Part 22
»Och, wat bemoeit ge je ook met alles. Je hebt hier al genoeg te bestellen; ’t is of er niets zonder jou kan klaar komen; van het eerste oogenblik heb je hier een toon aangenomen, die niet te pas komt. Ik had behoefte het je te zeggen; je bemoeizucht wordt alleen geëvenaard door je pretentie en als je niet begonnen was met dat kind te knoeien, wie weet of dan niet...”
»Dat lieg je!” barstte Conrad plotseling bleek van toorn uit, »de dokter heeft zelf verklaard, dat alles wat zij gedaan heeft, uitstekend was en als hij dadelijk haar raad had gevolgd of jij, die hier alles te bevelen wilt hebben, waart haar bijgebleven, wie weet dan of de ziekte niet overwonnen was.”
Hermelijn, die gebloosd had van verontwaardiging bij Corona’s bitter verwijt, keerde zich met stralende oogen naar haar man; zij wist niet of zij waakte dan wel droomde, hij verdedigde haar met een vuur, zooals zij ’t nog nimmer van hem had ondervonden.
»Stil kinderen, stil! De plaats is te heilig voor zulke woorden,” beval de vader met gebiedenden blik. »Als Dolly moet gewekt worden, zal Akkeveen het wel doen.”
»Ik had van jou zoo’n warme verdediging niet verwacht voor de tottok, die je toch uitlacht,” beet Corona haar broer toe.
Hij keerde zich om met minachtend gebaar.
De begrafenis had plaats zonder dat Dolly wakker werd; de stoet kronkelde reeds sinds lang omlaag door de gewelfde lanen van neerbuigende boomtakken, waar, kleine acrobaten gelijk, de vogeltjes stoeiden en dartelden in hun goud-, robijn- en saffierkleurig kleed; de bloemen vielen op het witte kleed, dat de kleine baar dekte. Zoolang mogelijk had men gereden, maar toen de weg te moeilijk werd, stapten de heeren uit en volgden het kistje naar de stille plek, door ruischende bamboestruiken omringd, die hun geheimzinnig eeuwig lied murmelden rondom de monumenten, wier witte gedaanten zich ophieven tegen het zachte, wegsmeltende groen der buigzame stammen.
Toen Dolly ontwaakte, was haar eerste vraag:
»Zijn ze gekomen?”
»Bedaard, lieveling!” sprak Corona zoo zacht en teeder als zij vermocht, »’t moest eens immers gebeuren!”
»Wat is er gebeurd? Is ze weg? Waar is Hermine, zij had beloofd mij te wekken. Je hebt haar weggezonden, Corona, je ontneemt mij alles, je hebt mij mijn lief kind misgund, nu beroof je mij van mijn zuster, mijn vriendin!”
»Ik zal haar roepen,” zei Corona dof, »maar Dolly, ben ik je eigen zuster niet, waarom is Hermelijn je meer, zij een vreemde!”
Kitty kwam binnen en nam Dolly in de armen, zij liet zich door haar omhelzen maar herhaalde telkens:
»Ze hebben mij bedrogen! Ze hebben het altijd op mijn kind voorzien, allen, allen! Niemand gunt mij iets!” En zij brak los in een storm van hartstocht en woede, zooals Indische vrouwen die kunnen ontwikkelen; niets baatte, men moest Hermelijn, die even ingesluimerd was, roepen. Zij knielde bij de razende vrouw neer en fluisterde haar teeder toe, maar niets baatte nog, geen liefkoozingen, geen beroep op Dolly’s godsdienstige gevoelens, geen herinnering aan hare andere kinderen.
Eindelijk viel zij uitgeput neer; hevige koorts greep haar aan en beurtelings lachte en schreide zij, wees ieder af, behalve Kitty die zij duldde en Hermelijn om wie zij telkens riep.
Corona stond alleen, ieder spande tegen haar samen, en zij had toch zulk innig medelijden met Dolly; zij hield waarlijk veel van Yolande en voelde spijt, bitteren spijt zonder het zich zelf te bekennen over haar aandringen om het kind af te staan. Toen de begrafenisstoet terugkeerde, vonden zij Dolly in een treurigen toestand, die Hermelijn in het gelijk stelde.
»Hadden we haar maar gewekt,” zeide de oude heer.
»Dan hadden we nog meer spektakel gezien.”
»Zij had dan niemand iets te verwijten gehad,” meende Portias.
Alleen enkelen kwamen weer, de meesten, waaronder de vreemden, waren teruggekeerd naar de hoofdplaats.
Tegen den avond wilde ook de heer de Géran vertrekken.
»Blijf je nog, Corona?” vroeg hij.
»Neen papa, ik heb hier niets te doen,” antwoordde zij scherp.
»En Kitty?”
Het gezicht van Akkeveen verried genoeg, hoe bezwarend hij de aanwezigheid van vele logés vond.
»Wij gaan ook mee,” sprak Portias.
»Evenals ik,” zei Conrad.
»Je vrouw is de eenige, die met haar overweg kan; je zult mij pleizier doen te blijven.”
»Maar morgen moet ik naar huis. Ik ben er lang genoeg vandaan!”
»Zooals je verkiest, als Hermine maar niet meegaat.”
»Dat moet zij weten!”
Zoo bleven dan Conrad en Hermelijn alleen bij de beroofde ouders; de reiswagens verdwenen, het licht der fakkels, door de loopers gezwaaid, flikkerde door het geboomte, de vonken spatten weg tusschen het groen, en diepe duisternis omhulde weldra het huis, waaruit dien morgen het helderste licht was weggedragen.
Toen na een onrustigen slaap Dolly den volgenden morgen ontwaakte, zag zij met starende oogen voor zich uit, als ontbrak haar alle bewustzijn en alle herinnering aan het gebeurde. Hermelijn, die bij haar had gewaakt, kwam met haar oudste jongetje op den arm voor haar bed staan, zij wilde of kon het niet opmerken; wezenloos bleef zij voor zich uit zien.
Akkeveen kwam haar bezoeken; zij rilde even maar sprak niets, geen voedsel of drank wilde zij gebruiken op Hermelijn’s dringende beden; zoo bleef zij uren lang.
»Dolly,” fluisterde Hermelijn. »Ik wil je iets laten zien, je moet mij zeggen, of het gelijkt en wat er aan ontbreekt.”
Vragend zag zij op terwijl Hermelijn een portefeuille opensloeg en haar een teekening toonde, het welgelijkende portret der kleine Nonnie, met haar sprekende zwarte oogjes en het bloemkransje op ’t haar.
»Vind je dat het gelijkt, Conrad heeft het op mijn verzoek geteekend.”
»O Hermine,” en snikkend viel de arme vrouw in de kussens terug en gaf zich nu aan een natuurlijke droefheid over.
Hermelijn verliet haar geen oogenblik; het portret moest voor haar blijven staan; ’t was het eenige, wat zij van haar behield en de krulletjes, die Hermelijn had afgeknipt.
»Je hebt aan alles gedacht, ik dank je!” zuchtte zij.
Zij lag kalm, hoewel zielsbedroefd en vroeg eindelijk naar haar man.
»Akkeveen,” sprak zij toen hij binnenkwam, »als ik je misschien iets bitters gezegd heb, vergeef ’t mij! Ik wist niet wat ik zei; ’t had niet veel gescheeld of ik was krankzinnig geworden. Zij heeft mij gered! Zie, wat ze mij bracht.”
Ook Akkeveen was diep ontroerd, toen hij de teekening zag.
»Heb je daarom je bij haar bedje opgesloten, Hermine, we zullen je altijd dankbaar blijven,” sprak hij, haar de hand drukkend.
Tegen den middag keerde Conrad naar huis terug; een koortsachtige spanning dreef hem weg; wat het was kon niemand vermoeden, Hermelijn bleef natuurlijk. Dolly kon en wilde haar nog niet missen.
Hij nam afscheid van zijn zuster, die juist alleen was.
»Conrad,” zeide Dolly hoog ernstig, »waardeer toch goed wat voor schat je in Hermine bezit! Ik geloof niet dat zij gelukkig is.”
»Ben ik het dan?” vroeg hij bitter.
»Dan heb je het aan jezelf te wijten; het leven is zoo vol ellende en verdriet, dat we door onze eigen schuld geen oogenblik van geluk mogen laten verloren gaan. Waarom ben je niet gelukkig, Coen?”
»Omdat.... omdat zij mij uitlacht en bespot!”
»Zij, o foei Conrad! schaam je!”
Juist trad Hermelijn binnen en Conrad wilde heengaan.
»Dag Hermine,” zei hij en gaf haar verlegen de hand.
»Dag Conrad,” en zij drukte die; toen ging hij snel heen.
»Je moet me alles vertellen, Hermine,” fluisterde Dolly, »misschien kan ik er iets aan doen; ’t mag zoo niet blijven.”
»Niemand kan het veranderen, niemand!” was het moedelooze antwoord, dat Dolly door de reeds zoo verwonde ziel sneed.
Reeds daags daarop stond zij op en deed haar gewone werk, zij streefde er naar, niet om weer zichzelf te zijn, maar om dat te blijven, waartoe zij zich met alle krachtsinspanning had opgewerkt.
Zij deed haar gewone bezigheden, verzorgde haar kinderen, opende het kastje met de kleertjes van de lieve, kleine afwezige, en sloot daar alles in weg, haar poppen, haar speelgoed, haar kleertjes; soms werd de aandoening te machtig, en dan liet zij haar tranen vloeien op de geurige kleertjes, op de voorwerpen, die nog den indruk bewaarden van haar thans verstijfde vingertjes.
»Ik sluit alles weg, ik wil niets meer van haar zien dan haar portret,” zeide zij tot Hermelijn, »’t maakt mij zwak en ik moet sterk wezen om mijn plicht te doen.”
»Altijd plicht, o Dolly, wat is dat koud,” sprak de jongere zuster huiverend en onwillig.
»Wat blijft er over als alles heengaat? Wat zouden we zijn zonder plichten! God heeft het beschikt dat ik Nonnie moest missen. Hij weet ook waarom! Hier zou zij bedorven zijn, bij Corona was zij misschien ook overleden, verre van mij, en toch, ik kon niet anders handelen, ik kon niet! Zij is goed bewaard bij de engelen, haar zusjes.”
Zij snikte, maar zonder wanhoop of woeste smart.
»Als ik geen andere kinderen had, zou ik bidden dat ik spoedig bij haar mocht komen want het leven is niets dan last, maar nu mag ik het niet. Ik wil mijn jongetjes niet alleen laten. Ik hoop dat Corona hun vader niet meer in de verleiding brengt. En daarom moet ik sterk zijn en mag mij niet meer aan mijn droefheid zoo overgeven als dien ochtend.”
»Dolly je leert mij veel!” zeide Hermelijn diep ontroerd. »Ik geloof ’t ook, plichtsvervulling alleen geeft ons kracht, maar ach, ik heb geen plichten.”
»En tegenover je man!”
Toen verborg Hermelijn het gelaat aan Dolly’s borst en bekende haar alles.
XXXVI.
Conrad was in dolle vaart naar zijn huis gerend; één denkbeeld alleen hield hem bezig; hij herinnerde zich dat in een hoekje van zijn lessenaar ongeopende brieven lagen, door Hermelijn aan hem geschreven; het waren er slechts enkele. De meeste had Iteko onderschept, daar zij vreesde dat het bedrog zou uitkomen als Hermelijn brieven beantwoordde die Conrad nimmer geschreven had; deze waren hem in handen gevallen, hij had ze niet geopend maar slechts bewaard. Nu smachtte hij er naar, ze te lezen.
Zonder zich uit te kleeden, stak hij de lamp op, nam de elegante enveloppen in de handen, bezag ze van alle zijden en verbrak toen de zegels.
Hij las met gefronste wenkbrauwen en samengeperste lippen; ’t was vreeselijk, al die zoete woorden te moeten vernemen, die niet aan hem, maar aan de schrijfster dier brieven gericht waren. Zij had hem liefgehad, zij maakte plannen voor hun beider toekomst, zij verhaalde hem al haar jonge-meisjesgeheimen, zij beantwoordde liefkoozingen die hij haar niet gegeven had.
Hij stampvoette van machtelooze woede; hij had van die correspondentie geweten en kon Corona niet eens van bedrog beschuldigen.
»Als jij haar niet schrijft, zal ik het doen,” had ze hem duidelijk gezegd, waarop hij even duidelijk had geantwoord:
»Ga je gang, ’t kan me niets schelen!”
Hij ging naar haar kamer en vond daar in haar dagboek, nog meer dan in de brieven, de uitdrukking van haar hart; nu eerst las hij alles, nu het te laat was, nu hij haar liefde had vertrapt en versmaad, nu hij een voorwerp van spot en minachting in haar oogen was geworden, nu hij met eigen hand het beeld had verbrijzeld, dat zij zich eenmaal in haar reine droomen van haar man oprichtte.
En hij was haar niet waard, neen, in lang niet! Thoren van Hagen alleen zou haar verdienen, maar toch, zij bleef de zijne, niemand kon daaraan iets veranderen hoewel zij zeker het oogenblik vloekte, waarop zij bedrogen was en in gedachte de hand reikte aan den bruidegom, die haar verfoeide.
Zijn geheele gedrag, van de eerste ontmoeting af, kwam hem thans erbarmelijk, klein en kinderachtig voor; hij was een domme, akelige jongen geweest, uit de hoogte zag zij op hem neer. Wat was zij teleurgesteld geweest in hem! Als zij hem bespotte, had zij er reden toe, al die hatelijke plagerijen van hem, dat hardnekkige zwijgen, die kwetsende onverschilligheid, alles was er op berekend geweest haar van hem afkeerig te maken.
Hij kende haar volstrekt niet, hij dacht dat zij de trouwe aanhangster van Corona zou worden en in plaats daarvan was zij de eenige, die de gevreesde schoonzuster durfde weerstaan, won zij de genegenheid van zijn beide liefste zusters, de achting van zijn broeders; Hermelijn had groot gelijk, als zij zich ver boven hem verheven waande.
Brandende tranen vielen op die brieven en het boekje neer; wanhoop, dat hij zijn geluk verspeeld, zijn leven verwoest had, vervulde zijn ziel.
Een plan kwam in zijn geest op, door nadenken wilde hij ’t tot rijpheid brengen.
Zoo vond hem de morgen, toen een plotseling herhaald klagend geroep het gebergte vervulde.
»Er is een kiai [92] in den omtrek!” gaf dat eigenaardig geroep te kennen.
De Javaan geeft aan den tijger den naam van »grootvader” en erkent daardoor zijn afstamming van den koning der bergen.
Sinds lang had een koningstijger de karbouwen bedreigd en de kampongs onveilig gemaakt; nu eens was hij hier, dan weer daar gezien. Thans verhaalde men dat hij zich verscholen hield in een alang-alangveld [93] tusschen het groote huis en Djantong.
Die alarmkreten ontrukten Conrad aan zichzelf, hij sprong op, vloog naar zijn wapenrek, nam zijn pistolen en ponjaard, en liet zijn paard zadelen.
»Ik wou dat de tijger mij verscheurde,” mompelde hij, »dat ware ’t beste voor mij en voor haar!”
Corona was in Ngaroengan terug, toen alles in rep en roer werd gebracht voor de tijgerjacht; zij kon nergens rust vinden. De gebeurtenissen der laatste dagen hadden haar zeer aangegrepen, zij had er zich altijd op beroemd geen zenuwen te kennen, maar wat was dan dat ongedurige, dat trillen van handen en voeten, dat prikken in het hoofd?
Thoren van Hagen kwam haar vader afhalen; hij reed te paard en riep haar schertsend van verre toe:
»Ik breng u de tijgerhuid, gravin Corona!”
»Och papa, stel u niet te veel bloot aan het gevaar,” smeekte zij.
»Wees gerust, kind,” en hij kuste haar vaarwel.
Tot Thoren van Hagen sprak de oude heer:
»’t Doet me pleizier dat er zoo iets komt, want waarlijk, ik voelde mij ellendig door die treurige geschiedenis bij Dolly. Ze zeggen wel, een kind is maar een kind en we hebben er genoeg, maar Yolande was bijzonder ontwikkeld en werkelijk Dolly heeft zoo veel niet.”
Het alang-alangbosch werd omsingeld; de Javanen, met knuppels gewapend, sloten zich in een kring, die hoe langer hoe nauwer werd. Thoren van Hagen, Conrad en de oude heer de Géran waren de eenige Europeanen.
»Ik heb alle mogelijke buitenkansjes,” zeide Thoren lachend, »wat ben ik u dankbaar, mijnheer de Géran, dat u zich over mij, arme zwerver, heeft ontfermd en naar Ngaroengan meenam.”
»Zeg liever dat ik er alle voldoening van heb; ’t is anders niet veel, wat je hier geniet.”
»Kan Java nog meer geven? Soms dunkt het mij, dat u mijn leven nutteloos en ledig vindt, ik ben niets, voer niets nuttigs uit.”
»Je hebt er den tijd anders wel toe,” zeide de oude heer glimlachend.
»Dat is zoo en ik moest er geen tijd toe hebben. ’t Zal ook niet altijd zoo gaan, maar ik wil eerst een verleden hebben, waar men iets aan heeft, dat de moeite van het bekijken waard is; het leven zie ik aan voor een schilderij—Portias zou zeggen voor een muziekstuk—dat ieder zich zelf schildert, de omstandigheden zijn de verven. Nu wil ik het mijne heel bont en schitterend maken, voor ik er voor goed een lijst omzet.”
»En daarom ga je op avonturen uit?”
»Ja, ik ben naar de Noordpool geweest en keerde terug naar den Equator; ik had niet gedacht dat ik hier misschien de laatste hand zou leggen aan het schilderij, dat mijn jeugd moet voorstellen.”
»Wil je dan hier blijven?”
»Willen, ja, maar ik kan zelf niet beslissen of het zal gebeuren; dat moet een ander doen. Ik kan hier alleen blijven als uw dochter Corona het mij toestaat.”
»Corona!”
»Ik heb Corona liefgehad van het eerste oogenblik dat ik haar zag; zij of geen andere wordt mijn vrouw.”
Verbaasd zag de oude heer de Géran hem aan.
»En weet zij het reeds?”
»Ik heb ’t haar gezegd, maar zij zal het niet verstaan hebben. Ik deed nog niets om haar te verdienen, daarom bid ik u, laat mij den tijger dooden, als u mij toestaat haar hand te vragen.”
»Maar Thoren, ’t is haar zaak, zij heeft alle huwelijken bij ons gesloten. Laat zij voor het hare nu ook maar zelf zorgen! Ik heb niets tegen u, je bent een man van eer, en ik ben er van overtuigd, dat je mijn dochter niet zoudt ten huwelijk vragen als je er niet zeker van waart haar daardoor niet te doen afdalen.”
»Dat verzeker ik u! Ik heb niet als kluizenaar geleefd, integendeel, er zijn bladzijden in mijn leven, die ik er gaarne uit wilde scheuren, vlekken op mijn schilderij, die haar in mijn oog jammerlijk ontsieren, maar hoe schuldig ik ook voor mijn geweten in menig opzicht moge zijn, er kleeft aan mijn naam of verleden niets, wat in de oogen der wereld daarop eenige smet zou kunnen werpen en wat mij belet een eerlijke vrouw mijn hand aan te bieden.”
»Die ruiterlijke bekentenis pleit voor je, Thoren! Ik geloof, dat je er in zult slagen, je door Corona te laten eerbiedigen, zij is anders niet gemakkelijk.”
»Dat weet ik, maar het trekt mij te meer in haar aan; ik waardeer haar karakter zooals het is met zijn licht en schaduw. Mijn liefde is niet geblinddoekt.”
»Des te beter! Ik hoop voor je en voor ons dat je slagen moogt.”
»En niet voor haar?” vroeg Thoren van Hagen lachend.
»Voor haar? Ik geloof, dat zij nog heel anders moet worden, om in het huwelijk geluk te vinden.”
»Laat het aan mij over! Die zorg vrees ik niet op mijn schouders te nemen.”
Daar liet zich een ontzettend gebrul hooren midden in het alang-alangwoud; de tijger, gewekt door de steenworpen der Javanen, rekte zijn lenige ledematen uit, gaapte en vervulde de lucht met zijn afgrijselijk geluid, dat het bloed in de aderen deed stollen van de landbewoners, uren ver in den omtrek.
»Meneer Conrad, ik hoop dat u mij de eer zal gunnen het monster te vellen, ik heb zijn huid aan een schoone dame van uw kennis beloofd,” zei Thoren van Hagen schertsend.
Conrad werd doodsbleek en beet zich op de lippen.
»Wie is die dame?”
»Wel, u zou haar niet kennen?”
»Ik los hier geen raadsels op.”
»Daar heeft u wel gelijk aan, het oogenblik is slecht gekozen.”
»Kiai, kiai,” gilden de Javanen plotseling, en werkelijk, daar flonkerden zijn gloeiende oogen tusschen het hooge witgroene gras.
Conrad mikte en schoot, maar zijn hand beefde van innerlijke gemoedsbeweging en de kogel wondde slechts even het oor van den tijger.
Woest brullend hief hij zich op zijn achterpooten in de hoogte, aan zijn breed gapenden muil drupte nog het bloed van het geitje, dat hij verslonden had, zijn gekromde tong hing langs de scherpe witte tanden, de klauwen met hun puntige nagels, spalkten zich samen, tot den noodlottigen sprong gereed; de Javanen trokken zich snel terug, een hunner, alleen met zijn kris gewapend, wachtte hem, hij had met den kiai, die zijn kind meegevoerd had, nog een rekening te vereffenen.
Het bloeddorstig monster bereikte hem, hij stak het zijn mes in de zijde, maar de arm, die ’t wapen voerde, werd door zijn greep machteloos gemaakt; de man viel ter aarde en de tijger zette zijn tanden in het bruine vleesch van zijn borst.
Thoren van Hagen en Conrad snelden toe, terwijl het dier zijn wraak wilde volvoeren; de laatste stak hem den ponjaard in den nek, maar weer niet diep genoeg.
De tijger liet nu ten minste zijn prooi los en schoot op Thoren van Hagen los; met bewonderenswaardige tegenwoordigheid van geest en met de zekerheid van een goed schutter, loste hij zijn pistool en het schot drong in de keel van het dier, dat stuiptrekkend achterover viel.
»Een koningsschot!” riep de oude heer de Géran, die reeds in zijn leven zoovele tijgers geveld had en nu dit godengenoegen gaarne aan de jonge lui overliet, »maar wat Conrad vandaag scheelt? Twee keer mis! en hij is anders zoo zeker. Jongen, jongen, bedenk dat haastige spoed zelden goed is.”
»Ik ben ook geen tijgerhuid verschuldigd aan een schoone dame,” antwoordde Conrad spottend, en zich toen tot Thoren van Hagen wendend, die zonder aan zijn triomf te denken zich slechts met den gewonden Javaan bezig hield, fluisterde hij hem toe:
»Als je haar die durft brengen en zij neemt het aan, dan kan je er zeker van zijn, dat ik niet zal misschieten als ik op jou en haar tegelijk aanleg.”
»Maar beste vriend!” riep Thoren van Hagen lachend uit, »wat scheelt er aan? Waarom mag ik mijn belofte niet houden? Wat voor kwaad steekt er in?”
»Je ziet me voor een kwajongen aan, misschien heb je gelijk en ik heb me ook zóó gedragen, maar nu wordt het anders. Ik laat mij niet meer beleedigen.”
»Wie denkt er toch aan je te beleedigen? Je vermoedt niet eens ter wier eere ik den tijger heb gedood.”
»Ik niet vermoeden?”
»Papa de Géran, ik mag u zoo immers wel noemen...” riep hij met zijn vroolijke, heldere stem door het woud.
»Haal papa er niet bij! We kunnen het alleen af,” snauwde Conrad.
»... na ’t geen ik u straks gezegd heb,” ging hij voort, »wil u Conrad vertellen aan wie ik mijn tijgerhuid heb beloofd? Hij kan het raadseltje maar niet oplossen.”
»Ik zie ook niet in, dat het hem iets aangaat, wat je aan zijn zuster beloofd hebt.”
»Mijn zuster, welke, Margot?”
Thoren van Hagen barstte in een gullen lach uit, en zelfs de oude heer de Géran moest glimlachen.
»Margot, die kleine meid; hoe kom je er aan? Heb je geen andere zusters meer, die nog vrij zijn.”
»Corona?” vroeg hij haperend, en ’t werd hem plotseling licht.
»Hoor eens, Conrad,” zeide Thoren van Hagen; »’t is nog een geheim. Ik had weinig lust om me door jou te laten tijgeren en daarom liet ik het aan je papa over, je de waarheid te vertellen, maar denk er om, den matjan heb ik geschoten en mag met zijn huid doen wat ik verkies, maar de hand van je zuster heb ik nog niet gevraagd, betoon me dus niet te gauw je zwagerlijke liefde.”
Conrad zweeg met zijn gewoon boos gezicht.
»Ik maak mij hoe langer, hoe belachelijker!” dacht hij, »het zou toch te dwaas zijn dat ik jaloersch was om niets.”
De tijger, een prachtige koningstijger, werd in triomf weggedragen, ook den gewonden Javaan wilde men op een draagbaar leggen, maar hij stond op, kreunde zacht, en verklaarde wel te kunnen loopen. Het dier zou in den kampong gestroopt worden.
In al den tijd, dat de strijd geduurd had, was Corona rusteloos van de eene kamer naar de andere geloopen, haar slapen klopten, haar polsen hamerden, was dat alleen uit onrust over haar vader? Maar hoe dikwijls had hij niet met haar broeders deelgenomen aan zulk een jacht en dan dacht zij nauwelijks aan het gevaar, dat zij liepen, maar nu?
»Iteko,” riep zij tot haar toevlucht in den nood, »zeg mij toch wat mij scheelt. Maak me iets klaar, ik weet niet wat, maar het moet iets opwekkends en tegelijk kalmeerends zijn.”
De toevlucht ging naar achteren, daar stond Kitty, die juist met een inlander had gepraat.
»Verbeeld u toch eens, juffrouw,” riep zij op haar gewone drukke manier, »ik ben zoo blij dat Portias niet mee is gaan jagen, daar vertelt me Kromo juist, dat de tijger mijnheer Thoren van Hagen verscheurd heeft.”
»Wat zeg je?” en daar stond Corona plotseling voor haar, bleek en bestorven met starende oogen. »Thoren van Hagen verscheurd door den tijger.”
»Dat vertelt Kromo! Gelukkig, dat het papa of Conrad maar niet is, Hermine zal er wel om treuren, hij was immers haar vriend en speelkameraad; ’t spijt me ook, ik vond hem een aardig mensch, maar toch!...”
»Hou je stil! ik verzoek het je,” en Corona viel op een sofa neer, bleek met gesloten oogen; was dat nu een onmacht?
»Maar wat is het toch, wat kan het haar schelen, juffrouw,” vroeg Kitty, »wat ziet ze er naar uit?”
»Geef wat vlugzout en Eau de cologne, overspanning, anders niet, mevrouw Portias,” antwoordde Iteko.
»Mijn hemel, als ’t mijn man was, zou ik niet naarder kunnen wezen. Waar moet ik dat alles vinden, juffrouw?”
Corona kwam echter spoedig bij; toen zij zich omringd zag van een half dozijn broertjes en zusters, nichtjes en neefjes, allen even nieuwsgierig, voelde zij zich diep beschaamd en verbitterd; zij stond op en weigerde door Kitty gesteund te worden.