Part 26
»Wat is u schoon, juffrouw de Géran, ik geloof dat van alle vrouwen, die mijnheer Thoren van Hagen ooit bemind heeft, geen schooner kan geweest zijn.”
»Wat weet je daarvan?” vroeg zij scherp.
»Niets, letterlijk niets, maar iemand zoo knap en zoo geestig als mijnheer Thoren van Hagen is er zeker van, overal le chéri des dames te worden.”
»’t Zelfde wat Iteko zeide,” dacht Corona en luid sprak zij:
»Nu, ik wil niet dringen in je geheimen, maar vertel me iets van je jeugd, iets wat ik weten mag!”
»Mijn jeugd is treurig geweest, Corona en een treurige jeugd is als een sombere koude lente, je weet niet, wat een Europeesche lente beteekent; zeldzaam zijn die dagen wanneer ’t werkelijk lente is, wanneer men meent de levenssappen van bloem en plant omhoog te hooren stijgen, wanneer alles en overal van leven en jeugd spreekt, wanneer de zonnestralen zelfs iets jongs en frisch hebben. Soms echter ontbreken die heerlijke dagen bijna geheel, dan is het koud, ijzig, guur, de knoppen en bladeren trekken zich vreesachtig terug omdat de wereld rondom hen zoo kil en koud schijnt, de bloesems kunnen zich niet tot vruchten zetten en zoo breekt de zomer aan, zonder dat de lente haar werk heeft kunnen doen!”
»En zoo was ’t ook met jou!”
»Zoo was ’t met mij! Mijn vader was officier van de cavalerie, een schitterende verschijning met een mooi klinkenden naam, doch van meer dan lichtzinnig levensgedrag; toch won hij niet alleen de hand maar ook het hart van mijn moeder, een schatrijk, schoon meisje, dat zoo pas de kostschool verlaten had en verloofd was met den luitenant van Vooren....”
»Hermelijn’s vader?”
»Juist, een achtenswaardig, oppassend jong man, die door eigen studie en groote oppassendheid zich tot officier had weten te verheffen, een man, wien mijn vader niet waard was de schoenriemen te binden, in elk opzicht zijn meerdere; ik heb ’t later genoeg leeren inzien, maar mijn arme moeder liet zich door het uiterlijke bekoren en zij heeft er bitter, bitter voor geboet.”
»Laat ik mij ook bekoren alleen door het uiterlijke, Iwan?” vroeg Corona teeder en schalksch tegelijk.
»Wie weet, lieveling, of je ook niet eenmaal je keuze even bitter zult betreuren als zij.”
»Foei, zeg dat zoo ernstig niet!”
»Ik kan nu niet schertsen, nu ik van mijn moeder spreek, maar ’t moet, Corona, ’t moet eens gebeuren. De effecten mijner moeder trokken hem aan meer misschien dan haar kinderlijke naïveteit, haar lief, vriendelijk gezicht; ’t kostte hem weinig moeite haar afvallig te maken van haar braven Hendrik, zoo noemde hij haar aanstaande. Spot en nog eens spot, dat was zijn geliefkoosd wapen, waarmee hij onfeilbaar doel trof, ’t engagement werd verbroken, de arme van Vooren leed er vreeselijk onder...”
»Wat hem niet belette later nog tweemaal zijn gebroken hart weg te schenken.”
»Als zijn vrouwen er mee tevreden waren.”
»Wisten zij van die eerste liefde?”
»Maar Corona, wat voor belang boezemt je dat in?”
»Niets, niets, vertel mij verder van je ouders!”
»Mijn moeder zette dus tegen den zin harer familie, dit huwelijk door; de wittebroodsweken strekten zich niet tot maanden uit. Reeds dadelijk voelde zij dat hij zich haar meester, haar tyran achtte en van haar blinde gehoorzaamheid eischte; zij zag in, dat slechts haar onvoorwaardelijke gehoorzaamheid zijn voorhoofd kon ontrimpelen, zijn mond doen glimlachen, en blijmoedig bewees zij hem die, tot hij steeds meer en meer vroeg en wilde heerschen, niet alleen over haar handelingen maar ook over haar gedachten. Hij richtte zich in haar geest op als een god, wiens woorden en daden zij gelooven en aanbidden moest, die alles voor haar zou vervangen, den godsdienst van haar jeugd, de liefde van haar familie, de herinneringen van haar kindsheid, alles moest zij hem ten offer brengen. Zij zou niets zijn dan zijn speelbal, zijn luim en zij werd het.”
»Dan was zij karakterloos,” riep Corona met gloeiende wangen en tintelende oogen.
»Neen, zij had haar eigen karakter maar zij beminde en vertrouwde haar echtgenoot, zij zag in hem alle verheven eigenschappen en dacht te min van zich zelf; zij kon er slechts bij winnen meende zij, de arme, als zij haar onbeduidende en zwakke persoonlijkheid liet oplossen in de zijne.”
»Wat had die man een verantwoordelijkheid!”
»Welke hem thans nog verplettert. Hij was geboren voor autocraat; ware hij vorst geweest met onbeperkt gezag over leven en dood, zijn naam zou geworden zijn:
Aux plus cruels tyrans une cruelle injure.
Nu vond hij slechts zijn vrouw om over te tyranniseeren, want zijn bedienden verlieten zijn dienst, zoodra hij trachtte, hen onder zijn hiel te vertreden. Na mijn geboorte veranderde de verhouding tusschen hen niet; alleen bleef zij lang sukkelend. Hoewel hij haar gebood mij aan een min te vertrouwen, kon zij hem toch niet in de wereld vergezellen; hij ging alleen uit, hoe langer hoe meer, zij waagde een opmerking, hij zag haar minachtend aan en verwaardigde zich niet te antwoorden. Eindelijk kreeg zij de onweersprekelijke bewijzen in handen, dat hij haar bedroog; bijna krankzinnig van droefheid deed zij hem de bitterste verwijten, hij spotte met haar smart en eischte van haar dat zij de vrouw, die hij boven haar stelde in haar huis zou ontvangen. Zij weigerde eerst krachtig, maar allengs zwakker en zwakker, toen zij inzag, hoe hij ’t huis vluchtte, haar en haar kind niet meer scheen te kennen; eindelijk gaf zij toe, nog steeds hopend hem door toegevendheid beter te stemmen...”
»O schande!” riep Corona.
»’t Moet uitgesproken worden,” ging hij op doffen toon voort, »hier tusschen hemel en water. Hoor ze eens lachen, onze gasten, zij vermoeden niet hoe pijnlijk in den bruidsgondel wordt geleden. Ik had dezen dag niet moeten kiezen, Corona!”
»Wat deert het ons, Iwan? Hebben we niet beloofd alles samen te dragen, leed en vreugde?”
»Als rechter op te treden tusschen zijn ouders, ’t is zwaar. Zij ontving dan die vrouw, een dame van hoogen adel, grillig en koud, juist de vrouw om zulk een tyran aan banden te leggen. Begrijp wat mijn moeder moest doorstaan in tegenwoordigheid van hun beider spottend medelijden; zij leed bijna armoede terwijl de twee anderen van haar rijkdom genoten en zij voelde zich zoo eenzaam. Alles had mijn vader haar ontnomen, haar geloof in God, de liefde van haar familie, haar vrienden, van wie zij zich terug getrokken had; om zijnentwille had zij allen van zich vervreemd. Ieder lachte om hare blinde gehoorzaamheid, ieder noemde haar liefde karakterloos, zooals gij daar straks. Een vreeselijk ledig moet haar omringd hebben, haar kinderlijke godsvrucht had nog niet kunnen rijpen tot een echt practisch godsdienstig geloof dat alle handelingen bezielt, ons de smart met geduld en onderwerping doet dragen, dat het goede in ons veredelt en verheft, het kwade onderdrukt, dat ons te hulp komt, waar het zoogenaamde echt menschelijke tekort schiet, dat ons een betere wereld doet hopen, maar tevens leert, dat wij hier eerst een taak te vervullen hebben. Zij had niets gekend dan een vaag, sentimenteel gevoel van liefde voor een onbekenden Vader, in een geheimzinnige schoone wereld, waarvan men bij wierookgeur en muziek aangenaam en zoet droomt, maar door mijn vaders bitteren spot zonk dit fraaie tempeltje jammerlijk inéén en zij kon niets in de plaats daarvan stellen dan zijn beeld, haar afgod. Hoe langer hoe meer zag zij in op welke kleivoeten het rustte; hemel en aarde schenen voor haar te vergaan. Zij dacht nauwelijks aan mij, ik geloof, dat ik weinig rekende in haar leven, anders ware zij met mij heengegaan. Hoe zou ik haar alles vergoed hebben, arm, lief moedertje! Een toevlucht bleef haar over, de dood. Waarom zou zij voor zelfmoord terugdeinzen? Er bestond immers geen God, wien zij verantwoording schuldig was van het leven, dat zij ongeroepen ging verlaten? Haar man erfde haar schatten en kon gelukkig zijn met de vrouw, die hij meer beminde; eens vond men haar slapend om niet meer te ontwaken; zij had vergift ingenomen, de min wist alleen dat mevrouw haar kind ’s avonds hartstochtelijk had gekust.”
Hij zweeg, na met moeite de laatste woorden te hebben uitgesproken; zij drukte zijn hoofd teeder tusschen haar handen, zij voelde en leed met hem en bemerkte niet dat een ander gevoel thans nog onbepaald en vaag in haar gemoed sloop. Later als het haar ziel zou vervullen en haar geest nacht en dag kwellen, dan zou onvermijdelijk voor haar oog dit kalme water verschijnen, zacht wegvluchtend in de schaduw terwijl de laatste zonneglanzen verglommen.
»En hoe nam hij ’t op?” vroeg zij fluisterend.
»Zijn ijdelheid was gekwetst; het was ongehoord dat zijn vrouw, dat onbeduidende schepsel hem plotseling tot voorwerp aller aandacht maakte. De dooden hebben steeds gelijk; ieder wist nu hoe hij haar gekweld en vernederd had, hoe oneindig veel het jonge, vroolijke meisje geleden moest hebben, omdat zij nog geen anderhalf jaar later het huwelijk door den dood verbrak. Ik werd het meest beklaagd; de officieren keerden mijn vader den rug toe, zijn vriendin weigerde zich verder te compromitteeren en verklaarde dat zij in Minette steeds een martelares had bewonderd en haar man als een beul verafschuwde. Hij kon niet langer in dienst blijven, van alle kanten wachtten hem vernederingen; verbittering en—ik wil gelooven—ook wroeging vervulden zijn ziel en hij wist niets beters te doen dan haar voorbeeld te volgen... Wie dacht aan den armen, kleinen Iwan?”
»Maar je vader leeft nog?”
»De zelfmoord mislukte; de wond, die hij zich door een pistoolschot had toegebracht, genas slechts langzaam; jaren bleef hij, de man met de onverwoestbare gezondheid, zwak en hulpbehoevend en zoodra hij eindelijk hersteld heette, bleek het dat hij geen ander, maar een veranderd man geworden was. Zijn schoonheid en mannelijke kracht waren heen, zijn zelfbewustzijn was geschokt, hij was nu een voorwerp van medelijden geworden, tegen wien niemand meer wrok koesterde, zelfs niet de diep beleedigde van Vooren, die hem vergaf misschien ten wille van mij, den zoon zijner nooit vergeten Minette, naar wie hij zelfs zijn oudste dochter noemde. Door erfenis kwam mijn vader in het bezit van een zoogenaamd kasteel in de heerlijke streek tusschen Maastricht en Aken, waar alle landhuizen zoo spoedig kasteelen heeten; hij trok er in....”
»En waar bleeft gij al dien tijd?”
»Och, wat kwam het er op aan? Onder de hoede van een paar dienstboden. Het goede Kaatje, dat bij ons diende toen het ongeluk gebeurde, hechtte zich aan het arme schaap van een kind, waarom zich niemand scheen te bekommeren; over geld mochten de bedienden vrij beschikken, mits zij het kind maar zoet hielden en de vader niet bemerkte dat er zulk een wezen op de aarde bestond. Je begrijpt, wat er van mijn opvoeding werd. Geen gril, hoe zonderling, of ze werd ingewilligd, geen plichten leerde ik kennen, geen lessen behoefde ik te leeren. Toevallig was ik weetgierig en vrij vlug; toen ik dus mijn vader in Ellenrade volgde, leerde ik al spelend het een en ander wat het leeren waard was en nog meer wat het niet waard was. Ik vocht met de boerenjongens, speelde over hen baasje, schuwde mijn vader als een besmettelijke en was uren in het rond als »de kwâjong van den kapitein” bekend.”
»Hoe bracht je vader dan zijn tijd door?”
»Met allerlei soorten van philosophische en astronomische proeven, met klopgeesten en tafeldansen, alles bij buien. Zoo werd hij, de spotter van voorheen, tot het overdrevene bijgeloovig, dan weer zocht hij iets vooruit te zien, vorschte in de sterren of in oude boeken, liet mediums en goochelaars bij zich komen, ondervroeg telkens den geest mijner moeder om als hij geen bevredigende antwoorden kreeg weer ergens anders te zoeken en den eenigen plicht, die hem was overgebleven, het eenige middel dat hem restte om zich met God en mijn moeder te verzoenen moedwillig te verwaarloozen. Om mij bekommerde hij zich niet in ’t minst totdat eens de toenmalige kapitein van Vooren, die in Maastricht in garnizoen geplaatst was, hem kwam bezoeken; juist had ik weer zooveel kattekwaad uitgevoerd dat de politie er bij te pas kwam. Ik geloof dat het niets meer of minder gold dan brandstichting in een hooiberg, zoo slecht is de knaap geweest, over wien gij je ontfermt, Corona!”
»Ik heb er je te liever om,” antwoordde zij.
»Moge ’t je niet berouwen, Corona, maar de kapitein zag, dat ik opgroeide voor de gevangenis en dat mijn vader het te druk had met zijn verhevene bezigheden, om aan zoo’n kleinigheid als de opvoeding van zijn zoon eenige aandacht te wijden. »Geef hem mij maar mee, ik zal zien of er iets van terecht komt,” sprak de kapitein. »Als ’t je belieft, neem hem mee, en doe met hem wat je verkiest,” antwoordde papa met een zucht van verlichting en zoo kwam ik t’huis bij Hermelijns vader.”
»Hoe oud was zij?”
»Een aardig klein ding, van zes, zeven jaar. Ik had respect voor den kapitein, door hem liet ik me raden en leiden, later toen ik in militairen dienst trad, kwam ik weer onder zijn leiding, maar ik heb hem veel verdriet gedaan. Ik kon me niet buigen onder de militaire tucht, toch werd ik officier en studeerde een tijd lang zeer hard want ik verlangde naar de epauletten; zoodra ik ze had, wierp ik ze weg, het was mijn eerste werk nadat ik me overtuigd had, dat het uniform me goed kleedde. Zoo ben ik; ’t is beter dat je het weet, de verhouding mijner ouders verklaart wellicht deze eigenaardigheid. Zoodra ik iets bezit waarnaar ik vurig verlang, voelt mijn hart zich plotseling ledig en...”
»Het heeft geen waarde meer voor je. Ach, Iwan, zal ’t ook zoo met je gaan, wanneer wij getrouwd zijn?”
»Ik hoop ’t niet, Corona!”
En dat kon hij zoo koel zeggen, met zijn hand in de hare, zijn hoofd tegen haar knieën geleund; zij rilde, trok haar hand terug en wendde het hoofd om. Plotseling schitterden de oevers van het meer in veelkleurig licht, tusschen het groen en de rotsen waren honderden inlanders geslopen, die daar bonte lantaarns ophingen, welke als bij tooverslag een zachten, tooverachtigen schijn over het water, de eilanden en de bootjes wierpen.
»Corona, mijn Corona,” en hij sloeg den arm om haar, »alles is ter uwer eere, mijn koningin, mijn kroon! Vraag me zulke dwaasheden niet meer!”
»Was het een dwaasheid?” vroeg zij.
»Daar ik ’t voor geen beleediging wil opnemen; glimlach weer, mijn liefste, je bent mijn alles, mijn geluk, mijn vreugde, mijn toekomst, je zult het leven van den eenzamen zwerver vervullen, gij en gij alleen!”
Corona voelde zich gewonnen door zijn zoete taal, die hem op dit oogenblik inderdaad uit het hart welde, hij meende waarlijk dat haar oogen een licht zouden werpen op zijn toekomstig levenspad, dat hij afgedaan had met zijn vroegere weifelingen en aarzelingen om zijn vrijheid aan haar ten offer te brengen en zij geloofde hem gaarne, maar toch, volmaakt gelukkig was zij niet meer, de eerste schaduw was op haar geluk gevallen. Niemand vermoedde het echter; een zoete muziek deed zich hooren. Op een der eilanden had Thoren van Hagen muzikanten geposteerd, van meer dan gewone bekwaamheid; op een ander was het avondmaal gespreid, later werd vuurwerk op ’t water ontstoken. In één woord, het feest, door Thoren van Hagen zijn aanstaande bruid geboden, was de waardige tegenhanger van dat door haar ter Hermine’s eere gegeven en zou een prinselijken bruidegom niet onwaardig geweest zijn.
XLII.
Corona zat in haar kamer en peinsde.
Wat ontbrak aan haar geluk? Iwan was zoo goed en liefdevol als zij het slechts wenschen kon, ieder overlaadde haar met bewijzen van sympathie en liefde, Hermelijn was voor haar de teerste zuster, die men zich bedenken kan, haar vader scheen ten volle tevreden met haar keuze, en toch.... toch was zij niet voldaan.
Er drukte haar iets ter neer, iets waaraan zij geen naam kon geven, maar dat er daarom niet minder zwaar en voelbaar om was.
»Ik ben mijzelf niet meer,” zuchtte zij. »Hij leidt me waarheen hij wil. Zou hij iets hebben van het karakter zijns vaders, van den man, die zijn liefhebbende vrouw in den dood joeg, het ware te vreeselijk! Zij kon zich in hem oplossen, maar dat wil ik niet, ik ben te oud en daarbij te veel mijzelf.”
Aanleiding tot die gedachten bestond er niet rechtstreeks; een klein verschil van gevoelen dat zij gisteren hadden gehad over de behandeling der Javanen kon het toch niet wezen.
Iwan had zijn uit couranten en boeken geputte geleerdheid blootgelegd; Corona stelde er haar ondervinding tegenover, hij noemde die wreed en onrechtvaardig, maar zij verdedigde haar standpunt met warmte en innige overtuiging. Zij was goed voor de Javanen hoewel streng, zij betreurde de afschaffing der rottingstraf en hij noemde dat onvrouwelijk; toen zij tegen dit oordeel vol vuur protesteerde, glimlachte hij en vroeg of zij »De negerhut” had gelezen.
Op haar verwonderd »ja” sloot hij haar lippen met een kus en verzocht haar, ten minste op hem die straf niet toe te passen; verder was hij dien avond onberispelijk hartelijk geweest.
Dat was alles; waarom kon Corona niet zonder pijn aan dit onbeduidende voorval denken, evenmin als aan hun ernstig gesprek in den gondel?
Zij wist nog niet dat er in liefde of in innige vriendschap geen kleinigheden bestaan; dat alles daarin groote afmetingen bezit, dat schijnbaar geringe voorvallen soms licht werpen op verborgen diepten van een gemoed, dat men geheel meende te kennen. Een woord, een blik, een verzuim kunnen schakels zijn van een keten, die half vergeten opmerkingen, vage gewaarwordingen aan elkander verbinden; straaltjes licht, die vaak op een dwaalspoor brengen, insecten, die knagen aan het fondament, zonder hetwelk vriendschap en liefde onmogelijk zijn, aan het vertrouwen.
Alles wordt voedsel wanneer zich eenmaal zekere gedachte of zeker vermoeden tusschen twee innig verbondene zielen heeft vastgezet; wat eerst een onbeduidend steentje was, dat men nauwelijks opmerkte, dat zelfs geheel verdwenen scheen, verheft zich langzamerhand tot een scheidingsmuur, die beiden onherroepelijk van elkander scheidt.
Zoo was ’t ook hier; Iwan en Corona hadden elkander innig lief, zij met allen hartstocht van haar vurig opbruisend karakter, hij met alle kracht van zijn avontuurlijken, fantastischen geest; misschien was zijn liefde meer een zaak van het hoofd, misschien maakte zijn eigenaardige levensloop hem ongeschikt om te beminnen als een ander; het blijft immers altijd, eeuwig waar, dat waar twee menschen elkander beminnen, de eene meer schenkt en de andere meer ontvangt, de eene meer en de andere minder liefheeft; maar even waar is het ook dat het zeer lang duren kan vóór een van beiden het bemerkt, vóór dat de eene tot dat treurige bewustzijn ontwaakt en daarmede zijn geluk bedreigd ziet. Zou voor haar het ontwaken reeds zoo vroeg komen?
Iteko sloop zacht en haast ongemerkt binnen.
»Om hoe laat komt mijnheer van middag?” vroeg zij hoogst bescheiden.
»Op den gewonen tijd, denk ik.”
»Dan zal mijnheer zijn jacht wel reeds geëindigd hebben.”
»Welke jacht bedoel je?”
»De jacht op de apen van Ngaroe. Och, ik begrijp ’t heel goed dat mijnheer Thoren van Hagen boven zulke kinderachtigheden verheven is, maar het kon voor hem gevaarlijk worden; het visschen zien de Javanen reeds zeer ongaarne maar het schieten op de heilige apen, vinden zij natuurlijk een gruwel.”
»Ik wist niet, dat Iwan ’t ooit gedaan had.”
»Dat begrijp ik wel, juffrouw; een woord van u zal natuurlijk voldoende wezen om mijnheer te doen inzien, dat het verkeerd is, maar de Javanen morren er reeds over dat mijnheer het vervloekte huis betrokken heeft en de gasten van het woud beleedigt.”
»Ik zal er hem over spreken, natuurlijk.”
Toch zag Corona er tegen op, Iwan voor iets te waarschuwen. Van waar kwam die geheime schroom bij haar, die vroeger niets en niemand vreesde?
»Het zal voor mijnheer een genoegen en vreugde zijn, dat spreekt, die liefhebberij vaarwel te zeggen als u er om vraagt,” voegde Iteko er fluweelzacht bij.
»Zwijg,” gebood Corona, plotseling op den toon der prinses van voorheen, »je hebt niets te maken met hetgeen tusschen mijnheer Thoren en mij voorvalt.” Zonder een woord meer te zeggen ging Iteko aan haar werk, Corona bleef voortpeinzen, kleedde zich op den gewonen tijd aan en wachtte hem in haar geliefkoosd hoekje af, waar zij de bekentenis van zijn liefde ontvangen had.
Thoren van Hagen liet zich niet wachten; zij ging hem tegemoet en samen maakten zij een wandeling in den omtrek van het groote huis.
Corona was eenigszins afgetrokken; zij wilde en moest hem over die jacht spreken maar zij zocht naar haar woorden en wist niet hoe te beginnen. Telkens wilde zij er over praten en telkens bedacht zij zich weer of liever stelde het uit.
»Ik zal ’t zeggen als we naar huis gaan,” dacht zij en een oogenblik later weer, »neen, in de open lucht is ’t minder geschikt dan binnen.”
Hij sprak over onverschillige zaken; hij had een van zijn levendige buien en was bijzonder opgewekt.
»Ik heb van morgen een moord gedaan,” zoo vertelde hij, »verbeeld je, daar kwam me zoo’n brutale aap in mijn kamer en kaapte een paar boeken weg, die ik nog niet eens gelezen had. Hij klauterde tusschen de boomen en eindelijk toen ik geen kans zag goedschiks aan mijn eigendom te komen, legde ik mijn geweer aan en schoot hem er uit. ’t Is een prachtig beest in zijn soort. Het was treffend te zien hoe al zijn vrienden van hun hooge zitplaatsen afklommen, om rondom zijn lijk allerlei grimassen van verdriet te maken.”
»Dus ’t was maar een toeval dat je het dier doodgeschoten hebt, Iwan,” vroeg Corona met een zucht van verlichting, »je maakt toch niet bepaald jacht op de apen?”
»Wat zou ik er aan hebben? Die dieren zijn vreedzaam, maar als ze het mij lastig maken schiet ik er dapper op los.”
»Doe dat niet Iwan, als je mij een pleizier wilt doen!”
»Waarom niet? Ik kan niet zeggen dat de apenjacht mij bijzonder aantrekt, ik vind het een flauwe liefhebberij maar als het te pas kwam...”
»Dan nog niet. Geloof me, laat die dieren met vrede.”
»Zijn ze in je oog misschien ook heilig?”
»Neen, maar ze zijn het voor de Javanen en ik vind het noodeloos hun gevoel te kwetsen.”
Hij zag haar lachend aan.
»Is dat dezelfde strenge Corona, die de rottingstraf weer ingevoerd wilde zien en die nu zooveel eerbied heeft voor de belachelijke sentimentaliteiten van de Inlanders.”
»Ik geloof niet dat het een het andere uitsluit en ik ben zeker, dat een Javaan liever schuldig of onschuldig door de rottan gestraft wordt dan dat hij een Europeaan een bloedbad ziet aanrichten onder de dieren, die hij voor heilig aanziet.”
»En is ’t dan onze plicht niet, van ons, die beweren roeping te hebben de Javanen te veredelen, te beschaven en weet ik wat nog meer, zulke verkeerde begrippen tegen te gaan?”
»Door ze opzettelijk te kwetsen, ik geloof dat juist door die vervolging ze hun nog dierbaarder worden.”
»Ik voor mij denk dat niets hen beter genezen kan, dan de overtuiging dat er niets kwaads gebeurt, al schiet ik hun apen gezamenlijk neer, wat ik misschien ga doen, als ’t mij invalt en ze het mij te lastig maken.”
»Iwan, ik bid je, laat dat plan varen. Ik verzoek er je om!”
»Maar Corona, het zou toch te kinderachtig zijn, wanneer ik alle grillen van die beesten verdroeg alleen omdat...”
»Ik er je om vraag, laat je dat genoeg wezen.”
»Corona,” en zijn stem klonk hoog ernstig, »we zijn beiden te oud en naar ik hoop ook te verstandig om aan zulke galanterieën te doen. Ik wil volstrekt niet, wat mijn vader van zijn vrouw verlangde, dat zij een willoos voorwerp in zijn handen werd, dat zij al zijn bevelen opvolgde, alleen omdat hij het verkoos maar van mijn kant verkies ik ook niet, iets te laten, alleen omdat jij het vraagt. Dit is verkeerd begrepen liefde, het zou me geen moeite kosten tijdens ons engagement iets te beloven maar als we getrouwd zijn, doe ik aan dergelijke toegevendheid niet meer.”
»Omdat je niet van mij houdt.”
»Foei, Corona, zeg zulke banaliteiten niet! Waarlijk, ze klinken niet uit je mond; je plaatst je daarmee op het standpunt van alle andere geëngageerde meisjes.”