Hermelijn

Part 30

Chapter 304,226 wordsPublic domain

»Je weet, wat ik je vroeger zei toen je hebt geweigerd, iets dat je niet beviel te doen ter liefde van mij. Nu staan de zaken gelijk, ik weiger ook want ik zie het redelijke niet in van je verzoek.”

»Corona, heb ik dan niet feitelijk je wensch gedaan? Is die zaak niet vergeten?”

»Je hebt er mij weer aan herinnerd.”

»Welnu, laat het voor ’t laatst zijn, een woord van je maakt alles goed! Beken je onrecht, door haar te verwijderen. Ik bid er je om, Corona, bij onze liefde!”

»Die bestaat niet. Als bevelen niet baten dan begin je te bidden. Ik luister naar geen van beide; ’t is een lage wraakneming van Hermine, een samenspanning van allen tegen mij en Iteko. Je allen haat haar omdat zij mij liefheeft; ’t is laag van je, Iwan, dat ge je door hen laat medeslepen om tegen mij op te treden. De brievengeschiedenis, meende ik, was ook door Conrad en Hermine vergeten, nu moet je die oprakelen om je macht over mij te toonen, daarom was je gisteravond zoo bijzonder teeder... ô mijn God, mijn God! wat een komedie om mij te bedriegen, schandelijk!”

»’t Is niet waar, van nacht eerst...”

»Heb je alles vernomen? Ik geloof je, stellig, je bent immers een man van eer, ha, ha!”

Zij lachte droog, valsch, snijdend, met een klank, die Iwan door de ziel sneed en hem vreemd voorkwam, als ware het een ander, die zoo lachte.

»Corona, wilt ge je bedenken?” vroeg hij.

»Neen, ik doe slechts wat mij redelijk voorkomt. Ik heb mijn eigen begrippen, evenals jij; kunnen wij ze niet in harmonie brengen, welnu laat ons scheiden nu het nog tijd is.”

»Mijn lieveling, mijn Corona,” riep hij uit, half snikkend, »verstoor toch zoo roekeloos ons levensgeluk niet. Als je wist hoe innig ik je liefheb, hoe gelukkig ik gisteravond was, vóór dat die schaduw op mijn geluk viel...”

»Je liegt, Hermine zal ’t ontgelden.”

Haar geheele lichaam sidderde, haar oogen schoten vonken vuur, haar neusvleugels trilden en zij sloeg haar karwats in machtelooze woede tegen de rozen en het marmer.

»Laat die dwaze wraaknemingen, Corona, wij kunnen zoo gelukkig zijn, als je die ellendige drift onderdrukt en de zaak kalm aanziet; geloof me, ik zou niet ernstig bij je aandringen op iets dat je zwaar viel, als ik niet zag dat onze toekomst er mee gemoeid was, als ik niet begreep dat er tusschen ons geen vrede, geen vertrouwen meer mogelijk ware, vóór je mij dat offer brengt, vóór je mij getoond hebt dat die onbezonnen daad je berouwt.”

»Ze berouwt mij niet, er is maar één ding, dat ik ongedaan wenschte te maken, onze verloving. Ik wil geen tyran, die mij bedriegt bovendien en een liefde huichelt, welke hij nimmer voor mij heeft gevoeld.”

»De drift doet je dwalen, Corona, je meent het niet en ik vergeef je. Ik bid er je om, geef toe! Is het niet schandelijk dat je een oogenblik weifelt tusschen Iteko en mij, mij, je bruidegom, wien je voor God het woord van trouw verpandde?”

»Iteko meent het beter met mij, je hebt mij ten huwelijk gevraagd om mijn fortuin, om den invloed van papa, omdat zij...”

»Dat weet je beter, vraag het je vader eens.... Corona, kom tot je zelf, ik zal heengaan, ge zult je bedenken als je kalmer bent.”

Hij wilde de armen om haar heen slaan, haar met zacht geweld tot overgave dwingen maar juist door die liefkoozing werd haar toorn tot het toppunt gevoerd, zij rukte zich met geweld los uit zijn krachtige omarming.

»Raak me niet aan!” siste zij met tijgerachtige uitdrukking in de oogen. »Ga naar die andere, maar mij vergeten zal je nooit, nooit!” en snel als de gedachte hief zij haar karwats op en sloeg hem daarmee dwars door het gelaat.

Iwan werd doodsbleek, de striem gloeide en brandde als vuur; hij wankelde even, doch onmiddellijk wrong hij het zweepje uit haar hand en slingerde het verre weg tusschen de rozestruiken.

»Vaarwel,” zeide hij kort en dof, »je weet waar ik woon, als je mij nog iets naders te zeggen hebt. Morgen ben ik vertrokken!”

XLVIII.

Vlak tegenover den schouwburg te Samarang staat een rij kleine woningen, bijna geheel aan elkander gelijk, met een voorgalerij, eenige kamertjes, een plaatsje, waarop zich telkens een halve put bevindt en een paar lilliputsche bijgebouwen, die zich tot het allernoodzakelijkste, keuken, provisie- en badkamer bepalen.

Komediebuurt is zij geheeten; die huizen worden meest bewoond door weduwen, die haar fatsoen eenigszins willen ophouden en daarom nog niet afdalen naar de mindere buurten, Sleko, Konijnen- of Weduwstraat, klerken, die met vrouw en kind van een hoogst beperkt inkomen moeten leven, of ambtenaren op wachtgeld, die hier voorloopig hun intrek nemen, het oogenblik afwachtend, waarop zij hun benoeming zullen verkrijgen, wie weet in welken hoek van den Archipel; de huisjes zijn net en geriefelijk ingericht, de stand is alleraangenaamst en vooral wanneer er iets in de komedie te doen is bijzonder levendig; verderop staan hooge waringins op het voorplein der gouvernementsscholen, daar langs gaat de weg, door tamarindeboomen omzoomd, over Karang Bidara naar Tjandi en verder naar Oenarang, dat aan den voet van den hoogen berg van dien naam gelegen is, welken men hier bijna vlak tegenover zich waant.

Dat verre groen vormt een aangenaam rustpunt voor het oog want de straat zelf is kaal en vooral in de oost-mousson stoffig en heet; nu echter valt de regen bij stroomen neer, soms dagen lang, het stof is slik geworden, de dakgoten werpen stroomen water uit, de druppels kletteren tegen de pannen met onvermoeibare kracht, de zon verscheurt nu en dan slechts even het net van wolken en regen om een valschen, paarsachtigen gloed over de natte aarde te werpen.

Opwekkend is zulk een weer niet, vooral niet voor hen, die veel alleen zijn; in een der miniatuur voorgalerijtjes van een huisje der komediebuurt zit Hermine de Géran druk te naaien; alles om haar heen is eenvoudig en zelfs kaal, de meubels zijn van het gewoonste soort en geheel verschillend van haar even smaakvolle als rijke omgeving in Djantong; zij zit op een laag stoeltje, in sarong en kabaja gekleed, maar toch kon men niet zeggen, dat zij er droevig uitzag; soms speelt zelfs een glimlach om haar lippen, als zij een van de kleine kleedingstukjes, die zij voltooid heeft, uitspreidt en zich zeker voorstellingen maakt van een klein rozig gezichtje, dat er uit zal gluren of van een paar bolle armpjes, die uit de mouwtjes zullen komen steken.

Plotseling staat ze haastig op, ’t is 12 uur op het eenvoudig hangklokje; zij moet naar de keuken en overtuigt zich dat Ma Bitja, die haar naar Samarang volgde, de rijst en de sajoran [100] reeds zoo goed als klaar heeft; dan plaatst zij zich voor haar bescheiden toiletspiegeltje, steekt de blonde haren nog eens op, verfrischt zich met een heel klein idéetje »Eau de Floride” en gaat dan in de voorgalerij staan om in de richting van de buurt Tawang uit te zien.

De weg is op dit middaguur tamelijk verlaten: een enkele Chineesche rondventer, die den regen onder zijn parapluie tart terwijl de bawean [101] zijn koopwaren draagt die onder wasdoek tegen het druipende water beschermd worden, en de druppels langs zijn onbedekt en glimmend bruin bovenlijf glijden, eenige Javanen te voet of een langzaam voortsukkelende bendy, eindelijk ziet zij, wat zij verwacht: een in het grijs gekleede gestalte, met een groote pajong [102] over het hoofd, die naderbij komt en ten slotte de galerij binnen stapt.

»Och Conrad, lieve jongen! wat een weer breng je mee en dat je er nu weer door moet. Zou ’t niet beter zijn dat ik je voortaan het eten stuurde?...” riep zij hem tegemoet.

»Ik dank je wel, denk je dat ik er zoo’n regenbui niet voor over heb om een gezellig uurtje met je door te brengen aan de rijsttafel? Bah, niets vervelender dan zoo’n eenzaam diner op het kantoor.”

»Nu, en voor mij dan?”

Binnen had de begroeting op nieuw plaats, zoo hartelijk en innig als slechts bij een gelukkig getrouwd paartje mogelijk is.

»En nu gaan we eten, de rijst is warm en dat hebben we wel noodig in dit kille, bijna Hollandsche weer. Och, Coen, kijk eens hoe lief dit op kleine Nico’s zwarte haartjes zal staan.”

En zij nam een aardig mutsje van uit haar naaiwerk op.

»Neen, ’t zal veel mooier staan op het blonde krullekopje van Lientje.”

»’t Zal een Nico wezen.”

»Dan een Nicolientje.”

»We zullen zien, een zwartkopje als papa.”

»Neen, een blondine als mama.”

En zoo lachend en schertsend zetten ze zich aan tafel en lieten zich den eenvoudigen kost goed smaken, zooals men doet wanneer men jong, gezond en ondanks vele zorgen en bekommeringen in zijn hart gelukkig is.

»Voor ongelukkige bannelingen blijven we toch goed eten, vrouwtje!”

»Och ja, manneke, ’t zou erg wezen wanneer we er nog eet- en levenslust bij verloren, als je maar vroolijk ziet...”

»En waarom zou ik ’t niet doen?”

»Omdat je straks weer door regen en wind moet.”

»Dat moest ik in Djantong soms ook wel, ik verdiende daar waarlijk mijn geld ook niet in ledigheid, nu ben ik ten minste vrij.”

»Zoo vrij, dat je wanneer je geen vrouw had je in alle vrijheid er een kon kiezen.”

»Als de mijne dan niet in de nabijheid was en even vrij als ik, dan had ik er bitter weinig aan.”

»Zou je haar dan nog kiezen, Coen?”

»Wel neen, ik zou Cor eerst om raad vragen.”

»Ach Coen, wie weet hoe spoedig je het werkelijk zult moeten doen, maar dan moet je niet alleen uitzien naar iemand die goed is voor jou, maar ook voor...”

»Hermelijntje, wil je wat sambel [103]?”

»Dan gaat het in een moeite door met huilen, wil je dat zeggen Coen?” en zij lachte terwijl zij met het zakdoekje langs de vochtige oogen streek.

»Och ventjelief, je weet ik ben niet sentimenteel, maar als ik ’t nu en dan eens word dan komt het door mijn toestand en ook daar het mij spijt dat je nu armoede lijdt om mij.”

»Om jou en je hebt er niets geen schuld aan.”

»Dat nu wel niet maar toch... toch als ik er niet geweest was.”

»Dan zou alles zeker beter zijn maar of ik er mee tevreden was, dat vraag je eenvoudig niet.”

»’t Is zoo’n verschil voor je.”

»En voor jou?”

»Als we nu nog eenige schuld hadden.”

»Was ’t dan niet erger?”

»Och Coen, denk je er nu werkelijk zoo over of zeg je dat om mij te troosten?”

»Ik geloof om beide redenen.”

»Je bent een lief, best Coentje, en ’t spijt me zoo vreeselijk dat ik je anker [104] ben.”

»Dat ben je niet, vooral niet als je mij zoo lief aankijkt; ik geloof dat we hier veel gelukkiger zijn in ons kaal huisje dan de anderen op het land.”

»Geloof je dat, ik heb ’t dikwijls ook gedacht, maar ik ben toch blij dat je van hetzelfde idee bent; sinds de storm losbrak is Cor zoo geheel veranderd.”

»Wat er toch gebeurd mag zijn tusschen haar en Iwan?”

»Dat zal wel altijd een geheim blijven. Waar hij gebleven mag zijn? ’t Is zonderling!”

»Ja, wie had zoo’n einde van dat engagement kunnen voorzien; ik zal nooit vergeten wat een schrik ik op dien middag kreeg toen papa ons gebood op het groote huis te verschijnen en toen het zoo vreeselijk onweerde, dat we onmogelijk konden komen.”

»Toen was Iwan nog niet vertrokken! Wie weet of alles niet een anderen keer had genomen als wij tot explicatie waren geraakt en ik hem over zijn dwazen brief persoonlijk had kunnen spreken.”

»En Cor wilde niet gelooven, dat je hem niet eerst had geschreven, vooral niet nadat ze die enveloppe met je letters in Iwan’s kamer hadden gevonden.”

»Maar jij geloofde me toch dadelijk, lieve Coen!”

»Wat zou ik niet van je gelooven, Hermelijntje? Ik was er trouwens bij toen je van Thoren dien onbegrijpelijken brief ontving. ’t Is zeker dat je hand nagemaakt is, maar door wie?’

»Door dezelfde, die haar sporen reeds verdiende met het namaken van de jouwe!”

»Maar het kan toch niet wezen dat ze haar eigen schande verraadt.”

»Dit vind ik ook onbegrijpelijk, het zijn twee draden die ik maar niet aan elkaar kan brengen. Iteko haatte mij, de hemel weet waarom, en ze zag ook het huwelijk van Corona ongaarne, dat begrijp ik heel goed; nu heeft ze mij gestraft en het huwelijk belet, dat kan ik me nog begrijpen, maar het is niet aan te nemen dat ze uit mijn naam haar eigen leelijk bedrog heeft verklapt.”

»Dat is het zeker niet en toch, het doel werd bereikt. Papa nam het hoog op, hij wilde weten wat je geschreven hadt, en hoe je ook ontkende en bij hoog en laag zwoer Iwan niet geschreven te hebben, hij wilde ’t niet gelooven.”

»Je had hem niet Iwan’s brief moeten toonen, Conrad!”

»Waarom niet?”

»Wij raadden er naar en Corona heeft mij, toen we alleen waren, ronduit verweten haar verklapt te hebben, maar papa vermoedt niets van de brievenhistorie.”

»Hij zou ’t ook schandelijk hebben gevonden maar weet je wie eigenlijk de meeste schuld aan alles heeft?”

»Eigenlijk jijzelf, Conrad, door die vervalsching eenmaal toe te staan.”

»Ja, dat is ook zoo! Ik heb me in die heele zaak echt kwâjongensachtig gedragen; ik verdien niet dat alles me nog zoo meegeloopen is en ik mag blij zijn dat ik niet erger gestraft werd dan nu.”

»Je hebt alles goedgemaakt, beste man, door de echt ridderlijke wijze, waarop je de partij van je vrouw tegenover papa en Corona hebt opgenomen; de rest is oude historie, helaas! weer opgerakeld buiten onze schuld.”

»Wie had ’t kunnen denken! Wij, de voornaamste belanghebbenden, hadden alles vergeven en vergeten en nu komt het op ons eigen hoofd terug.”

»Je bent ook te driftig geweest.”

»Te driftig als ze mijn vrouw beleedigden en als ze van mij verwachtten dat ik uit haar naam excuse zou vragen!”

»’t Was tegen je vader, Coen!”

»Of tegen Cor! Wanneer iemand maar een vinger tegen haar uitsteekt, dan is hij bij Papa in ongenade. Had Iwan zijn adres maar opgegeven, dan kondet je hem schrijven hoe alles na zijn vertrek is toegegaan.”

»Ja, hij is zoo raadselachtig heengegaan na den notaris volmacht te hebben gegeven, zijn inboedel te verkoopen; hij had nog geen vast adres, zoodra hij ’t had zou hij ’t schrijven. Ik geloof dat hij ’t zich ook sterk aantrekt, maar wat het eigenlijk is, daar komen wij misschien nooit achter.”

»Als we eens over de zaak bezig zijn, Hermelijntje, dan scheiden we niet uit en ’t wordt mijn tijd.”

»Nu al?”

»Helaas ja! Poesje lief, beloof je mij dat je nu zoet gaat rusten en niet opblijft om te pikken en te stikken?”

»Och Coen, ik wou ’t zoo graag afhebben en je weet ik houd niet van dat slapen ’s middags.”

»Maar ik wil niet dat jij je vermoeit; kom ga stil liggen en ontvang me straks aan de thee met een vroolijk lachend gezichtje. Zul je het doen, beloof je ’t mij?”

»Ik zal ’t probeeren.”

Hij vertrok weer, door haar uitgeleide gedaan tot aan de buitengalerij.

Toen hij om half vijf t’huis kwam, had zij de thee klaar gezet, en zat met een werkje aan de tafel.

»O, ik heb zooveel te vertellen,” riep zij opgewonden, »verbeeld je, Coen, daar is een kist van huis gekomen met een grooten brief van Kitty en een kleinen van Dolly.”

»En van niemand anders?”

»Neen van niemand, maar de zusjes denken nog zoo aan ons. Ik heb met uitpakken gewacht tot je t’huis zou wezen, Coen! En ik ben toch zoo nieuwsgierig, maak je maar gauw lekker en kom mij helpen de kist te openen.”

Weinige oogenblikken later waren beide groote kinderen druk bezig aan het uitpakken der kist, die allerlei ingemaakte lekkernijen bleek te bevatten, met nog een menigte aardigheden en kleinkindergoed, door Kitty en Margot gemaakt of door Dolly afgestaan.

Hermelijn juichte van vreugde, haar oogen schitterden, zij vond alles even mooi en even lief; de anders vrij stille Conrad werd door haar vroolijkheid aangestoken, hij lachte even hartelijk mee, paste de rokjes om haar vingers, sloeg de doekjes om haar hals, kortom, kinderen als zij waren, speelden zij zoo luidruchtig en onbezorgd met elkander als hadden zij nooit zorg, kommer, strijd of verdriet gekend.

»En nu genoeg gestoeid, nu de brief!” zeide Hermelijn, zich de blonde, dartele krulletjes van voorhoofd en oogen strijkend. »Foei, foei, wat heb je mijn goedje door elkaar gegooid, ik moet dat alles nu zelf in orde brengen, en dan wil hij niet hebben, dat ik me druk maak.”

»Laat nu eens hooren wat de zusjes schrijven.”

»Och, ze zijn zoo lief en hartelijk, maar ’t is niet alles goede tijding wat ze melden. Hoor maar!”

»Beste zus!

»Nu we eindelijk de kist vol hebben met een massa prullen, die naar we hopen je wat zullen verstrooien, zet ik me eens neer om op mijn gemak met je te keuvelen.

»Mijn goede Jo is met papa naar de tuinen en ik zit alleen in mijn pavilloentje met zus Margot, die mij veel gezelschap komt houden en met wie ik bijna onophoudelijk over onze lieve afwezigen praat.

»’t Verwondert je, niet waar, och! Hermelijn, ’t is alles zoo anders, zoo geheel anders geworden hier op het »groote huis.” We weten dikwijls niet hoe we ’t hebben. Eén ding alleen is heerlijk, Jo en ik zijn veel vrijer dan vroeger, we kunnen dagen lang in ons nestje zitten zonder dat iemand er iets van zegt.

»Maar ik zal je geregeld het een en ander vertellen over alle veranderingen, die hier zooal plaats hadden. Ten eerste over papa; zooals je weet bemoeide papa zich nooit heel veel met ons; zoolang we niet deden wat in Corona’s oogen verkeerd was, liet papa ons onzen eigen weg gaan. Hoogst zelden sprak hij ons zelfs aan; nu is papa veel vriendelijker geworden. Laatst vroeg hij me—verbeeld je, ik vertrouwde mijn eigen ooren niet—of ik gelukkig was en toen zeide hij me, dat het hem zoo speet, dat Guillaume en Toetie zoo verkwistend en lichtzinnig leefden en dat Dolly haar leven doorbracht als slavin van Akkeveen.

»Hij verzocht me toen of ik mij Margot wou aantrekken, als hij er niet meer was! Ik noemde dat een dwaas idée maar papa verzekerde, dat hij zeer goed kon voelen, hoe zijn gezondheid hard achteruitging; ’s nachts moet papa zware benauwdheden hebben en weinig slapen.

»Toen ik merkte dat papa nogal een teere bui had, begon ik over je beiden te spreken maar onmiddellijk kreeg ik erop:

»Spreek er niet over, kind! Conrad heeft den eerbied tegenover mij te veel uit het oog verloren en Hermine veroorzaakte Corona zoo groot verdriet...”

»Daar heb je het weer,” bromde Conrad, »ik ben brutaal geweest maar daarvoor heb ik dadelijk vergiffenis gevraagd en jouw schuld....”

»Stil toch, driftkopje, stil! Foei, wat heeft die ellendige drift al ongeluk in je familie veroorzaakt, blijf nu kalm, dan lees ik verder.”

»Ik vroeg wat dit verdriet eigenlijk was. Ja, zij had allerlei kwaad over Corona aan Iwan geschreven en nu had zij ’t alles ontkend. Hij had het nooit van haar kunnen denken, zij scheen hem zoo lief, bescheiden en verstandig toe.”

»En ben je dat niet?” vroeg Conrad met een boos gezicht.

»Och Coen, dat doet mij nu ’t meest aan, dat ik onmogelijk je vader van mijn onschuld zal kunnen overtuigen, maar ’t ergste komt nog.”

»Als zij nu schuld bekende, wie weet of Corona dan niet wilde vergeven.” En is papa dan nog boos op hen? vroeg ik. »Ach Kitty,” antwoordde hij, »als men zoo dicht bij zijn einde is, dan lijken al die dingen zoo nietig en klein, dat men zich de moeite niet gunt om er boos over te worden. Wanneer Corona maar tevreden was, zou ik niets liever willen dan Hermine en Conrad weer in Djantong geïnstalleerd te zien. Als ik dood ben komen zij er toch van zelf terug.”

»Ik kan niet zeggen dat papa er slecht uitziet en ik geloof ook niet dat hij zoo erg is als hij ’t zelf meent, maar ’t is toch allerakeligst, hem zoo over zijn naderend einde te hooren spreken.”

»Zeker is ’t akelig, maar we kunnen er niets aan doen.”

»Helaas! niets! Men kan toch geen leugens bekennen.”

»Ik voor mij geloof dat papa zich zoo moedeloos voelt, omdat die zaak met Thoren van Hagen afgesprongen is; hij had het zich zoo heerlijk voorgesteld, Thoren zijn opvolger en wij allen kregen dan geen grondbezit maar bleven administrateurs, of opzichters in zijn dienst. Portias en ik hadden daar natuurlijk niets tegen; het liefst wou Jo in een groote plaats wonen om zich geheel aan de muziek te wijden en ik zeg, hoe minder zorg en verantwoordelijkheid, hoe liever. Conrad denkt er ook zoo over, naar ik meen; nu is alles in duigen gevallen. Arme Hermelijn! die van alles de schuld krijgt, terwijl zij er onschuldig aan is als het diertje, welks naam zij draagt.

»Wat Cor betreft, zij is nog meer veranderd dan papa, ’t is of alle levenslust er uit is; haar oogen staan dof, zij stelt in niets meer belang, haar viool raakt zij niet meer aan, naar bloemen ziet ze nauwelijks meer om; zij schijnt vreeselijk veel verdriet te hebben maar zij klaagt bij niemand. Als er menschen komen doet ze haar best spraakzaam te zijn en te doen of het verbreken van haar engagement haar geheel onverschillig is.

»Ik geloof niet dat zij een traan gelaten heeft om Iwan’s vertrek; zij, die vroeger zulke geweldige huilbuien kon hebben. Weet je nog, dien dag toen ze met hem een querelle d’amoureux had? Ze slaapt lang, ik vrees dat ze kunstmiddelen gebruikt om in slaap te raken; zij verbeeldt zich met haar apotheek een halve dokter te zijn, wie weet wat zij niet inneemt! Maar ’t wonderlijkste is haar verhouding tot Iteko. Zij wil haar niet meer bij zich op de kamer hebben en je herinnert je nog hoe zij vroeger niet buiten haar kon. Iteko gaat eenvoudig haar gang; zij geeft den kinderen les en schijnt Cor uit den weg te blijven. Ik weet niet, wat er van te denken; er gaan dagen om, dat ze geen woord samen spreken.

»Corona sluit zich hoe langer hoe meer in zich zelf op; mij zoekt zij ook niet meer en ik dring mij niet in haar vertrouwen; daarbij kan ik ’t haar nog maar niet vergeven dat zij mij mijn liefste zusje en mijn ondeugendsten broer ontroofde.

»Jo en ik praten dikwijls over je beiden, en we stellen ons voor, hoe prettig ’t zou zijn als we ook te Samarang woonden en ’s avonds gezellig musiceerden; je wilt niet gelooven hoe saai het hier is met dien eeuwigdurenden regen. We kunnen toch niet altijd bij ons t’huis zitten; papa leest zijn couranten en valt dan in slaap. Corona is aan het lezen uit dikke boeken, maar dikwijls ziet ze over de bladzijden heen en ik geloof dat ze meer aan Iwan dan aan die geleerde schrijvers denkt; spreken doet ze haast niet als we onder ons zijn, zelfs wanneer ze aan het haken is aan een eindelooze sprei. Philip maakt zijn voetzoekers en is altijd in zijn rommelkamer ergens in de bijgebouwen bezig. De groote broers komen zoo goed als nooit; ik weet niet wanneer Akkeveen hier het laatst is geweest, Guillaume zegt ronduit dat hij ’t hier zoo vervelend vindt sinds zijn zusje Blanche Hermine weg is en acht het de moeite niet waard de rit van Wilhelmshöhe anders dan om dienstzaken te maken. Ik geloof, dat hij niet goed oppast; papa heeft hem een paar malen flink onder handen genomen maar hij gaat telkens weer naar Soekarenga en moet in de sociëteit zwaar spelen en ik vrees zelfs drinken; August vindt het bij zijn Poppie te prettig, daarbij is zijn gezelschap zoo bijzonder opwekkend niet, we verliezen er niet veel bij.

»Van Dolly kreeg ik gisteren dit pakket met een briefje aan je adres, dat ik hier bij sluit.

»En nu adieu, mijn lieve tortelduiven, Jo en ik zijn bang dat wij van somberheid en narigheid nog in uilen veranderen, verbeeld je Kitty een kokok belook [105], en Jo zou heel muzikaal gaan krassen volgens de regels der edele toonkunst.

»Waarlijk, die in ongenade zijn gevallen, hebben het zoo erg niet; arme verstootelingen vaartwel! Vele groeten van Jo, Margot, Philip, Guillaume enz. enz.

Uit aller naam Kitty.

»En de brief van Dolly?”

»Och daar heb je niet veel aan. Raadgevingen, die mij goed te pas komen.”

»En die je zult opvolgen?”

»Zooveel ik kan; die lieve Dolly, zij is zoo moederlijk voor mij. We zijn zoo wat even oud en toch vind ik dien beschermenden toon van haar zoo prettig, zoo veilig. Je hebt lieve zusters, Coen!”

»Op eene na!”

»En, die is ook zoo kwaad niet, maar we weten niet wat er gebeurd is, hoe zij bedrogen en gegriefd is geworden; hoe vreemd dat Iteko nu in ongenade schijnt.”

»Dat doet me pleizier.”

»Zij is in elk geval de oorzaak van alles. Ik kan me begrijpen, hoe Corona nu met tegenzin dat dierage aanziet. Kom, ik ga mijn spulletjes wegbergen.”