Part 27
»Ben ik beter dan zij? Ik redeneer niet, want liefde, die redeneert is geen liefde meer. O, Iwan, dat ééne bewijs van liefde weiger je me?”
»Hoe klein moet je van mijn liefde denken, Corona, dat je die naar zulk een weigering afmeet!”
»Iwan, geloof mij, je verbittert de Javanen door die jacht; de gevolgen zullen niet te overzien wezen, je kent ze niet als ik.”
»Daarom gun je hun zeker een menschonteerende straf en onzinnige bijgeloovigheden. ’t Is domheid die men dient tegen te gaan.”
»Dat meenden ook de Cesars, toen ze de eerste Christenen vervolgden. Ieder mensch die een eigen meening bezit, hoe dwaas en krankzinnig die ons voorkomt heeft ze lief en zij, die zich vrijdenkers noemen, zijn op weg, de ergste tyrannen te worden. Dat heb je aan je vader gezien.”
»Ik verzoek je, Corona, mijn vader en de geschiedenis buiten onze twist te laten.” Zij liet zijn arm, waarop zij nog steeds rustte, los en wendde het hoofd af.
»Ik begrijp ’t meer dan ooit, je hebt me niet lief. Meen je dat Portias ooit zoo ruw tegen Kitty gesproken heeft?”
»Liefde noem je immers kinderachtig en het huwelijk een ernstige zaak, welnu, de kinderperiode zijn we haast voorbij, en de ernst breekt aan.”
»Als die ooit komt! We zijn nog niet getrouwd; ’t ware misschien beter als we mekaar nimmer gekend hadden, nu reeds weiger je mij een onnoozelen wensch!”
»Zoo je meent dat een man niets anders is dan een slaaf meer aan je triomfkar, dan heb je misschien gelijk.”
»Ik vraag ’t je nog eens, wil je van die onzinnige jacht afzien?”
»Neen.”
»Zie dan van mij af!”
»Ik heb je woord en ik geef ’t je zoo gemakkelijk niet terug om een booze bui.”
»Iwan.”
De aders van haar voorhoofd zwollen op, haar oogen schoten vlammen en haar lippen trilden; en toch, zij voelde zich machteloos, geheel onder den invloed van den man, die over haar leven kon beschikken.
»Wel meen je, dat ik zoo laf zou zijn, alleen omdat je nu boos belieft te zijn ons engagement te verbreken en morgen, wanneer je goed humeur terug is, het weer aan te knoopen. Geef me je arm maar weer, Corona, en praat er niet meer van!”
»Dat nooit.”
»Zooals je verkiest!”
Zwijgend gingen zij naast elkaar voort, tot aan het groote huis. Kitty kwam hen tegen met Margot, zij zagen dadelijk dat er iets gebeurd was, hoewel Thoren van Hagen vroolijker en levendiger was dan gewoonlijk; hij verhaalde opnieuw de geschiedenis van den aap tot Corona’s groote ergernis.
De beide zusters schaterden het uit van lachen en Margot, die nu gerust Thoren mocht zeggen, zeide schertsend:
»Pas op, Thoren, als de Pontianak [98] van het meer je maar niet verwurgt zooals zij ’t Bremmers heeft gedaan.”
»Ik verzoek je, de dooden te laten rusten,” beval Corona op den scherpen, korten toon, dien zij na haar engagement bijna geheel had afgelegd, »of ik zal juffrouw Iteko verzoeken een opnaaisel te maken in je veel te lange rokken.”
Margot beet zich op de lippen van ergernis; haar laatste japon reikte werkelijk tot den grond. Corona had het niet opgemerkt of niet willen opmerken, nu begon zij er eensklaps tot Margot’s grooten schrik over.
»Ik heb Portias ten minste niet willen toestaan op het meer te visschen. Dien avond toen we daar zoo heerlijk vaarden, was ik blij dat de lolings [99] opgestoken werden. Ik voelde mij bepaald mergilàn (angstig).”
»O foei Kitty, ik dacht dat je wijzer waart.”
»Wij Inlandsche kinderen zijn allemaal bijgeloovig.”
»Ik ben niet bijgeloovig,” zeide Corona, »maar ik kan me toch begrijpen dat anderen het zijn.”
»Behalve als de roode hond in het spel is,” plaagde Iwan.
Dien avond was Corona trotsch en prikkelbaar als voorheen; haar verloofde verwaardigde zij met geen blik.
»Ik wil mij niet nu reeds buigen onder zijn wil,” dacht zij, »hij zou mijn tyran willen worden. Het kan zoo niet blijven.”
Eens fluisterde hij haar toe:
»Ik verzoek je vriendelijk, Corona, het niet wereldkundig te maken, dat we gekibbeld hebben. Mijn lust tot praten is ook niet bijzonder groot, maar ik wind me op om mogelijke praatjes en toespelingen te voorkomen.”
»Ik kan geen komedie spelen,” antwoordde zij kortaf met een boos, somber gelaat.
Thoren van Hagen ging vroeger naar huis dan gewoonlijk. Hij wilde afscheid van haar nemen, zij weerde hem af:
»Niet vóór je mij dat verzoek hebt toegestaan.”
»Zooals je wilt!”
Hij keerde zich om, en zeide tot den ouden heer de Géran:
»Ik ga morgen naar Soekarenga en denk een paar dagen weg te blijven. Corona vindt het zeer goed.”
Corona sprak hem niet tegen hoewel haar bloed kookte.
»Goede reis!” was het lakonieke antwoord.
»Een wolk in den blauwen hemel,” zei Margot hoogwijs.
»De snaren raken ontstemd,” meende Portias, »zonderling dat twee instrumenten, hoe gelijk ze ook klinken, toch spoedig weer hun diapason verliezen en het stemmen niet altijd helpt.”
XLIII.
Twee dagen later zat Corona op haar sofa, moe geweend en moe geklaagd; zij had Thoren van Hagen sinds dien avond niet meer gezien; zoo lang zij kon, hield zij zich goed maar haar zenuwen waren tegen de overspanning niet bestand. Eerst had zij vreeselijke aanvallen van woede gehad, waaronder zij haar verlovingsring vertrapte en zich de haren uittrok, gevolgd door vlagen van eindeloos schreien en daarna een soort van gevoelloosheid, waaruit niets haar deed ontwaken.
»Hij houdt niet van me, ik heb ’t lang vermoed. Hij wil me kwellen zooals zijn vader zijn moeder heeft gekweld,” herhaalde zij telkens.
Iteko stond nu voor haar met een kop bouillon, waarvan zij echter weigerde iets te gebruiken.
»Och juffrouw, wees toch verstandig! Mijnheer komt spoedig terug en zal er zeker spijt van hebben. Zal ik hem schrijven?”
»Neen, ik verbied je, ons engagement is af... af... voor goed af.” En zij barstte weer in zenuwachtige snikken uit.
Tegen den middag kwam Hermelijn op het groote huis. Kitty verhaalde haar reeds dadelijk dat Cor stellig onaangenaamheden had gehad met haar beminde, en ten gevolge daarvan de kamer hield en niemand wilde zien.
»Ik zal ’t consigne verbreken,” sprak Hermelijn glimlachend en tikte aan haar kamerdeur.
Zonder het »binnen” af te wachten trad zij binnen en vond Iteko nog steeds met haar bouillon voor haar bedroefde meesteres.
»Laat ons een oogenblikje alleen,” zei Hermelijn kortaf. »Foei, wat is ’t hier donker, alle jaloezieën neer! ’t Is om melancholiek te worden. Zal ik ze optrekken, Corona?”
»Neen, dank je! Hermine, ben je daar, ô God! ik ben zoo ongelukkig.”
»Omdat je gekibbeld hebt met Iwan! Mijn hemel, hoe diep ongelukkig moet ik dan wel geweest zijn, in al dien tijd toen ik met mijn man op voet van oorlog stond! Je ziet, hoe ik er over heen ben, we maken er gekheid over en als een twist dat lijden kan, behoort hij geheel en al tot het verledene en dat zal spoedig ook het geval zijn tusschen je beiden. Moed, Corry lief! hij zal terugkomen, hij houdt veel te veel van je.”
»Neen, dat doet hij niet! Hij geeft niets om me, niets, hij wil me tyranniseeren en daar ik dat niet wil...”
»Daar heb je groot gelijk aan! We zijn geen Eskimo’s die hun vrouw als hun lastdier beschouwen; zelfs bij de Javanen is de vrouw dikwijls genoeg baas; moed, Corona, moed! Hij komt als berouwhebbend zondaar terug.”
»Dat behoeft niet! Als hij maar terugkeert; ik wil hem vergiffenis vragen, zoo hij ’t verlangt, als hij maar terugkomt.... O Hermelijn, is ’t niet verschrikkelijk, dat ik, die iedereen in mijn macht meende te hebben, die bevelen kon als een koningin, nu zwak en hulpeloos ben, dat ik uren lang zit te huilen als een klein kind omdat hij boos is.”
En luid snikkend verborg zij het hoofd op den schouder van haar zuster, die half schertsend, half ernstig haar trachtte te troosten en haar eerst verliet toen zij, kalmer geworden, in een rustigen slaap viel.
Om zes uur, terwijl Hermelijn met Kitty en Margot wandelden in het »rozenparadijs”—zoo noemde Corona het gedeelte van den tuin, waarin zij een verzameling rozen had bijeengebracht, door het beroemde Buitenzorgsche rozenperk nauwelijks overtroffen—en daar bouquetten samenbonden, hoorden zij het getrappel van een paard en zagen Thoren van Hagen aanrijden.
»Die booswicht, foei, ik neem ’t hem erg kwalijk, dat hij die arme Cor zoo plaagt,” sprak Kitty.
»Verdiend loon,” meende Margot minder vergevingsgezind, »zij heeft zoo dikwijls anderen geplaagd.”
Toen hij bij het rozenperk kwam en de stemmen der drie zusters hoorde, hield hij den draf van zijn paard in en boog zich voorover.
»De drie schoonste rozen,” sprak hij galant, »is Corona niet bij u, lieve zusters?”
»Corona is ziek! Stoute broer!” riep Kitty.
»Meen je dat werkelijk?” vroeg hij op zulk een bezorgden toon, dat zelfs Kitty verzoend met hem raakte. Hij sprong van het paard en wierp de teugels om den arm; de drie zusters, zwaar met rozen beladen, kwamen hem te gemoet.
»Wat scheelt haar?” vroeg hij.
»Wij hebben haar niet mogen zien, Hermelijn is alleen bij haar toegelaten. Vraag het haar.”
»Ernstig?”
»Och neen,” was Hermelijn’s antwoord, »dat nu juist niet!”
»Weet je wat, Hermine, geef je doktersverslag, wij gaan naar onze rozen terug,” zeide Kitty, »kom Go!” en ze verdwenen weer tusschen de struiken.
»Zeker appelflauwten,” sprak Thoren van Hagen toen hij naast Hermelijn voortging, »niets verontrustends?”
»Iwan,” antwoordde zij ernstig, »je bent haar liefde niet waard.”
»Ik vrees ’t ook, maar is ’t wel liefde? Is ’t geen grillige ingenomenheid met mij, juist zooals zij ’t met een paard, of een vogel of een stuk porcelein zou wezen.”
»Neen; er rust een zware verantwoordelijkheid op je. Je kunt alles van haar maken, zij, die trotsche, eigenzinnige Corona is een stuk was, dat je naar welgevallen kunt kneden.”
»Zeer vereerend voor zoo’n meester in de boetseerkunst als ik ’t ben.”
»Iwan,” en Hermelijn’s oogen schoten vonken, »’t is een gemakkelijke manier over alles te lachen en te spotten. Toen ik in moeilijkheden was, heb je niet gelachen als ik mijn hart bij je uitstortte; nu het je zelf geldt en een edel karakter, dat zich aan je vertrouwt, lacht je, alsof er sprake is van een studentengrap, ik vind het je onwaardig!”
Hij zag haar aan.
»Als je zoo spreekt, gelijk je op je vader, Hermelijn!”
»Hoe zou hij tot je gesproken hebben, Iwan?”
»Zoo, dat ik natuurlijk weer niet naar hem luisterde. Ik heb altijd goeden raad verwaarloosd.”
»Wordt het dan niet eens tijd daar mee op te houden? Ik weet niet, waarover je met Corona getwist hebt, maar ze twijfelt aan je liefde, dat alleen heb ik bemerkt.”
»Zij is belachelijk... somtijds.”
»En jij, Iwan, lacht om alles!”
»Ik weet genoeg, dat ik voor niets deug, Hermelijn, het minst voor aspirant-bruidegom.”
»Dat had je eerder moeten inzien, nu is het te laat.”
Zij bereikten de bijgebouwen. Iwan gaf zijn paard aan een staljongen en volgde Hermelijn naar de voorgalerij.
»Zal ik haar nu niet mogen ontmoeten?” vroeg hij.
Juist kwam Iteko langs.
»Vraag juffrouw de Géran of ik haar mag zien!” zeide hij.
»Best, mijnheer.”
»Nu moet ik haar zeker vleien en mijn hoofd buigen?”
»Je liefde moet je dat voorschrijven, je wilt van geen goeden raad weten, Iwan, maar op iets moet ik je aandacht vestigen. Je hebt alleen te strijden met een kwaden geest in je eigen hart, maar Corona heeft er nog een aan haar zijde; dat schepsel van daareven, boezemde me reeds dadelijk afschuw in. Als ik haar zie, begrijp ik waarom men zich voor de geteekenden moet wachten...”
»Mij doet ze onaesthetisch aan en ik begrijp niet, hoe Corona zoo’n gedrocht altijd om zich heen wil zien.”
»Boven dat gevoel weet zij zich te verheffen en het pleit voor haar, maar Iteko heeft een boos karakter en op Corona oefent zij bepaald een noodlottigen invloed uit.”
»De juffrouw is te ziek om mijnheer te ontvangen,” klonk het plotseling tusschen hen, en Iteko lachte zoo verleidelijk als zij stellig meende het te kunnen doen.
»Dan moet ik er mij van overtuigen. Zeg juffrouw de Géran dat ik haar spreken wil. Is de juffrouw gekleed?”
»Ja, mijnheer, dat is te zeggen ...”
Hij stond op en Hermelijn zag zijn hooge gestalte naast de kleine Iteko voortgaan in de richting van Corona’s boudoir.
»Heeft ze mij verstaan?” dacht Hermelijn.
»Och mijnheer, de juffrouw zal ’t mij kwalijk nemen,” bad Iteko.
»Wees maar niet bang, ik zal me wel weten te verantwoorden,” antwoordde hij uit de hoogte en stiet de deur open.
»Je blijft buiten, hoor!” beval hij aan Iteko, die hem blikken vol vinnigen haat toewierp.
Corona had een eenvoudige huisjapon aan en zat op den divan, toen hij binnentrad; hij zag haar door het schreien misvormd gelaat en zonder een woord te zeggen sloot hij haar in zijn armen en liefkoosde haar teeder en innig, totdat zij opnieuw in tranen uitbarstte en het hoofd uitgeput aan zijn borst liet rusten; tot zijn verbazing voelde hij zich ook zoo ontroerd dat hij geen woord kon spreken en hun verzoening, hoe stom ook, was zoo oprecht, dat alle wrok en twijfel plotseling weggevaagd werden.
»Laat ons een wandeling maken, ’t zal je goed doen, mijn arm kind,” sprak hij, haar tranen wegkussende, »we zullen niet door de voorgalerij gaan, als je misschien liever niemand ontmoet.”
»Ze mogen het wel zien, ieder mag het wel weten, hoeveel je liefde mij waard is,” antwoordde zij met een matten glimlach. »Laat ons nooit meer zoo twisten, Iwan, ik kan er niet tegen.”
»Neen, Corona, maar wantrouw mijn liefde dan ook niet meer.”
»O nooit, nooit!”
Zij gingen samen heen en wandelden door den tuin, zonder een woord meer over het gebeurde te spreken, innig aan elkander verbonden, en vast overtuigd dat de liefde die zij voor elkander voelden, van beide zijden even groot was; toen de lichten opgestoken waren, kwamen zij in de voorgalerij terug. Iwan was ernstiger dan zelfs Hermelijn hem ooit gezien had en vol teedere zorg voor zijn aanstaande, wier roodgeweende oogen nu van geluk en liefde straalden; Conrad was er ook om zijn vrouwtje af te halen en op haar wenk verzocht hij de geheele familie voor den volgenden zondag te eten. Opnieuw schenen vrede en eendracht te Ngaroengan te heerschen.
Met een gelukkigen glimlach kwam Corona na een teeder afscheid van haar vriend in haar kamer terug en zeide tot Iteko:
»Wat voel ik me nu heel anders dan gisteren en eergisteren.”
»Gelukkig, juffrouw de Géran! Wat ben ik blijde dat mevrouw Conrad juist vandaag gekomen is.”
»Waarom dan?”
»O neem me niet kwalijk, ik meende dat mevrouw.... maar ik mag mij niet in familieaangelegenheden mengen, maar, ziet u, ’t schijnt dat mevrouw Conrad een fameuzen invloed heeft op mijnheer Thoren van Hagen! Geen wonder, ze kennen mekaar ook al zoo lang en is mijnheer haar vader niet voogd of zoo iets van mijnheer Thoren geweest?”
»Maar Hermelijn zal Iwan misschien niet eens gesproken hebben.”
»Over u, dat weet ik niet; zij is hem tegemoet gegaan tot het rozenperk, en ze kwamen heel druk pratend en lachend terug; natuurlijk is mijnheer uit zijn eigen gekomen en stellig niet op een briefje van haar, dat zou niet noodig geweest zijn.”
»Hoe weet je dat?”
»Dat mevrouw Conrad geen briefje geschreven heeft? Och, ik kan het niet denken; u begrijpt toch wel hoe erg mijnheer naar u verlangde maar ik geloof niet dat hij bij u durfde komen in de kamer als zij hem niet aangespoord had door te tasten.”
»Laat me nu alleen, Iteko, ik heb rust noodig.”
En Corona legde haar hoofd op de kussens, niet zoo onbezorgd gelukkig meer als zij een kwartier te voren had gedacht het te zullen doen.
XLIV.
Den volgenden morgen terwijl de heer de Géran op zijn kantoor zat kwam Thoren van Hagen bij hem binnen.
»Ik moet u spreken, mijnheer de Géran!” zoo begon hij met een zeer ernstig gezicht.
»Nu, ik luister, Thoren, wat heb je op ’t hart?”
»Om te beginnen wil ik u bekennen dat het mij zeer verwondert als lid uwer familie opgenomen te zijn zonder dat u eenige vraag heeft gedaan over mijn toekomst, mijn middelen van bestaan, mijn fortuin.”
»Waartoe zou ’t dienen? Corona is rijk en kan met den armsten bedelaar trouwen als hij haar bevalt. En wat uw toekomst betreft, zij is oud en wijs genoeg evenals u om die samen te regelen.”
»Ik moet u bekennen dat we over dit belangrijke punt nog zeer weinig gesproken hebben maar ik heb er toch over nagedacht. Die voortdurende werkeloosheid deugt niet voor mij, ik moet iets te doen hebben en vraag u daarom mij een opzichtersplaatsje ergens op uw landen te geven, waar ik gelegenheid heb met de koffiecultuur bekend te raken.”
De Géran zag hem aangenaam verrast aan.
»Is je dat meenens, Iwan?”
’t Was voor ’t eerst dat hij zijn aanstaanden schoonzoon bij den voornaam noemde.
»Natuurlijk, papa!” antwoordde hij er dadelijk kordaat op.
»Ga zitten, ik moet je spreken; met dat te vragen, vervul je een van mijn liefste wenschen. Ik ben niet jong meer, ik zie er kras uit voor mijn leeftijd, in Europa zou ik mij misschien nog voor 30 jaar kunnen verzekeren, maar Inlandsche kinderen worden niet oud; mijn hart is daarenboven niet in orde, ik kan ’t nog eenige jaren volhouden, maar evengoed kan het morgen gedaan zijn.”
»Dat zou ik en een ander ook kunnen zeggen.”
»Maar niet met hetzelfde recht als ik. Welnu, je hebt gezien, wat een belangrijke onderneming de mijne is; ik heb de bezitting van mijn vader aanmerkelijk vermeerderd; de erfenis, die ik elk mijner kinderen nalaat is even groot als die ik alleen van hem ontving. Ik kan even trotsch zijn op mijn erfgoederen als de graven de Géran het eens waren op de hunne, maar na mijn dood wordt alles versnipperd; het werk, waarvoor ik jaren lang arbeidde, zal in mekaar storten zoodra ik er niet ben, wanneer de leidende gedachte, het besturende hoofd ontbreekt.”
»En u heeft zoovele zoons en schoonzoons?”
»Ik heb ze werkelijk maar hier overtreft de hoeveelheid de hoedanigheid! Wien zou je als mijn opvolger kunnen aanwijzen? August is een nauwkeurig werkende machine, Guillaume een lichtzinnige knaap met een verkwistende, onverstandige vrouw, Portias een onpractische artist, Akkeveen een bekrompen huistyran; Conrad is vlug en ernstig vooral nu zijn vrouw hem verstandig weet te leiden, mettertijd zou ik van hem iets kunnen maken, maar op het oogenblik is hij nog te jong; er staan te veel boven hem in anciënniteit, de jongeren met Philip aan het hoofd komen natuurlijk in ’t geheel niet in aanmerking. Ware Corona een man geweest....”
»Daar had ik veel tegen gehad,” schertste Iwan.
»Zij weet meer van de zaken dan een der jongens, die altijd in de koffietuinen rondloopen, Coen misschien uitgezonderd, maar ze vreezen haar meer dan ze van haar houden. Wanneer ik er niet meer was, zou zij met veel tegenstand moeten kampen, zij zouden haar alles misgunnen, zelfs wat haar wettig toekomt.”
»Maar ik ben er nog!”
»En dat stelt me gerust, daarom, Iwan, is mij je voorstel zoo welkom. Ik acht je volkomen berekend mijn plaats in te nemen, Corona bij te staan, goed te maken, waar zij, door de eigenaardigheden van haar karakter, de anderen voor het hoofd stoot en van zich vervreemdt. Ik zal je op de hoogte brengen van den stand mijner zaken en dan mijn testament zoo inrichten...”
»Maar, mijnheer de Géran, waar denkt u aan? Ik zou me dringen in uw zaken, ik zou iets vóór krijgen op uw andere kinderen?”
»Rechten maar ook zware plichten, Iwan, die ik alleen op uw schouders kan leggen; wees echter gerust, ik zal niets beschikken zonder je te raadplegen, zonder je volkomen instemming.”
»U is te goed, u denkt te gunstig over mij!”
»Ik geloof dat je alle bekwaamheid er toe zult bezitten, als de wil niet ontbreekt.”
»Maar u begrijpt toch wel, dat ik de geheele kolonie niet als een kudde gehoorzame schapen zal kunnen leiden?”
»Waarom niet? Je bent Corona geheel meester geworden, haar, die nooit iemand vreesde of gehoorzaamde, zelfs mij niet en je zoudt geen overwicht over die kwâjongens kunnen verkrijgen, vooral wanneer mijn testament er je wapens toe gaf?”
»Hoor eens, papa, het oogenblik is naar we hopen nog ver verwijderd, dat u er aan denken moet, de macht, die u zoo goed in handen heeft, aan een ander over te laten. ’t Is mijn bedoeling niet geweest op uw land eenigen invloed te verkrijgen; ik vraag u een betrekking hoe klein ook, alleen omdat ik voel dat ik iets te doen moet hebben, dat, wanneer mijn plichten als bezadigd, getrouwd man beginnen, ik een steun moet hebben, om niet te wankelen en mijn ellendige zucht tot verandering te overwinnen.”
»Dat waardeer ik dubbel in je, Iwan, en dit besluit versterkt mij in mijn plan; straks rijd ik naar Kaboelen waar de koffiepluk begint. Ga je met mij mee?”
Na dien dag reed Iwan dagelijks met zijn aanstaanden schoonvader uit, die hoe langer, hoe meer ingenomen met hem raakte, wanneer hij gelegenheid had zijn vlug verstand en helder inzicht te bewonderen.
Corona was zeer tevreden met de voorkeur, die haar vader hem bewees; daarbij was Iwan, nu hij iets te doen en te denken had, veel rustiger en voor haar als het kon nog vriendelijker en hartelijker. Eens zeide hij haar lachend:
»Ik heb nu geen tijd meer om onschuldige, heilige apen dood te schieten en ik moet zeggen, deze bezigheid bevalt mij beter en wat denkt »my darling” er van?”
Corona schertste terug maar toch was zij niet heel tevreden; een lastige vraag hield haar steeds bezig en toen zij den zondag daarop in Djantong kwam, waar Hermelijn en Conrad op allerliefste wijze de eer van hun huis tegenover de gasten ophielden, was zij verstrooid en afgetrokken.
»Wij willen een echt Hollandsch dinétje aanleggen, Coen,” had Hermelijn gezegd, »als het je nationaal gevoel niet kwetst, Franco Indiaan.”
»Je volk is mijn volk, Hermelijn, zooals jij ’t doet, zal het ’t beste zijn,” antwoordde hij lachend.
»Zie zoo, dat is nu eerst verstandig gesproken maar je moet mij helpen hoor, je teekent zoo mooi, maak nu de menu’s maar eens klaar. ’t Is het bruidsdiné, dat we teruggeven, moet je bedenken.”
De tafel was smaakvol aangericht, met groote bouquetten, wuivend van de pluimen der tjemara’s, de menu’s waren keurig uitgevoerd en de plaatsen, aan de verschillende gasten uitgedeeld, wel gekozen.
Hermelijn zag er allerliefst uit; om haar hals droeg zij niets dan een zilveren ketting, die Conrad voor haar gekocht had, zijn eerste geschenk en haar daarom boven alles dierbaar. Wit en zwart waren haar hermelijn-achtige kleuren weder en zooals zij daar in haar bedrijvigheid de gastvrouw speelde, telkens met woord en wenk, Conrad, die zijn oogen niet van haar kon afhouden, aan zijn plichten van gastheer herinnerend, kon het niet anders of ieder moest zich tot het jonge, gelukkige paar aangetrokken voelen, dat de grootste zaligheid genoot, die er wellicht op de wereld bestaat: innige liefde, geheiligd en verheven door het huwelijk.
Dolly was ook tegenwoordig tot Hermelijn’s groote vreugde, maar men kon ’t haar aanzien dat zij zich in het vroolijke, opgewekte gezelschap niet op haar plaats voelde en dat haar gedachten ver van daar vertoefden bij het kleine, met bloemen bedekte grafje van haar Nonnie.
Iwan was opgewonden vroolijk, hij noemde Hermelijn niet anders dan zusje en scheen vol attentiën voor haar; onder het dessert stond men op en hij rustte niet voor zij, ondanks haar vermoeidheid en huishoudelijke zorgen, beloofde te zullen zingen. Hij verliet Corona’s zijde om met haar muziek uit te zoeken en haar bladen om te slaan.
»Ik zal mij maar met jou troosten, Conrad,” zeide Corona met een gedwongen glimlach, »mijn man en je vrouw amuseeren zich naar ’t schijnt, uitstekend met mekaar.”
»Och, Hermelijntje mag wel eens wat afleiding hebben na alle moeite, die ze gehad heeft om mij tot een dragelijken gastheer te plooien.”
»’t Hindert je dus niet als ze zoo druk met een ander bezig is?”
»Waarom zou ’t mij hinderen?”
»Ik dacht dat je zoo jaloersch was.”
»Zeker zou ik dat wezen, als er reden toe bestond, maar ik acht mijn vrouw te hoog dan dat ik achterdochtig mag zijn.”
Corona beet zich op de lippen, maar zij bleef zitten en zag hen met gefronsde wenkbrauwen aan.
»Laat Corona niet zoo alleen,” fluisterde Hermelijn Iwan toe, nadat ze toevallig dat sombere gezicht had gezien, »ik geloof niet dat ze het graag heeft.”