Part 24
Zij hoorde hem onrustig heen en weer loopen, terwijl zij voor de piano zat en de liefelijkste melodieën van Schubert zong; hij mishandelde zijn hond, dien hij anders zoo verwende, sloeg den huisjongen, die hem wat lang op vuur liet wachten, de tali api [96] tegen het gezicht, en toen eindelijk Hermelijn opstond, daar hare bevende vingers het haar onmogelijk maakten langer te spelen, snelde hij naar het instrument, wierp het deksel met geweld dicht, zoodat de bobèches in stukken vlogen en de snaren een dof geknars deden hooren.
»Ik wist niet dat mijn spel je hinderde, Conrad,” sprak zij zacht en kalm, terwijl haar stem hoorbaar trilde, »waarom het mij niet bedaard gezegd?”
Hij zag haar aan met een woeste uitdrukking, het was of zijn vuisten zich balden, of hij zich op haar wilde storten.
Zij verroerde zich niet en zag hem onverschrokken in het wit der rollende oogen, hoewel haar hart tot brekens toe klopte.
Als door bovenmenschelijke inspanning overwonnen, keerde hij zich om en verliet het huis, zonder naar haar om te zien.
De arme Hermelijn viel bevend in haar stoeltje neer.
»Mijn God, sta me bij! ’t Is zoo duister,” bad zij, »alleen met hem zijn, met dien woesteling! En toch, wat heb ik te vreezen? Mijn leven, wat is ’t mij waard, niets meer? Dolly is moedig en sterk, maar zij heeft nog haar kinderen en ik ben verlaten, eenzaam. O vader, als u ’t wist...!”
Zij sloot zich in haar kamer op; de nacht viel, maar Conrad kwam niet t’huis; een zwaar onweer brak los, het gebergte schudde en beefde, de boomen ruischten woest en wild, telkens doorboorden de bliksemflitsen de neerhangende jalouzieën en vervulden haar kamer met de helderheid des daags; de donderslagen volgden elkander bijna zonder tusschenpoozen op, en het arme Hermelijntje lag achter haar wit tullen gordijnen te huiveren en te rillen, zij die vroeger geen angst kende. Zij was bang voor het weer, bang voor haar man, bang voor alles, bij elken slag, elk weerlicht.
Eindelijk toen het onweer voorbij trok, viel zij in een onrustige sluimering, waaruit ze plotseling gewekt werd door een licht, dat haar vlak op het gelaat viel en door de gesloten oogleden drong; zij sloeg ze op en staarde verward rond.
Daar zag zij Conrad in de kamer staan, met verwarde haren en druipende kleeren, een lamp in de hand; zijn oogen waren strak op haar gevestigd en hij zag er zoo schrikwekkend en vreemd uit, dat de reeds opgewonden Hermine sidderend haar oogen afwendde en met een angstigen gil het gelaat in de kussens verborg.
»Je behoeft niet bang te zijn en niet te schreeuwen,” hoorde zij hem zeggen, »morgen is het gedaan!”
En toen zij het hoofd weer bevend omhoog hief, was hij verdwenen. Eindelijk was die nacht van verschrikking voorbij en een zonnige morgen vol zilver en diamanten brak over het woud en het gebergte aan, maar terwijl de kalmte, het leven en het geluk in de natuur terug keerden, waren de beide jonge harten slechts vervuld van angst, schrik en toorn.
Hermelijn was reeds vroeg buiten, zij zag naar haar bloemen, waarvan vele door den storm geleden hadden; zij trachtte kalmte en hoop te putten uit het gezicht der lachende, stralende morgenure, maar haar hart was te vol zorg en zelfs bitterheid en wrok om daarin troost en moed te vinden.
»Ik zal mijn liefde voor hem verliezen, als het langer duurt; hij is onrechtvaardig en haatdragend, ik heb alles gedaan wat ik kon om hem te toonen, dat ik niets liever wilde dan een goede, liefhebbende vrouw voor hem te zijn. Maar hij bedreigt me, hij zal me mishandelen, wat moet ik doen?”
Alleen zat zij aan het ontbijt, dat zij nauwelijks aanroerde; zij had te veel op haar krachten gebouwd, nu kon zij niet meer; haar dagelijksche werkzaamheden boezemden haar afkeer in, neen, alles zou haar nu welkom zijn geweest, het liefst de dood!
Dan zou zij niet meer zijn verwrongen gelaat behoeven te zien, dat haar steeds vervolgde als een angstig vizioen, zijn woedende stem en uitbarstingen niet meer hooren welke haar aan het redelooze dier herinnerden; het was of zij haar arme liefde belichaamd zag als een teeder, dartel vlindertje, dat hoewel gewond, telkens het zonnelicht te gemoet vloog, maar nu eindelijk in zijn laatste stuiptrekkingen stervend ter aarde lag.
Hij kwam niet in de galerij, en zij liet door den huisjongen hem een kop koffie op de kamer brengen.
»Toewan slaapt met al zijn kleeren aan op de bank, en zie eens, dat lag naast hem.”
Het was een revolver.
Hermelijn huiverde en zag den bediende aan, die veel hoorde en zag, maar met zooveel kieschheid zweeg als weinige beschaafden zouden toonen.
»Ik dank je, Sarko, ik dank je!” zeide Hermelijn en de knecht verwijderde zich, stijf als een automatisch beeld en even stom.
Zij zat met het hoofd in de handen voor de tafel, zonder kracht om op te staan, zonder iets te kunnen eten, zonder aan het volgende uur, het volgende oogenblik te willen denken, dat misschien de ontknooping van het drama kwam brengen, waarin zij de hoofdrol speelde. Daar buiten kweelden de vogeltjes, stoeiend met de zonnestralen, daar hieven de bloemen hun bedauwde kelkjes omhoog, alles scheen te zingen, te juichen in liefde en jeugd en zij worstelde hier alleen met waanzin en dood.
»Laat me vertrouwen op u, o God, op uw hulp! Gij tenminste verlaat mij niet,” zoo bewogen zich haar lippen maar haar hart was bang en moe; ’t was of elke minuut haar nader bracht aan iets vreeselijks, iets onherstelbaars.
Hoe lang zij daar onbewegelijk zat, wist zij niet, het hadden uren maar ook minuten kunnen zijn, doch de zon teekende niet langer de slingers van klimop en de scherpe bladeren der kaktussen op den rooden vloer, toen het gerol van wielen haar uit haar mijmering deed opschrikken. Zij stond op en voelde haar oude geestkracht terugkeeren. Het pistool moest weggeborgen worden tot elken prijs. Zij bracht het in haar kamer en sloot het in haar kast, toen ging zij naar de voorgalerij om te zien, wie haar bezocht.
De coupé van het groote huis hield juist voor de trappen stil en Corona stapte er uit in een frisch wit morgengewaad, rijk met kant en roode linten versierd, stralend als de morgen, schooner dan Hermelijn haar ooit gezien had.
Nu was zij het, die met somber geplooid gelaat haar schoonzuster ontving want van verwelkomen was geen sprake.
»Hermelijn, weiger je mij zelfs een hand?” vroeg Corona op droevigen, teleurgestelden toon.
»Wie zou ik die beter weigeren dan u, die hier niets dan ellende en jammer heeft gezaaid. Wat doet u hier?”
»U vergiffenis vragen, Hermine! U mijn hulp aanbieden om goed te maken, wat er nog goed te maken valt.”
»Daar is het te laat voor! Mijn vergiffenis, wat is u daaraan gelegen en al hadt u die ook, meent u daardoor uw wroeging uit te wisschen over het onherstelbare?”
»O Hermine, wat moet je geleden hebben, dat je zoo bitter, zoo scherp geworden bent, ik voel nu, wat je mij eens gezegd hebt, wanneer ik eens genegenheid zou voelen...”
»Is dat uur gekomen? ’t Verheugt me; voel nu, hoe ge mij bedrogen hebt, zooals geen vrouw ’t ooit werd. Wees gelukkig, trouw met Iwan maar tracht dan ook te vergeten, hoe je Conrad en mij het leven hebt verwoest.”
»Maar Hermine, hoor me aan! ’t Was slecht van me hem zedelijk te dwingen, maar ik dacht....”
»Je dacht dat hij van hetzelfde kneedbare deeg was als August en Guillaume, als die arme, heilige martelares, die je aan Akkeveen te prooi hebt gegeven. Maar neen, Conrad heeft een karakter, een lastig ding om daarmee door de wereld te komen, en hij heeft zich niet willen buigen in het onvermijdelijke. Hij is getrouwd om uw wil te doen, maar overigens bleef zijn vrouw een vreemde, erger nog, in zijn hart en huis. Hem vergeef ik alles maar u niets, hij heeft door zijn gedrag tegen mij de achting herwonnen, die hij zou verloren hebben, als hij me op uw bevel gewillig getrouwd had, maar ik ben het slachtoffer en waarlijk ik heb er nooit roeping toe gevoeld slachtoffer te zijn.”
»Hermine, hoor me bedaard aan! Ik zal hem spreken.”
»Dat behoeft niet, niemand mag zich in mijn huiselijke zaken dringen.”
»En wat wil je dan doen? Zoo kan ’t niet langer voortgaan. Kom met mij mede naar huis, ik zal papa, die niets vermoedt, alles zeggen. Blijf niet langer in zijn macht, hij is tot alles in staat.”
»Hij mag en kan alles doen! Ik heb hem getrouwd uit vrijen wil omdat ik hem innig liefhad en meende, dat hij om diezelfde reden mij tot vrouw verlangde; ik zal hem niet verlaten dan als hij me verjaagt uit ons huis!”
»Dat is romantaal, Hermine, dat kan je niet meenen! Zie je dan niet hoe bitter het mij berouwt, hoe ik alles zou ten offer brengen om je gelukkig te zien, alles, versta je, alles, zelfs mijn geluk!”
»Je hebt niets op te offeren, laat mij over aan mijn lot, wat het ook wezen mag, en maak mij het leven niet zwaarder dan het reeds is.”
»Ik zal er toch papa over spreken, een scheiding...”
»Dat verbied ik je! Een enkelen troost kan je mij geven, mijn geheim, dat alle broeders en zusters raden, blijve tenminste een geheim voor de wereld. Dit is ’t eenige, waarover Conrad en ik ’t eens zijn.”
»Maar als ik nu...”
»Doe geen moeite, Corona, voor u begint waarschijnlijk een leven vol geluk, vol glans, voor mij is alles gedaan.”
»Hou je niet meer van Conrad?”
»Je begrijpt dat ik je mijn hartsgeheimen niet zal bekennen.”
»Kan ik je dan niets geven, Hermine, niets geen raad, geen steun, niets?”
»Neen niets; verlaat me, en spaar mij langer het verdriet om mijn leed uit te klagen; alleen is het nog te dragen, maar als ik met u er over spreek, is ’t of ik er onder bezwijken zal.”
»Hermine, Hermine! Laat me zoo niet gaan!”
»Komt u op bevel van Iwan?”
Daar flikkerde het oude vuur opnieuw in Corona’s oogen, en op snijdenden toon, antwoordde zij:
»Niemand heeft mij te bevelen, niemand, zelfs hij niet! Ik kom, daar ik den toestand onhoudbaar vind en dien niet langer lijdelijk kan aanzien.”
»Uw berouw komt te laat, u ziet dat u met menschen en niet met marionetten te doen hadt.”
»Waarom weiger je dan de laatste toevlucht, die ik je bied? Kom met mij mede in het rijtuig, blijf bij ons tot zij dien knaap tot rede hebben gebracht.”
»Die knaap is mijn man en hij zal zich even weinig door u of door zijn vader tot rede laten brengen, als Iwan in zijn plaats zich tot iets, wat hem niet beviel, zou laten overhalen.”
»Maar vergelijk Conrad niet met Iwan!”
»Conrad staat misschien veel hooger, hij heeft zich een man van karakter getoond. Hij heeft zijn opgedrongen vrouw zijn naam gegeven, meer niet, maar hoe ’t ook zij, ik ben die vrouw en mag zijn gedrag niet beoordeelen.”
»Hermine, nu ga je te ver. Hij heeft zich schandelijk tegen je gedragen. Hij was vrij je te trouwen of niet; ’t komt er niet op aan hoe, hij heeft het eenmaal gedaan, nu kan hij wrok koesteren tegen mij, tegen zijn vader, maar niet tegen jou, die onschuldig zijt.”
»Wanneer ik hem werkelijk getrouwd had, zonder dat hij mij persoonlijk ten huwelijk vroeg, zonder dat hij me een teeder woordje schreef, dan was hij in zijn volle recht, mij te minachten. Dat het zoo niet is, komt door uw laag, uw schandelijk bedrog, waarvan Iwan geen vermoeden heeft.”
»Vergeef me,” snikte Corona, »o Hermine, ik verneder me voor je, zooals ik me nooit voor iemand vernederd heb. Een woord van verzoening, een woord van hoop!”
»Vreest u misschien dat ik Iwan alles zeggen zal? Wees gerust, ik tast niet gaarne in het leven van een ander. Ik zal weten te zwijgen; al ben ik diep rampzalig, ik gun u het geluk, dat u meent veroverd te hebben.”
»’t Is niet uit vrees, dat ik hier kom, Hermine, neen, uit angst, uit bezorgdheid voor je. Ik durf niet gelukkig zijn, vóór je het ook zijt.”
»Dan zal je het nooit worden, Corona! ’t Is verloren moeite; geloof me, Conrad heeft een wil, even goed als u en ik laat me ook liever breken dan buigen.”
»Wat moet ik doen?” vroeg zij hopeloos.
»Naar huis terugkeeren, uw verloving vieren met Iwan en mij vergeten.”
»Ik kan ’t niet, terwijl je woorden nog in mijn ooren weerklinken.
»Dat is uw zaak en niet de mijne!”
Zoo scheidden ze; Hermine was Corona’s meerdere gebleven en beiden hadden er het bewustzijn van.
XXXIX.
Na Corona’s vertrek bleef Hermelijn als uitgeput op de sofa liggen, met haar hoofd op de leuning gedrukt, het lange haar als een gouden golf over haar wit kleed neervallend. Nu en dan doortrilde een zenuwachtige schok haar lichaam, maar anders bleef zij onbewegelijk.
»Hermine,” hoorde zij plotseling zacht fluisteren. Zij zag verbaasd op; Conrad stond voor haar, met een bleek, bestorven gelaat, dat de sporen droeg van bittere smart en zwaren strijd.
»Hermine,” ging hij voort en steunde op een tafeltje, want het scheen hem veel te kosten, wat hij te zeggen had, »ik heb alles gehoord, wat je Corona gezegd hebt.”
»En wat zou dat?”
»Waarom ben je niet meegegaan?”
»Omdat mijn plaats hier is, in mijn huis, bij mijn man en nergens anders. Mijn plicht houdt me hier. Ik heb geen ander t’huis meer.”
»En je bent er zoo ongelukkig.”
»’t Doet er niets toe, Dolly is ook niet gelukkig en toch blijft ze haar plichten vervullen.”
»En als ik je nu van die plichten ontsla?”
»Dat kan je niet eens, dat kan God alleen!”
»Door mijn dood, niet waar? Nu, van nacht had ik reeds mijn pistool geladen om je de vrijheid terug te geven, maar ik heb ’t niet gedaan; ik dacht plotseling aan mijn moeder, die ik dan nooit meer zou terugzien en ook aan jou, Hermine.”
»Aan mij!”
»Ja, ik mocht je niet alleen laten in deze wildernis, ik begreep, dat, hoe weinig je ook aan mijn dood gelegen is, die slag je vreeselijk zou treffen, als die zoo viel. Ik vormde dus een ander plan!”
»En dat is?”
»Ik ga dienst nemen naar Atjeh; blijf hier nog een dag of wat na mijn vertrek, zonder iemand te waarschuwen, dan merkt niemand er iets van, vòòr ik dienst genomen heb. Ik zal niet terugkeeren, ik beloof het je.”
Zij zag hem aan in het smartelijk, verwrongen gelaat, terwijl hij de oogen van haar afwendde en zijn borst angstig hijgde.
»En waarom wil je dat doen?” vroeg zij.
»Om je vrij en gelukkig te maken.”
»Zou dat niet op een andere manier gaan, Coen!”
Zij trok hem naar zich toe en nam zijn handen in de hare, haar oogen schitterden, haar kleur keerde terug op hare bleeke wangen, een glimlach speelde om haar lippen, zij staarde hem aan met een blik, waarin zij haar geheele ziel had gelegd.
»Wat bedoel je?” vroeg hij, plotseling zich omkeerend, en zag haar ook diep in de oogen.
Zij antwoordde niet, maar bleef hem strak aanzien.
»Hermelijn!” riep hij, »Hermelijn, bespot mij niet! O God, je weet niet, wat ik geleden heb.”
»En ik dan, door jou schuld. Kom, ik voel immers dat je eigenlijk mij niet haat, arme jongen.”
»Je haten, Hermine, o je vermoedt niet....”
»Ik vermoed meer dan je denkt, kom hier, zóó, kijk me weer aan!”
Hij was voor haar op de knieën gevallen en verborg zenuwachtig snikkend zijn hoofd op haar schoot. Zij streek hem door het dikke krullende haar en sloeg haar armen om hem heen.
»Ik ben het niet waard, Hermelijn, ik heb je behandeld zoo laag, zoo ellendig als ware je.... maar de gedachte maakte me razend, dat je me uitlachte, mij bespotte.”
»En dat doe ik ook en dat verdien je geheel en al.”
En zij schaterde het uit, haar frissche, jonge lach klonk hem als muziek in de ooren, maar hij hief het hoofd nog niet op.
»Mijn lieve, beste jongen, wat heb je mij geplaagd,” ging zij op bijna moederlijken toon voort, haar gezicht verbergend in zijn haar. »Zooveel weken van ons jong leven verbitterd door mokken en pruilen, en dan nog je willen doodschieten en dienst nemen naar Atjeh. Heb je het zoo slecht bij de vrouw? Kom, sta eens op! Een man aan mijn voeten, dat is me nooit overkomen. Laat me je booze, booze oogen nu eens zien.”
Maar het duurde lang voordat zij ze zag; Conrad was opgestaan om haar hartstochtelijk in zijn armen te sluiten, aan zich vast te drukken, als moest hij haar tegen de geheele wereld beschermen.
»Kun je mij ooit vergeven?” vroeg hij.
»Ik heb alles reeds vergeten, ik weet alleen, dat ik nu zoo blijde ben, zoo gelukkig als ik ’t niet zou zijn, wanneer wij te Samarang reeds dadelijk zoo wijs waren geweest als nu!”
»Houd je werkelijk van me, Hermelijn? Is ’t waar, wat je Corona hebt gezegd en geef je niets om Thoren van Hagen?”
»Onzen aanstaanden zwager?”
»Ik ben reeds jaloersch op hem geweest van ’t eerste oogenblik, toen hij je dat bouquet gaf en je den doek in ’t rijtuig omdeed.”
»Heeft hij dat gedaan, ik weet het niet eens meer. ’t Was ook het werk van mijn man, hij had ’t zich door niemand moeten uit de hand laten nemen.”
»Dat komt omdat ik zoo’n domme jongen ben. O Hermelijntje, wat moet je van mij gedacht hebben.”
»Dat je mij verschrikkelijk kon plagen en angst aanjagen. O foei, wat is alles veranderd in een oogenblik,” riep zij uit de volheid van haar hart, met van vreugde glinsterende oogen zich vast aan hem nestelend, »ik ben nu voor niets bang. Niets ter wereld! En jij dan, Conrad?”
»Ik ben alleen bang, dat je mij lomp en linksch zult vinden.”
»Neen, ik heb je op zijn ergst gezien; ’t is met ons juist het omgekeerde gegaan als met andere jonge paren, wij zijn begonnen met tegen elkaar te kibbelen, daarmee eindigen de meesten, weet je dat?”
»Ik weet dat je een engel bent, een echt Hermelijntje, zoo blank, zoo rein en dat ik God nooit genoeg kan danken dat Hij mij, ellendigen lafaard, zooveel geluk schenkt. Hou je werkelijk van mij, Hermelijntje, of is ’t alleen omdat..... omdat ik je man ben?”
»Omdat je mij zoo leelijk behandeld hebt en omdat... wat stoute, booze oogen, hoe heb ik dikwijls verlangd die te zoenen, en mijn hand door je wilde krullen te steken; wil je mij nu nog terug laten gaan naar Corona?”
»Neen, spreek nu niet van haar!”
»En ik begin van haar te houden, zij heeft ondanks alles een edel, trotsch hart.”
»Ik gun haar aan Thoren van Hagen, en wensch hem alle geluk met zijn verovering, maar mijn Hermelijntje...”
»Is een vreemde, een indringster en toch moest je haar portret teekenen, als zij weg was.”
»Heb je dat gezien? En ik heb je brieven en je dagboek gelezen!”
Zij verborg blozend haar gelaat aan zijn borst en vroeg:
»Wanneer? Eerst nu!”
»Toen ik zoo’n haast had om van Dolly weg te komen.”
»En wat dacht je toen?”
»Dat ik mijn geluk met jou liefde verspeeld had. Wie had het mij voorspeld, geen uur geleden, dat alles zoo zou veranderen?”
»Is ’t niet het eenvoudigste?”
»En het beste, maar ik moet uitgaan. Ik heb de laatste dagen niets kunnen werken, o als je wist hoe ongelukkig, hoe gejaagd ik was, maar nu kan ik in ’t geheel niet weg. De koffietuinen moeten maar wachten, ik kan je niet meer verlaten, Hermelijntje!”
»Maar ’t eten voor van middag?”
»Laat het wachten, ’t is of je voor goed weggaat naar Corona, als ik je niet meer zie. Toen ik je miste dien ochtend in den krater....”
»En je mij gered hebt!”
»Ik kon me nauwelijks meer goed houden maar... maar....”
»Je oostersche koppigheid hield je staande; ik heb daar heel veel goeds van je gezegd aan Corona, luistervink, maar ik meende dat alles niet, dat begrijp je!”
»Je moet me veel leeren Hermelijntje, ik kom veel te kort, maar wie heeft zich ook om mij bekommerd nadat ik zoo onverwacht uit Europa moest komen?”
»Als je maar van goeden wil bent en geen valsche schaamte meer hebt.”
»Voor mijn lieve vrouw! Ik vond je zoo lief, Hermelijn, reeds dadelijk; zoo heel anders dan mijn schoonzusters en ik kon me begrijpen, hoe ik je zou tegenvallen!”
»En in plaats van goed en vriendelijk tegen het arme, vreemde vrouwtje te zijn, moest zij daar altijd zoo’n eeuwig norsch gezicht bewonderen. O Coen, Coen, wat een logica!”
En zoo gingen zij voort de volheid hunner jeugdige harten in allerlei dwaasheid uit te storten; ze werden niet moe elkander aan te zien, te liefkoozen, te bewonderen, ontheven als zij zich voelden van den zwaren last, die hen zoo lang had neergedrukt; het leven lag voor hen in vollen rijkdom, een woord, een blik had de nevels verdreven, die het bedekten en verduisterden, nu scheen de zon en deed haar licht schitteren in vollen middagglans.
Corona was intusschen diep terneergeslagen t’huis gekomen; zij zocht echter haar toevlucht niet bij Iteko maar bij Kitty, wie ze alles verhaalde.
»Hij heeft alles om jou gedaan,” zeide Corona, niet zonder zelfzucht, »kan je er nu niets aan veranderen?”
»Lieve Corona, je weet zelf hoe weinig vreemde tusschenkomst helpt, maar om je pleizier te doen, wil ik er morgen wel eens heengaan.”
»Doe dat, Kitty, doe dat! Ik hoor, hun bedienden hebben het den mijnen verteld, hij heeft den geheelen nacht als een razende door het onweer geloopen en zijn wapens zijn geladen. Ik ben zoo bang.”
»Nu, ik zal morgen bij Hermelijn aandringen dat ze met mij meegaat en dan zal ik mijn welsprekendheid ook eens beproeven op Coen.”
Kitty zag er den volgenden dag wel tegen op, hoewel zij zelfs aan Portias verklaarde, dat ze het graag, heel graag wilde doen.
»Als deze stap niet baat, zal ik papa alles zeggen, ik durf de verantwoordelijkheid niet langer alleen dragen,” zei Corona en gaf haar vele aanwijzingen en raadgevingen mee.
Portias had echter niet veel rust; tegen den namiddag reed hij den weg naar Djantong op en ontmoette reeds vrij spoedig het coupétje, aan welks portier Kitty’s geheimzinnig lachend kopje verscheen.
»Hoe is ’t, Hermine niet bij je?” vroeg hij teleurgesteld.
»Neen, vraag me niets! Spoedig naar Thoren van Hagen, zeg hem dat hij naar ’t groote huis gaat, och ventje! ik bid er je om.”
»Maar, mijn viooltje, zeg me eerst!”
»Neen, ik zeg je niets, ik kan ook zwijgen voor een enkelen keer. Rijd door, koetsier!”
Portias stond verlegen rond te zien en besloot zich van zijn zending te kwijten; Thoren van Hagen was echter niet in zijn huis, hij had den vorigen dag Corona niet gezien, nu was zijn zelfbeheersching ten einde en hij kwam haar bezoeken.
»Corona, ik bid je! Offer ons geluk niet op aan een hersenschim,” smeekte hij, »wat deert ons die stijfhoofdigheid van je broer, laat Hermelijn zelf die overwinnen. ’t Is haar goed toevertrouwd.”
»Neen Iwan,” antwoordde Corona terneergeslagen, »dring er niet verder op aan, je weet hoe innig ik van je hou, het verbergen kan ik niet meer. Ik heb altijd getwijfeld aan liefde en er zelfs mee gespot, nu denk ik anders maar waarlijk ik durf niet gelukkig zijn zoolang ik doodelijk ongerust ben over Conrad en Hermine. ’t Is of er geen zegen op ons zal rusten.”
Zijn wenkbrauwen fronsten zich en zijn stem klonk hard toen hij antwoordde:
»Dat is bijgeloof en anders niet, zoo’n gedachte is je onwaardig, Corona; wat gebeurd is, kan niet meer veranderd worden en ’t is dwaas, kinderachtig, je zelf er voor te straffen en ook mij.”
Zij zag hem ernstig, bijna droevig aan.
»Iwan, ’t is alles zoo snel gegaan, onze... onze verloving....”
»We zijn niet verloofd! Dat heb je immers niet gewild.”
»Onze afspraak dan, als je ’t liever hebt. Je hebt me overrompeld....”
»En ’t spijt je nu?”
»Neen Iwan, dat nimmer, maar zijn we niet lichtzinnig geweest? Ik ben niet zoo jong meer, ik had wijzer moeten wezen.”
»Foei, begin je weer met je theorieën; liefde en wijsheid verdragen elkander niet.”
»Ik geloof dat ze het moesten doen, ’t zou beter zijn.”
»Je hebt daar nog al verstand van!”
»Zie, dat verwijt heb ik verdiend en ’t knaagt mij aan het hart.”
»Maar waar moet het heen met dat geweifel?”
»Ach Iwan, laat me nog wachten!”
»Tot hoe lang? Geduld is mijn hoofdondeugd niet.”
»Nog een maand!”
»Dat is mij veel te lang! Ik zou liever mijn huis in brand steken en naar Australië gaan.”
»Ik zie ’t, je hebt weinig voor mij over.”
»Wat een dwaas verwijt, daar verwaardig ik me niet op te antwoorden. Ik geef je een week.”
»Nu ’t is goed, een week ...”
»Dan ga ik in dien tijd naar Samarang, in je nabijheid blijven op dien voet, dat kan ik niet uithouden.”