Part 29
Een tropische nacht vol maneschijn, zoo helder als zilver, zoo stralend als het den broeder van den dag past; het meer ligt in diamanten glans tusschen de met een tooverachtig blauwen gloed overgoten heuvels; als een reusachtige sleep van glinsterend wit satijn laat de maan haar stralen over het licht gerimpelde water glijden, de eilanden schijnen ruikers van zilverkant en glinsterende pluimen; in de verte klinken de verwijderde tonen van een gamelang, nu en dan afgebroken door de schrille kreten van een boschvogel; hoog in de lucht wiegelen zich als tressen van bloemen, de slingerende takken der orchideeën onder de lichte aanraking van een nachtvlinder, geheimzinnig ritselen de insekten in het geboomte en de krekels zingen er hun eentonig lied; de vuurvliegjes dansen als op de maat van een onzichtbaar orkest, duizenden geuren vervullen de lucht en hullen alles in een atmosfeer van bedwelmende zoetheid en genot.
Thoren van Hagen was vrij laat van het groote huis teruggekeerd geheel onder de betoovering van den heerlijken nacht; zijn hart en geest toch waren in harmonie met de weelde, die hem omringde. Nog nooit had hij zich aan Corona zoo innig verbonden gevoeld, de lichte wolkjes, die soms in hun liefdeshemel dreven, waren weggevaagd, waardoor wist hij zelf niet en zij evenmin; ook zij had alles vergeten wat haar verontrustte, wat haar ergerde, om niets te voelen dan dat haar ziel opging in de zijne, dat hij haar koning, haar meester was, dien zij boven alles liefhad en vereerde.
Zij hadden haast niet kunnen scheiden, misschien was het de maneschijn, die ook over hun gevoelens zulk een toovergloed spreidde, maar hij ondervond nu eindelijk wat hij zoo gewenscht had, dat zij zijn ziel vervulde, dat hij zich gelukkig en zalig voelde bij het bewustzijn dat zijn leven voor goed aan het hare verbonden was, dat slechts de dood hen kon scheiden, nadat het beslissende woord tusschen hen zou zijn uitgesproken.
Hij wandelde naar huis in een soort van verrukking; het was of de geur harer glanzende lokken nog steeds de lucht vervulde, of het licht dat uit hare oogen glansde, schitterde in het flikkeren der sterren; of in het geheimzinnige ruischen der bladeren, het tjilpen der insekten haar stem naklonk, die hem woorden vol liefde en trouw hadden toegefluisterd.
Alles sprak van Corona, alles scheen door haar bezield; nog slechts weinige minuten geleden had hij haar verlaten en nu reeds smachtte hij naar haar tegenwoordigheid terug, telde bij de uren, die nog moesten verloopen vóór hij haar terug zag, zijn parel, zijn kroon, zijn koningin! ’t Was hem niet mogelijk in huis terug te keeren, zich daar prozaisch neer te leggen om te slapen, neen, hij had behoefte aan de nachtlucht om zijn brandend voorhoofd af te koelen, om eenigszins tot kalmte te geraken of liever om zijn droom van liefde en geluk zoo lang mogelijk voort te zetten.
Hij bond den gondel los, strekte zich op het fluweelen kleed neder, dat er nog steeds gespreid lag, nadat zijn koningin daar had gerust, en liet het bootje toen vrij over de kalme zilveren golfjes glijden.
Onbewegelijk lag hij daar alleen in de stille majesteit van den nacht, onder het fonkelend oog der maan en de bleeke schittering der sterren; neen, zoo had hij zich nimmer gevoeld! Was het deze stemming geweest, die eens den verdwaalden monnik van Heisterbach vervulde, toen hij eeuwen lang naar het zingen van een vogeltje luisterde, en ze voor een oogenblik rekende? Is het dit gevoel dat ons tot loon gegeven wordt, na een leven vol moedig doorgestanen strijd en lijden, dit gevoel, zoo diep, zoo innig, zoo rein en hoog, dat een eeuwigheid kan vervullen en ons niet bedreigt met de zwarte schaduw van moeheid en einde, zou dat de hemel zijn, dien men op aarde zoo licht vergeet en waaraan slechts de vermoeiden en overwonnelingen in den strijd des levens denken als aan een plaats van rust en vrede, maar die den moedigen kampvechters te vaak voorkomt als het einde van alle genot door strijd en arbeid verkregen, als het tegenbeeld van het rijke menschenleven, waaraan licht en schaduw beide gelijke waarde geven? En Thoren van Hagen luisterde slechts naar het vogeltje dat diep in zijn hart zong van liefde, geluk en leven; alles werd hem immers aangeboden, alles, wat hij zich in de stoutste droomen zijner jeugd zou hebben toegewenscht. Liefde en eerzucht werden tegelijk bevredigd.
In een lang gesprek dat hij met den man had gehad, die hem nu reeds de vaderliefde schonk, welke hij zijn leven lang ontbeerd had, was hem de belofte gegeven, dat hij de leenheer zou worden van dit uitgestrekte gebied, een klein koninkrijk bijna. Zooveel hij kon zou hij gunstige bepalingen voor de andere broers en zusters verkrijgen; werkelijk zou hun lot belangrijk verbeteren, hij toch had de zware verantwoording te dragen van alles; zij werden slechts goed betaalde uitvoerders van zijn wil.
Hoe zou hij de macht, die hij ging bezitten, gebruiken, hoe zou hij die aan het schoone land, dat hem zooveel bood, ten goede laten komen, hoeveel plannen van beschaving en hervorming drongen zich niet op aan zijn geest. Eindelijk had hij een doel gevonden, waarvoor het de moeite waard was te werken en te leven; wie weet welke luchtkasteelen hij zich niet schiep, of hij niet droomde van een onafhankelijk rijk dat hij zich hier in het midden van Java zou stichten, een rijk, waarvan Corona koningin zou worden. Alles neemt zulke groote, onnatuurlijke verhoudingen aan als hemel en aarde zich baden in een fantastisch licht, als de ziel vervuld is van een liefde, waaraan niets te zwaar valt, als slechts een koningskroon waardig schijnt het voorhoofd te versieren van de schoone bruid, die men zich verworven heeft.
»Ik heb de kroon en zal mij het koninkrijk winnen,” zeide hij vol trots.
Zacht danste de gondel voort en hij lag daar nog steeds in zijn droom van een zaligheid zoo groot, zoo volmaakt, dat hij niet eens bemerkte hoe zij allengs in diepen weemoed overging, want ach! flauw is de grens, die hier beneden de hoogste vreugde scheidt van stille smart.
Hij dacht aan zijn moeder, zijn jonge, lieve moeder die het leven, dat hem thans zoo benijdenswaardig, zoo vol, zoo heerlijk toescheen, van zich had afgeworpen, als ware het een ondragelijke last; hij gedacht zijn vader, die het nog steeds voortsleepte, beladen met wroeging en zonde, en medelijden inplaats van wrok vervulde voor het eerst zijn ziel jegens hem; hij gevoelde zich thans verheven boven alles, zoo gelukkig en goed, hij vergat al wat de wereld boos en laags heeft en herinnerde zich slechts met droevige belangstelling hen, die weenden en leden op deze, hem louter rozen biedende aarde.
Neen, hij had nu een uitgebreid veld vóór zich om te arbeiden, hij wilde niet meer zwerven, het geluk zoekende, hij had het gevonden, het zou ondankbaar wezen het niet op te nemen, niet te gebruiken tot geluk zijner medebroeders. Hij voelde er behoefte aan dien God te danken, wiens tegenwoordigheid hij thans zoo duidelijk voelde, aan wiens bestaan hij in dit uur, nu hij zijn liefde en goedheid in zoo volle mate ondervond, niet meer twijfelen kon zooals hij ’t wellicht menigmaal gedaan had in het gewoel der wereld en in den strijd der hartstochten.
Dit uur van vreugde en geluk, eerst later zou hij inzien hoeveel waarde het voor zijn toekomstig leven zou hebben, hoeveel hij daaraan dankte, niettegenstaande....
Hoelang hij daar in dat bootje zachtkens dobberde wist hij zelf niet, misschien zette hij in lichte sluimering de droomen voort, die hij wakend begonnen had; wellicht verkeerde hij thans werkelijk in het tooverland, dat hij zich geschapen had. Het zachte nachtkoeltje streek langs zijn gloeiende slapen, de stralen der maan gleden over zijn voorhoofd en zijn toegevallen oogleden; boven dartelden kleine speelsche wolkjes, zacht en wollig als opstijgend schuim, zij zweefden langs de maan als om door haar voor een oogenblik in zilverdons te verkeeren; zij stoeiden voor het aanschijn der sterren en naderden elkaar meer en meer, werden donkerder en ernstiger, dikker en grauwer; duisternis viel op de doorschijnende wateren van het meer, de schaduwen verdwenen, licht en bruin losten zich op in eentonig zwart; schriller klonk het gesis der insecten, het gekras der nachtuilen. De wind stak op, koud en guur, de golven stegen onder zijn prikkel hooger en hooger en slingerden het bootje, waarin Iwan nog steeds droomde, onstuimig heen en weer, eindelijk vielen groote regendroppelen op zijn gelaat en hij ontwaakte om te bemerken, hoe alles rondom veranderd was, hoe, waar straks nog kalmte en rust heerschten thans storm en onweer loeiden.
»Is dat het beeld van mijn leven, zal dat het uur van onvermengd geluk opvolgen, waaraan ik het woord van Faust, »Verweile, Du bist so schön!” heb toegeroepen?” vroeg hij zich af, terwijl hij de riemen opnam en met een paar krachtige slagen, den oever naderde.
Nu was een geweldige storm over het gebergte losgebarsten, bliksemstralen verlichtten het landschap dat daar straks zoo vredig en stil in het staalkleurige maanlicht glansde. Thoren van Hagen trad zijn huis binnen, ontstak de lamp in zijn kamer en sloot de ramen waardoor de regen naar binnen sloeg.
De lamp hing boven zijn met boeken en papieren beladen schrijftafel, vlak vóór hem lagen couranten en brieven, die de postbode had gebracht.
Hij was vast besloten zich door niets te laten ophouden en zoo spoedig mogelijk zich neer te leggen om aan den langen dag een einde te maken en weldra den zonnigen morgen terug te zien, die hem weer naar zijn Corona zou voeren.
»Als zij hier is, wat deren mij storm en onweer nog?” vroeg hij zich af en wierp een verstrooiden blik op de papieren. »Een brief met geëntrelaceerde H. G. en het grafelijke kroontje der Saint-Pauls. Van wie is dat, van Hermelijn, een invitatie zeker.”
Hij brak de enveloppe en las:
»Waarde Iwan,”
In een hoek stond in Hermelijn’s sierlijk handschriftje het woord »confidentieel”.
»Wat voor grap mag dat wezen,” dacht hij, glimlachend, »vier bladzijdjes lang, ’t is de moeite waard.”
»Ik kom een beroep doen op uw eer als man, en u verzoeken te gelooven dat slechts belangstelling in uw toekomstig lot mij doet handelen, en met weerzin er toe besluiten u iets te openbaren, dat gij naar mijn oordeel weten moet. Ook Conrad is van meening dat het noodzakelijk wordt u op de hoogte te brengen van een zaak, die van het grootste gewicht is en waarvan gij onderricht moet zijn, zoo ge het karakter uwer aanstaande vrouw op de rechte waarde wilt schatten.
»Ik wil er echter Corona geen verwijt van maken; ik heb alles vergeven en vergeten. Zoo er geen maatregelen voor de toekomst te nemen waren, zou ik hebben gezwegen, maar ik moet nu aandringen op iets, waartegen ik u reeds met een enkel woordje heb gewaarschuwd op den dag toen gij een klein geschil met Corona hadt.
»’t Kost me moeite een zaak aan te roeren, die tot het verledene behoort en voor mij, althans nu, slechts de beste gevolgen heeft gehad....”
»Mijn hemel, wat een omhaal van woorden, dat ben ik van Hermelijn niet gewoon,” mompelde Iwan ongeduldig en las met weerzin voort.
»Ge weet, hoe ongelukkig mijn huwelijk in den eersten tijd was en hoe schandelijk men mij bedrogen heeft; het middel daartoe bestond in een reeks van brieven, die Conrad mij heette te schrijven en waarvan hij in waarheid den inhoud niet eens kende, want ze waren afkomstig van Corona.”
Een bliksemstraal schitterde voor een seconde en onmiddellijk daarop knalde een hevige donderslag; juist bracht Thoren van Hagen de hand aan het voorhoofd, hij duizelde, het was of hij zich getroffen voelde. Was het door den slag of door het gelezene?
»Zij heeft die brieven geschreven, waarin Conrad van liefde en trouw sprak, hij, die me niet kende, die mij toen als een indringster haatte. Mijn brieven werden beantwoord door haar, en zoo gelukte het Corona mij in een net van verraad en bedrog te vangen.
»Verbeeld u mijn verontwaardiging, mijn wanhoop toen ik die ontzettende waarheid vernam, ge begrijpt hoe ik Corona verachtte en slechts met afschuw zag, dat gij uw leven aan het hare wildet verbinden.”
Thoren van Hagen haalde zwaar adem, het zweet parelde op zijn voorhoofd, zijn handen waren kil en klam.
»En toch geloof ik niet dat Corona zoo schuldig is. Een booze demon, een duivel in menschengedaante waart rondom haar, zij heeft haar alles ingeblazen; haar uiterlijk vervulde mij reeds dadelijk met diepen afkeer en die antipathie bleek niet ongegrond.
»Ge begrijpt dat ik u van Iteko wil spreken, de booze raadgeefster van Corona; zij heeft die brieven geschreven, zij wekte haar jalouzie op tegen mij, zij zal uw huiselijk geluk storen zooals zij Corona’s karakter reeds bedorven heeft.
»Ondanks haar heerschzuchtig optreden en koninklijk voorkomen is Corona zwak; zij ondergaat gemakkelijk zekeren invloed. Als zij iemand lief heeft, dan volgt zij gaarne diens raad, en geeft haar oordeel aan het zijne gaarne over; zoo is ’t Iteko gelukt haar te leiden en op dit oogenblik strijdt haar overwicht tegen het uwe.
»Er kan voor u geen geluk wezen zoolang Iteko in haar nabijheid blijft; de eerlooze daad, waartoe zij uw aanstaande vrouw verleidde, is er een bewijs van hoezeer zij haar omlaag wist te trekken en hoe weinig Corona’s vastheid van karakter bestand is tegen het verleidend sissen van die slang.
»Ik verzoek u dus in uw eigen belang niet alleen maar ook om mij een voldoening te geven over hetgeen ik door het schandelijk bedrog van meesteres en dienstmaagd lijden moest, aan te dringen dat Corona haar confidente onmiddellijk laat vertrekken.
»Wanneer zij werkelijk u zoo liefheeft als zij het ieder wil doen gelooven, zal haar dit niet den minsten strijd kosten.
»Ge moet natuurlijk haar zeggen dat ge alles weet, maar ge begrijpt dat het voor mij van het grootste belang blijft, dat zij niet vermoedt van wie deze waarschuwing afkomstig is.
»Ik leg u dus geheimhouding op, die ge slechts in geval van nood moogt verbreken.
»Handel naar goedvinden, ge weet nu alles.
Hermine.”
De schoone dag vol liefde en weelde was vervlogen.
XLVII.
Corona wandelde in haar rijkleed door het rozenparadijs.
In haar eene hand hield zij haar karwats met zilveren knop, in de andere de frissche rozen die zij had geplukt; een rozeknopje, zacht als fluweel, half ontloken tusschen de smaragdgroene bladeren verscholen, drukte zij aan de lippen, straks wilde zij het haar bruidegom bieden. Het was zoo geurig hier tusschen de bloemen na het zware onweer van den nacht. De zon dreef de wolken voor zich uit, soms schenen deze den strijd te winnen, maar dadelijk vertoonde zij zich weer in vollen luister en goot zelfs over die zwarte massa’s het goud van haar verblindenden vuurschat.
Een glimlach van vreugde speelde over haar lippen, zij vreesde geen wolken meer, zij was zoo zeker van zijn liefde, van zijn trouw na de zoete uren van gisteravond.
Hoe teeder, hoe goed was hij toen voor haar geweest; nu zouden ze zamen een tocht maken naar Djira, daar waar zij voor ’t eerst de zoetheid van de liefde had gesmaakt, de eerste trillingen van het machtige, zalige gevoel dat haar geheel vervulde en zonder hetwelk zij meende niet meer te kunnen leven.
Op weinige stappen van haar af, trappelde haar rijpaard, door Djario geleid; hier tusschen de rozen wilde zij haar Iwan afwachten om dan met hem, samen den tocht te maken, die zoo genotvol beloofde te worden.
Eindelijk hoorde zij voetstappen, die naderbij kwamen; kwam hij niet te paard?
Zij snelde naar de boog van klimrozen, die de poort van het rozenparadijs vormde, daar stond zij tusschen de glinsterende parelen van de regendroppels, die in het zonnelicht met zevenvoudigen glans flikkerden, in het eenvoudige donkerroode kleed, dat haar fraaie vormen zoo sierlijk deed uitkomen, de rozen in de hand, die niet frisscher waren dan haar zacht gekleurde wangen en half geopende lippen; zij was zoo schoon als zij wellicht nooit was geweest en wellicht nimmer meer zou zijn, met die vochtige schemering als een zilveren sluier over de glanzende oogen en die lippen half geopend, haar Iwan verwelkomend.
Hij naderde, bleek, mat, lusteloos, als iemand, die een langen weg heeft gemaakt; ’t was hem ook of hij van den hemel weer naar de aarde was afgedaald in een eindeloozen tocht; hij zag Corona tusschen de rozen en het zonnelicht en lachte haar niet eens toe, hij had er geen moed voor.
Wie weet, zoo zij er in geslaagd ware hem door haar glimlach te winnen, zoo de zonneschijn, die in haar oogen straalde de wolken van zijn voorhoofd had weggedreven, of het gesprek dat zich tusschen hen zou ontspinnen geen andere wending had genomen, maar neen, zijn duistere blik verdonkerde den hare; zij sloeg de oogen neer toen hij haar hand nam en een vormelijken kus op haar wangen drukte.
Iwan had vele gebreken, gebreken die zelfs zijn karakter aantastten, maar hij bezat een zeer ontwikkeld eergevoel, dat misschien aan zijn militaire opleiding te danken was; hij verafschuwde logen en bedrog boven alles; zulk een handelwijze als die hem uit Hermelijn’s brief bekend werd, vervulde hem met afkeer en walging.
Als Corona tot zoo iets had medegewerkt, zou zij valsch zijn, of was het een onbezonnenheid, een betreurenswaardige maar toch licht te vergeven zwakheid, of achtte zij die zoo klein uit gemis aan zedelijk rechtsgevoel? Hoe geheel anders was het tweede gedeelte van den nacht geweest dien hij in zulke zoete betoovering begonnen had! ’s Morgens vergat hij geheel, dat hij met Corona de afspraak gemaakt had, een rijtoertje met haar te doen; één wensch bezielde hem alleen, haar te spreken, haar verontschuldiging te hooren en de voldoening te eischen, waarvan Hermelijn gewaagde.
Eerst had hij er aan gedacht naar Djantong te rijden, mondeling met Hermine te beraadslagen, maar neen! er mocht niemand tusschen hem en Corona staan, hij kende de zaak, er viel niet meer over te spreken. Hoe spoediger alles tot een oplossing kwam, hoe minder over alles gepraat werd, hoe beter het zou zijn; hij kon echter niet veinzen, hij kon, terwijl zijn hart overvol was, niet op de gewone wijze met Corona omgaan.
»Scheelt je iets, Iwan?” vroeg zij bezorgd.
»Ja, ik heb hoofdpijn, ik kon niet slapen en heb me toen in den gondel neergelegd en terwijl ik zoo op ’t meer dobberde, begon het onweer, dat heeft me een weinig ontstemd.”
»Is dat alles? Dan is ’t de moeite niet waard er zoo somber voor uit te zien, waarom zit je niet te paard? Gaat ons tochtje niet door, je waart er gisteravond zoo op gesteld.”
»Gisteravond! ’t Is waar ook! Ik dacht er niet aan, ik moet je eerst spreken, Corona; hoe eer het gebeurt, hoe beter, ik kan geen wolkje tusschen ons verdragen!”
»’t Zal iets belangrijks wezen, denk ik; kom, treed mijn paradijs binnen, je bent er toch de koning van. Djario zal wachten met Angot, en je kunt papa’s paard straks krijgen, als het belangrijke gesprek, dat onderweg niet schijnt te kunnen plaats hebben, afgeloopen is.”
Zij nam zijn arm en door de paadjes wandelden zij naar het midden van het perk, waar hoogstammige rozenstruiken een soort van rotonde vormden; marmeren banken stonden om een tafel, waarop een menigte rozen lagen van verschillende kleur en vorm, dezen morgen pas geplukt en voor de bouqetten bestemd in het groote huis.
»Ga zitten, mon beau prince, wat heb je op het hart?” ging zij met gemaakte luchthartigheid voort, want onwillekeurig voelde zij zich bezorgd en vreemd te moede bij Iwan’s ongewonen ernst.
»Corona,” begon hij, »ik haat omwegen en afwijkingen, antwoord me oprecht, hebt ge je niets slechts te verwijten ten opzichte van Hermine en Conrad?”
»Bij hun huwelijk bedoel je? Weet je dan niet... ’t is zoo lang geleden en alles is goed uitgekomen.”
»Dat doet er niet toe, ik vraag je alleen of je niets gedaan hebt bij die gelegenheid, dat op je karakter een smet werpt?”
»Waarom vraag je dat? Is er iets gebeurd? Ik begrijp je van morgen niet, Iwan!”
»Geef me antwoord! Hebt ge je iets te verwijten, beken het mij oprecht, geloof me, ’t is het beste.”
Zijn stem klonk stroef en gebiedend; van hoeveel kleinigheden hangt het lot van menschen en volken niet vaak af, een woord anders uitgesproken, een blik van liefde, in plaats van strengheid werkt wonderen uit, doet wijken wat onwrikbaar scheen.
Corona voelde haar trots opkomen, zij wilde zich niet buigen, zich niet vernederen door haar ongelijk te bekennen, nu hij haar op dien toon ter verantwoording riep.
»Ik heb niets te bekennen,” antwoordde zij koel.
»Corona, ik bid je, speel niet met mijn gevoelens! Ik weet alles; je behoeft niets te loochenen.”
»Wat loochen ik? Ik ben je slavin niet. Als je alles weet, waarom ondervraag je mij dan?”
»Omdat ik je niet in staat achtte tot zulk een laagheid, omdat ik uit je mond een ontkenning hoopte te vernemen of althans een bekentenis, die je kon verontschuldigen.”
»Ik heb mij niet te verontschuldigen tegenover je.”
»En tegenover Hermine?”
»Dat is onze zaak, zij heeft mij alles vergeven.”
Eensklaps hief zij zich op; haar gehandschoende hand, die ’t karwatsje hield, sloeg daarmede zenuwachtig op het marmer.
»Heeft zij ’t gezegd?” vroeg zij hijgend van toorn, »heeft zij mij verraden omdat,... omdat... zij je zelf bemint?”
»Schaam je, Corona! Hermine is edel en tot elke lage daad onbekwaam; als zij gesproken heeft, dan is ’t om uw en mijn bestwille.”
»Ik veracht haar toch en jij, jij hebt steeds met haar samengespannen tegen mij. Waarom je mijn liefde zocht is mij een raadsel of het moest zijn om... om... o dat ik het niet eer bedacht, maar dan had je evengoed Margot kunnen vragen!”
»Corona, we zijn geen kinderen meer, laat ons het geluk van een dubbel leven niet verspelen door een booze gril. Ik weet, je hebt die brieven geschreven, je hebt je schuldig gemaakt aan valschheid in geschrifte, aan een daad, die niet alleen strafbaar is voor de rechtbank van het geweten maar ook voor den burgerlijken rechter....”
»Geef me aan, laat me in de gevangenis sluiten, dan ben je vrij!”
»Ondeugend kind, ik luister niet eens naar je; zeg me één woord, Corona, zeg dat het je spijt, dat je in een onbezonnen oogenblik handelde, dat je gehoor gaf aan den boozen raad van een slecht schepsel.”
»De schuld op een ander werpen, nooit! Als ik iets doe, dan draag ik er ook zelf de gevolgen van.”
»Word niet zoo driftig, liefste...”
»Noem me zoo niet! Ik heb Conrad laten spreken van een liefde, die hij niet voelde, ik was zoo schuldig niet als jij, die me dagelijks bedriegt met woorden van valsche liefde, je hebt nooit van me gehouden. Je hart hangt alleen aan Hermine...”
»Houd op met die dwaasheid, geef me je hand!”
Zij rukte die met geweld los en bij deze beweging vielen de rozen ter aarde, waar ze weldra verwelkt en vertrapt zouden terneder liggen.
»Laat ons het pleit in liefde beslechten,” smeekte Iwan, »ik bid je, Corona, wees zoo driftig niet. Beleedig mij niet met die ongegronde verwijten, zeg niets, wat onherroepelijk zou kunnen worden. Hermine heeft hier niets te maken dan alleen dat je om haar een beklagenswaardige zwakheid bedreef. Beken dat je die betreurt en, tot bewijs daarvan, stuur haar weg, die er de oorzaak van is, want je kunt het niet gedaan hebben uit eigen beweging, je bent er te edel, te goed voor.”
»En als ik ’t niet doe, als ik Iteko, want die bedoel je, niet wegzend, als ik alleen de volle verantwoordelijkheid wil blijven dragen van mijn handelingen waarvan ik geen enkele betreur?”
»Dan... dan, Corona, zal ik denken dat wij niet bij elkaar passen, dat een huwelijk tusschen ons onmogelijk is bij zulke geheel verschillende begrippen over eer- en plichtgevoel.”
»Dat heb je waarschijnlijk goed gedacht. Ik heb die brieven laten schrijven door Iteko, ’t is waar, door Iteko, die je verafschuwt en nu verlang je van mij, dat ik het arme schepsel, dat geen andere schuld heeft dan dat ze mij gehoorzaam was, daarom zou ontslaan; evengoed kan je mij dwingen mijzelf tegen te spreken, ik laat me door niemand bevelen.”
»Er is geen sprake van bevelen!”