Hermelijn

Part 34

Chapter 344,140 wordsPublic domain

»Conrad,” zeide Hermelijn met bevende stem, »ik zal doen wat je beslist, maar in elk geval verlaat ik mijn kind niet.”

Hij stond op en ging boos de kamer uit.

»Morgen,” sprak hij, »morgen zullen wij er nader over spreken.”

»Als u bedenkt, mijnheer, dat de tijd dringt,” zeide de dokter ernstig.

Drie weken later werd Corona aan boord gedragen; de diep bedroefde Hermelijn volgde haar, vergezeld van haar kindje en twee Javaansche bedienden.

LIV.

In de fraaie vallei, die zich tusschen Maastricht en Aken uitstrekt, ligt een paar uur van de spoorbaan verwijderd tusschen de glooiende, met korenvelden bedekte heuvels, een onaanzienlijk dorpje; boerenwoningen liggen verstrooid in de kom, met hun stallingen omgeven door hooge muren en door boomgaarden, die daaraan grenzen.

Op eenigen afstand van het wit bepleisterde, door dennen omringd kerkje staat het zoogenaamde kasteel, een huis, dobbelsteenvormig gebouwd, uit gelen mergelsteen opgetrokken, die er thans grauw en verweerd uitziet, voorzien van een klokketorentje, waarin een verroeste bel hangt, waarschijnlijk zonder klepel, en dat een windwijzer draagt, welks haan altijd zelfs te midden van sneeuw en vorst zuidenwind verkondigt.

Een grasperk, met eenige appelboomen beplant, strekt zich voor het huis uit. Van achteren vormt een met kreupelhout begroeide heuvel een niet onaardigen achtergrond; een boerderij staat wat meer naar voren, rijk voorzien van alle meer schilderachtige dan mooie toebehooren, van zulke Limburgsche instellingen onafscheidelijk; moeder kip met haar kuikens wandelen ongestoord op het zand van de woning, trippelen op den varkenstrog en vreezen niet, een bezoek te brengen op de roode steenen van de deel.

’t Is middag vier uur en vrij warm, als er een reiziger door den hollen zandweg, die alleen tot het dorp toegang verleent, komt aangewandeld. Hij heeft een breeden stroohoed met neervallende randen op en draagt een grijs, licht fantasiecostuum, dat zijn slanke, krachtige gestalte goed doet uitkomen; een valiesje hangt over zijn schouder en een cigarette rookende ziet hij rond, met den blik van iemand, die elken struik, elken boom kent en ze met belangstelling terugziet.

De landlieden, die hem tegenkomen, schuiven beleefd aan de pet en wijden hem verder nauwelijks een blik; een vrouw, diep gebogen onder den zak gesneden klaver, dien zij op het hoofd draagt, daalt een der heuvels af, beneden gekomen werpt zij haar last weg en strijkt zich met den blauwen boezelaar over het gelaat om de druppels, die langs het zwarte kapje op haar voorhoofd glimmen, af te wisschen.

Een weinig nieuwsgierig ziet ze hem aan en vraagt in de eigenaardig zangerige spraak dier streken:

»Moet de heer op ’t kasteel wezen?”

»Ja” antwoordde hij in hetzelfde dialect, »maar ik ken den weg wel.”

Zij verwondert zich nog even over zijn kennis totdat zij plotseling uitroept:

»Onze jonge heer!”

»Die wat oud geworden is. Hé, ben je Mieke niet van den halvert [110]?”

»Juist heer, juist! Geer zeit zeer lang weg geweest!”

»Geef me je zak maar, Mieke, ik droeg die vroeger ook voor je, daar!”

En hij nam de klaver op zijn schouders, ondanks de uitroepen en tegenstand van Mieke; wat voor haar een last was om onder te bezwijken, scheen voor hem nauwelijks gewicht te hebben, zoo licht tilde hij die op zijn eenen schouder.

De boerin liep naast hem, druk pratend en vertellend van alle veranderingen, die er in de buurt hadden plaats gehad.

»Maar op het kasteel was het precies hetzelfde. De baron was in het laatste jaar niet meer buiten geweest, maar hij kreeg nog al veel bezoek, die werden met het rijtuig van de statie afgehaald en de jonge heer kwam nu te voet en droeg nog zelfs een zak klaver op zijn schouder. Als de baron het toch zag!”

De jonge heer ging voort allerlei vragen te doen, totdat zij aan de boerderij kwamen, waar Mieke t’huis hoorde, dat wil zeggen, die welke zich vlak bij het »kasteel” bevond. Toen kwam de halvert naar buiten en geloofde zijn oogen niet toen hij zijn nichtje in dat gezelschap zag.

»Wat is u bruin en groot geworden, jonge heer,” en ook de halvertsche kwam nader, met haar vingers vol van het deeg dat zij kneedde en riep luide dat de jonge heer zoo’n »struusche, schonen mins!” geworden was en dat hij den zak voor Mieke gedragen had, dat was juist nog zoo iets van vroeger. Neen, hij was dezelfde nog; nu, spoedig zou de jonge heer eens komen »kallen” en vertellen, waar hij zooal geweest was, nu moest hij zeker naar den baron toe.

Met een vriendelijken groet stapte hij het hekje door, dat toegang gaf tot het vrij verwilderde grasperk en daar de groen geverfde deur aanstond, stapte hij binnen in de kale ruimte, die te breed voor een gang en geheel met blauwe steenen geplaveid was; aan het einde bevond zich een plaatsje en daarop kwam de keuken uit.

’t Was Zaterdagavond, de koperen vaten lagen alle op den grond rondom de waterpomp waar een oude kogelvormige meid met opgestroopte mouwen druk aan het schuren was, terwijl een jongere de roode steenen van de keuken schrobde; een grijze poes lag rustig te slapen op den rand van een tobbe, waarin een oleander bloeide.

»Dag Kaatje!” riep de nieuw aangekomene met zijn heldere stem. Zij keerde zich om, in de eene hand nog de zeemleeren lap, in de andere het bakje schuurzand houdend; toen wierp zij plotseling beide weg en met een luiden kreet vloog zij den jonkman tegemoet en viel hem om den hals.

Hij maakte zich lachend uit haar onstuimige omhelzing los en hield haar bij den dikken, rooden arm vast.

»Och Iwan, meneer wil ik zeggen, wie kon dat denken? Hubertine, dat is nu onze jonge heer, van wien ik je zooveel heb verteld.”

»Wel Kaatje, je bent jonger en nog dikker geworden.”

»Vindt u, dat is toch zoo niet; och heeremijntijd, dat ik het beleven mag. Ik zal u direct koffie klaar maken, niet waar, u lust wel een kopje koffie. Ik dacht niet meer dat u terug zou komen; ach, wat lijkt u sprekend op... op mevrouw zaliger. ’t Zijn precies diezelfde oogen. En blijft u nu hier, meneer!.... jonge heer?”

»Voor zoolang ’t mij niet weer verveelt, Kaatje. Ik ben nog dezelfde onrust van vroeger. Is mijnheer boven?”

»Ja, zal ik ’t gaan zeggen?”

»Och, neen, hij zal niet zoo erg schrikken van mijn komst.”

»Dan breng ik de keuken in orde en zal wat voor u klaar zetten. Heeft u van middag gegeten?”

»Ik geloof ’t niet; maak zoo’n drukte niet, Ka! Je weet, daar hoû ik minder van!”

Hij hing zijn tasch en hoed aan een der horens van den hertenkop, die in de vestibule hing en sprong toen de roodbruin geverfde trap bij drie treden op; hij kende nog den weg door de nauwe, geheel met blauw behangselpapier beplakte bovengang en tikte aan een der deuren.

»Binnen,” riep een schorre stem.

’t Was er vrij donker, want de grauwe valgordijnen hingen bijna geheel neer; een groot bed met gebloemd katoenen gordijnen, nam een der zijden in; in het midden stond een tafel, beladen met boeken en papieren, een hemelglobe, kaarten vol geheimzinnige teekens, passers en cirkels, iets dat aan de werkplaats van dokter Faust deed denken.

In een hoogen fauteuil zat een lange, ineengedoken gestalte, een beenige, uitgeteerde man met een roode Egyptische muts op de sluike, aschgrauwe haren, een blauwe bouffante om de spitse kin en gewikkeld in een rood-bruinen chamber-cloak, die over de hoekige knieën openhing en een kalen militairen pantalon vertoonde.

»Dag vader,” zeide Iwan, de deur weer achter zich toetrekkend.

De mummie, want daaraan herinnerde de oude heer Thoren van Hagen meer dan aan iets anders, hield met zijn knokige hand zijn hoofd vast, dat hij moeilijk kon draaien en wendde toen den blik zijner uitgedoofde oogen naar zijn zoon.

»Zoo ben je daar?” klonk het onverschillig, »je bent lang weg geweest, och druk de deur goed toe, zij klemt een beetje. Doe ook een schopje kolen in de kachel! Ik heb ’t koud.”

En hij wikkelde zich dieper in de wijde plooien van zijn huiskleed. Iwan voldeed aan zijn verlangen, pookte de kachel op, die niettegenstaande de felle zomerhitte brandde en zette zich toen tegenover zijn vader op een krukje aan de andere zijde der tafel neer.

»Ik heb een interessant werk onder handen, de astrologie der Perzen en Mediërs, vergeleken bij die der middeleeuwsche zwartkunstenaars. Je wilt niet gelooven, wat een belangwekkende stof dit is, verbonden met de ondervindingen der hedendaagsche spiritisten.”

»Doet u daar nog altijd aan, vader, en steeds met hetzelfde succes?”

»Het succes moet nog komen, ik heb veel gewonnen maar er is nog enorm veel te doen, enorm! Wil je een brief lezen, dien je moeder heeft geschreven.”

»Dank u, vader, dank u!” zeide Iwan met kwalijk verborgen afkeer, »hoe houdt u het uit in deze benauwde atmosfeer?”

»De geesten zijn er t’huis, ik voel me geheel door hen omringd en daarbij ben ik een oud man, ik heb warmte noodig, van buiten en van binnen.”

»U vraagt me niet eens waar ik die drie jaar heb doorgebracht.”

»Och, je zult me niet meer vertellen dan je verkiest. Waar kom je nu eigenlijk van daan?”

»Direct uit Zoeloeland.”

»Zoo en wat heb je daar uitgevoerd?”

»Gevochten tegen de Engelschen, want ik was moe van het eeuwige doelloos ronddwalen.”

»En verveelt het je niet?”

»Ontzaggelijk!”

»Maak er een einde aan.”

»Door hier op ’t dorp te gaan boeren? Daar heb ik ook geen lust in. Wist ik maar wat te doen!”

»Help mij de geesten oproepen, me dunkt dat je een goed medium zult wezen.”

»Dat zal ik tot laatste toevlucht nemen; voorloopig heb ik genoeg aan de menschen van vleesch en been. Later komen de geesten aan de beurt.”

»En je huwelijk?”

»’t Is af.”

»Zoo en ik had je mijn toestemming gestuurd in blanco.”

»Heel vriendelijk van u, maar ik heb er nog geen gebruik van gemaakt.”

»Je bent rusteloos als de wandelende Jood, Iwan!”

»Ach vader, als ik getrouwd was, zou er misschien zoo’n heel geslacht Ahasverossen over de wereld zijn gestrooid en dat zou lastig en vervelend zijn geweest voor den rustigen mensch. Verbeeld u eens, een tweede volksverhuizing!”

»Ik heb ’t dadelijk gedacht toen ik dien brief van je kreeg, dat het maar een gril was, waarvan je spoedig genoeg zou krijgen.”

»U heeft goed gedacht, vader!”

»Een tering heb je er ten minste niet van gezet.”

»Wel neen, dat is uit de mode. Hoor eens, papa, als u er op gesteld is, dat ik u gezelschap houd dan moet u mij toestaan wat frissche lucht mee te brengen. ’t Is hier zoo benauwend warm, ik kan hier niet blijven.”

»Waar kan je blijven?”

»Och, waar ik niet ben, daar is mijn plaats. Lach niet, vader, ik heb de groote reis gemaakt hierheen, alleen om u gezelschap te komen houden en nu jaagt u mij met wat brandende kolen op de vlucht. Maar ik kreeg van mijn vader ook niet eens een hand tot welkomstgroet.”

»Ik wist niet dat je er op gesteld was. Daar!” en hij reikte hem de kille, dorre hand toe, die Iwan in de zijne nam.

»Op mijn reizen heb ik een andere vaderhand in de mijne gevoeld, waarom ik niet behoefde te verzoeken,” zeide hij.

»En je hebt die losgelaten?”

»Ik moest wel, helaas!”

De oude man nam hem op van het hoofd tot de voeten.

»Je ziet er knap uit, Iwan!” sprak hij met iets meer menschelijks in toon en blik.

»Vindt u! Mij dunkt ook, voor een verwaarloosd kind ben ik niet zoo geheel mislukt... van buiten, maar van binnen ziet het er soms ellendig uit.”

»Je bent mijn evenbeeld, ’t is maar jammer dat je de epauletten hebt weggeworpen. ’t Uniform zou je zoo goed hebben gestaan.”

»Jammer dat ik het niet eer heb ingezien. ’t Zijn dwazen die zich de militaire loopbaan kiezen zonder te weten of politiek hen misschien niet beter zou kleeden. Men wordt officier, niet om heldhaftige beweegredenen, maar eenvoudig uit liefde voor kleuren, omdat burgerjassen in een gezelschap zoo dof en eentonig staan.”

»Zoo! Heb je die wijsheid op je reizen opgedaan?”

»’t Is ten minste een proefje uit den schat, dien ik me vergaard heb. Groot is die schat niet. U weet, een rollende steen raakt niet bemost.”

»Zeg ’reis Iwan, zou er geen kans zijn om weer in het leger te komen, met je ouden rang?”

»Neen vader; dat kan niet meer, ik kan geen officier meer zijn, ik ben er nu ongeschikt voor.”

»Zoo, is er dan iets gebeurd, wat het je onmogelijk maakt?”

»Vraag het uw geesten maar, vader! Als ze dat zeggen, dan sluit ik me bij u op en erken hun alwetendheid.”

Hij streek met de hand dwars over het gelaat, een beweging, die hem in den laatsten tijd gemeenzaam was geworden.

»Heb je een slag ontvangen, waarvoor je geen voldoening kunt vragen?” vroeg de oude toovenaar.

De hoogroode kleur, die de warmte op Iwan’s gelaat had gejaagd, maakte plaats voor doodelijk bleek.

»Hoe vraagt u dat, vader?” vroeg hij met onzekere stem.

»Je beweging deed mij dat denken, zou ik kunnen antwoorden; maar ik denk dat de geesten het mij ingefluisterd hebben. Erken je nu hun macht?”

»Ik zeg volstrekt niet dat het zoo is,” antwoordde hij ontwijkend, »als men zoolang gezworven heeft, dan overkomen je allerlei avonturen en men wordt gaandeweg ongeschikt voor ’t huiselijk leven, dat hier op de Blinkert overigens ver te zoeken is. Misschien stoor ik uw geesten, vader, ik ga naar beneden, tot straks!”

»Och neen, laat me van avond liever met rust. Ik verwacht een bekend medium uit Aken en je zoudt met je eeuwigdurende rusteloosheid en je ongeloof de geesten op de vlucht jagen.”

»Ook goed, vader, tot morgen of overmorgen, wanneer u maar verkiest.”

LV.

Hij ging de kamer uit naar beneden, in de huiskamer, waar alles er keurig uitzag als in een onbewoond vertrek, de ramen waren hermetisch gesloten achter de blauwe horren en de geplooide gordijntjes; over de canapé en stoelen die stijf als soldaten langs den muur geschikt waren, lagen overtrekken van geel katoen, de lamp was in rose gaas gewikkeld; het buffet en de groote linnenkast glommen als spiegels en de koperen belegsels weerkaatsten de rosse zonnestralen, die door de ramen naar binnen drongen; een lucht van gesmolten was en terpentijn steeg op uit den geboenden vloer. Een hoop gesmeerde boterhammen en een groote taart van stijf deeg met gestoofde kersen, de echte Limburgsche vlâ, stonden in het midden der tafel; een flinke koffiekan dampte op het komfoor, alles noodde tot eten en drinken uit.

Iwan’s eerste beweging was, de ramen zonder eenige verschooning voor gordijnen en horren open te werpen en de frissche lucht, door de avondkoelte getemperd, naar binnen te lokken; toen zette hij zich neer en verklaarde aan Kaatje dat hij honger had voor drie.

»Eet, meneer Iwan, eet! Ik zet het niemand liever voor dan u. Den heer daar boven kan men het nooit naar den zin maken. Hij eet niets als meelspijzen, voor de geesten, weet u, maar hij is zoo lastig. ’t Is altijd te heet of te koud, te flauw of te zout! Denkt u dat ik hier langer zou blijven in dit vreemde land, als ik geen hoop had eens voor u te kunnen koken en uw bed te schikken?”

En zij schonk hem koffie in en vroeg of ze sterk genoeg was; hij vond alles heerlijk, alles volmaakt en deed haar tafel eer aan.

»Kom Kaatje, vertel me eens iets. Hij is onveranderd, niet waar?”

»Ach jonge heer....”

»Zeg toch Iwan, Kaatje, wie heeft er meer recht toe dan jij?”

»Nu dan Iwan, ik zou dikwijls denken dat het boven niet pluis is en dat de duivel er meer van weet. Daar hoort men soms zulke nare dingen en er komen allerlei vreemde lui van Aken of Luik, met lange baarden en lang haar en ik geloof dat zij meneer een boel geld kosten en waartoe het dient, ik weet het niet. Ik heb er dikwijls met den pastoor over gesproken maar deze zegt dat hij er niets aan doen kan, en dat ik maar trouw moet bidden opdat meneer een zalig sterfuur moge hebben, waaraan ik erg twijfel. Daar woont in Arendsberg een heer uit Holland en die brengt ze allen hier. Ik geloof dat het een bedrieger is. Ik zou willen dat u er eens onderzoek naar deed.”

»Elk zijn smaak, Kaatje, dat is het voordeel als men alleen op de wereld is, dat men al zijn liefhebberijen ongestoord volgen kan. ’t Ergste is als de tijd komt dat men geen liefhebberijen meer heeft. Wat zou vader wezen zonder zijn klopgeesten? Nog meer verveeld dan ik.”

»Maar Iwan, ik dacht dat u hier niet anders zou teruggekomen zijn, dan met een lieve vrouw; meneer vertelde mij ’t vorige jaar dat u aan trouwen dacht.”

»Zoo, was dat voor hem de moeite van het vertellen waard? ’t Is zoo geweest, Kaatje, ik heb op trouwen gestaan.”

»En is zij gestorven?”

»Voor mij is zij dood, ja! maar overigens leeft ze nog en is misschien zeer gelukkig.”

»Hoe jammer, hoe jammer!”

»Dat weet ik niet of ’t jammer is, Kaatje!”

»Heeft u haar portret nog.”

Iwan nam zijn zakportefeuille en haalde er een photographie uit, die hij Kaatje overreikte.

Zij ging bij het raam staan en hield het portret op armslengte van zich af om het beter te kunnen zien.

»Wat een prachtige vrouw!” riep zij bewonderend uit, »mooier dan de koningin!”

»Ik wil ’t gelooven, zij was ook prinses.”

»Een prinses. Wel allemachtig! Och, och, wat is ’t dan toch zonde, dat het niet doorgegaan is. Heeft u onaangenaamheid gehad, als ik zoo vragen mag.”

»Zoo’n beetje.”

»En zou ’t niet meer bijgelegen kunnen worden,” vroeg zij in haar Hollandsch dialect, dat een meer dan 20jarig verblijf in Limburg haar niet had kunnen ontnemen.

»Neen nooit,” was ’t vaste antwoord. Intusschen legde hij het portret weer op zijn plaats, maar langzaam, met de oogen strak er op gevestigd.

»Jonge heer!” riep Kaatje triomfantelijk, »nu zie ik ’t, u is in uw hart nog gek op die mooie dame, anders had u haar portret wel verscheurd en keek u er niet zoo oplettend naar.”

Iwan borg zijn boekje weg en glimlachte treurig.

»Hij ziet precies mevrouw... zaliger, ik mag misschien geen zaliger zeggen omdat zij zoo gestorven is, maar het arme schepsel was niet bij haar verstand en Onze Lieve Heer is barmhartig,” zeide Kaatje in zichzelf.

»Ik zie en bewaar graag iets moois, Kaatje!” verzekerde Iwan en dronk zijn kop koffie leeg; toen stak hij een sigaar op en drentelde het huis uit, hij beklom den heuvel en boven gekomen strekte hij zich op het gras uit en staarde naar beneden naar het vredige dal met dezelfde oogen, die zooveel aanschouwd hadden, zooveel trotsche natuurtafereelen, zooveel wonderen van kunst, zooveel tooneelen van ellende en geweld; het was weer een zoete kalmte, die hem omringde maar hoe verschillend van dien tropischen nacht met zijn weelde van sterren en bloemengeuren, met zijn hoopvolle gedachten aan een schoone bruid en een schitterende toekomst.

Hij kende elke boerenhut in de nabijheid, elken toren in de verte bij name, hij wist juist de plek, waar boomen hadden gestaan, die nu weg waren gekapt, waar het riviertje een kromming maakte, of waar kleine bronnen zich verborgen hielden.

Aan alles waren herinneringen verbonden uit zijn wilde jongensjaren; veel gedeugd had hij misschien niet, maar toch, hij was populair geweest, men mocht den zoon van den »baron” gaarne, hij was goedig en niet valsch. Later zag men hem altijd met genoegen terugkomen en hoopte dat hij zich eens op den Blinkert zou vestigen. Zich vestigen, zou dat ooit gebeuren; het leven lag nog steeds voor hem als een blok steen dat hij bewerken moest, maar hoe? ’t Werd tijd eens te beslissen, dat doellooze reizen, die jacht naar avonturen walgde hem; vroeger had hem steeds de wil ontbroken om kalm zijn ankers uit te werpen, vroeger had hij slechts in afwisseling van indrukken geluk gezocht, nu lachte hem niets meer toe dan een leven op één plek doorgebracht des noods, gericht op een enkel doel, maar alléén?

Hij had het genoeg gevoeld in de laatste maanden dat zijn liefde voor Corona dieper geworteld was dan hij ’t zelfs meende in de gelukkigste dagen hunner verloving; het uitwortelen van den eeuwigen wonderboom der liefde had hem anders zooveel moeite, zooveel pijn niet gekost, zonder dat hij er nog geheel in slagen kon.

Overal waar hij ook ging, vervolgde hem haar beeld, zooals zij hem verschenen was op den avond van Hermelijn’s aankomst te midden van vuur en bloemen, zooals hij haar gezien had tusschen de zwaveldampen van den krater toen hij haar zijn liefde toefluisterde, op den laatsten morgen van hun samenzijn aan den ingang van het rozenparadijs, eindelijk op het laatst toen zij voor hem stond, nog schoon in haar woede.

En steeds gloeide die pijn daar op zijn gelaat en deed hem aan haar denken in machteloozen toorn; hoe had zij zich gevoeld na zijn vertrek, was er berouw in haar ziel gekomen maar waarom hem niet geschreven, waarom toen nog niet de voldoening aangeboden die hij vraagde, misschien of hij dan niet had kunnen vergeven maar nu was alle verzoening onmogelijk, de wond was te diep, veel te diep in zijn hart gebrand.

Als hij die pijnigende gedachte maar verdrijven kon, doch neen, alles had hij beproefd, vergeefs! Zijn leven was voor goed gebroken, zoo hij niet met kracht den band aan het verledene verscheurde maar hij had niet eens den moed om te scheiden van haar portret; Kaatje zelfs, die goede, eenvoudige ziel had een bewijs gevonden voor zijn liefde in het bewaren van haar beeltenis.

Neen, hij moest een kort besluit nemen; als hij hier eens bleef, een nieuw huis bouwde op dezen heuvel en zich op den landbouw toelegde, een model hoeve stichtte, een stoeterij oprichtte, de een of andere blozende landfreule tot vrouw nam, dat waren plannen, die hem bezighielden; ’t was iets anders dan uitgebreide koffieplantages te beheeren, den toestand der Javanen te verbeteren, een Corona de zijne te noemen, voor en met haar te werken, haar lief te hebben, haar te vereeren. Och, och! wat was zijn leven verbleekt! Dwaze! nu dacht hij weer aan niets dan aan haar; die bladzijde uit zijn levensboek moest uitgescheurd worden, dan zou het overige misschien nog iets waard kunnen zijn.

Hij stond op en trachtte zich alleen bezig te houden met zijn modelhoeve, toen ging hij den heuvel af, bezocht de stallen, maakte met den knecht, die nog niet lang in dienst was, maar van Kaatje veel over den jongen heer had gehoord, een praatje, bezocht den halvert, zette zich met den man neer op de bank onder de linde en dronk een glas echt Limburgsch bier.

De halvert vertelde veel over den toestand der landerijen en van het vee, had het druk over de slechte tijden en slechte menschen en Iwan scheen aandachtig te luisteren, voor niets meer oog en oor hebbende dan voor de verhalen van den landbouwer.

»Jonge heer, jonge heer!” riep Kaatje’s schelle stem, »het eten is klaar.”

»Alweer,” zeide Iwan glimlachend en trad in de kamer, waar geurige pannekoeken en slâ het smakelijk avondeten uitmaakten en een zwaar bestoven flesch wijn, zoo pas den kelder verlaten, hem wachtte.

»Hou me gezelschap, Kaatje, zet je daar neer,” sprak hij vriendelijk, »ik heb zoo dikwijls onder vreemden gegeten, dat ik nu verlang naar een bekend gezicht tegenover mij.”

»Zal ik jongen heer zeggen, waar hij nu het meest behoefte aan heeft,” vroeg de oude meid glimlachend.

»Waaraan dan Kaatje?”

»Aan een eigen huis en haard, Iwan!”

»Ik geloof dat je gelijk hebt, Kaatje!”

En hij liet het hoofd in de handen vallen en mijmerde een poosje voort zonder het eten aan te raken tot Kaatjes groote teleurstelling.

»Gekke jongen,” zeide hij tot zich zelf, »wat overkomt je van zoo te droomen! Je hadt er nooit aanleg toe! maar ’t is hard, de wereld geheel alleen te doorkruisen en, t’huis gekomen, niemand te vinden dan een oude meid, die zich over den terugkeer van den verloren zoon verheugt.”

»Men wordt dat eeuwige reizen eenmaal moe, dat kan niet anders, jonge heer!” ging Kaatje voort, »en als men dan eenmaal tot rust komt, een lief vrouwtje vindt en spoedig een paar aardige kindertjes krijgt, dan is men blij dat alles gehad te hebben en er rustig over te kunnen praten.”

»Zou je denken dat ik een goed huisvader zou worden, Kaatje?”

»Wel zeker, mijnheer, zulke woeste jongens worden gewoonlijk de beste mannen en de beste papa’s. ’t Is goed als die wilde haren er maar voor het trouwen afvliegen.”

»Och kom, aan wildheid heeft het anderen ook niet ontbroken en toch... wat is er van gekomen?”