Part 28
»Dat broer en zusje met mekaar spelen? Kom, zij is verstandiger.”
»Verbeeld je eens, wat ze mij vroeg, of ik je den raad had gegeven werk te vragen aan papa?”
»Ze ziet in je een soort beschermengel naar ’t schijnt en mij acht ze tot weinig goeds in staat.”
Hermelijn stond op en vroeg Corona of zij niet wilde spelen.
»Ik heb mijn instrument niet bij me,” antwoordde zij koel en kort.
»Maar Coen heeft ook een viool.”
»Dank je, ik laat ieder graag het zijne,” werd niet zonder bedoeling gezegd.
»Kan je voorgalerij een dansje lijden, zus Hermeline?” vroeg Guillaume.
»Welzeker, Hermine gaat spelen,” zei Conrad.
»Ik had nogal gehoopt het eerste dansje met haar te doen.”
»Dan heb je verkeerd gehoopt, want ’t is beter dat we in ’t geheel niet dansen. Het zou Dolly hinderen.” Aan zulk een kieschheid zou geen der talrijke Gérans ooit gedacht hebben; zij drongen echter niet verder aan en eerbiedigden de redenen der gastvrouw.
Iwan naderde zijn aanstaande weer, maar zij was niet goed te spreken, haar gelaat stond strak tot zijn groote ergernis; hoe zeer hij ook van verandering hield, veranderlijk humeur van een vrouw vond hij de vervelendste van alle vervelingen en strafte er haar voor, door zich gedurende den loop van den avond met Kitty, Margot en zelfs Dolly bezig te houden en zich weinig om haar te bekommeren totdat het oogenblik van heenrijden aanbrak.
Conrad en Hermelijn waren kinderlijk blijde, dat alles zoo goed afgeloopen was; zij hadden onuitputtelijke stof tot opmerkingen over ’t geen men gezegd had om hun dinétje te prijzen. Hermine volgde het voorbeeld niet van andere gastvrouwen, die onweerstaanbaar bekoorlijk zijn, zoolang de gasten aan tafel zitten en het huis vol vreemden is, maar nauwelijks staan zij weer alleen tegenover haar man of het masker van lieftalligheid valt af en een uitgeputte, geeuwende, ontevredene vrouw zit op dezelfde plaats, waar zoo straks nog de beminnelijkste lachjes, de geestigste zetten werden ten beste gegeven. Zoo was Hermelijn’s tweede moeder geweest, en zij had daarmede haar goeden man en stiefdochter dikwijls onuitsprekelijk geërgerd.
Conrad No. 1 in alles was haar leus en haar eerste beweging was hem om den hals te vallen en te zeggen:
»Ik vind ze allen heel lief en heel aardig, ik ben blij dat ze zich geamuseerd hebben, ik verveelde mij ook niet, maar met mijn lief ventje alleen, is het voorloopig nog het beste.”
»Ja voorloopig en dan krijgt het ventje misschien een geduchten mededinger, dan wordt hij voor één ander nog kleiner ventje achteruitgeschoven.”
»Beste man, wees daar niet bang voor, Coen is en blijft No. 1 al zou hij ook gevaar loopen No. 13 te worden. Je weet, wat we laatst in Gijsbrecht lazen:
»De man is zelf het hart...”
»Ja, ik vond die laatste scène het mooist en het meest geschikt om een boel vervelende dingen te vergeten. Zal je dat altijd denken, Hermelijn, altijd van je armen Coen?”
»Altijd, en dan zullen ze ook van ons kunnen zingen:
»Waar werd oprechter trouwe, en de rest.”
Terwijl die twee kinderen zoo vol liefde en geluk hun feestje herdachten en niet vermoedden, hoe vele hartstochten van minder edele soort daardoor waren opgewekt, reden de gasten in verschillende stemming huiswaarts.
De oude heer De Géran was er niet geweest, hij hield niet van diné’s en de doktoren hadden hem een zeer strengen leefregel voorgeschreven, dien hij nauwkeurig volgde; Corona en Iwan zaten met Kitty en Portias in de open landauer, die onder den rijk met sterren bezaaiden hemel snel huiswaarts reed. Corona klaagde over hoofdpijn, Kitty had slaap, zij kon ’s avonds niet rijden of zij sluimerde in. Portias en Iwan hadden het druk over een muziekquaestie; Thoren van Hagen sprak met zeer veel gloed over het spel eener actrice, die hij als de Walküre in Wagner’s Ring der Nibelungen had bewonderd. Corona luisterde met ingehouden verontwaardiging naar zijn woorden.
De jalouzie was in haar hart geslopen en het veelhoofdige monster, dat zij gastvrijheid verleende, strekte zijn klauwen naar alle zijden uit om voedsel te bemachtigen.
In het tweede rijtuig zaten Akkeveen, zijn vrouw, August en Guillaume, die hun echtgenooten thuis hadden gelaten. Akkeveen was ook jaloersch maar op een andere wijze dan Corona.
»Als het zoo voortgaat, raken we Cor in het geheel niet kwijt,” zeide hij, »natuurlijk zullen ze hier blijven wonen en Thoren van Hagen krijgt alles te zeggen zoodra de oude heer valt. Dat schijnt de toeleg te zijn, ik heb ’t sinds lang gemerkt, natuurlijk is dan Hermine de tweede...”
»Een allerliefst wijfje,” mompelde Guillaume.
»Maar een gevaarlijk nest, hoe onschuldig zij er uitziet. Ik begrijp haar plannen; berekenend als dat ding is! Eerst heeft ze haar man om den vinger weten te draaien, toen bewerkte zij haar.... haar vriend zal ik maar zeggen, om Corona ten huwelijk te vragen, daardoor kreeg ze vasten voet in het groote huis....”
»Foei, Akkeveen, je weet er niets van!”
»Vrouw, bemoei je niet met dingen, die te ver boven je horizont liggen. Je zult zien dat de oude—ik weet dat hij druk brieven wisselt met notaris van Gool te Samarang—een testament maakt, waardoor wij allen achteruitgezet en als het ware vassallen worden van koning Iwan en koningin Corona. Je weet dat de erfpacht spoedig ten einde loopt, het zal me niets verwonderen of die zal op naam van Thoren van Hagen worden overgeschreven.”
»Massa, te erg!” riep August uit.
»Je zult het zien! Ik waarschuw je en dat weet het lieve Hermelijntje drommels goed.”
»Neen, dat geloof ik niet.”
»Kom Guillaume, wees nu niet zoo idealistisch vertrouwend; ze is een slimme vogel, ik heb ’t gemerkt toen ze bij ons logeerde. Wat heeft ze niet uit een steen als Conrad vonken weten te slaan; zij tracht nu Iwan op haar zijde te krijgen.”
»En daardoor Corona zeker te bekoren, de beste manier,” voegde Dolly er zacht tusschen.
»Laat haar begaan, zij kent haar spel, die heks; let maar op, als de oude optrekt....”
»Ik verzoek je op een anderen toon over mijn vader te spreken, Akkeveen.”
»Aan wien je zooveel verplichting, hebt, hé! Wij zitten hier onder ons drieën, August, Guillaume en ik, we heeten dezelfde rechten te hebben als Conrad en nu vraag ik je, wanneer zou ’t in ons hoofd opgekomen zijn, zoo’n diné te geven en zoo’n feest? Dat kunnen ze niet van hun tractement hebben gedaan, onmogelijk. En wat ziet hun huis eruit! Vergelijk er onze barakken bij!”
»Daar is een goede reden voor!” hernam Dolly, »Hermine heeft er slag van, veel met weinig te doen. Haar diné was zoo kostbaar niet maar alles zag er frisch en mooi uit door haar arrangement; en wat de meubels betreft, Corona’s eigen smaak heeft alles ingericht, terwijl August en Akkeveen verkozen het geld in handen te krijgen en zelf te koopen; wij weten ook hoe netjes Wilhelmshöhe in orde was bij Guillaume’s trouwen.”
»En hoe Toetie alles later verslorderd heeft. ’t Is treurig maar waar, Dolly!”
»Hoe ’t ook is, spreek me niet tegen als het je belieft. Is ’t waar of niet, dat Thoren dagelijks den ouwe als een schoothondje volgt, dat hij tracht zich op de hoogte van de zaken te stellen, dat Corona hem behandelt als ware hij Zijn Majesteit in persoon en dat Coen en Hermine zich veel meer bij hen aansluiten dan bij ons.”
»Ze wonen ook het dichtste bij het groote huis.”
»En we weten hoe Hermine vroeger tegen Cor was. We hebben ’t niet vergeten, Guillaume, hoe ongenadig zij haar bij dat feest bedankte voor de eer een japon van haar te ontvangen.”
»Dat was alleen om Coen zand in de oogen te strooien en nu zij van hem een marionet gemaakt heeft, nu zet ze zeilen bij en vleit Corona en Iwan. O ’t is een volleerde diplomate.”
»Als het uit diplomatie is, dat zij gehandeld heeft, dan krijg ik respect voor haar bekwaamheid, maar niet voor haar karakter.”
»Ze kon niets anders doen,” sprak Dolly.
»Je bent er buiten, vrouw, ik acht het mijn plicht de broers te waarschuwen. Als de ouwe zijn testament gemaakt heeft en vandaag of morgen komt te sterven, dan is het te laat maatregelen te nemen.”
»Er is niets tegen aan te doen. Apa bolé boeat!” zeide, met volkomen berusting, August.
»Als je met dat ellendige stopwoord komt, dan sta jij spoedig met je dozijn kinderen op straat, August, en Guillaume is er nog erger aan toe, Hermelijn kan Toetie niet uitstaan.”
»En Cor jou nog minder! Ik geloof als August, we hebben niets te doen dan te wachten en te vertrouwen op papa’s eerlijke onpartijdigheid.”
»Daar hebben we mooie bewijzen van gezien, ons leven lang. Papa is groot en Corona is zijn profeet, haar en haar grillen zijn hem alles, nu is de laatste gril een man. Goed, dan worden wij er aan opgeofferd.”
»Tracht ook in haar gunst te komen.”
»Tot kruipen neem ik nooit mijn toevlucht.”
»Laten wij het papa dan ronduit zeggen,” zeide Guillaume, »hem onze belangen voordragen. Een prettig werk is ’t niet maar wij zijn huisvaders en ’t dus aan onze kinderen verplicht, in hun belang de noodige maatregelen te nemen.”
»Dank je wel!” verklaarde August beslist.
»Hij is de oudste zoon en hij durft niet. ’t Zal ook niets geven; wanneer die twee iets beslist hebben is er geen vinger tusschen te steken. Als dat huwelijk belet kon worden....”
»Laat dan liever den Merawoe onderste boven zetten.”
»’t Is moeilijk Guillaume, ik beken ’t....”
»En ’t zou slecht wezen ook,” onwillekeurig schoof Dolly wat verder van haar man af, »het geluk van twee menschen te verwoesten, die meenen dat ze voor elkaar bestemd zijn.”
»Sentimentaliteit laten we buiten spel, waar het zaken geldt, maar dat is zeker, we hebben altijd verlangd dat Cor zou trouwen, en nu zij ’t gaat doen, ware het beter als ze hem nooit gezien had, voor ons natuurlijk! Voor haar, dat is me vrij onverschillig.”
»Zij heeft er zoovelen gelukkig gemaakt, het wordt tijd, dat zij voor zichzelf gaat zorgen,” zeide Guillaume met zooveel bitterheid in zijn stem, als er in zijn hart aanwezig was.
XLV.
De koffiepluk was in vollen gang; van heinde en verre waren Javanen, mannen, vrouwen en kinderen toegestroomd om in de tuinen de roodbruine vruchtjes te komen verzamelen, die als zoovele kersen gloeiden tusschen het donkergroene glimmende loof van de piramidevormige struikjes.
Vroolijkheid heerschte tusschen de hooge dadapboomen, die zich als zonneschermen over de kostbare heesters, liefdevol en beschermend uitspreidden; de Javaansche mandors (opzichters) hielden over de werklieden toezicht, terwijl de Europeesche zich nu en dan vertoonden om ook over de wakers een oogje te laten gaan.
Thoren van Hagen boezemde alles belang in, het plukken der vruchten, het ontbolsteren der boonen, het drogen en pletten in den molen; overal vroeg hij inlichtingen, sprak met de Javaansche hoofden en trachtte zich op de hoogte van alles te stellen.
Alleen den avond kon hij aan zijn verloofde schenken. Corona vond dat eerst zeer natuurlijk, maar later begon zij er over te klagen; zelf zou zij ten hoogste verwonderd geweest zijn als iemand haar gezegd had, dat die verandering in haar gevoelens ontstaan was na een paar, schijnbaar zeer onnoozele opmerkingen van Iteko.
»Ik geloof dat je meer belang stelt in de koffie, dan in mij,” zoo verweet zij hem eens.
»Ik stel daar belang in alleen om jou,” was zijn antwoord, dat haar slechts half bevredigde.
Zij, die geheel vervuld was van haar liefde, kon niet begrijpen dat in zijn hart nog plaats overbleef voor andere gevoelens, andere eerzucht, andere belangen; ware zij alleen geweest, misschien had zij getracht er zich mee te verzoenen en die opkomende gedachten te verstikken, maar nu ze ook bij Iteko schenen op te komen, schonk zij er meer waarde aan.
»Zij meent het goed met mij, zij is waarschijnlijk in den grond der zaak meer aan mij gehecht dan Iwan, die zooveel dingen boven mij stelt,” dacht Corona.
»Och juffrouw!” ging Iteko voort, »u kan van geluk spreken, dat mijnheer Thoren aan niets zooveel denkt dan aan cultures; nu heeft hij geen tijd om zich bezig te houden met... met zijn jeugd.”
»Zijn jeugd? Hoe bedoel je dat?”
»Ik vind het verkieselijker voor u, dat hij in het tegenwoordige leeft, dan in het verledene, dat hem hier niet verlaat, nu toevallig mevrouw Conrad in zijn nabijheid is.”
»Iteko, als je niet zoo’n door en door goed schepsel was, zou ik meenen, dat je mij jaloersch wilde maken.”
»O foei jaloersch, hoe kan u dat denken, u is veel te zeker van het hart van uw galant en daarbij schijnt mevrouw Conrad—ten minste naar ’t uiterlijk te oordeelen—recht veel van haar man te houden. ’t Is erg spoedig veranderd, gelukkig juist toen mijnheer Thoren u zoo onverwacht ten huwelijk vroeg. En ik begrijp heel goed dat u te verstandig is om het onaangenaam te vinden als zij het druk hebben over hun jonge jaren.”
Zoo goot Iteko telkens olie in het smeulende vuur van Corona’s jalouzie; het zwaarste viel het haar dat zij nu reeds te veel ontzag had voor Iwan, om hem lastig te vallen met haar opmerkingen en bezwaren, die wanneer zij ze tegen hem uitsprak haar plotseling onbeduidend en klein voorkwamen.
Hij was de man niet om zich bezig te houden met al die verfijningen van het vrouwelijke gevoel; daarbij gevoelde hij voor Hermine niets anders dan een soort broederlijke genegenheid, die met de grootste achting gepaard ging, zoodat zelfs Corona instinktmatig begreep, dat elke aanduiding in deze richting hem met verontwaardiging zou vervullen.
En toch ging zij voort zichzelf te kwellen, toch legde zij elk woord, elke beweging van Iwan te haren nadeele uit; onophoudelijk maakte zij vergelijkingen tusschen zijn minste bewegingen en hetgeen hij van zijn vader had verhaald en ergerde zich bovenmatig dat hij weinig acht meer sloeg op haar afgetrokken buien en bedekte toespelingen. Zij deed dan haar best, zooveel mogelijk dezelfde te blijven, maar in haar hart hoopten zich een menigte grieven op, die flink uitgesproken waarschijnlijk bij den eersten blik zijner oogen zouden verdwenen zijn, maar thans aan oudere weer voedsel gaven om eindelijk een licht ontplofbare massa te vormen, die bij de eerste aanraking met vuur in laaie zou overslaan.
»Iteko,” zoo sprak Akkeveen eens tot de gouvernante, »ik moet je alleen spreken.”
Eenige dagen waren verloopen na het feestje te Djantong.
»Best mijnheer, moet het onder vier oogen zijn? Komt u dan maar in de pendoppoh, als de juffrouw met mijnheer Thoren van Hagen gaat wandelen.”
»En waar zit het andere volk dan?”
»O die schuwen ’s middags de pendoppoh; ik houd alleen de kleintjes daar bezig.”
’s Middags op den bepaalden tijd, terwijl de kinderen daar om de tafel aan het kienen waren onder Iteko’s leiding, kwam Akkeveen lui aangeslenterd en zette zich achter haar stoel neer, schijnbaar om naar het spelen der kinderen te kijken.
»Zie zoo, kinderen,” sprak de gouvernante, »nu moet juf eens met oom Akkeveen gaan praten over het mooie komediestuk dat wij bij gelegenheid van tante’s trouwen zullen opvoeren.”
»Ik bewonder je helder doorzicht,” grijnsde Akkeveen, »waarlijk, ik moet je daarover spreken en over niets anders.”
Zij gingen bij de balustrade staan op eenigen afstand van de joelende, vroolijke kinderen.
»Geen Maleisch praten, kinderen! Ik luister naar u, mijnheer Akkeveen, ik heb ’t al lang gezien dat u iets op ’t hart had.”
»Je maakt toch geen pretentie op tweede gezicht, waar het niets anders is dan je aangeboren of aangeleerde sluwheid want je bent een canaille, Iteko, dat heb ik reeds dadelijk gemerkt.”
»Dan heeft u in mij als in een spiegel gezien, schijnt het, mijnheer!”
»Je durft, dat weet ik, er is hier niemand, die tegen je opgewassen is, niemand, die groote, domme Cor ’t allerminst.”
»Gun mij toch, mijnheer, dat ik in iets uitblink; maar ik neem het compliment van zoo’n bevoegd persoon gaarne aan.”
»Vertel mij, wat je doel is—dat is beter dan impertinenties te zeggen—je begrijpt toch wel dat zoodra Cor getrouwd is, je rijk hier een einde neemt. Thoren van Hagen is veel te aesthetisch ontwikkeld om je persoontje altijd voor oogen te willen hebben, daarbij is hij er de man niet naar een derde in zijn huishouden te dulden. En hier blijven als gouvernante is toch ook zoo aardig niet, wanneer je grootste steun is weggevallen.”
»Dat is ’t ook niet, mijnheer, maar ik begrijp niet wat voor belang het lot van zulk een onbelangrijk, onaesthetisch persoon als ik u kan inboezemen.”
»Heel weinig, dat spreekt, maar wij allen zijn er bij geïnteresseerd, jij zoowel als August en Guillaume dat Cor’s huwelijk met dezen man niet doorgaat. Behalve dat het altijd minder aangenaam is, wanneer men een huis vol kinderen heeft, een suikertante te missen, zoo hebben wij nog een massa redenen om Thoren’s verheffing tot prins van den bloede met leede oogen aan te zien.”
»Dat begrijp ik zeer goed maar ik zie niet in...”
»Waarom ik je dat zoo royaal zeg op gevaar af dat je alles aan Cor gaat overklikken om mij voor goed bij haar in ongenade te brengen? Wel, ik weet, dat je niet boos bent dan als je er iets mee winnen kunt.”
»Daar zou u zich zeer in kunnen vergissen, mijnheer!”
»Zoo breng je l’art pour l’art in toepassing. Dat valt me van je mee, dat moet ik zeggen, maar je liefde voor minder materieele zaken zal niet zoo ver gaan dat je opzettelijk je eigen belangen er voor verwaarloost. Je kunt Cor mijn woorden overbrengen en je wint er niets bij, dan dat ze mij nog een paar graden meer verafschuwt maar aan den stand van zaken verandert het volstrekt niets.”
»Neen, dat nu wel niet, maar...”
»Je hebt mij in de hand en zou je wrok aan mij kunnen koelen. Dat wil je zeggen, nietwaar? Zou ’t niet beter zijn, Iteko, dat wij, nu er zulke groote belangen in het spel zijn, onze grieven als afgedaan beschouwden en de handen in elkaar sloegen om het gevaar, dat ons dreigt, af te keeren? En ik spreek niet voor mezelf alleen, August en Guillaume zijn bang om de kastanjes uit het vuur te halen, Portias is een nul voor het cijfer, daarom heb ik mij met de onderhandelingen belast.”
»Zoo, dus spreekt u uit naam der geheele familie?”
»Min of meer! Zie je, Iteko, vleien doen we mekaar niet, het kost mij maar één woord aan Thoren van Hagen en hij eischt van Cor dat zij je wegjaagt. Ik hoef maar het aandeel te vertellen, dat jij in Conrad’s huwelijk hebt gehad.”
Een zegepralende grijns vertrok haar lippen.
»Zou u denken, mijnheer, dat hij ’t van haar verkreeg?”
»Wel zeker, stellig!”
»En ik geloof ’t niet. Eerder zou zij ’t huwelijk afbreken.”
»Sta je zoo bij haar in gunst?”
»Dat wil ik niet beweren, maar als hij ’t verlangt, dan is zij te goed, te edel om een schepsel, dat zij vertrouwt en beklaagt, weg te jagen, daar deze niets deed dan haar ten wille te zijn.”
»Meen je dat, Iteko, maar dan was ’t middel gevonden om een breuk tusschen hen te veroorzaken. Ik had je willen voorstellen om te lasteren, jalouzie op te wekken, desnoods iemand om te koopen, die iets gezien of gehoord had, enfin! een van die duizend dingen uit te vinden, welke een ontwikkelde vrouw als jij, altijd voor ’t grijpen heeft, en waardoor men, trots en drift helpende, onfeilbaar zeker een engagement verbreekt.”
»Kien, juffrouw, kien!” riep een der kinderen.
»Dan krijg je straks suikererwten, begin nu maar een nieuw spel! Kan je er niet mee terecht? Een oogenblik geduld, mijnheer Akkeveen, ik ben dadelijk weer tot uw dienst.”
Zij zette de kinderen op nieuw aan het spelen, lachte de lieverdjes eens vriendelijk toe en nam haar plaats tegenover Akkeveen weer in.
»Zoo zou het eenvoudiger wezen!” ging hij voort.
»O ja, maar dan betaal ik den geheelen inzet van het spel; ’t is een waagstuk voor mij!”
Akkeveen zag haar bekommerd aan; hij voelde dat zij hem geheel in haar macht had, ’t eenige wapen, waarover hij te beschikken had, keerde zij hem toe.
»Vindt u zelf niet?” vroeg zij met haar liefsten lach toen hij bleef zwijgen, »en u begrijpt toch dat ik niets zal wagen als ik geen uitzicht heb op winst.”
»Ik vraagje alleen, Iteko, wil je ons helpen? Als Cor trouwt, dan verlies je heel veel, doet zij ’t niet, je blijft dezelfde, de oppermachtige eerste minister van de koningin, voor wier macht zelfs wij ons buigen.”
»Dat geeft me nog niet bijster veel, mijnheer! Als de juffrouw om mij te houden met mijnheer Thoren breekt, dan zal zij mij toch spoedig moe worden, als de oorzaak van haar ongeluk.”
»Of je de zaak ook wel overdacht en naar alle kanten bekeken hebt. Je ziet ook in dat het een levenskwestie voor je is. Zeg, Iteko, laat ons spijkers met koppen slaan, wat is het lot dat je nu het liefst jezelf zoudt willen verzekeren, voor je ouden dag?”
»Ik dank u voor uw belangstelling, mijnheer. ’t Liefst verliet ik dit apenland en keerde naar Europa terug.”
»En wat zou je daar willen beginnen, een school...”
»Dank u hartelijk, ik heb genoeg aan spot en gelach van kinderen. Neen, ’t liefst zou ik een nette dames-leesbibliotheek oprichten.”
»En hoeveel denk je er voor noodig te hebben?”
»Twintig duizend gulden.”
»Maar mensch, ben je krankzinnig geworden? Dat is een flink kapitaal.”
»Juist mijnheer, u voelt toch wel, dat ik, wanneer ik juffrouw Corona vertel wat haar broers in den zin hebben en welken weg zij daartoe inslaan, licht een goede belooning zal krijgen. Misschien heeft zij er wel ƒ 20.000 voor over.”
»Nu en als ik Thoren vertel wat voor gemeene streek je uitgevoerd hebt?”
»Dan zal juffrouw Corona, woord voor woord, hooren wat u mij gezegd heeft. Naar uw verantwoording zal zij niet willen luisteren en welk kwaad u ook van mij vertelt, zij gelooft het niet. Ik zal u in alles vóór zijn en zelfs vertellen, dat ik u op de proef stelde, door u ƒ 20.000 voor te slaan bij wijze van Judasloon.”
»Je bent een helleveeg,” snauwde Akkeveen in machtelooze woede op zijn nagels bijtend.
»Vindt u? Pas op, de kinderen mochten het hooren en u ontneemt mij het noodige prestige op die manier.”
»Maar we komen niets verder!”
»Neen, mijnheer, niets.”
»Ik geef je ƒ 10.000.”
»Die heeft juffrouw Corona er stellig ook voor over, om te weten, wat ik weet.”
»Maar hoe komen we aan al dat geld?”
»Dat is uw zaak, mijnheer!”
»Als de ouwe opkrast, dan, ja dan....”
»U heeft crediet bij mij, mijnheer Akkeveen,” met een knipje van de oogen, die moesten uitdrukken hoe groot haar vertrouwen in zijn soliditeit was »bijvoorbeeld, als u mij de helft daags nadat het engagement verbroken is...”
»Daags daarna, dan kon ’t weer aangeknoopt worden.”
»Nu heeft u gelijk; welnu, als mijnheer Thoren voor goed vertrokken is naar Europa of Amerika.”
»Hoe krijg ik ƒ 10.000 bij mekaar?”
»Als men groote kansen waagt, moet men ten minste den inzet kunnen betalen. En u staat immers niet alleen?”
»Ja, als August en Guillaume zooveel tonnen hadden als kinderen!”
»Staat mijnheer Conrad er buiten?”
»Natuurlijk, zijn vrouw spant tegen ons samen met haar zoogenaamden vriend der jeugd.”
»Wel, mijnheer, als mijn plan lukt, dan hebben ook zij geheel afgedaan bij mijnheer de Géran en de juffrouw.”
»Wat ga je doen?”
»Dat is mijn geheim, ik wil u alleen vragen of ik moet gaan werken op uw rekening of op de mijne?”
»Als ik je betalen kon.”
»U ziet hoe vertrouwend ik ben. Ik stel mij voorloopig met ƒ 5000 tevreden en zal een stuk opmaken, waardoor u zich verbindt ook uit naam van de andere heeren mij de rest uit te keeren, na papa’s dood. Wil u er over nadenken en krijg ik morgen bericht? U ziet, de kinderen worden onrustig. Zie zoo, de komedie belooft heel mooi te zijn. Hoe gaat het, wie is er aan ’t winnen?”
»Speel ik ook mee, juf?” vroeg een der oudsten.
»Zeker, ventje, wij spelen allen mee, allen.”
Akkeveen ging met hangend hoofd en tragen gang de pendoppoh uit; hij voelde dat hij met een slimmere te doen had.
XLVI.