Hermelijn

Part 33

Chapter 334,083 wordsPublic domain

’s Avonds openbaarden zich zware koortsen bij Corona; een vreeselijke tijd brak voor Ngaroengan aan, want ook de toestand van den ouden heer verergerde, maar onder Hermelijn’s kalme en verstandige leiding, werden alle krachten gebruikt.

Het was een zware taak; de vulkaan was nog niet geheel tot rust gekomen, nu en dan deden zich nog lichte schokken voelen, die zoowel bedienden als huisgenooten grooten schrik aanjoegen; men had de kinderen zooveel mogelijk weggestuurd en het gezin zooveel ’t kon ingekrompen.

’t Hardste viel het Hermelijn, dat haar kleine Leni aan moederlijke zorgen te kort kwam en zij haar aan de overigens goede en trouwe baboe moest overlaten. Kitty trok zich echter de kleine meid aan; bij de verdeeling van den arbeid had zij dit de aantrekkelijkste en gemakkelijkste taak gevonden.

Conrad vereenigde zich met zijn broeders om de schade na te gaan, die de koffietuinen hadden geleden en die zooveel mogelijk te verhelpen; het bleek weldra dat de Gérans door de uitbarsting een groote vermindering van hun inkomsten zouden ondergaan. Zij bezaten nog veel, maar met hun macht als koffiekoningen was het voorloopig gedaan.

Toen men op zekeren morgen bij het bed van den ouden heer kwam, ontwaakte hij niet meer; zijn hartkwaal had hem gedood; thans vooral was zijn dood een zware slag; het beheerschend element ontbrak geheel in deze hachelijke tijden, want er was niemand, die overwicht en verstand genoeg bezat om zijn taak over te nemen.

August was een goed werktuig, zooals zijn vader hem steeds waardeerend noemde; Guillaume had niet den minsten lust tot gezetten arbeid. Te midden van de ernstigste besprekingen kon hij opspringen om met een kind te stoeien, een vrouw te plagen, of een vlinder te vangen. Conrad, het bleek nu duidelijk, had verreweg het beste inzicht in de zaken, hij wist zich te door dringen van den geest zijns vaders, maar hij was jong, driftig en niet opgewassen tegen de inhaligheid van Akkeveen, die als voogd over zijn eenig overgebleven kind en erfgenaam van zijn vrouw, weldra al zijn verdriet scheen te hebben vergeten om, reeds bij de doodkist van zijn schoonvader, er voor te zorgen dat hem niets werd te kort gedaan.

De goede Portias trok zich met zijn vrouw en kleine Leni in zijn pavilloen terug, zich alleen bezig houdend met Kitty’s smart, die voor haar doen bijzonder lang duurde.

Hermelijn wijdde zich nog steeds aan Corona; niemand kon de arme zieke zoo liefderijk en tegelijk zoo krachtig bijstaan; niemand vermocht haar te bedaren, niemand haar te troosten toen zij door een onvoorzichtig uitgesproken woord den dood haars vaders vernam. Zij sliep bij haar schoonzuster op de kamer en was steeds dag en nacht, bij den minsten zucht gereed aan haar bed te komen staan en haar hulp te verleenen.

»Hermelijn, ik kan ’t niet aanzien. Je moet rust nemen en je laten vervangen,” zeide Conrad ontevreden. »Van nacht zál ik waken.”

Hermelijn gehoorzaamde, maar nauwelijks was zij voor enkele oogenblikken in slaap gevallen of Corona ontwaakte; met de eigenzinnigheid van een klein kind riep zij om Hermelijn, maakte zich zenuwachtig en opgewonden, wilde van geen vreemde hulp weten en dreigde haren arm uit het verband los te maken als men Hermelijn niet haalde.

Zoo werd zij dan uit haar rust opgeroepen en Corona wilde niet kalmer worden, vóór zij haar zachte hand weer in de hare voelde.

’t Was een ziekelijke gemoedstoestand, waartegen echter voorloopig niet te strijden viel; noch Margot, noch Kitty duldde zij bij zich.

»Als je hier bent, dan weet ik, dat je mij vergeven hebt,” sprak Corona met al ’t egoïsme van een ziekelijk, zwak schepsel.

»Maar ’t kan niet zoo blijven,” pruttelde Conrad, »zij heeft ’t waarlijk niet aan ons verdiend dat gij je aftobt en je man en kind verwaarloost om harentwille.”

»Schande, dat je daar nog aan denkt!” antwoordde Hermelijn streng. »Ik dacht dat alles dood en begraven was maar men stookt je op tegen Corona, ik merk het wel.”

Inderdaad bestond er een samenspanning tegen haar; nu eerst, nu zij van haar vader, haar beschermer en steun beroofd was, durfde ieder zijn wrok tegen haar uitspreken; haar zwakke toestand boezemde zelfs geen medelijden in.

Akkeveen was de ziel van het verbond; hij kon ’t zich niet vergeven dat hij in een oogenblik van zwakheid en weeke gemoedsstemming, die zelfs den ongevoeligste een enkelen keer overkomt, schuld aan haar had bekend; nu was zij weerloos, men kon haar thans het beste straffen voor het misbruik, dat zij vroeger van hare macht had gemaakt.

Hij vond handlangers eerst in Toetie, die zoowel Corona als Hermelijn haatte zooals bekrompen zielen hen haten kunnen, die hun meerderen zijn, verder in Margot, die een meisjesgril voor Thoren van Hagen en later voor den Franschen graaf had gevoeld en Corona maar niet vergeven kon dat zij zich van beiden had meester gemaakt.

Later voegde bijna onverwacht August zich bij hen. Deze meende dat aan hem als oudste zoon het recht toekwam, zich met zijn gezin in het groote huis te vestigen.

Op zekeren morgen kwam de geheele familie, in draagstoelen gezeten, op Ngaroengan aan en met zijn gewoon phlegma verklaarde August, dat hij daar zijn intrek nam en zich niet liet verjagen; als het anderen niet goed voorkwam, dan moesten deze het huis maar ruimen.

In andere gevallen zou Akkeveen heftig tegen dit plan hebben geprotesteerd; nu echter juichte hij het van ganscher harte toe. Het gejoel der kinderen maakte het immers onverdragelijk voor de arme Corona, die geen oogenblik rust kon vinden en ’s avonds weer hevige koortsen kreeg.

»’t Kan zoo niet blijven!” zeide Hermelijn verontwaardigd tot haar man, »hadden ze dan niet kunnen wachten?”

»Zoo lang er geen verdeeling heeft plaats gehad, bezit ieder hier dezelfde rechten en ik zie ook niet in, waarom wij allen ons om Corona moeten behelpen.”

»Ik ken je niet meer, foei!” riep zij, »als er een is, die haar iets te verwijten heeft, dan ben ik het en ik kan ’t niet verdragen, dat men haar vroeger naar de oogen zag en nu zij ziek en vaderloos is, op kleingeestige wijze tergt.”

»En ik kan ’t niet aanzien dat mijn vrouw zich voor haar afbeult en dat er nog gezegd wordt....”

»Wat wordt er gezegd?”

»Dat je het doet om groot vertoon van vergevingsgezindheid te maken en je er niets van meent.”

»En geloof je dat?”

»Ik ken je, Hermelijn, dat is mij genoeg.”

»Maar wie heeft dat gezegd, Akkeveen toch niet?”

Conrad zweeg en een blos van ergernis kleurde Hermelijn’s wangen; zij had haar man geen woord gezegd van Akkeveen’s bekentenis om geen nieuwe haat en wrok rond te strooien in harten, die er maar al te ontvankelijk voor waren, en nu ook sprak zij er niet over, maar haar verachting voor Dolly’s weduwnaar werd er nog grooter door en steeg tot het hoogste punt toen zij merkte, dat hij nog geen maand later druk bezig was een rijk nichtje van Toetie op zijn manier het hof te maken.

»We moeten naar Djantong terugkeeren. Ik hou ’t hier niet langer uit,” ging Hermelijn voort. »We zijn niet meer in ons eigen huis nu alle Poppie’s, groot en klein, hier regeeren. Ik hoor dat ook Toetie de volgende week komt, en vóór dien tijd wil ik weg zijn.”

»Je raadt mijn gedachten; ik durfde het je niet voorstellen, daar ik meende dat je niet van Cor af kon.”

»Dat kan ik ook niet en zij moet mee.”

»Hermelijn, is je dat ernst?”

»Meende je dat ik haar zou verlaten in dezen toestand tusschen al die vijandige menschen? Zoo lang als ik bij haar ben, zal Kitty zich wel wachten zich bij de anderen te voegen, maar wanneer ik op Djantong was, zou zij spoedig hun partij kiezen terwijl haar man rustig violencel speelt en zich boven alle aardsche zaken verheven acht. Wie zou op haar passen? En zij heeft elk uur van den dag hulp noodig.”

»Maar waarom moet jij die nu juist verleenen?”

»Coen, Coen, wat wordt het ook voor jou hoog tijd, dat je wegkomt uit deze atmosfeer van egoïsme, wrok en inhaligheid. Toen we op Samarang waren zou je blij geweest zijn eens een bewijs te kunnen geven van je goed, edel hart. Denk je niet dat papa met welgevallen er op neerziet, dat wij ons zijn lievelingsdochter aantrekken en dat het later een zoete voldoening voor ons zal wezen, als wij kwaad met goed hebben vergolden en de hulpelooze zieke niet verlieten, toen ze allen tegen haar samenspanden?”

Conrad verborg zijn gelaat op haar schouder.

»Je hebt gelijk, Hermelijn! Wat je wilt is alleen goed en nobel, maar ik kan ’t niet helpen dat ik er soms anders over denk. Ze zeuren den heelen dag bij mij, dat jij er zoo slecht uitziet, dat jij je aftobt en dat kleine Leni stellig verwaarloosd wordt en het mijn plicht als man en vader....”

Dit kon Coen altijd met een grappigen trots zeggen. Dit was zijn zwakke punt, wie maar zijn ijdelheid als man en vader streelde, was zeker iets van hem gedaan te krijgen. Dan voelde hij zich eerst recht een persoon van gewicht.

»Mijn plicht als man en vader was, daaraan een einde te maken.”

»En wat moest er van Corona worden?”

»Dat vroeg ik ook en dan antwoordden ze...”

»Akkeveen en Toetie zeker, aangetrouwden, die je plichten willen voorschrijven tegenover je eigen zuster; nu, wat antwoordden ze?”

»Wat het zwaarste is, moet het zwaarste wegen. Corona moest maar naar Soekarenga overgebracht en ergens in den kost besteed worden, waar zij geregeld onder dokter’s behandeling kwam.”

»Onder vreemden dus! Een mooi plan! Neen, ik heb den dokter geraadpleegd; hij ziet er geen kwaad in, als Corona over een paar dagen in een geschikte draagstoel naar Djantong wordt overgebracht. Ik sprak er haar van en voor ’t eerst begon zij te glimlachen. Denk je dat het geen belooning voor me is, als ik haar kalm en tevreden zie, onder mijn behandeling? Ze krijgt de logeerkamer en dan kan ik Leni weer geheel onder mijn handen nemen, ’t is daar alles zoo beknopt, zoo geriefelijk ingericht. Och Coentje-lief, wat ben ik blij dat we weer naar ons lief huisje gaan en dat het niets geleden heeft door die ramp.”

»Ik ben ook blij, Hermelijn, meer dan ik zeggen kan, jammer alleen.... dat wij niet onder ons zijn, maar je hebt gelijk, men moet niet alleen om zich zelf denken. Maar wie weet daarvan, wie, behalve mijn lief, goed, ferm wijfje?”

LIII.

Zoo betraden dan Conrad en Hermelijn met hun zieke zuster het huisje, waaraan reeds zoovele herinneringen voor hen waren verbonden.

Hermelijn’s voornemen had groot opzien gebaard; men lachte en spotte er over, zette Conrad in ’t geheim op tegen die dwaasheid van zijn vrouw, maar vergeefs! hij was te overtuigd geraakt van haar meerderheid en beantwoordde alle opmerkingen met een hardnekkig zwijgen.

»Hoe voorzichtig ook de tocht naar Djantong geschiedde, toch verergerde Corona’s toestand er gedurende eenige dagen aanmerkelijk door.

»Ik vrees dat zij voor goed verlamd zal zijn aan haar rechterkant,” sprak de geneesheer. »’t Is jammer, dood jammer van die mooie vrouw.”

Tegen Hermelijn was Corona nu eens zacht en vriendelijk, dan weer scherp en veeleischend; als Conrad het maar niet hoorde, dan was Hermelijn er geheel onverschillig onder, doch zij wist hoe zijn wenkbrauwen zich dan konden fronsen en zijn lippen zich ontevreden plooien om den last, die zijn vrouw op zich had genomen.

Moeilijk genoeg viel het haar, hem niets te doen verliezen van de huiselijke gezelligheid en tegelijk haar plichten als ziekenoppasster te vervullen.

»Hermelijn, wat bezielt je toch, dat je zoo goed tegen mij zijt?” vroeg Corona in een harer goede buien. »Ik heb ’t er toch niet naar gemaakt.”

»Als ik ziek ben, zal je me immers ook oppassen?”

»Zal ik dat ooit kunnen? Ik vrees dat ik arm en hulpbehoevend zal blijven, mijn leven lang! Ik word gestraft, daar waar ik gezondigd heb. O die schuldige arm! Kon ik maar geduldig het leed dragen, dat ik verdiend heb door mijn eigen schuld.”

Hermelijn vroeg geen nadere uitleggingen, zij wachtte geduldig totdat Corona haar een volledige bekentenis deed van alles wat er tusschen haar en Iwan was voorgevallen. Hermelijn sidderde; zij kende Iwan’s karakter en begreep, met hoeveel verbittering en wrok hij zich die mishandeling had laten welgevallen: een beleediging, waarvoor hij geen herstel kon vragen, een smet, die niet was uit te wisschen.

»O je weet niet, wat ik geleden heb,” snikte Corona, »in die slapelooze nachten, vóór dat ik tot opium mijn toevlucht nam om ten minste voor enkele oogenblikken te vergeten, wat ik gedaan had. De arm, die daar nu zoo machteloos neerligt, hoe heb ik soms verlangd hem te straffen maar ik wond mij op, door de gedachte dat hij me eigenlijk niet beminde, dat hij alleen dacht aan jou, Hermelijn.”

»Corona, wat een vermoeden!”

»Je weet niet, je weet niet, hoe die lage Iteko mij vervolgd heeft met haar half bedekte beschuldigingen, hoe zij alles wat er zwaks en slechts in mijn karakter lag, wist op te wekken en te prikkelen; zij maakte mij Iwan’s liefde verdacht en jou deugd; zij... zij is dood, ik wil haar niet meer beschuldigen, maar dat Akkeveen nog niet ontmaskerd is, dat mijn broers en zusters met hem heulen, o die gedachte maakt me soms zoo verbitterd.”

»Maar zou ’t dan niet goed zijn, als je het aandeel dat hij er in gehad heeft, bekend maakte.”

Corona glimlachte treurig.

»Wat zou ’t baten, Hermelijn? Zij zijn zoo verblind, zoo tegen mij ingenomen; ’t is zulk een gemakkelijk werk, om, nu de groote Cor hulpeloos neerligt, haar te vertrappen en sarrend om haar heen te dansen! Ze zijn allen dezelfde.”

»Conrad niet.”

»Omdat zijn vrouw de reine, blanke Hermelijn is! Dat ik je ooit kon vergelden, wat je mij doet! Als ik Iwan niet verdreven had, dan ware hij sinds lang mijn man, mijn beschermer geweest; hoe zouden die lafaards voor hem ineengekrompen zijn; ik was niet afhankelijk geweest van iemands christelijken, edelmoedigen vergevingszin. Ach, wat heb ik van me afgeworpen! ’t Is of ik niet genoeg gestraft werd door zijn verlies.”

Zoo jammerde zij telkens; niets was in staat haar uit die diepe moedeloosheid op te heffen; dagen gingen voorbij, dat zij zonder een woord te spreken rustig neerlag, maar als de koorts zich op nieuw verhief, werd zij onrustig, bijna onhandelbaar. Zij had voor niemand ontzag en tergde Hermelijn met allerlei onzinnige verlangens. Later vroeg zij dan weer nederig vergiffenis en wierp alle schuld op haar treurigen toestand.

Nooit echter maakte zij er toespelingen op, dat zij haar ongeluk te wijten had aan de redding van Akkeveen’s jongetje, die juist aan het bestaan van dat kind het recht meende te ontleenen haar te vervolgen.

»Wat is Dolly gelukkig; arm schepsel! Ik moet telkens en telkens aan haar denken. Nog pas 20 jaar en reeds afgerekend met het leven! Wat zou haar lot, ondanks haar hooge levensbeschouwing, op den duur zijn geworden naast dat wezen? Je hield veel van haar, Hermelijn?”

»Ja. Ik achtte haar hoog, ik heb veel van haar geleerd.”

»Zij is ook ongelukkig geweest door mijn schuld. Ik heb haar gekoppeld aan Akkeveen! Al mijn zonden bezoeken mij thans, alles komt op mijn hoofd terug, wat ik misdeed en ’t ergste verplettert mij nog je goedheid. Hermelijn, zend me weg, laat huurlingen mij oppassen, niemand voelt nog iets anders voor mij dan medelijden. Hij zelf zou me beklagen, als hij mij in dezen toestand zag. Ik weet hoeveel die trouwe oppassing je kost en hoe Conrad ’t met leede oogen aanziet, dat je zoo goed tegen mij zijt.”

»Lieve Corona, denk daar niet aan. Ik doe ’t met liefde.”

»Dat weet ik, helaas! Je moet assistentie hebben, plaats een advertentie in de courant om een ziekenoppasster.”

Er kwam hulp voor Hermelijn in de persoon eener handige dame, maar deze kon ’t Corona niet naar den zin maken; met een volharding, die soms aan gestoorde geestvermogens deed denken, bleef zij telkens om haar schoonzuster roepen en de juffrouw vroeg haar ontslag, overtuigd, dat zij hier niets kon uitrichten.

Toen kwam Kitty eens over, die het in de rumoerige, inlandsche huishouding ook niet kon uithouden; zij was van goeden wille, zij verlangde niets liever dan haar zuster te verzorgen, maar Corona kermde het uit als zij haar kussens verschikte, het eten, dat zij bracht smaakte haar niet; elke dienst werd afgekeurd en ten einde raad trok ook Kitty zich terug.

»Ik denk, dat we zoodra alles opgeschreven is, naar Batavia gaan,” zeide Kitty, »men heeft Portias voorgesteld directeur te worden van Polyhymnia, hij kon dan tegelijk een cursus houden van muziek, en ik wil hier ook niet langer blijven. Poppie neemt het huishouden waar op haar manier, Toetie brengt alles in de war, ze kibbelen soms, dat de sloffen en de haarkondés er bij te pas komen. Er is nergens orde of regelmaat, de kinderen verwilderen heelemaal. Ik heb er zoo dikwijls over geprutteld dat Cor te streng was en papa in alles haar zin deed maar nu zie ik in, hoe noodig ’t was om zoo’n bende brandals [109] met de karwats te regeeren.”

»Dat moet je haar eens zeggen,” zei Hermelijn.

»Er wordt niet geregeld meer gegeten, niet meer geleerd; de kinderen loopen rond op bloote voeten, zitten in de stal of in de bediendenkamers, plagen de pauwen en bederven de bloemen, schelden de volwassenen uit en worden voor niets gestraft. Niemand heeft meer iets te zeggen, allen commandeeren tegelijk. Akkeveen denkt aan niets dan te trouwen met de rijke Gerardine van Dijk. Schandelijk, zoo kort na den dood van onze lieve Dolly; Guillaume drinkt en speelt, hij is bijna nooit in huis, August zegt geen woord. Conrad en Portias zijn nog de eenigen, die wat uitvoeren. Margot is de boezemvriendin van Gerardine en wordt een onuitstaanbaar nest. Philip is den heelen dag niet te zien, de hemel weet, wat hij doet. Zoodra dus de boel wat geregeld is, groeten wij die leelijke vulkaan en gaan op het goddelijke Batavia wonen.”

Toen Hermelijn Corona iets vertelde van den loop der dingen op Ngaroengan, zuchtte de zieke diep en vroeg:

»Had papa niet goed gezien toen hij Iwan als zijn opvolger wilde bestemmen? ’t Is alles, alles mijn schuld, alle ellende die nu komt; mijn vervloekte drift, mijn onzalige eigenzinnigheid hebben die rampen veroorzaakt. Als Akkeveen op zijn plaats t’huis ware geweest en niet op het feest, zou Dolly misschien gered zijn, als...”

»Vermoei je nu maar niet met die alsjes uit te denken; je moet toch ook iets overlaten aan de beschikkingen der Voorzienigheid, die zulk een ramp over ons zendt.”

»Maar hoe heel anders zouden we die ontvangen hebben als ik met Iwan getrouwd ware. Je moet me wat vertellen, Hermelijn, ’t is iets wat mij onuitsprekelijk kwelt. Weet je ook waarom hij papa vroeg om een betrekking op het koffieland?”

»Hij heeft het me nooit gezegd maar ik raad het toch, Iwan was niet volmaakt, hij had vele gebreken, een daarvan was zijn rusteloosheid. Hij had ’t met de meeste mannen gemeen, dat liefde alleen zijn hart niet kon vullen. Zij moeten iets hebben om voor te werken en over te denken; hij kende die kwaal van hemzelf het best en om die te overwinnen vroeg hij papa een betrekking. Hij wilde waardig blijven, je altijd te mogen beminnen.”

»Hij is edel geweest als altijd. Wat moet hij me thans verachten, dat valt mij zoo zwaar!”

Hermelijn trachtte in Corona’s zwakke oogenblikken haar levensmoed op te wekken, haar kracht in te spreken, maar zij bleef even mat, even lusteloos; haar sterke, levendige geest was niet alleen tot werkeloosheid veroordeeld door de onmacht van het lichaam, maar ook gedwongen, zich altijd met haar gedachten in een kring te bewegen om één middelpunt.

»Dolly sprak van de smart, die den inwendigen mensch moet louteren,” dacht zij dikwijls, »ik geloof dat zij mijn ziel slechts verbittert; ik heb alles gevoeld, ziele- en lichaamssmart, ik heb getracht het te dragen als een straf, als een beproeving, het wordt er niet beter om. Mijn verbittering neemt toe, ’t is me nu of ik krankzinnig zal worden bij de gedachte dat ik misschien tot mijn dood zulk een leven zal voortsleepen, mijzelf en anderen tot last.”

En toch deed zij niets om dien last te verminderen, dwong zij met alle kunstgrepen van een ondeugend kind op Hermelijn’s bijna gestadige tegenwoordigheid aan.

Conrad werd ongeduldig; hij liet een consult van eenige geneesheeren houden, hun oordeel luidde kort en beslist; hier was er geen genezing te hopen, in Europa wellicht.

Blijkbaar durfde niemand de zware verantwoordelijkheid van haar behandeling aan; haar gestel was daarbij te geschokt om zulk een reis nog te kunnen uitstellen; haar zenuwen waren overprikkeld, de zeelucht, verandering van omgeving zouden wellicht een goeden invloed oefenen en hoe spoediger zij vertrok hoe beter.

De doktoren namen de zware som aan, die dit advies waard was, gaven flauwe hoop op genezing, en vaste verzekeringen dat een langer verblijf op Java stellig dood, krankzinnigheid of verlamming ten gevolge zou hebben.

Toen zij vertrokken waren stonden Conrad en Hermelijn radeloos.

»Wat moet er nu gedaan worden, Coen?” vroeg Hermelijn.

»Zij dient te vertrekken!” antwoordde hij somber.

»Maar hoe?”

»Dat weet ik niet, zij moet het zelf weten.”

»We mogen ’t haar nog niet zeggen, haar zenuwen zouden het niet verdragen.”

»Maar de reis is onvermijdelijk; we moeten geleide voor haar zoeken.”

Plotseling barstte Hermelijn in luide snikken los; Conrad, die zulke uitbarstingen van haar niet gewoon was, wist niet wat te denken en overlaadde haar met de teerste vragen.

»O Coen, dat zou toch onmogelijk zijn, denk daar niet aan.”

»Maar wat dan?”

»Dat ik met haar mee zou gaan, jou verlaten en Leni!”

»Spreek daar niet over, dat is onmogelijk,” zeide hij norsch, »niemand is zoo goed voor haar geweest, niemand heeft zooveel voor haar over gehad als wij; alles heeft echter zijn grenzen. ’t Zou nooit in mij opgekomen zijn aan zulk een mogelijkheid te denken.”

Voorzichtig bracht Hermelijn aan Corona de uitspraak der doctoren over. Zij zuchtte diep en schudde het hoofd.

»Daar kan niets van komen,” sprak zij, »ik mag er niet aan denken.”

»Maar lieve Corona, als het zijn moet.”

»O als er slechts de dood mee gemoeid ware, ik zou er mij rustig bij neerleggen, maar levenslange machteloosheid, ’t is om te sidderen.”

»Vind je het dan goed dat we er werk van maken?”

»Werk waarvan?”

»Van je reis.”

»Je zult niemand vinden, die in staat is mij op te passen, dat weet ik vooruit.”

»Maar we kunnen er toch wel een zoeken.”

»Ja, maar je vindt ze niet.”

Nu Corona vooruit haar onwil uitdrukte, was het wel te vreezen, dat zij niet licht zou zijn tevreden te stellen. Conrad deed zijn uiterste best om geschikt reisgezelschap voor haar te vinden, maar reeds bij de kennismaking verklaarde zij dadelijk dat zij niet tevreden was en er nooit mee tevreden zou zijn.

»Doe maar geen moeite, Hermelijn!” sprak zij, »doe maar geen moeite. Laat me stil begaan, gun me alleen een plaatsje om te rusten; wellicht zal God zoo goed zijn een einde te maken aan mijn ellendig nutteloos leven. Moge het spoedig wezen!”

Haar moedeloosheid nam meer en meer toe; niets kon haar daaraan meer ontrukken. De dokter raadde spoed aan om Indië te verlaten en stond anders niet voor de gevolgen in.

»Och,” zeide ze eens met alle onbillijkheid eener zieke, »het is hun geheel onverschillig hoe ’t met mij gaat. Leefde mijn goede vader nog maar; nu is er niemand meer, die belang in mij stelt. Men wil mij aan vreemden overlaten, de zee overzenden en hoe minder men van mij hoort, hoe beter. Ik blijf hier, er kome wat er wil.”

Eindelijk verklaarde de geneesheer, die haar eenige keeren in de week kwam bezoeken, dat zij binnen drie weken aan boord moest gaan, daar hij anders voor de gevolgen niet instond. Hermelijn zag haar man aan met pijnlijk verwrongen gelaat. Hij wendde den blik af.

»Mevrouw,” zeide de dokter, »er is slechts één middel, ik durf het niet aanraden. Maar bedenk, dat het leven, de gezondheid, het verstand wellicht van uw zuster er van afhangen. U moet haar vergezellen, al ware het alleen maar op reis. U is de eenige, door wie zij wil opgepast worden.”

»Dokter, praat er niet van,” riep Conrad, »u begrijpt toch wel, dat ik het niet kan toestaan, of ik moet mee, en dat kan niet in deze omstandigheden.”