Hermelijn

Part 32

Chapter 323,955 wordsPublic domain

Den volgenden avond terwijl zij rustig zaten thee te drinken en Conrad zijn dochter op den schoot hield tot groot vermaak van Hermelijn, die zich verwonderde over zijn handigheid, maakte zij de opmerking dat het buiten ondanks den maneschijn donker werd en er toch een oogenblik te voren nog geen kans scheen te bestaan op wolken en regen.

»O Coen, zie eens! wat ligt daar een stof op tafel, Leni’s kleertjes zijn er heel vol van. Wat kan het zijn?”

Een zwaar gedruisch deed zich te zelfder tijd hooren, als van een opkomend onweer of als een eindeloos kanongebulder; tegelijk zagen zij de lampen wiegelen als waren het de slingers eener klok, de tafel ging op en neer en de grond beefde onder hun voeten.

»Een aardbeving, een aardbeving!” gilde Hermelijn ontzet, »laat ons vluchten, Coen, met de kleine.”

»Blijf bedaard, Hermelijn! Ga niet naar buiten, er is nog geen gevaar, ik heb meer aardbevingen gezien.”

De duisternis werd echter hoe langer, hoe dikker; het dansen van den aardbodem en het gedonder van het geschut hielden aan; Hermelijn drukte haar kind bevend aan het hart.

»Laat ons naar buiten gaan, Coen!” smeekte zij.

Hij was bewonderenswaardig kalm.

»Buiten valt gloeiende asch, Hermelijntje, en die is ook te vreezen; er is niets te doen dan geduldig hier blijven. Ik vrees dat het de Merawoe is, die losbarst.”

»God spare dan onze familie!” snikte Hermelijn, »Coen, ga niet heen! Ik zal niet naar buiten gaan en binnen blijven juist zooals je wilt maar ik bid je als we sterven moeten, laat het dan samen zijn.”

»Er is geen quaestie van sterven,” sprak hij, haar liefkoozend, »als het ten minste de Merawoe is. Wij krijgen hier alleen de naweeën.”

»Hoe moet het daar met hen gesteld zijn, met Dolly, die ’t dichtst bij den krater woont?”

»Laat ons op God vertrouwen Hermelijn! Anders kunnen wij voorloopig niets doen, en verder wachten.”

Nog eenige uren brachten zij in angst en vrees door; het beven en schudden der aarde hield nog steeds aan, plotseling hoorde men een geweldigen knal, hemel en aarde schenen van elkaar te splijten. Hermelijn klemde zich angstig vast aan haar man, die zijn dochtertje stevig op den schoot hield, een hevig gekraak als van neerstortende huizen deed zich hooren, porselein en glas vielen kletterend in stukken; de grond geleek de dansende baren der zee, zoo onstuimig en wild; zij gaf een angstigen gil en sloot de oogen.

»Ze zijn zeker allen dood, allen,” kermde zij, »mijn God, moet dat dan het einde wezen?”

LI.

»Hemel en hel zijn getergd, geen wonder dat de wereld nu verwoest is,” sprak de grijze Hadji Abu-Moessin, tot eenige zijner getrouwen terwijl hij het tooneel der verdelging aanschouwde, dat zich op de helling van den Merawoe ontrolde. »De slang Naga-Djoenia, waarop Java rust was reeds opgeschrikt door de talrijke ongeloovigen, die zich op zijn lichaam nestelden, en die slechts aan feesten en dansen dachten zelfs in den tijd der poewasa [107], terwijl de grooten onder de Orang Slam [108] hen trouw daarin hielpen. Zij hebben de visschen verontrust in de heilige meren, zij hebben de gewijde apen vervolgd en gedood, zij hebben de rust van de reuzen-slang gestoord door de klanken van hun muziek en het geknal van hun vuurwerk. De straf van Allah bleef niet uit! Zie wat er geworden is van het vruchtbare land! Wat van de menschen, die het bewoonden!”

Het groote huis van Ngaroengan was ten halve verwoest, de groote pendoppoh in elkander gezakt en een der pavilloens ingestort. Men zag er nog overblijfselen van het groote maal dat den Franschen gast tot afscheid was aangeboden, juist op het oogenblik der uitbarsting.

De koffietuinen waren grootendeels vernield door de gesmolten lava, de boomen gedood door het kokende water, dat den krater ontborrelde, groote rotsblokken op verren afstand weggeslingerd. Sinds menschengeheugen had men van zulk een ramp niet gehoord, ver strekte de vernieling zich uit; tot in de vlakte vond men de sporen der uitbarsting.

Zwaar werden de Gérans door de ramp getroffen. Zij zaten aan het feestmaal; Corona schitterde van haar diamanten, die zij bijna alle over hals, schouders en lokken met meer kwistige pracht dan smaak had geworpen, zij zat aan de zijde van haar grafelijken neef, die zijn oogen niet kon afwenden van den schier verblindenden glans, die van haar uitging en die hem belette aandacht te wijden aan haar eenigszins verdoofde schoonheid.

Misschien berekende hij wel, hoeveel livres de rente, die edelgesteenten vertegenwoordigden, hoeveel genot men in Parijs als sportsman of jeune gommeux daarvoor koopen kon; misschien wekte dat gezicht bij hem nog half slapende wenschen op naar genietingen en verstrooiingen, die hij het liefst zou ondervinden zonder de vrouw, die hem zooveel weelde aanbracht aan zijn zijde, misschien berekende hij zijn kansen, en overwoog de voor- en nadeelen, die hem bij een huwelijk met zijn schoone, rijke nicht te wachten stonden.

Toen hij haar den arm bood, om naar de feestzaal te gaan, hadden velen geglimlacht, de Franschman scheen zoo klein, zoo nietig naast haar koninklijke gestalte, zij helde over toen zij haar hand op zijn arm legde, zij moest op hem neerzien als hij met haar sprak. Een snijdende pijn, die door geen muziek te verdooven, door geen diamantenglans, door geen droomen van eerzucht te verdrijven was, vervulde plotseling haar hart.

»O God! hoe ledig is dat alles, hoe ijdel!” dacht zij, misschien ondanks zich zelf, »hoe veilig steunde ik eens op een anderen arm, hoe vertrouwend zag ik naar hem op, hoe trotsch voelde ik mij door zijn liefde, hoe fier was ik, in hem mijn meerdere te weten! Wat een afstand tusschen hen, hoe kan ik in die komedie nog langer een rol spelen!”

Zij lachte en schertste terwijl haar hart deze woorden verzuchtte, maar haar scherts klonk bitter en haar lach schel en schor; tegenover haar zat haar vader gedrukt en somber. Hij dacht waarschijnlijk aan de bannelingen; de overigen waren vroolijk, opgewekt, soms zelfs uitgelaten.

Daar hief de graaf zijn glas op en dronk in fijn uitgezochte, bloemrijke, hoffelijke woorden, door zijn gouverneur neergeschreven en door hem uit het hoofd geleerd, de gezondheid van zijn hooggeschatten gastheer en zijn schoone gastvrouwe, die hij eens wachtte in Frankrijk, daar waar hun gemeenschappelijke bakermat stond.

Allen stonden op, de blonde champagne parelde hoog in de fijn geslepen glazen.

»Mag ik meer hopen,” fluisterde graaf Alain, zich tot Corona neerbuigend, »ge weet, ik heb u lief!”

’t Was of bij dat woord iets in haar hart verkilde, of haar jammerlijk verwoest leven in een akeligen, helderen glans voor haar uitgespreid lag.

»Wat is dat?” riep de graaf plotseling, »zoo’n schitterend vuurwerk zag ik nooit.”

Het was klaar dag geworden, een groenachtig, vreemd licht spreidde een doodschen gloed over de gasten rond de tafel, tegelijk deed zich een onderaardsch gedruisch hooren dat allen met schrik vervulde.

»De Merawoe,” gilden zij en stortten naar buiten; de glazen vielen rinkelend op de steenen, de kleederen der dames scheurden, de meubels stortten omver.

Buiten viel de asch over de feestgewaden en de met bloemen versierde lokken; de aarde scheen in opstand, boven hen bulderde en toornde de berg, nu eens met dikke duisternis het aanzijn van sterren en maan verduisterende, dan weer den hemel kleurende in hel blauw, slangkleurig groen of bloedrood. ’t Was een Bengaalsch vuurwerk, door een reus ontstoken, duizendvoudig weerkaatst in de diamanten der vrouwen, die kermend en biddend bij elkander waren gescholen.

In de verte hoorde men het jammerend gehuil der wilde dieren, vermengd met het krakend neerstorten der woudreuzen; hemel en aarde schenen te vergaan. De grond dreunde en danste, boven hen verhief zich de ontzettende rookkolom, die nu eens vurige vonken tegen de zwarte lucht deed flonkeren, dan weer asch en rook over het landschap uitstortte; soms knalden er geweldige schoten, het waren de gassen, aan de gapende rotswanden ontsnapt die als een leger monsters van grilligen vorm, den spoken gelijk, welke het brein der arme bergbewoners plachten te verontrusten, zich over de geplaagde wereld verspreidden, boden van schrik en dood.

»Zijn de kinderen veilig?” vroeg Corona plotseling; de kinderen sliepen in een pavilloen, tegenover dat van Kitty gelegen; niemand had aan hen gedacht.

Zij wachtte geen antwoord; alle geestkracht was in haar ontwaakt; zij drong in het gebouwtje voor welks deur Iteko stond, die er nog kleiner, nog wanstaltiger dan anders uitzag in haar verwarde kleeding.

Kleine mannetjes en vrouwtjes zaten huilend of verstomd op den golvenden grond.

»Zijn ze er allen, Iteko?” vroeg Corona.

»Ik geloof ’t, juffrouw, een, twee, drie, vijf, zes; kom niet binnen, het dak is aan het kraken, de kleine Guillaume is er niet bij, hij ligt in de achterste kamer.”

»Zijn er geen mannen om te helpen?” vroeg zij bitter en het was of zij haar Iwan zag, schoon als een aartsengel, die alleen de verwoesting durfde trotseeren; toen wierp zij zich in het instortende gebouw, naar niets meer luisterende.

»Juffrouw Corona!” smeekte Iteko.

Zij rukte zich los en verdween in het huis, dat op zijn grondvesten wankelde.

»Waar is Corona?” riep haar vader.

»Daar, daar! O, mijn hemel! wat ik achterliet!”

Iteko snelde haar achterna; ieder dacht dat zij haar meesteres wilde redden. Portias hield haar vergeefs tegen want Corona kwam reeds naar buiten met het kind in de armen, maar op hetzelfde oogenblik zakte de zolder vlak voor haar voeten in elkaar; niemand dacht meer aan de aardbeving, aan den vuur en lava spuwenden berg; een nieuwe ramp had zich bij de andere gevoegd.

»Help, help!” riep de oude heer ontzet, »mijn kind, mijn kind!”

Een hevige benauwdheid greep hem aan en hij stortte op een bank neer; intusschen vlogen eenige mannen in het zakkende huis. Wolken stof en zand stegen dwarrelend uit de puinhoopen op, Corona, met het kind op den arm, was van voren en van achteren door de instortende muren omringd; op weinige stappen afstand, bij haar kast, stond Iteko; rechts en links vielen planken en steenen, die hun den weg versperden.

»Er is geen redding meer mogelijk, juffrouw Corona,” riep zij hijgend, »mijn geld! Ik heb er alles voor over gehad en nu verlies ik het.”

»’t Is de rechte tijd om aan geld te denken,” sprak Corona verachtelijk, »denk er liever aan dat wij binnen weinige oogenblikken voor God zullen staan, die ons zal oordeelen.”

»U heeft niets te vreezen,” kermde zij, »ik ben zoo schuldig, doch er is een ander, schuldiger dan ik.”

Zij kroop tot vlak voor de voeten van Corona, die op de knieën lag in haar zwart satijnen kleed, nog versierd met de glanzende edelgesteenten en met haar lichaam het kind beschuttend, dat zij gered had.

Daar boven kraakte het plafond, de balken vielen rechts en links en verpletterden de meubels, de splinters verblindden haar oogen, de muren scheurden.

»Juffrouw Corona, ik moet het u bekennen, misschien zoo ’t waar is dat onze ziel den dood overleeft, zal u ’t binnen weinig oogenblikken toch weten en anders, wat deert het mij? Mevrouw Hermine is onschuldig; zij heeft den brief niet geschreven. Ik deed het, omgekocht als ik werd door meneer Akkeveen, voor ƒ 20.000. Dat geld heb ik nu verloren, een gedeelte ten minste, nu is het hem kwijtgescholden, maar als u blijft leven, dan ontgaat hij ten minste zijn straf niet.”

»Hermine onschuldig, Iwan had gelijk, je verdient alleen verachting; o God neem mijn leven als boete!” snikte Corona.

Een donderend gekraak vervulde de lucht; daar stortten de laatste balken van het pavilloen naar beneden, door een schok, heviger dan de vroegere; het was de slag die Conrad en Hermine op Samarang zoo verschrikt had.

Zij, die uit de vlakte naar boven staarden, zagen een ontzaggelijken boom, wiens stam van rook en wiens takken van vuur schenen, uit den berg stijgen; uren ver straalde zijn onheilspellende gloed nu eens helderder dan somberder in den nacht, steenklompen wierp hij rechts en links; het was of uit het diepste zijner vurige ingewanden een laatste kreet van verbolgenheid opwelde, een laatste bewijs van zijn kracht; toen daalden asch en zwavel neer over de welige wouden, de spiraalvormige vuurkolom werd doffer en doffer.

De Merawoe had zijn toorn opnieuw doen voelen aan het vreedzame volk, dat hem scheen vergeten te zijn, dat dartelde aan zijn voet, dat speelde op zijn geweldigen rug. De aarde keerde tot rust terug, het gebulder werd zachter en zachter om eindelijk bijna weg te sterven. Toen het morgen was, streken koeltjes zacht en verkwikkend over de gemartelde bergen en dalen, de zon verliet glanzend en stralend haar kimmen, om de natuur, die zij gisteren nog in volle pracht en schoonheid had gezien, jammerlijk verwoest weer te vinden; de berg alleen stond daar nog rookend en somber, nu en dan vlammen spuwend, die gaandeweg kleiner en kleiner werden, en haar assche als een zachten motregen strooiend over het landschap.

LII.

Toen eerst was ’t mogelijk de verwoestingen eenigszins te overzien. In treurigen staat verkeerden vele der koffietuinen, voor jaren tot onvruchtbaarheid gedoemd; geheele dessah’s waren als kaartenhuizen in elkaar gezakt; honderden menschen door steenblokken verpletterd, door lava verstikt.

Kaboelen was een puinhoop, mevrouw van Akkeveen, die, terwijl haar man feestvierde, daar alleen vertoefde, werd vermist; men vond haar levenloos lichaam in een der tuinen, waar zij gevlucht was met haar jongste kind, dat zij met beide armen vast omklemd hield, in lava en asch verstikt; de dood had de teedere moeder niet van haar lieveling gescheiden.

Wilhelmshöhe en August’s woning hadden betrekkelijk weinig geleden, dat gedeelte was zoo goed als gespaard gebleven.

Ngaroengan was alleen door de aardbeving geteisterd; toen men het pavilloen ontruimde, vond men er het afschuwelijk misvormde lijk van Iteko naast Corona, die half onder puin bedolven met haar lichaam den kleinen, rustig slapenden Guillaume beschutte.

Ook haar achtte men gestorven, haar rechterzijde was bedolven onder neergevallen planken; haar gelaat lijkkleurig en bebloed.

In der haast werd de galerij van het groote huis tot hospitaal ingericht; tusschen de ebbenhouten meubelen en de verbrijzelde vazen en beelden legde men matrassen neer om den zieken een rustplaats te geven want de oude heer de Géran was nog steeds bewusteloos; de ontzettende schrik had zijn hartkwaal verergerd.

De dokter werd gehaald, en bij vader en dochter gebracht; het eerst bracht hij den ouden heer bij.

»Is zij dood,” was zijn eerste vraag, en verwilderd zag hij rond naar de plek, waar Corona nog steeds onbeweeglijk lag.

»Wij hopen van niet,” antwoordde de dokter.

»Zie naar haar om, eerst naar haar!” smeekte hij.

Nu wijdde de geneesheer aan Corona zijn zorgen; zij leefde, maar haar rechter arm was gebroken, haar zijde verlamd, wellicht voor altijd; met zeer veel moeite werd de schier uitgedoofde levensvonk aangewakkerd. Het was een vreeselijke toestand in Ngaroengan. ’s Middags kwam de treurmare van het ontzettende einde van Dolly en haar kind. De eenige vrouwen, die helpen konden, waren weg, Guillaume en Toetie waren naar huis gesneld, Poppie woonde uren van daar; Akkeveen had zijn woning opgezocht om haar uitgestorven te vinden. Kitty en Margot lagen te weenen en te jammeren, ongeschikt tot alles. Iteko op wier schouders eens het geheele huishouden rustte was niet meer, de javaansche meiden hadden er geen slag van, in het verwoeste huis nog eenige orde te bewaren en tevens de zieken te verzorgen.

Zoo heerschte er dan een onuitsprekelijke verwarring toen, ’s avonds laat, Conrad te paard kwam aanrijden; hij had geen rust meer op Samarang gehad en toen ook Hermelijn er op aandrong dat hij in persoon zou gaan zien hoe de zaken stonden, was hij onmiddellijk vertrokken en reed in gestrekten draf naar het ouderlijk huis.

Onderweg had hij ’t ergste of liever meer dan het ergste vernomen; hij meende niet anders of ook zijn vader en Corona waren omgekomen. De goede Portias was de eenige, die nog zijn verstand had behouden. Met een groote hoeveelheid goeden wil, die alleen geëvenaard werd door zijn verbazende onhandigheid, bediende hij de zieken, bestelde of bereidde zelf het eten, regelde het noodige voor de begrafenissen en zag er dien avond zoo uitgeput, zoo verstrooid uit, dat Kitty, wanneer zij in een andere stemming ware geweest, hem hartelijk uitgelachen zou hebben.

»Alle snaren zijn gesprongen, alle instrumenten ontstemd,” zoo sprekend drukte hij diep ontroerd Conrad’s hand. »’t Is goed dat je komt. Was je vrouw maar bij je!”

»Als ze geroepen wordt, zal zo dadelijk komen. En papa?”

»Sinds hij weet dat Corona leeft, is hij veel kalmer. Ach mijn arm viooltje is ook geheel verwelkt en vertrapt.”

»Breng me spoedig bij papa.”

De oude heer de Géran lag in zijn eigen kamer, op het smalle veldbed, waar hij sinds jaren den nacht doorbracht; hij lag kalm en schijnbaar stil, hoewel door hevige hartkloppingen gefolterd.

»Hij weet nog niets van Dolly,” fluisterde Portias tot Conrad en hardop zeide hij: »Papa, daar is Conrad, om u te bezoeken.”

Conrad kon van aandoening haast geen woord uitbrengen.

»Vergeef mij, papa!” stotterde hij, »wat ik misdaan heb tegen u.”

De zieke sloeg de oogen op.

»Ben je daar, Conrad? ’t Is goed, jongen, praat over niets meer. Het is geen tijd, om aan die kleinigheden meer te denken, alles is vergeten, uitgewischt! We hebben veel verloren; ’t beteekent niets als mijn kinderen maar gered zijn. Hoe is ’t met Corona?”

»Ik heb haar straks bouillon gebracht, die zij wel lustte maar.... de helft is over haar bed gestort. Ik heb zelf de kip moeten slachten en de soep koken; alle meiden zijn van streek.”

»En Kitty dan?”

»Kitty heeft het op de zenuwen, zij is tot niets in staat. Ik speel ook liever de moeilijkste sonate op mijn violoncel dan nog een week voor kok-huishouder spelen.”

»Is er niemand meer? Margot?”

»Nog ongeschikter dan ik! Papa, u moest Hermine laten komen.”

De oude heer zag Conrad aan.

»Zou ze willen?” vroeg hij.

»Op een woord van u, twijfel ik niet of zij zal onmiddellijk vertrekken.”

»Nu, stuur haar van avond dan nog een bode; is zij wel en de kleine ook?”

»Zeer geschrikt maar overigens scheelt hen niets.”

»Laat zij dan met de kleine meid overkomen. En gaat nu heen, ik heb er behoefte aan alleen te zijn.”

Conrad schreef een briefje aan zijn vrouw om haar den stand van zaken mee te deelen en terstond werd er iemand te paard naar Samarang afgezonden.

Nu bezocht Conrad Corona; zijn hart was nog vol wrok, toen hij bij de matras kwam, waar zij met in gips gezetten arm en verbonden hoofd neerlag; maar toen hij haar zoo bleek en machteloos zag, smolt zijn toorn weg.

»Zij is gewond terwijl zij Guillaume van Dolly wilde redden,” zeide Portias, »terwijl wij mannen weifelden, waagde zij zich in het neerstortende huis. Waarlijk, zij is een merkwaardig schepsel, even geschikt om groote liefde als bitteren haat op te wekken. ’t Ligt er aan, welke hand het klavier van haar gemoed bespeelt; zoete tonen en dissonanten zijn er even gemakkelijk aan te ontlokken.”

Conrad luisterde niet naar de redeneeringen van zijn zwager, die ondertusschen de druppels medicijn, welke hij voor de zieke moest inschenken, met een straaltje het glas liet inloopen.

»Geef maar hier, Jo, misschien kan ik ’t beter. Hoeveel druppels moeten het zijn?”

»Vijf en twintig.”

Hij maakte het kelkje gereed en bracht het toen aan Corona’s lippen. Zij sloeg met een matte beweging de oogen op.

»Is dat Coen?” vroeg zij.

»Ja, Cor, ik ben ’t.”

»Dat is goed en Hermelijn?”

»Zij komt morgen.”

»Zoo en... en is ’t waar dat Dolly dood is?”

Verrast zagen de zwagers elkander aan.

»Zij zal gehoord hebben, hoe we over haar spraken, denkende dat zij bewusteloos was,” fluisterde Portias.

»Ik beklaag haar niet; ’t is het beste,” ging Corona zachtkens voort, »Conrad, zeg aan Hermine dat ik het nu beter weet, zij is onschuldig.”

Toen sloot zij de moede oogen en zeide niets meer.

Den volgenden avond kwam Hermelijn met haar kindje en de baboe; geheel anders was nu haar intrede op Ngaroengan, dan het vorige jaar; ellende en jammer in plaats van feesten en muziek. Conrad was haar bij den eersten post tegemoet gereden en verhaalde haar omstandig alles, wat er gebeurd was.

»’t Wordt tijd dat je komt, alles is in wanorde! Niets bezit zijn verstand meer. Die arme Portias slooft zich uit maar brengt alles nog erger in de war,” zeide hij.

Hermelijn betrad de woning en nam dadelijk de teugels van het bewind in handen; onder haar opwekkende woorden herkregen Kitty en Margot levensmoed en overwonnen haar smart. Portias trad blijde weer naar den achtergrond, de kinderen werden aan zekeren regel gebonden; Conrad liet de puinhoopen van de pendoppoh en het bijgebouw wegruimen, de zieken kregen geregelde oppassing, de dooden werden begraven.

Het gestoorde uurwerk, hoe ook gehavend, kon weer zijn loop voortzetten; de jonge graaf de Géran was naar den Oosthoek vertrokken, een brief achterlatende vol klaagliederen en woorden van deelneming in de groote ramp, die het gastvrije huis zijner bloedverwanten getroffen had. Eenige dagen later verscheen Akkeveen, nadat hij aan zijn vrouw en kind de laatste eer bewezen had; hij zag er somber en terneergeslagen uit.

»Als Akkeveen er is, moet ik hem spreken,” had Corona dikwijls gezegd; ’t waren bijna de eenige woorden, die zij tijdens haar ziekte sprak.

Zoodra hij er dus was, verzocht Portias hem naar Corona’s ziekbed te gaan; hij deed het werktuiglijk.

Juist zat Hermelijn daar, Corona had haar nog niet toegesproken, nog geen bewijs gegeven, dat zij haar herkende.

»Moest je mij spreken, Corona?” vroeg Akkeveen.

Zij zag hem een oogenblik aan en knikte met het hoofd; Hermelijn wilde heengaan.

»Neen blijf, Hermine!” verzocht zij, »je moet het ook hooren.”

Haar stem klonk zacht, schier onhoorbaar, maar toch gebiedend.

»Akkeveen,” en met haar groote oogen, die in de holle oogkassen onheilspellend brandden als een paar kaarsen in een sombere spelonk, zag zij hem doordringend aan, »je weet, dat ik met Iteko een oogenblik alleen stond vóór dat alles om ons heen instortte; zij heeft mij iets bekend, ik weet niet of het werkelijkheid is, òf ik ’t droomde; wil je het mij nu verklaren? Je zult in geen stemming zijn om onwaarheid te spreken, nu je van zulk een begrafenis komt. Is ’t waar, dat Hermine onschuldig is aan alles...?”

Akkeveen boog het hoofd en mompelde:

»Zij had gelijk! Hermine heeft den brief niet geschreven. Iteko deed het zelf en werd door mij daartoe omgekocht. Ik kon ’t denkbeeld niet verdragen dat we allen benadeeld werden ten wille van je man!”

Corona hief haar linkerhand op en wenkte Akkeveen zich te verwijderen.

»’t Is goed, Akkeveen, ga nu naar buiten,” lispelde zij.

Als om uit te rusten van de inspanning bleef zij eenige oogenblikken onbeweeglijk liggen, toen bewogen haar lippen zich weder.

»Hermelijn!”

Haar zuster knielde voor haar bed neer en streek haar langs de fluweelachtige haren, die het ingevallen gelaat nog bleeker en doodscher deden schijnen.

»Verlang je iets, Corona?”

»Hoe diep sta ik bij je in schuld! O je weet niet hoe ik bedrogen en gestraft werd. En ik kan ’t nooit goedmaken.”

»Corona! Blijf bedaard en martel je toch niet meer met die pijnlijke gedachten. Ga slapen!”

»Als je bij mij blijft, als je de hand op mijn voorhoofd legt. Kiezen tusschen hem en haar! Hoe kon ik weifelen! O God, die striem, die striem, ik zie hem altijd zoo.”

En groote tranen rolden langs haar wangen.

»Hij kan me niet vergeten, daarvoor liet ik hem een te pijnlijke herinnering maar nu haat hij mij met recht. O Hermelijn, wat moet ook jij mij verachten!”

»Neen Corona! denk dat niet. Als je in den grond niet zoo goed en edel waart, zou je die ellendige bedriegerijen spoediger hebben doorzien, maar we zullen er over spreken als je beter bent. Nu niet, rust zachtjes, ik blijf bij je.”