Hermelijn

Part 31

Chapter 314,198 wordsPublic domain

Hermelijn ging naar haar slaapkamer met haar schatten, doch toen zij voor de geopende kast stond, om alles een plaats te geven, werd haar gevoel haar plotseling te machtig en zij begon, met het hoofd tegen een der planken geleund, zacht te snikken.

Hoe goed en vroolijk zij zich ook tegenover haar man trachtte te houden, toch waren er oogenblikken, dat het valsch vermoeden dat op haar drukte, haar zeer zwaar viel; men beschuldigde haar van een laf verraad, ieder wist dat zij door Corona werd aangezien als de verbreekster van haar engagement.

Boven alles griefde het haar dat Corona in de heftigste bewoordingen haar verweten had, Iwan lief te hebben en zich zelfs niet ontzag, dit haar vader te zeggen. Haar eenige troost was Conrad’s volledig vertrouwen, de zekerheid dat hun liefde hoe langer, hoe inniger en sterker werd; in zijn bijzijn was zij dan ook altijd even opgeruimd en vroolijk, zij wist hoe bitter die beschuldigingen tegen haar hem griefden en zijn toorn zelfs tegen zijn vader opwekten; met veel moeite had zij hem bewogen tegen Nieuwjaar aan zijn vader te schrijven en hem mede te deelen met welke zoete hoop zij zich durfden vleien. Er was geen antwoord gekomen.

»Hermelijntje,” fluisterde zijn stem aan haar oor.

Snel wischte zij de tranen af.

»Wat is er Coen?” vroeg zij.

»Is er iets, wat je betreurt?”

»Neen Coen, voor mijzelf niets!”

»Denk je dat ik geen moed heb te werken voor mijn vrouw en kind?”

»Ja, maar ’t valt me zoo hard dat het is om mij.”

»’t Is niet om jou, lief wijfje! Werd alles tusschen ons dan niet gemeen? Dragen we niet alles samen, vreugde en leed? Je hebt mij zooveel vergeven!”

»Spreek daar niet over, beste Coen! Och, ’t is dwaas van me zoo verdrietig te zijn maar je maakt mij innig gelukkig met die woorden; om ze te hooren daar heb ik wel een traantje voor over.”

En zij vlijde zich aan zijn borst en hij kuste haar tranen weg.

»Lief en leed, alles wat God zendt is ons welkom, niet waar, vrouwtje, wij nemen alles even gaarne aan, als we maar bij elkander zijn.”

»Maar die leelijke beschuldigingen?”

»Wat komt het er op aan, Onze Lieve Heer weet je onschuld en ieder die je kent is er ook van overtuigd. Kom, zie mij eens vroolijk aan! Ik heb toch veel liever dat je verdrietig zijt, als ik er bij ben; begrijp je dan niet hoe treurig ik ’t denkbeeld vind, dat je, als ik uit het huis moet, zit te schreien?”

»Dat moet je niet gelooven, Coen; die brieven en dat kistje deden me denken aan Ngaroengan en Djantong en dat maakte me wat aangedaan. Zie je, hoe ik weer lach!”

»Morgen zal ik je iets t’huis sturen.”

»Wat dan?”

»Ik kan het niet langer uithouden zonder piano, ik verlang er zoo erg naar, je te hooren spelen en zingen. Ik ga er een huren.”

»Maar Coen, zal de beurs dat kunnen lijden?”

»’t Moet! Je heet een rijk huwelijk te hebben gedaan en nu zou je om ’t geld niet eens een piano kunnen houden! En daarbij, ’t is voor mijn pleizier, ik ben er op gesteld voor mijzelf.”

»Wat ben je toch een lieve, goede Coen!” riep zij uit de volheid van haar hart, »beter man bestaat er niet.”

En werkelijk, zij meende het; dagelijks zag zij in, hoe veel schatten van liefde en trouw hij onder dat koele, bijna norsche uiterlijk bewaarde, waarvan niemand dan zij alleen het bestaan vermoedde, en dagelijks dankte zij God, omdat zij den sleutel had gevonden, die ze voor haar ontsluiten kon.

XLIX.

Op zekeren middag wandelde Corona met Dolly langs den weg, die voorbij het Javaansche kerkhof liep en in welks nabijheid Nènèk Djario woonde.

Dolly, die voor eenige dagen met man en kinderen in het groote huis gelogeerd was, daar haar woning gerepareerd werd, had een boodschap bij de oude heks, van wie zij een der talrijke kleinkinderen in dienst had.

Het gesprek tusschen beide zusters was niet bijzonder levendig; Corona zag stil en somber voor zich uit.

»Rijd je nooit meer te paard?” vroeg Dolly.

»Neen.”

»Heb je er geen lust meer in?”

»Dat weet ik niet, ik doe ’t niet meer.”

»Vroeger deed je het bijna alle dagen.”

»Vroeger is van daag niet.”

Weer zwegen zij gedurende eenige oogenblikken.

»Wat is ’t verschrikkelijk, zich ongelukkig te voelen!” zeide Corona plotseling.

Dolly zag haar aan; haar blik ontmoette den hare en zij begrepen elkander.

»Geen oogenblik een gedachte van zich af te kunnen zetten, altijd wroeten in het verledene, altijd een band te voelen om zijn geest en een stekende pijn in het hart, door alles herinnerd te worden aan hetgeen men verloor...”

»Ik weet het...”

»O maar dit is heel iets anders. Je hebt je kind verloren door den dood! Dat is verschrikkelijk maar je hebt haar tot het laatst opgepast, je hebt niets verzuimd om haar te redden, je gelooft dat zij in den hemel is bewaard voor veel leed en smart; in kalmte kun je aan haar denken zonder verbittering, zonder wrok, zonder...”

»Zelfbeschuldiging,” wilde zij misschien zeggen maar het woord kon haar lippen niet verlaten.

»Neen, aan mijn Nonnie kan ik kalm denken!”

»Maar niet aan haar vader, wil je dat zeggen?”

»Ik moet het toch wel, ’t is mijn plicht.”

»Ik moet niets, ik kan denken zooals ik wil, geloof je dat niet Dolly?”

»Ik kan er niet over oordeelen, Corona; ik weet niets van het gebeurde, alleen weiger ik te gelooven dat Hermine in eenig opzicht schuldig is.”

»Er zijn er genoeg, die ’t ook meenen, maar dan had hij haar verontschuldigd en dat heeft hij niet gedaan! Als een ander ’t hem gezegd had, misschien zou ik hebben toegegeven, maar toen kon ik het niet, en nu zou ik ’t nog niet doen.”

Dit sprak zij half luid als tot zich zelf.

»Ik kan niet ongelukkig zijn, ik kan, ik wil niet,” riep zij plotseling met haar gewone heftigheid.

»Men kan alles leeren,” zeide Dolly zacht en treurig.

»Geen verdriet!”

»Gewoonte is onze beste troosteres; men leert te leven met zijn leed, en is er misschien even tevreden onder als anderen, die al hun wenschen vervuld zien.”

’t Was iets onuitsprekelijk treurigs, die jonge vrouw van even twintig jaren zulke meeningen te hooren uitspreken.

»Niet ieder heeft zoo’n karakter, zoo zacht en plooibaar als jij.”

»Meen je dat ik waarlijk zoo ben, Corona? Je kent me toch beter; geen der Géran’s is zacht; maar ik heb langzamerhand geleerd, dat het niets helpt, zich te kanten tegen het onvermijdelijke, wij moeten ons lot allen ondergaan en zoo alleen hebben wij kans dat het lichter wordt.”

»Mohammedaansch fatalisme.”

»Of christelijke onderwerping; hebt ge nooit gelezen dat als wij ons kruis geduldig dragen, het op zijn beurt ons zal steunen?”

»Heb je dat ondervonden, Dolly?”

»Ja, ik heb ook oogenblikken gehad van opstand en van wanhoop; ik heb ook dikwijls geschreid om een lichtstraal van troost en alleen kalmte gevonden in de gedachte dat het leed ons toegezonden wordt om een hooger doel, tot inwendige verbetering.”

»Dat is niet zoo! Ik was zoo goed, toen ik gelukkig was, maar nu voel ik ’t, ik word slechter, liefdeloozer, onverschilliger dan ik ’t ooit geweest ben. Er was een tijd, dat ik ieder om mij heen gelukkig wilde zien, nu geniet ik alleen, wanneer ook anderen lijden.”

»Laat je daarom Conrad en Hermine in den vreemde blijven en daar door ieder verlaten haar bevalling afwachten?”

»Alleen daarom! Ik ben ongelukkig geworden door haar laagheid en dan zou zij genieten van haar triomf en ik zuchten in mijn eenzaamheid? Neen, ik gun haar die voldoening niet.”

»Wie weet hoe onschuldig zij is, hoe zonder eenigen redelijken grond je papa het leven veronaangenaamt door zijn vijandschap met Conrad, hoe je zelf je het leven verbittert om niets en je zielerust vrijwillig verstoort.”

»Er is geen rust meer voor mij mogelijk, in het graf misschien. O foei, wat is het leven?”

»Geen feest, maar zooals ik je daar straks zei, als men het van de hoogte beziet, dan kan men er nog veel schoons in vinden.”

»Voor mij niet meer! Ik heb alles verspeeld; hij heeft me nooit liefgehad, ik ben er van overtuigd.”

»En ik geloof dat hij van je hield, zooveel hij kon, verder weet ik niets en mag ik niets beslissen. Zou er geen verzoening mogelijk zijn?”

»Nooit meer.”

»Voor hem?”

»Dolly, vraag niet meer! Ik kan je niet zeggen wat er tusschen ons gebeurd is; ik ben te ver gegaan, dat is zoo, maar hij vroeg van mij iets, dat ik niet kon toestaan, zonder mijn geheele persoonlijkheid op te offeren; zelfs de liefde heeft grenzen.”

»Ik ken alleen moederliefde en die heeft geen grens.”

»En hoe zou ik me kunnen onderwerpen aan mijn lot? Er is niets in mijn smart, dat verheft of veredelt, het verbittert en vernedert slechts.”

»Ten minste zoolang ge je laat beheerschen door wrok en haat.”

»Ik wil mij niet onderwerpen, ik wil niet lijden maar het vervolgt mij toch dag en nacht.”

»En wat doe je dan om het te vergeten?”

Corona wendde het hoofd om bij Dolly’s ernstige vraag.

»Ik bid je, Corona, laat je niet verleiden door je verdriet! Je neemt opium in, ik weet het, je wil je verdriet verdooven, in plaats dat je het draagt als een boete misschien!”

»Een boete, heb ik dan iets verkeerds gedaan tegen hem?”

»Dat weet je zelf het beste!”

»Tegen jou misschien, of tegen Guillaume of tegen Kitty? Maar ’t gaat als in een sprookje voor de kinderen; de deugd wordt beloond, de misdaad gestraft en ik ben zoo erg, zoo verschrikkelijk misdadig geweest, niet waar, tegen mijn familie, tegen mijn vader zelfs. O natuurlijk, ieder verheugt zich dat de groote Cor gestraft is, dat zij nu lijdt, dat haar leven gebroken is, dat men haar verlaten heeft. O God! Is het dan niet zwaar genoeg, verdriet te hebben, moet ieder het dan nog weten en er over juichen?”

Haar stem klonk schel als gebroken accoorden, zou Portias zeggen; droog en brandend staarden haar oogen voor zich uit, zij zag er tien jaren ouder uit dan op dien morgen in het rozenparadijs.

»Ik kan je niet helpen, maar je gelooft toch niet dat ik mij verheug in je leed,” sprak Dolly.

Corona zweeg en zag naar den grond.

»Laat ons er niet meer over spreken! ’t Rijt de wonde nog meer open!” sprak ze eindelijk.

»Moeten we niet rechts afslaan?”

»Dit pad langs!”

Weinige oogenblikken later stonden zij voor het armzalige hutje en bittere smart vervulde weer Corona’s ziel, zoodra zij de plek zag, waar hij op dien morgen had gestaan, toen hij haar als een redder in den nood verschenen was, toen zij samen bij de baleh-baleh van den zieken knaap hadden gestaan en hij den eersten kus op haar hand had gedrukt; het was of hij daar nog stond bij den ingang van de hut met zijn vroolijken lach en mannelijke houding, met zijn gelaat vol zonneschijn, dat zij nu niet kon zien dan misvormd door een bloedroode striem.

Zij ging voort met samengeperste lippen en gewrongen handen, door smart en wroeging verteerd.

»Ik geloof waarlijk dat Nènèk aan het pakken is,” zeide Dolly; inderdaad stond de armzalige plunje van de oude heks in een paar krepeks en boenkoesans [106] voor de open deur.

»Nènèk,” riep zij luide en de oude vrouw, vrij netjes in reistoilet gekleed met een slendang over de schouders en ongescheurde kleederen aan, kwam naar buiten.

»Astaga nonna, nonna!” riep zij op haar gewone schrikachtige manier.

»Ga je op reis?” vroeg Dolly.

»Ik ga verhuizen.”

»En waarom? Woon je hier niet goed?”

»O jawel, maar het zal hier niet goed worden; ’s nachts dreunt de grond en daarboven is de berg zoo boos.”

»Wat ik me al sinds lang verbeeldde,” sprak Dolly tot haar zuster, »de krater is niet rustig.”

»En kun je dat hier reeds merken?” vroeg zij de oude vrouw.

»Ik weet het, ik heb de pontianaks, die boven wonen, naar de vlakte zien vluchten! Er komen groote ongelukken en ik ga ver weg; de nonna’s moeten ook oppassen!”

»Wie weet hoe zulk een uitbarsting mij welkom zou zijn,” zuchtte Corona, »zeg eens nèk, voor je heengaat, moest je mij iets geven, een drank, die mij doet vergeten.”

»Wil de nonna nu wel drinken? Jammer dat die goede toewan vertrokken is. Toen Djario me vertelde dat u met hem ging trouwen, toen was Nènèk blij in haar hart, en zij dacht, ik ben er oorzaak van. Weet de nonna nog dat zij hier eens koffie dronk? Daar heb ik een obat in gedaan, die kracht heeft op oogen en hart, en als men dat samen drinkt dan komt de liefde bij beiden op, of zij willen of niet!”

»Heb je dat gedaan, foei Nènèk, dat was niet goed,” vermaande Dolly.

»Och, ’t is medicijn na de ziekte geweest, Nènèk; ik althans had toen geen liefdedrank meer noodig om hem te beminnen en hij.... hij....”

»En nu wil de nonna hem vergeten! O ’t is gemakkelijker, veel gemakkelijker liefde te planten dan haar weer uit te trekken als zij eens wortel heeft geschoten; er blijft altijd een open plek en die kan niet gevuld worden, door geen obat.”

»Dan geef ik niets om je kunsten, Nènèk, niets!”

»Heeft nonna misschien den rooden hond gezien?”

»Ik heb ’t mij verbeeld ten minste.”

»Daarom heeft nonna ongeluk gehad. De kalang voorspelt altijd ramp. Nènèk heeft hem nachten lang hooren huilen, dat voorspelt een groot, groot ongeluk!”

»Nu, Nènèk, hoor eens wat ik je te zeggen heb,” zoo viel Dolly haar ongeduldig in de rede.

Terwijl Dolly haar boodschap afdeed, was Corona naar binnen gegaan en zag de ruimte rond die nu nog lediger dan anders geworden was; maar voor haar was de hut niet ledig, zijn tegenwoordigheid vervulde haar geheel, zij zag hem daar staan, vriendelijk, handig bezig, haar een weinig plagend. Kon nu alles voorbij zijn, alles?

Zij drukte de hand op het hart en ging naar buiten; zij voelde dat zij zwak werd, dat zij kon gaan schreien voor ’t eerst.

»Nonna huilt niet,” zeide de oude Nènèk, »ofschoon haar hart ziek, zeer ziek is. Het water der oogen dat niet naar buiten komt, valt op ’t hart terug en maakt het nog veel zieker.”

»Je ontvlucht den Merawoe, oude ziel!” sprak Corona en drukte haar een gouden tientje in de hand, »je hebt niets te verliezen dan je ellendig leven. Het zou voor mij een reden zijn om te blijven.”

»Nonna zal het zien, hoe verschrikkelijk de toorn van den berg is!”

De zusters gingen heen.

»Je merkt het, zelfs die tooverkol heeft geen geneesmiddel voor de ziekte van mijn hart,” sprak Corona.

»Ik zou me schamen over die gekheid te praten,” antwoordde Dolly, »maar ik hecht meer geloof aan haar voorspelling omtrent den berg. Hoe dikwijls ben ik niet wakker geworden door onderaardsch gerommel, wat Akkeveen verbeelding noemde, en zie eens van hier, hoe hij werkt.”

Een reusachtige pluim van rook ontsnapte den krater en teekende zich scherp tegen de blauwe lucht af.

»Heerlijk, ik heb er altijd naar verlangd hem in volle woede te zien en wensch ’t nu meer dan ooit.”

»Stil, Corona, wat je daar zegt is God verzoeken! Een uitbarsting van den vulkaan zou ons aller dood zijn.”

»Och dood, is zoo erg niet! Zeg liever ons aller ruïne, onze landen zouden verwoest worden en wat waren de Gérans zonder rijkdom? Hoe lang is het wel geleden dat wij in den krater daalden en dat Hermine verloren raakte en dat hij mij...”

»Zijn liefde bekende,” wilde zij zeggen.

»Drie dagen voor Nonnie’s dood; ’t is lang geleden, bijna een jaar,” zuchtte Dolly.

»Kon ik alles ongedaan maken, wat na dien tijd gebeurde; o mijn God, zal dit leven altijd zoo moeten duren, jaren lang? Ik wil vergeten, ik wil het en vroeger kon ik alles wat ik wilde.”

Dolly gaf geen antwoord meer; zij had genoeg aan haar eigen leed en haar zuster weigerde allen troost.

t’ Huis gekomen, gaf de oude heer de Géran zijn dochter een brief over, met de woorden:

»Van onzen Franschen oom! Lees, kind!”

Corona las en haar wangen namen een diepen blos aan.

»De graaf de Saint Paul wil zijn zoon met diens gouverneur naar Indië zenden om onze kennis te maken; papa, we moeten hem goed ontvangen.”

»Zeker, Corona, zeker, lieve meid! Ontvang ze zooals je verkiest, zoo vorstelijk als het je goeddunkt om je neef een hoog denkbeeld te geven van Indische gastvrijheid.”

»Papa,” vroeg Dolly bedeesd, »weet u, dat de Merawoe zeer onrustig is en ons met een uitbarsting dreigt?”

»Och kom, je bent een onheilspellende vogel!” zeide Corona. »Verwijt mij geen bijgeloof als je zelf zooveel vertrouwen hecht aan de domme praatjes van die heks.”

»We kunnen er niets aan doen, Dolly,” sprak haar vader, »we wonen hier eenmaal op een vulkaan. Wees liever blijde,” fluisterde hij haar toe, »dat er nu weer iets is, dat je zuster eenig belang inboezemt.”

L.

Eenige maanden later werd het huwelijksgeluk van Conrad en Hermine volmaakt door de geboorte van een meisje. Geen van tweeën had zijn wensch en toch waren beiden tevreden; zooals Conrad gehoopt had was het een meisje maar geen blondine, een zwartkopje naar Hermelijn’s verlangen:

»En nu moet ze geheel een Géran wezen,” zeide het kraamvrouwtje, »ze moet niet heeten naar mijn papa, want een Nico moet ik toch hebben. Noem ze naar je moeder, Conrad, onze mama, Hélène.”

En zoo werd zij dan geheeten; de kleine Hélène was het veel bewonderde speelpopje van de beide jonge ouders. Ze werden niet moe, het rozige brokje mensch te beschouwen en elkaar op allerlei kunststukjes van de jeugdige dame opmerkzaam te maken, kunststukken, waaraan zij zelve geheel onschuldig was en die niemand dan de opgetogen vader en moeder konden opmerken.

Zij noemden elkander niet anders meer dan Papa en Mama. Hermelijn studeerde in boeken voor opvoedkunde, Conrad sprak er van, de kleine in een levensverzekering te doen gaan opdat zij bij haar huwelijk een bruidschat zou ontvangen, maar ondanks al die goede voornemens, wist Hermelijn zoodra Léni het op een schreeuwen zette, niet, hoe spoedig zij haar haar zinnetje zou geven en Conrad besteedde het geld voor de bruidschat bestemd, aan het koopen van allerhande lekkernijen voor het jonge moedertje.

Van de zusters en broers hadden zij vele blijken van belangstelling ontvangen; van Corona en haar vader echter niets, maar toch was er een enveloppe aan het adres van Mejuffrouw Hélène de Géran op geheimzinnige, wijze aangekomen, die een bankbiljet van ƒ 1000 bleek te bevatten en zeker van den ouden heer afkomstig was.

Er moest in Ngaroengan groote drukte heerschen: Corona scheen weer geheel de oude; zij ontving haar grafelijken neef met nog meer pracht dan zij het vroeger haar Hollandsche schoonzuster had gedaan; de couranten zelfs schreven er van. Zij was naar Samarang geweest om toiletten te bestellen maar had Conrad en Hermine met geen bezoek verwaardigd.

De jonge heer de Géran, schreef Kitty, was een onbeduidend blond mannetje van 22 jaren, vergezeld door een zeer strengen en zeer barschen Mentor, dien hij naar de oogen zag; men kon het aan den jongen heer Alain zien, dat al die glans en pracht hem meer verbaasde dan genoegen deed.

»Ik weet waarlijk niet, wat Corona’s plannen zijn,” schreef Kitty verder, »zou zij aan graaf Alain, die een hoofd kleiner is dan zij, de plaats willen gunnen, die Iwan eens in haar leven bekleedde, of werkt zij alleen om Margot en den graaf in kennis te brengen? Ik weet het niet en durf ook niets beslissen. Dit alleen weet ik, dat we ons dol amuseeren, alle dagen is er een ander pretje, we denken van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat aan niets dan aan dansen, kleeden en uitgaan. Corona heeft ons beeldige toiletjes gegeven; Margot en mij namelijk en zelfs Toetie, die een heele scène gemaakt heeft, daar aan haar niet gedacht was. Ze ziet er nu uit als een opgetooide pauw. Dolly heeft voor alle invitatiën bedankt. Hoe jammer dat gij niet hier zijt, ge zoudt de koningin worden van al die feesten, want Cor, al kleedt zij zich nog zoo prachtig en behangt zij zich met juweelen, is dezelfde niet meer van het vorige jaar; ze is oud geworden, vooral haar oogen, die vroeger zoo prachtig konden flikkeren, zijn nu geheel veranderd. Als gij er waart, Hermelijn, zou niemand naar haar omzien.”

Conrad zag somber voor zich uit; Hermelijn glimlachte.

»Coen,” fluisterde zij, haar kleine meid aan het hart drukkend, »geloof je niet dat ik haar gekraai veel liever hoor dan alle dansmuziek en ik mij niet veel beter amuseer met jou alleen, dan tusschen al die vreemde menschen?”

»Als ’t maar waar is?”

»Zou je denken, dat ik, wanneer wij te Djantong woonden haar een nacht alleen zou laten om te dansen? Zou je denken, dat ik een oogenblik rust en pleizier kon hebben verre van haar?”

»Neen,” zeide hij na een poosje nadenken, »dat geloof ik niet!”

»Zoo, dat mag ik hooren en nu zal ik je ook zeggen dat ik zeker geloof dat graaf Conrad de Géran een veel betere figuur voor dat emplooi heeft dan die Fransche blanc-bec. Er is niets aan Kitty’s brieven; zij denkt alleen aan pretmaken; de arme Portias zal ook zeggen, dat die vreemde gast alle instrumenten uit den toon brengt.”

»Ik begrijp niet hoe papa ’t zoo toestaat; schrijft Kitty niet dat hij alles behalve wel is?”

»Ja, hij ziet er slecht uit, maar ’t amuseert Corona, ’t doet haar die treurige geschiedenis met Iwan vergeten en dat is hem het voornaamste.”

In die dagen kreeg Hermelijn ook onverwacht bezoek van den heer Van Diteren, haar vroegeren reisgenoot, die voor zaken Samarang bezocht.

»Maar vertel me eens,” sprak hij op zijn gewone onaangename manier, »waarom jelui hier zoo kaaltjes woont, terwijl het heele koninkrijk der Gérans in beweging is om den Franschen snoeshaan te ontvangen. Leef je in ongenade?”

»En als het zoo eens was?” vroeg de jonge vrouw glimlachend.

»Je hebt het met juffrouw Corona niet kunnen stellen. Weet je nog hoe ik je tegen haar waarschuwde en wat je me toen voor vinnigs antwoordde?”

»Mijn man en ik zijn het eens, dat is ons genoeg. Ik blijf bij ’t geen ik u toen zei. Maar vertel me liever het een en ander van mevrouw.”

»Zij heeft een maand of twee geleden precies zoo’n exemplaar gekregen als u daar op den schoot houdt.”

»Is hij nog niet naar Holland verzonden?” vroeg zij onnoozel.

»Houd me niet voor den mal, mevrouwtje, als u er een half dozijn bij mekaar heeft, zullen we zien wat u doet!”

»Conrad en ik zullen ons nooit van onze kinderen scheiden, al hebben we ook het dozijntje vol.”

»We spreken mekaar later; maar er is een ellendige historie bij: mijn oudste jongen heeft een ongeluk gehad, hij is met schaatsenrijden verdronken.”

»En dat zegt u zoo kalm?”

»Ik heb me aan ’t denkbeeld moeten wennen. ’t Eerst vond ik het idee beroerd genoeg, maar ’t ergste was dat mijn vrouw, toen het bericht kwam, in een toestand verkeerde, die elke aandoening doodelijk maakte. Ik heb ’t haar dus verzwegen; later zag ik er tegen op het haar te vertellen en nu schrijft ze den jongen lange epistels, zendt hem aardigheden, pruttelt dat er geen brief van hem komt, in één woord, zij vermoedt niet, dat het kind dood is.”

»Maar dat is toch vreeselijk!” riep Hermelijn ontzet uit.

»Wat zal ik doen? Sinds de kleine er is, houdt ze op met dat eeuwigdurende grienen; ze gaat met me uit, naar de komedie en de muziek in de Concordia en is soms heel vroolijk.”

»Maar zij zal ’t u nooit vergeven, dat u het kon aanzien dat zij zich amuseert, terwijl het tijd was om voor haar kind te rouwen. Ik vind uw handelwijze in de hoogste mate ergerlijk.”

»Ik ben ’t van u gewoon, mevrouw, dat u uw meeningen niet verbergt; maar ik kan er waarlijk niets aan doen. ’t Verveelt me zoo verschrikkelijk altijd haar martelaressengezicht voor mij te zien dat het mij onmogelijk is, haar die nieuwe aandoening te bezorgen.”

»En als ze het nu van buiten af hoort?”

»Ja, dan ligt het geval er eenmaal toe. Ik kan niets beters doen dan de zaak maar aan haar loop over te laten; voor mij is ’t ook niet alles, dat verzeker ik u. U ziet mij voor een ongevoelige steenklomp aan, maar begrijpt u niet dat het mij vreeselijk hindert, als mijn vrouw over haar Willem praat en allerlei mooie plannen voor de toekomst maakt, dat alles aan te hooren en te weten dat hij reeds sinds een paar maanden overleden is?”

»Ik begrijp niet, hoe u dien last zoo geheel alleen kunt dragen; daarvoor moet men al heel sterke schouders hebben.”

Ook Conrad vond van Diteren’s handelwijze onverantwoordelijk en beiden waren verheugd toen hij vertrok.

Zijn laatste woorden waren:

»Ik hoor dat de Merawoe weer aan het spoken is.”

»Och, dat heeft hij al jaren lang gedaan,” antwoordde Conrad achteloos.