke voorhoofd.
»Wil je nadenken, Mimi?”
»Ja mijnheer,” antwoordde zij onderdanig en hij stapte haastig door het achterhekje naar buiten en zocht zijn kamer op den Blinkert weer op.
Zijn hart was tot berstens toe vol; nimmer, zelfs niet op het oogenblik toen hij zijn schoonste hoop vaarwel moest zeggen, had hij zich zoo treurig en ongelukkig gevoeld, toen was hij te verontwaardigd, te vertoornd geweest; ’t was of hij nu eerst Corona geheel had verloren, of hij nu eerst een onoverkomelijken hinderpaal tusschen hem en haar had opgericht.
Hij ging naar zijn kamer en liep die op en neer, eindelijk bleef hij voor het open raam zitten.
»Is dat nu de stemming van iemand, die pas een liefdesverklaring heeft gedaan?” vroeg hij zich af en weer was hij met den geest in Ngaroengan tusschen de bloemen en varens, waar Corona in haar wipstoeltje hem afwachtte, op den dag hunner verloving of in Djira: het was zijn schuld niet, maar Mimi bekleedde nauwelijks een plaatsje in zijn geest, waarin de andere nog steeds als koningin heerschte.
Hij haalde haar portret uit, zag haar in het schoone, strenge gelaat en dacht er aan hoe die trotsche oogen tegenover hem slechts schitteren konden van zachte teederheid en overgevende liefde, hoe die lippen hem woorden van trouw en min hadden gezworen, hoe die fiere lijnen week en zacht werden onder zijn blik, en nu was alles, alles voorbij!
Was zij gewond, verminkt wellicht, zij of Margot? Zou ze nu aan hem denken zooals hij het thans nog deed, terwijl hij een andere zijn hand bood, maar op nieuw begon die striem te gloeien.
»Mijn lieveling, hoe kon je dat van je verkrijgen,” zoo sprak hij haar toe en voelde dat zijn oogen verduisterd raakten door tranen, de eerste misschien, die sinds zijn kinderjaren bij hem waren opgekomen.
Een oogenblik bleef hij zoo zitten, onbewegelijk de hand voor het gelaat.
»Jonge heer, komt u eten?” vroeg een stem aan de deur.
Verschrikt zag hij op en Kaatje stond tegenover hem, het mensch-geworden proza, dat in alle omstandigheden ons komt herinneren dat we leven moeten niet alleen van gedachten, bittere en zoete, maar ook van brood en vleesch, dat we vreugd en droefheid ter zijde moeten stellen om neer te zitten en ons te voeden.
»Wat zie ik? Scheelt er iets aan, Iwan?” vroeg zij bezorgd.
Hij glimlachte en wischte zich snel het gelaat af.
»’t Is niets, een dwaasheid Kaatje, ik heb daar juist aan Mimi gevraagd of zij mijn vrouw wil worden.”
»En ondertusschen zit u hier te schreien als een meisje, met het portret van de andere voor u?”
»Je hebt gelijk,” en Iwan beet zich vol ergernis op de lippen, »’t is meer dan belachelijk, er moet een einde aan komen. Ik heb mijn levenslot zelf gekozen, ik heb den last op mijn schouders genomen, ik moet dien ook dragen als een man. En hiermee gaat het zoo!”
Hij verscheurde het portret in een aantal microscopische stukjes.
Den volgenden morgen nadat hij een lange gewichtige redevoering van den vader genoten had, over de plichten van de echtgenooten en de voordeelen van gelijken stand tusschen hen en de verklaring, dat hij in den grond der zaak niets had tegen mijnheer’s voorstel, gaf Mimi hem fluisterend en bedeesd haar toestemming of liever de belofte dat zij het zou beproeven.
»Mag ik haar portret nu eens zien?” was haar eerste vraag toen zij met hem alleen was.
»Kindlief,” antwoordde hij hoog ernstig, »ik heb het gisterenavond vernietigd.”
LVII.
Het was een moeilijke tocht, dien Hermelijn, met Corona en haar jong kind naar Europa maakte; doch een groote voldoening was ’t haar toen de gezondheid van haar schoonzuster gaandeweg beter werd; zij was en bleef hulpbehoevend, maar hare zenuwen, die door de gebeurtenissen der laatste maanden zoo veel geleden hadden, en nog zelfs de terugwerking voelden van het verdriet dat zij van haar twist met Iwan ondervonden had, en van de opium, waarmede zij zich had willen verdooven, kwamen eindelijk tot rust.
Aan boord waren weinig passagiers; men had Corona steeds naar het dek moeten dragen, de zeelucht en de kalmte rondom haar deden de zieke onbeschrijfelijk veel goed. Uren lang lag zij op haar ligstoel uitgestrekt, terwijl Hermelijn naast haar zat te werken, te lezen of met haar kind te spelen! Corona had de oogen gesloten zonder te slapen; haar gedachten begonnen haar minder pijn te doen, zij voelde een soort van droevig genot in het dragen van haar leed, zij begon in te zien hoe verkeerd zij het leven had opgevat, hoe zij altijd en in alles slechts zich zelve had gezocht van jongs af toen zij als vijfjarig kind haar vader zijn tweede huwelijk verweet, toen zij later haar stiefmoeders het leven ondragelijk maakte, zich hartstochtelijk aan Kitty hechtte en deze later in haar liefde dwarsboomde, terwijl zij over de levensbelangen van haar andere broeders en zusters steeds vrij beschikte.
Nooit had zij aan het geluk van anderen gedacht, nooit ter wille van anderen haar luimen opgeofferd, haar wil verloochend, nooit een beleediging haar aangedaan vergeven; zij had God gediend met haar lippen, zij was er trotsch op geweest christin te zijn, zonder dat ooit een der wetten, die het christendom voorschrijft, haar leven beheerscht had, wanneer haar eigen neigingen er zich tegen kantten.
Dat er nooit een smet, noch op haar leven, noch op haar naam had gerust, dat de Indische maatschappij, die zoo tuk is op alles wat het blanke besmet, nooit iets had kunnen afdingen op Corona’s goeden naam, was zeker hoogst gelukkig geweest, maar haar trots vooral had haar gevrijwaard voor elke afdwaling; daarenboven was haar hart nooit gemoeid geweest bij de talrijke aanzoeken, die zij afgeslagen had vóór dat Thoren van Hagen verscheen.
Zij had geleefd in trotsch zelfbehagen, tot Hermelijn’s aankomst, zij was gewoon dat alles, menschen en dingen, zich aan haar wil onderwierpen, maar toen was het anders geworden; zij vond in Hermelijn en in Thoren van Hagen haar meerderen; hoeveel slagen had haar trots niet ontvangen, vóór zij overwonnen was en haar eigen nederlaag bekende.
De geheele geschiedenis van haar engagement doorleefde zij op nieuw, zij was goed, gewillig, onderworpen geweest, omdat het haar zoo beviel, omdat een nieuwe gril het haar voorschreef, maar toch, zij had niets gedaan om zichzelf te overwinnen, toen haar neigingen in strijd kwamen met zijn wil, integendeel, zij had haar kwade natuur losgelaten en zij had hem mishandeld, hem, dien zij liefhad als het licht harer oogen.
Om zichzelf alleen, niet om hem beminde zij, evenmin als zij haar vader, die haar vergoodde, ooit ten koste van zichzelf een genoegen had verschaft, een vreugde bereid. Haar eenige wet was tot nu toe haar eigen voldoening geweest; in dit licht verschenen al haar daden haar zoo klein toe in omvang, zoo nietig door hun beweegredenen, zoo verschrikkelijk in hun gevolgen.
Wat had de redding van den kleinen Guillaume anders ingegeven dan een opwelling van moed, die haar niet de minste moeite kostte, een daad, die zij verrichtte, misschien om zich in tegenwoordigheid van den Franschen graaf met een aureool van heldhaftigheid te tooien en hoe vaak had zij niet in het diepste van zichzelf die daad betreurd, welke haar zoo duur was te staan gekomen.
Zij begon in te zien dat de handelingen, waarvoor wij vaak het meest geprezen worden door de wereld omdat zij geschieden in het openbaar, met groot vertoon van moed en kracht, niet de moeilijkste zijn om te volbrengen, dat het veel zwaarder is in den dagelijkschen strijd zichzelf stil te overwinnen, ieder oogenblik op nieuw te beginnen met de moeilijke taak zijn eigen »ik” niet te zoeken maar slechts datgene, wat waarlijk goed en edel is.
Zoo leerde Corona de lessen van den tegenspoed begrijpen, haar oogen gingen open ook voor de laatste daad van zelfzucht, die zij had gepleegd door Hermelijn te ontrukken aan haar echtgenoot en haar huis, door haar te dwingen met haar kind zulk een lastige, moeilijke reis te maken om harentwille.
Zij bewonderde en waardeerde Hermelijn, die altijd even opgewekt, even vroolijk bleef in haar tegenwoordigheid, die alles zoo licht opnam, van geen erkentelijkheid wilde weten en nooit liet doorschemeren hoe zwaar het offer was, dat zij haar schoonzuster, wie zij zooveel te verwijten had, dagelijks bracht.
»Lieve Hermelijn, je moet dadelijk terugkeeren, als we in Europa aankomen,” sprak Corona dikwijls tot haar, »ik kan de gedachte niet verdragen, dat Conrad je dagelijks mist en mij verwijt, dat ik hem van vrouw en kind beroof.”
Maar dadelijk betrapte zij zich weer op een aanval van zelfzucht, niet omdat Conrad haar iets zou verwijten maar om Hermelijn’s wille alleen moest zij aandringen op haar spoedigen terugkeer.
»Neen, beste Corona,” antwoordde Hermelijn, »ik doe niets ten halve. Ik moet eerst gerust zijn over je gezondheid en over degenen aan wie ik je overlaat, en dan ga ik pas »naar huis”.”
»Verlang je er naar?”
»Natuurlijk, maar wat kan dit er toe doen! Overal waar we aanhouden vind ik een telegram van Coen en dat is me een groote troost; hij zal onze Leni zeer veranderd vinden, geloof je niet. Zij ziet er uit als een roos! Zou zij hem herkennen?”
En zij waren pas drie weken op reis.
»Wat was die arme jongen kapot, toen we vertrokken,” ging Corona voort, »ik had niet gedacht, dat er in een der Gérans zooveel gevoel zat. Ik was toch erg ziek dat ik ’t kon aanzien en goedsmoeds scheidde, wat steeds vereenigd moet blijven. Ik geloof dat het zeer slecht was, even als alles, wat ik in mijn leven deed.”
»Je kon er niets aan doen Corona, en Coen zag het immers ook in. ’t Was een hard afscheid, dat is zeker, maar het wederzien zal des te zoeter zijn.”
»En mij wenscht niemand op de groote, groote wereld terug te zien. Ik word daar aan vreemden overgeleverd en dan... dan...”
»Kom Corona, hoop het beste!”
»Er valt voor mij niets meer te hopen, Hermelijn, niets. Ik kan niets anders doen dan het vreeselijke lot, dat mij overkomt, geduldig dragen, het niet te verzwaren door mijn geklaag en gemor, zooveel mogelijk de taak mijner bewakers licht te maken door mijn geduld en te hopen dat God mij mijn zelfzuchtig bestaan vergeeft omdat ik de straf, die Hij mij zond, met onderwerping draag.”
Zij liet zich slechts ernstige boeken voorlezen, zij wilde haar geest verstalen, haar hart verheffen en het was zeker een aandoenlijk schouwspel, te zien hoe haar goede natuur eindelijk over het lagere zegevierde en als het edele metaal, ontdaan van alle stof en roest, begon te schitteren in vollen glans.
»Hermelijn,” vroeg ze eens bijna nederig, »houd je van me?”
»Maar Corona, wat een vraag!”
»Heb ik geen recht die te doen? Ik weet dat je mij veracht en afgewezen hebt toen ik in mijn volle geluk en in mijn volle kracht was....”
»Na dien tijd is er zooveel gebeurd!”
»Niets, wat kon strekken om mij in je oogen minder hatelijk te maken en toch, Hermelijn, hoe hebt ge je gewroken!”
»Er is geen sprake van wreken, ik heb je eenvoudig behandeld, zooals mijn hart dat ingaf, er is niets verdienstelijks in.”