Hermelijn

Part 3

Chapter 34,064 wordsPublic domain

»En welk vlekje is er aan mevrouw de Géran? Is er een zweem van koketterie in haar houding tegenover dien fat van een Simons of... òf tegenover jou?”

»Tegenover mij, jawel, zij kan me niet luchten.”

»En dat pikeert je tegen wil en dank.”

»Ik heb geen moeite gedaan om haar een andere opinie van mij te geven.”

»Maar je zoudt willen dat zij die had. Heeft ze niet altijd standvastig geweigerd piano te spelen of te zingen?”

»Omdat ze niet wist of haar man het goed zou vinden, heeft ze aan mijn vrouw gezegd. Ik geloof om ons een hoog idee van haar talent te laten behouden.”

»Hoe ’t ook zij, die jonge Géran is een gelukkige kerel; ’t is te hopen dat het uilskuiken zijn geluk beseft.”

»Wel kapitein,” vroeg Simons, die na schitterend verslagen te zijn door de vrouw, den man naderde, »u heeft het ook over de jonge mevrouw, geloof ik! Vindt u die huwelijken met den handschoen geen ellendige instelling?”

»Even ellendig als het: »Hier liggen voetangels en klemmen” in een mooien, open bloementuin.”

»Pas maar op de voetangels, jong mensch! Ik zou je daarvan kunnen vertellen, ’t kan zijn nut hebben.”

Een damspel met mevrouw Brant was stellig veel geschikter, zoo niet nuttiger bezigheid voor den vrij baarschen jongen ambtenaar, dan een gesprek onder vier oogen met den levenswijzen van Diteren, dat hem moest bekend maken met de mindere ideale zijde van het Indische leven.

V.

Batavia was in zicht en de reis met de Menado ten einde. Het was een gelukkige reis geweest met weinig stormen, zoo goed als geen onaangenaamheden, geen oproer onder het transport, voordeeligen wind, zoodat men binnen den bepaalden tijd aankwam.

Vriendschappen en verbintenissen voor het leven waren er, wel is waar, niet aangeknoopt, maar toch, men had het goed met elkaar kunnen vinden; die elkaar minder mochten lijden, waren rustig uit mekaar’s weg gebleven, de anderen hadden zich wat vaster aaneengesloten en toch was men blijde op Java te zijn, allen, behalve Simons, die nu het voorwerp zijner platonische bewondering zou verliezen.

Het oogenblik van afscheid kwam, mevrouw Brant had haar beide meisjes »de bonte tweeling”, zooals Hermelijn ze noemde omdat ze van dezelfde grootte maar van verschillende gelaatskleur waren—zeer netjes voor de gelegenheid gekleed, precies gelijk, want zij wilde geen onderscheid maken tusschen de bleeke vlasblonde Cis en de donkerbruine Non, en toch waren het toevallig steeds kleuren, die de lichte goed en de donkere afschuwelijk kleedden.

Mevrouw van Diteren had weer eenige kwade oogenblikken op het gezicht van het eiland, waar al haar lievelingen geboren waren en dat zij ook met het lieve viertal verlaten had.

Haar echtgenoot snauwde haar onbarmhartig toe dat zij al die malle kunsten zeker van die gekke meid had geleerd, die zij steeds zoo naliep.

Simons liep rond, met een pakje onder den arm, zoo druk en tevens zoo schichtig, dat kapitein Brant hem vroeg, of hij reeds door de tarantulaspin gestoken was.

Eindelijk zag hij Hermine de Géran op het dek verschijnen. Zij had voor ’t eerst een sneeuwwit morgenkleed aan, dat haar hermelijnachtige schoonheid ten volle deed uitkomen.

Zij liep als gewoonlijk naast mevrouw van Diteren; aangenaam ware het Simons geweest, als hij haar alleen had mogen spreken, maar daar bestond weinig kans toe, want de beide dames waren onafscheidelijk, vooral nu in de laatste oogenblikken.

De treurende moeder begon erbarmelijk te schreien; Hermelijn sloeg den arm om haar middel en drukte haar hoofd tegen haar borst; zacht fluisterde zij haar lieve troostende woorden toe.

»Och Mientje,” snikte de arme vrouw, »ik weet niet hoe ik die reis had kunnen doen zonder jou, je bent mij zoo tot troost geweest. Nu ik je verlaten moet is het of ik opnieuw van mijn kindertjes afscheid neem.”

»Kom, lieve mevrouw, moed! Vijf jaar zijn gauw om, dan zal immers uw oudste terugkomen, of liever daar moet u voor zorgen, dat is lang genoeg; dan moet u uw wil doordrijven, ’t is wel geweest. En nu is u terug op Batavia...”

»Ach, dat leege huis en al hun speelgoed terug te vinden, waar ik ’t heb gelaten! Ik zie er zoo tegen op Hermine! Zal je mij dikwijls schrijven?”

»Stellig, mevrouw, en dan komt u eens bij me logeeren.”

»Ik wou dat je meeging met ons, ’t zou mij zoo goeddoen.”

»Dat kan niet, ’t spijt me erg, maar u begrijpt het zelf, ik weet niet of mijn man het goedkeurt en daarbij mijnheer van Diteren,” voegde zij er lachend bij, »vindt het stellig niet goed.”

Daar naderde Simons juist.

»Gaat u nog naar wal?” vroeg hij eerbiedig buigend.

»Neen mijnheer!”

»Dus moet ik hier afscheid nemen.”

»Als u daaraan behoefte heeft, ja!”

»Mag ik u een klein souvenir aanbieden, ik heb er nog steeds een onwaardeerbaar van u.”

»Heeft u die mooie pen nog?”

»Ze zal met mij begraven worden.”

Hermelijn barstte in een helder gelach uit; als zij lachte klonk er iets als neerklaterende parelen, zoo melodieus en harmonisch, zoo opwekkend en verfrisschend tegelijk. Alles was jong in Hermine en dat maakte haar voor ieder, die niet innerlijk verdord en verdroogd was als van Diteren, onweerstaanbaar aantrekkelijk.

»Verlangt u hetzelfde van uw souvenir aan mij?”

»Neen, als u het bij uw leven maar soms beziet.”

Hij reikte haar het pakje over, het waren photographieën naar beroemde schilderijen in een daarvoor bestemd doosje.

»Ik dank u zeer, mijnheer Simons,” zeide Hermelijn op den natuurlijksten toon der wereld, »’t is een heel aardig souvenir van onze reis, juist geschikt voor menschen, die weinig kans hebben de schilderijen ooit in werkelijkheid te zien. Mijn man en ik zullen er met genot naar kijken; u weet »A thing of beauty is a joy for ever” en aan kunstvreugde zal het ons in het gebergte maar te dikwijls ontbreken. Nogmaals hartelijk dank!”

En zij reikte hem haar hand en zag hem tegelijk recht in de oogen.

»Wat ziet hij er vreemd uit,” dacht zij.

Hij hield haar hand iets langer en steviger vast, dan de strikte beleefdheid vorderde, maar plotseling liet hij ze los, keerde zich om, en ging over de verschansing leunen; aan de beweging zijner schouders zag Hermelijn duidelijk, dat hij streed om een plotselinge aandoening meester te worden.

»Mijn hemel, zou hij ’t ernstig meenen?” vroeg zij half lachend, half bewogen aan mevrouw van Diteren.

»Waarom zou hij ’t niet meenen, denk je dat het zoo moeilijk is van je te houden?”

»Vreemd,” dacht Hermelijn, »onbekend kom ik op het schip en nu zijn er twee, die bij ’t afscheid om mij schreien. Wat zal Coen er van zeggen, ’t schijnt dat zijn vrouwtje in den smaak valt, maar ik heb dien armen jongen toch altijd zoo geplaagd.”

De andere afscheidsgroeten liepen zeer gewoon af; de bonte tweeling stortte ook tranen bij het verlaten van de lieve, jonge mevrouw, die zich zoo aardig met haar had beziggehouden.

»Als ze allen beginnen, ga ik ook nog huilen,” sprak mevrouw Brant, »en dat heb ik nog maar zelden in mijn leven gedaan. Het ga u goed, mevrouwtje!”

En zij kuste Hermelijn’s zachte wangen.

Van Diteren’s laatste afscheidswoorden waren minder hartelijk dan die zijner vrouw:

»Nu nieuwe mevrouw, het beste succes met je schoonzuster.”

»O ik ben niet bang voor één schoonzuster, voor geen zes!” riep zij met van ondeugd tintelende oogen hem tartend na.

Van Diteren beet zich op de lippen en mompelde er iets bij.

»We zullen eens kijken verdraaide heks, hoe ze je spoedig leeren een toontje lager te zingen.”

En zoo vertrokken ze allen. Hermelijn bleef het kleine bootje de »Tjiliwong” nastaren en voelde zich getroffen, bij de gedachte dat zij de menschen, met wie zij zes weken lief en leed had gedeeld, nu misschien nimmer zou terugzien, vooral voor die goede mevrouw van Diteren, deed het haar verdriet, maar alles werd overtroffen door de gedachte:

»Over een paar dagen zie ik mijn man, en van hem zal ik nooit scheiden, vóór de akelige dood er tusschen komt,” juichte zij in het diepste van haar hart.

»Ik vind het niets hartelijk van haar man, dat hij haar niet komt afhalen,” zei mevrouw van Diteren aan boord van den »Tjiliwong” tot mevrouw Brant.

»Brant dacht ook dat hij hier zou wezen. ’t Is vreemd.”

Maar Hermelijn zag er niets vreemds in. Zij had een telegram ontvangen met de woorden:

»Welkom in Indië!”

Zij vond dat een allerliefste attentie van Conrad Géran; een grooten brief had zij toch aangenamer gevonden; die laatste dagen vielen haar het zwaarste, slechts de heer Tulings en een andere familie, die zich zeer op den achtergrond had gehouden, bleven op de boot. Zij brandde van verlangen aan wal te gaan en Batavia te zien, maar zij durfde niets op eigen gezag doen in het vreemde land.

Eindelijk kwam de »Menado” te Samarang aan; den laatsten nacht had Hermelijn geen oog gesloten, nu zij aan het begin stond van een nieuw leven, begon zij eerst er het volle gewicht van te gevoelen; in die laatste stille uren kwamen de herhaalde waarschuwingen en plagerijen van van Diteren haar weer voor den geest, maar dan trachtte zij er om te lachen. Haar Conrad zou met haar zijn, en wat behoefde zij nog te vreezen?

Zij trachtte zich opgeruimd te voelen maar haar hartje klopte geweldig, zij hoopte spoedig aan te komen en ’t was een verlichting, te hooren dat het nog langer zou duren dan men aanvankelijk dacht.

Eindelijk kwam men aan; de haven van Samarang laat, wat veiligheid betreft, veel te wenschen over, soms zijn de stoombooten van wal uit niet te genaken.

»De blauwe vlag waait.”

En dan weet men dat alle gemeenschap over zee verbroken is; de tambangans (schuiten) mogen de rivier niet verlaten, daar de onstuimige zee te veel gevaren zou opleveren voor hen, die zich toch op de golven wilden wagen.

Gelukkig voor Hermelijn was de blauwe vlag niet op den toren der hoofdwacht geheschen, de witte huizen der stad teekenden zich scherp af tegen het geboomte en de hooge berg Oenarang vormde een indrukwekkenden achtergrond, tegenover de vrij wilde zee.

Een tambangan worstelde met de golven, nu eens zwevend in de hoogte, dan weer diep nederdalend, Hermelijn volgde den eersten zwarten tip, die langzamerhand grooter en grooter werd, met kloppend hart en trillende oogen.

Twee heeren zaten er in, haar schoonvader zeker... en hij.

»Er ist’s, die Flagge der Liebe mag wehen.”

Onophoudelijk gonsden haar die woorden uit de Freischütz door het hoofd, terwijl ze met ijskoude handen zich aan de leuning vastklemde en niets anders meer zag, niets anders meer hoorde, dan het bootje en het klotsen der roeispanen in de dansende golven. De heeren zwaaiden met hun hoeden, zij haalde haar zakdoek uit en wuifde terug.

»Er ist’s, er ist’s!”

’t Was of elke golf, die tegen het schip opvloog en het zilverschuim hoog en sissend deed omhoogspatten, de woorden zong en nog eens zong, zoo zelfs dat zij haar tergend in de ooren klonken. Zij begon de gezichten te onderscheiden en toen kon zij het niet langer meer boven uithouden; zij wist het zelf niet of ’t angst, dan wel vreugde, of schaamte was, maar zij had nu willen vluchten verre van daar. Iets bleef in haar hart de overhand behouden, de zekerheid dat over weinige oogenblikken, zij niets anders meer gevoelen zou dan diep innig geluk, het bewustzijn dat al haar wenschen vervuld waren, dat zij niets meer te verlangen of te vreezen had, dat zij dan eerst zich in veilige haven zou bevinden.

»Wil u den damessalon ingaan?” vroeg de kommandant, die haar op de trap ontmoette.

»Heel graag mijnheer! Brengt u de heeren dan beneden?”

»Zeker mevrouw, ik zal mij met de ontvangst belasten,” zeide hij zeer ernstig zonder een in zulke omstandigheden, zoo goedkoope poging om aardig te zijn.

Daar zat zij nu op de rood fluweelen divan en volgde met haar oog de vergulde lijsten, die kleine bloemstukken omgaven; zij telde werktuigelijk de roode en blauwe blaadjes, en deelde de figuren van het lijstje in vijftallen af.

Eensklaps rees zij op.

»Was dat wel Conrad geweest, die eene heer! Misschien had hij een ongeluk gehad, misschien was hij ziek, misschien...”

»Hoe dwaas! hoe kinderachtig,” zeide zij dadelijk er op, en streek zich met de hand over de golvende lokken, die ondanks al haar moeite om zich van daag bijzonder netjes te kappen, weerbarstiger schenen dan ooit en zij begon te lachen. Maar die lach klonk zoo zonderling, ’t was of zij nu eerst voelde dat zij de Hermelijn van vroeger nimmer meer zou zijn, dat zij zich zelf vreemd werd.

Daar hoorde zij duidelijk dat de tambangan aanlegde, dat de kapitein de aankomelingen begroette; er werd over de onstuimige zee gesproken, hoe kon men dat doen op zoo’n oogenblik?

Zij ging naar de deur maar kwam terug en bleef weer zitten, even zag zij in den spiegel en schrikte over haar bleekheid; die zwarte japon kleurde haar niets, zij zag er niets goed uit, zij zou haar man stellig teleurstellen. Waarom had ze met geen rood of blauw dat zwart opgevroolijkt?

Daar hoorde ze mannenstappen de trap afgaan, toen vouwde ze haar handen en lispelde, bevend:

»O vader, sta me bij, ik ben bang.”

Van Diteren als hij er bij geweest ware zou gegrijnslacht hebben, zoo was die brutale meid nu eindelijk klein geworden.

VI.

De deur werd geopend en twee heeren kwamen binnen, beiden lang en door de zon gebruind, maar van verschillenden leeftijd.

De oudste was een goede vijftiger, hoewel men hem in Holland voor even in de zestig kon aangezien hebben; zijn krullend haar was nog vol maar spierwit, een kort geknipte gitzwarte knevel groeide onder een scherp gebogen neus; even zwart maar nog borsteliger waren de wenkbrauwen, die fronsend over een paar doordringende zwarte oogen hingen; breedgeschouderd en forsch gebouwd, droeg hij een wit jasje van vreemden vorm, was hoog tot aan zijn kin dichtgeknoopt en in zijn hand hield hij een badientje. De jongere mager, min of meer voorover gebogen, had een overmatigen langen, stijven hals en klein hoofd; zijn gelaat miste alle uitdrukking, hij maakte den indruk van een adjudant naast zijn generaal, van een weinig zeggenden en nauwelijks toeluisterenden vertrouweling naast een tooneelkoning.

Hermelijn ging hen tegemoet.

»Hij is er niet bij,” was haar eerste gedachte.

»Welkom, kind!” sprak de oude heer en kuste haar op het voorhoofd; »ik ben je nieuwe vader en dat is je zwager August. Je man is niet meegekomen, hij wacht je in het hotel. Van middag kerkelijke inzegening en dan onmiddellijk naar huis. Is je goed ingepakt, ik bedoel, wat je dadelijk noodig hebt, voor de rest wordt gezorgd.”

De zwager vergenoegde zich zijn schoonzuster een slappe hand toe te steken, die zij even aanraakte, zonder er zelfs aan te denken dat hij haar volle neef was. Toch was zij niet teleurgesteld; Conrad wilde hun ontmoeting niet aan boord doen plaats hebben; hij had gelijk, wat hadden die officieren, matrozen en bedienden met hun liefde noodig?

»Hij is toch niet ziek papa?” vroeg zij, dapper hem dien titel gevend.

»Waarom zou hij ziek wezen? August, ga naar den kapitein en zeg hem, dat wij dadelijk vertrekken.”

August verdween zeer gehoorzaam.

»Maak je dan maar klaar, hoe is je voornaam ook weer?”

»Hermine!”

»Nu spoedig dan, we hebben geen tijd te verliezen. Het is 11 uur.”

Nog geen drie minuten later had Hermine haar hoed op en den mantel omgedaan en stond met haar handkoffertje op het dek, zeide den kapitein, zijn officieren en de overgebleven passagiers vluchtig »goeden dag” want haar schoonvader was reeds in het bootje afgestegen, en ging toen zelf het trapje af, dat naar het tamelijk sterk deinende bootje leidde.

De oude heer de Géran reikte haar de behulpzame hand, August sprong hen na, de roeiers zetten hun spanen in beweging en het schuitje begon Samarang te naderen.

Hermelijn kon nog maar niet op haar gemak komen; haar schoonvader deed haar geen enkele vraag over haar reis, over haar familie, vertelde niets van het eenige, dat haar belang inboezemde, maar sprak over de ellendige haven van Samarang, over de moeite, die het kosten zou daarin verandering te brengen, over de ellendige bandjirs [2], die in de laatste Westmousson de stad geteisterd hadden en die van het aangename, schilderachtige plaatsje uit de dagen zijner jeugd een akelig hol hadden gemaakt.

Dat was alles zeker hoogst interessant, maar op dit oogenblik boezemde Samarang Hermelijn slechts in zooverre eenige belangstelling in, daar het in een zijner huizen haar Conrad bevatte.

August’s stem was met geen mogelijkheid te hooren, want zoolang de tocht duurde gaf hij haar geen gelegenheid zijn lippen te ontsnappen. Eindelijk kwam men in de rivier, die gevuld was met djangollans [3], prauwen en tambangans, en weinige oogenblikken later aan de aanlegplaats »Boom” genaamd.

Daar stond een rijtuig hen op te wachten, een zoogenaamde palankijn, waarin het drietal plaats nam.

Later kon Hermine zich niets meer herinneren, van de straten, die zij doorgereden was, met de naar Europeesch model gebouwde huisjes die de brandende zon nu in een vuurgloed blakerde; ’t was of zij in een droom voortleefde, waaruit alleen de stem van Conrad haar kon doen ontwaken.

Men reed het ruime plein van het Heerenlogement op; het was twaalf uur en de rijsttafel juist begonnen.

»We zullen maar dadelijk gaan eten,” zei de oude heer de Géran, toen zij uitgestapt waren en wees Hermelijn de deur aan naar de groote binnengalerij, waar een vijftigtal heeren, dames en kinderen om een lange tafel zaten.

»Waar is Conrad?” had zij willen vragen, maar de vraag verstijfde haar op de lippen, daar van hem geen sprake scheen te zijn.

Het drietal zette zich aan tafel, Hermine tusschen de beide heeren, den steeds zwijgenden August en den vader, die ’t weldra met zijn over- en naasten buurman druk had over allerlei belangrijke onderwerpen, waarvan Hermelijn niets anders kon onthouden dan dat het in Indië een ellendige boel was, dat alle dingen verkeerd gingen, dat het gouvernement een menigte boosheden op zijn rekening had, dat ieder verongelijkt werd en het niet lang zoo duren kon.

De heer de Géran had een korte, gebiedende manier van spreken, hij zeide iets, dat als zijn overtuiging moest gelden, en kwam er niet op terug; wanneer de anderen hem wilden verzekeren, dat het niet juist zoo was, dat er iets op af te dingen viel, dan ging hij met eten voort, zonder zich in het minste over de redeneeringen van den ander te bekommeren, of hij maakte er plotseling een einde aan door de een of andere opmerking, die met het gesprokene in volstrekt geen verband stond.

Hermelijn kon niets door de keel krijgen; de rijsttafel was haar nog geheel vreemd, en daarbij was zij zoo vervuld van haar zonderlingen toestand, zoo teleurgesteld door de afwezigheid van Conrad, dat zij zich nauwelijks de moeite wilde gunnen om te eten als elk ander. Zij merkte niet, hoe zij de algemeene aandacht opwekte, hoe eenigen haar beklaagden, anderen benijdden; een ding trof haar slechts, de verbazende bergen rijst, die de zwijgende, magere August op zijn bord nam en met ongeloofelijke snelheid deed verdwijnen.

Zij kon die verlatenheid niet langer dragen en wendde zich tot hem met de vraag:

»Waar is Conrad nu toch?”

»Nog niet aangekomen, strakjes pas.”

En hij nam een hoop sambel [4] op zijn bord.

»Behoort dat hier zoo?”

»Weet niet.”

»Sinds wanneer is u dan op Samarang?”

»Acht dagen.”

»En... pa-pa ook?”

»Jawel.”

»Voor zaken, of om mij af te halen?”

»Altijd maakt papa de boel in orde om dezen tijd.”

Welke boel, kon Hermelijn met geen mogelijkheid raden.

»U is getrouwd, niet waar?”

»Ikke, jawel.”

»En hoeveel kinderen heeft u?”

»Tien en een op komst.”

Hermelijn vertrouwde haar ooren niet, die opgeschoten knaap, vader van tien kinderen.

»Maar hoe oud is u dan, August?”

»Acht en twintig.”

»En uw vrouw heet immers Sophie?”

»Jawel.”

»Is zij een Europeesche?”

»Neen.”

»En uw broer Guillaume heeft ook al een vrouw.”

»Jawel.”

»En ook kinderen?”

»Vijf, pas weer een gekregen.”

»Van uw zusters zijn er ook al een paar getrouwd.”

»Dolly en Kitty.”

»Wonen zij ook op het land?”

»In Kaboelen.”

»En hoe heeten hun mannen?”

Hermelijn zou verlegen geweest zijn, als iemand gehoord had, hoe weinig zij haar tegenwoordige familie kende, maar niettegenstaande de kosten van het gesprek geheel op haar rekening kwamen, vond zij ’t zoo beter en nuttiger dan geheel en al te zwijgen en zette dus haar verhoor voort.

»Van Akkeveen en Portias.”

»Corona is toch de oudste?”

»Wie?”

»Corona.”

»O Cor, ja.”

»Ouder dan u?”

»Weet niet.”

»Zij wordt dus Cor genoemd!”

»Jawel.”

»En hoeveel kinderen zijn er nog behalve u en Corona, Guillaume, Dolly, Kitty en Conrad.”

Een lange pauze, August scheen te tellen.

»Zes, neen zeven... wacht eens, ja toch zes.”

»En is hun moeder al lang dood.”

»Vijf jaar.”

»Corona is dan zeker hun pleegmoeder.”

August vond deze vraag zeker de moeite niet waard om er het genot aan op te offeren, dat het kluiven van een in kerrie toebereid kippepootje hem bereidde; zijn vingers en lippen waren er goudgeel door gekleurd.

De oude heer de Géran had echter zijn maal geëindigd; hij stond op en vroeg Hermelijn of ook zij gedaan had; dadelijk was zij met haar toestemmend antwoord gereed en wilde hem volgen toen van het andere gedeelte der tafel een heer naar hen toekwam.

»Mijnheer de Géran, uw nieuwe schoondochter, als ik mij niet vergis, mag ik u de eer verzoeken mij aan mevrouw voor te stellen.”

»Mijnheer Thoren van Hagen, Hermine de Géran.”

»Hermelijn!”

»Iwan!”

Lachend zagen de beiden elkander aan; de vreugde een bekend gelaat te zien, tusschen al die onbekenden deed Hermine’s oogen stralen en zij reikte hem de hand.

»Kent ge mekaar?” vroeg de schoonvader.

»Och ja, van het Graafje, toen juffrouw van Voorden haar papa er kommandant was, en ik als sergeant bij hem aanbevolen was.”

»Heeft u den militairen dienst verlaten?” vroeg de oude heer.

»Ja, zoodra ik de luitenants-epauletten had, heb ik ze weggeworpen.”

»En wat ben je thans?”

»Niets Her... ik zal mevrouw moeten zeggen.”

»Natuurlijk, mijnheer Thoren van Hagen, ik ben het te kort, om niet op dien titel gesteld te zijn.”

»Nu, ik ben letterlijk niets, ik reis voor mijn pleizier.”

»Gelukkige menschen, die ’t kunnen doen. Reis je met ons mee, Thoren? Naar Ngaroengan?”

»Met zeer veel genoegen, mijnheer de Géran.”

»Nu, ’t blijft afgesproken, om vier uur rijden we naar de kerk, om half vijf naar boven.”

»Als u mij verzekert, dat ik niemand hinder, noch door de plaats, die ik inneem, noch door mijn tegenwoordigheid en familie.”

»Wel neen, volstrekt niet. Is er wat Beersma?”

De heer de Géran stond weer iemand anders te woord; ’t was niet moeilijk te zien, dat hij hier met zeer veel onderscheiding behandeld werd en dat ieder hoog tegen hem opzag; hij zelf scheen het volle bewustzijn te hebben van zijn waardigheid.

»Wat verwondert het mij je hier te zien, Hermelijn,” zeide Thoren van Hagen, »je ziet hoe waar het is dat oude praatje à la monsieur de la Palisse van die bergen en dalen. Mijn goede majoor is dus niet meer!”

»Anders zou ik hier niet wezen,” zeide Hermelijn met een trilling in de stem, want plotseling was ’t haar of zij er spijt van moest hebben dat zij den stap had gewaagd.

»Je man is er nog niet.”

»Neen, ken je de familie, Iwan?”

»Volstrekt niet, ik ben sinds een maand hier in het logement gelogeerd, en maakte een dag of wat geleden kennis met den ouden heer de Géran, een kranige kerel, van wien ik veel gehoord had, de koffiekoning van midden-Java, die altijd gereed staat elke onderneming te steunen, alles wat goed en grootsch is, tot stand te brengen. Een man, waaraan Indië veel verplichting heeft, je mag trotsch zijn tot die familie te behooren, Hermelijn!”

»O dat ben ik ook.”

»Van waar kende je je man?”

»Uit Holland.”

»Is hij daar geweest, dan zal ’t hoop ik een ander exemplaar wezen dan...” en hij knipoogde glimlachend in de richting van August.

»O stellig, ’t is zoo’n lieve jongen.”

»Is ’t de jongen, die je den naam van Hermelijn gaf?”

»Juist en daarom was mij die altijd zoo lief. Ik was zoo blij hem weer te hooren. En hoe gaat het je vader, Iwan?”

»Goed... ik denk ’t ten minste.”

»Is ’t weer mis?”

»Wanneer zou ’t dit niet zijn?”