Part 2
»Dora is zoo streng,” zuchtte het arme moedertje, »en zij luisteren allen naar haar.”
»Niet zoo streng,” en een onaangename trek kwam op mijnheer van Diteren’s gelaat, »als uw aanstaande schoonzuster mevrouw, die alles bij uw schoonpapa aan huis bereddert. Zij heeft er den naam van over heel Java. U zal er een ongemakkelijke zus aan hebben.”
Zij glimlachte en sprak uit de hoogte:
»O dat is minder, ik trouw geen schoonzuster, en zal er wel voor oppassen, dat mijn man en ik niet onder haar bevelen komen.”
»Ei, ei, wil u dat, nu dat is een kloek besluit! Zeg vrouw, zullen we niet eens kijken, hoe ’t er in de hut uitziet. Straks word je weer zeeziek en ligt voor dood. Tot genoegen, dapper mevrouwtje van anderhalf dag!”
»Wat een onaangename man! Foei, daar zal ik voor oppassen, dat mijn Coen zoo niet wordt,” zeide Hermine bij zich zelf.
»Mevrouw, mag ik me aan u voorstellen. Ik ben Simons, ambtenaar ter beschikking.... maar hier is mijn kaartje...” zoo stotterde haar jeugdige bewonderaar, die ’t eindelijk van zijn hart kon verkrijgen haar te naderen.
»O zoo mijnheer! ’t Spijt me wel, dat ik nu juist naar beneden ga, maar de reis is nog zoo lang, we hebben al den tijd tot kennismaking.”
En ’t kaartje als gedachteloos toevouwend, gaf zij hem een genadig knikje en verwijderde zich met de houding eener koningin, die van daag geen audiëntie verkiest te geven.
»Verduiveld,” zei de kapitein, die de beweging had aangezien uit de verte, »ze weet reeds goed als koffieprinses op te treden, maar wat ben je toch ook haastig Simons, heb je geen geduld te wachten, tot van Diteren of ik je aan haar voorstellen? ’t Geeft toch niets meer. Zij is getrouwd!”
III.
De »Menado” stoomde onvermoeid door den Indischen oceaan, die op ’t oogenblik ten minste, zich kalm en glad uitspreidde als de oppervlakte van een metalen spiegel.
In den salon zit voor een der tafels mevrouw de Géran te schrijven. Een ongeloofelijk dikke vlecht hangt tot voorbij haar middel, op haar voorhoofd dartelt een rijkdom van donkerblonde krulletjes, die zich nimmer de beleediging zouden getroosten voor poneyhaar gehouden te worden; de zeelucht heeft haar wangen frisch gekleurd, maar vermocht haar schitterend blanke kleur niet te verbranden. Zij heeft een donkerblauwe huisjapon met donkerroode opslagen aan, die hare welgevormde, ranke gestalte knap omsluit.
Terwijl zij schrijft schitteren haar oogen onder de lange wimpers, de kuiltjes komen te zien en verraden hoe ondeugend zij lacht.
»Verbeeld je, beste Coen,” zoo staat er, »die jongen verbeeldt zich verliefd op mij te zijn; ik doe of ik ’t niet begrijp en hij staat verbaasd over zooveel onbegrijpelijkheid. ’t Is zoo dwaas, die onbehouwen knaap.”
»Wat voor liefs zou ik niet geven mevrouw, om een kijkje te mogen nemen in dat keurige boekje.”
Hermine schrijft nog een paar letters, tot de kuiltjes verdwijnen, wat echter niet zoo dadelijk gelukken wil en antwoordt den spreker.
»Och meneer Simons, misschien loonde dat kijkje ’t offer niet.”
»Niet, o mevrouw, uw intiemste gedachten, uw journaal.”
»Hoe weet u dat?”
»Een dame aan boord, die in een boekje schrijft, wat zou die anders doen dan een journaal aanleggen.”
»Vooral wanneer er zulke belangrijke dingen voorvallen als hier; wat zou u interesseeren?”
»Uw manier van alles te zien en weer te geven.”
»O meneer, dat is de moeite van het nieuwsgierig zijn niet waard.”
Zij schreef voort.
»Het boekje is bijna half vol,” zuchtte hij, zich tegenover haar plaatsend.
»Zucht u daarover?”
»En zou ik niet zuchten?”
»Omdat mijn boek half uit is?”
»Dan zal de reis ook geëindigd zijn; ze is reeds over de helft.”
»Gelukkig.”
Zij ging voort met schrijven:
»Nu zit hij tegenover mij en vertelt allerlei flauwe dingen, ik moet er mij zelf telkens aan herinneren dat ik getrouwde vrouw ben; hoe zou ik hem anders er in laten loopen. Denk eens aan, Coen, een blonde jongen, van dat akelige vlasblond, dat op het voorhoofd reeds heel ver naar achter kruipt, maar met studie over den kruin is gekamd om alle leemten zooveel mogelijk te bedekken, een baard en snorretje bestaande uit twintig en nog eenige haren, gedecideerd rossig, oogen, waarvan zonder het brilletje niets zou te zien zijn. Ik heb zeker portret voor mij, en onwillekeurig vergelijk ik beide, dat breede voorhoofd, die mooie, fluweelachtige oogen, dien donkeren knevel, dat karakteristieke in kin en neus, o beste Coen wat tel ik de dagen, wanneer ik dat alles zien kan, niet op een koud, stom portret maar in werkelijkheid...”
Haar pen ging vlugger over het papier, haar lippen zeiden zachtjes de woorden na, die zij schreef. Een lieve blos steeg naar haar wangen.
»Wat voor moois schrijft u weer?” klaagde haar trouwe ridder, die haar stilzwijgend bewonderde.
»Is u daar nog? Foei meneer Simons, nu stoort u mij bepaald.”
»Zoo uit de verte, mevrouw! Mag ik dat niet eens? Moet ik heengaan?”
»U heeft het recht overal te zitten, waar u wil, maar niet om met mij te praten, als ik schrijf.”
»Maar als u eens niet schreef.”
»Dan was het een ander geval; voorloopig ben ik aan ’t schrijven.”
»U kan uw heele leven nog schrijven.”
»En met u praten niet? Neen, dat is waar, maar ik schrijf liever op dit oogenblik, dan dat ik ooit weer met u praat.”
»Kan ik u dan zoo weinig schelen?”
»Dat weet ik niet, ik heb er nooit aan gedacht en ’t komt er ook niet op aan, of u mij iets of niets schelen kan.”
»Bij u misschien, maar bij mij niet.”
Zij trachtte weer te schrijven maar de draad was afgebroken.
»Ik wou dat u ging dammen met mevrouw Brant,” zeide zij ongeduldig.
»Is dat een straf?” vroeg hij op nederigen toon.
»Neen, een voorzorgsmaatregel, om niet te maken, dat u ophoudt mij onverschillig te zijn.”
»Zal dat gebeuren als ik hier blijf?”
»Stellig.”
»En hoe?”
»Ik zou eenvoudig mijn schrijfmaterieel bij elkaar zoeken, denken, dat het schrijven mij van daag niet gegund is en het u levenslang verwijten.”
»Met bitterheid?”
»Wat dacht u, met zoetigheid? Kom, meneer Simons, het schip is groot genoeg, ik zie niet in wat u daar tegenover mij als een gaslantaarn bij officieel maanlicht doet.”
»U zien is mij genoeg.”
»Dat kan u evengoed als u mevrouw Brant verzoekt een spelletje te dammen en u verbeeldt, dat ik het ben.”
»Juffrouw Hermine.”
»Mijnheer!”
»Och ik vergis me weer, ik kan me niet voorstellen dat u een heusche mevrouw is. Ik kan het niet gelooven, ik gaf de helft van mijn leven, als er zoo’n malle formaliteit niet had plaats gehad.”
»Dan zou u ver gevorderd zijn, als u dat halve leven kwijt was.”
»Ik mocht dan op hoop leven.”
»Een mager voedsel, waarvan onze kok, vrees ik, moeilijk iets smakelijks kan maken, en dat de dokter niemand als versterkend middel zal voorschrijven.”
»Meent u dat hoop niet versterkend en krachtig is? O had ik meer hoop, ik zou sterker zijn.”
»Nu, zoodra ik daarvan te veel heb, zal ik ze u in poeiers verdeeld toezenden.”
»Altijd even gevat, even geestig! U moest weten, hoe ik u bewonder.”
»Bewonder dan mijn geduld, dat mij zonder boos worden naar uw belangrijke praatjes doet luisteren. En te denken dat mevrouw Brant met haar dambord naar u smacht.”
»U is meedoogenloos! Ik zal u mijn gezelschap niet langer opdringen.”
»’t Verstandigste, wat ik nog van u gehoord heb. Zie zoo, daarvoor verdient u een belooning.”
Zij trok de stalen pen uit haar houder, stak die nog vochtig van den inkt aan de punt van haar haaknaald, en bood ze op deze wijze haar vurigen bewonderaar aan.
»Alles wat van u komt is mij oneindig veel waard,” zeide hij ootmoedig, nam met zijn twee vingers de pen uit het haakje, bemorste zich met den inkt, tot groote vroolijkheid van Hermine, en deed toen het zwarte, verroeste ding verdwijnen in zijn portemonnaie.
»Daar zal ze blijven als een herinnering aan de mooiste vingers, die ooit een pen in beweging hebben gebracht,” zeide hij, »als een aandenken aan de prachtige woorden, die zij op uw bevel geschreven heeft en die ik nooit, nooit zal mogen lezen.”
»Gelukkig dat uw portemonnaie niet met wit satijn gevoerd is,” merkte de jonge mevrouw spottend aan. »Ha, kijk eens hoe het gele leer reeds de sporen draagt van uwe vingertoppen.”
Simons zuchtte hoorbaar, en trachtte met zijn zakdoek alles weer in orde te brengen; ondertusschen scheen Hermine den draad teruggevonden te hebben en schreef voort:
»Och mijn lieve, beste man, hoe verlang ik naar je, als ik naar al die nauwe, onbeteekenende praatjes luister van menschen, die mij niets, niets aangaan! O, ’t is zoo vreemd, daar alleen tusschen te zijn, niemand te hebben, voor wie ik iets voel—de goede mevrouw van Diteren uitgezonderd—mij tegenover hen trotsch en statig te moeten houden. Lieve Coen, wat zal ik me anders voordoen als we samen zijn; we kennen mekaar nog zoo weinig niet waar, maar we zullen spoedig kennis maken of liever hernieuwen. Je Hermelijntje is nog dezelfde van vroeger; weet je nog, hoe je mij dien naam gaf, nadat we in de dictionnaire gezocht hadden, wat Hermine in het Fransch beteekende. »Hermelijn!” zoo moet je heeten, zei je. »Wit en zwart, zoo is het ook, je wenkbrauwen en je oogen zijn zwart en anders ben je wit.”
»Na dien tijd heeft niemand mij meer Hermine genoemd, maar nu zal jij me weer Hermelijntje noemen, ik zal zoo’n zacht lief hermelijntje voor je wezen, Conrad! voor jou alleen, versta je dat?
»Ze hebben wel eens gezegd dat ik een nagemaakte hermelijn ben. Ik zal je vertellen van waar dat komt, want in Indië weet men zeker weinig van bont af; het hermelijn is erg duur en zeldzaam, maar toch verkoopen de bontwerkers veel wit bont met zwarte staarten. Weet je, waar dat alles van afkomstig is? Van witte poezen en van de staarten van zwarte. En nu bedoelen ze daarmeê dat ik in plaats van een hermelijn een kat ben. Hoe vind je dat, ventje lief? Ik kan me verbeelden, dat wij al deze malligheid samen lezen, op een regenachtigen middag in onze voorgalerij, maar dan moet ik heel dicht bij je zitten, om wanneer ik verlegen ben over al die gekheid mijn gezicht op je schouder te verbergen. O Conrad, ik mag er niet aan denken, zooveel geluk. Wat is Onze Lieve Heer toch goed! Toen mijn arme papa stierf, dacht ik dat er nooit meer iemand op de wereld zou wezen, die aan mij dacht, dat het niemand ooit meer zou kunnen schelen of ik vroolijk was dan bedroefd, of ik altijd maar voor me zelf zou moeten leven, van de eene betrekking in de andere gaan, al mijn vroolijkheid verliezen, nooit meer hartelijk lachen, nooit meer stoeien. Ik was papa’s oogappel, Moe was altijd even knorrig en grienig. Ik deed alles, ik stak mijn handen uit, ik lachte en zong en als er geen vleesch op tafel zou komen, dan wist ik zulke mooie bloemen in de vazen te doen, dat zij reeds dadelijk daaraan zagen, wat er mankeerde, en dan zei ik er een paar grappen over en prees de sauce piquante, die precies rook als gebraden vleesch. De kinderen waren ziekelijk en lastig; maar ik kon er goed mee terecht, dat beviel Moe niet en toen het groote ongeluk ons getroffen had, zocht zij troost bij haar familie en deed mij voelen dat elke band tusschen ons verbroken was. En toen kwam jou voorstel!
»Och Conrad! ik kan het mij niet verbeelden dat ik voor jou alleen zal moeten leven, dat het mijn plicht is, mijn eerste, mijn grootste plicht je gelukkig te maken, je alles te zijn.
»Ik vind het zoo heerlijk dat we daar zullen wonen afgescheiden van de wereld, geheel voor en met mekaar, als Paul en Virginie. Ik ben niet bang voor de eentonigheid van Ngaroengan; een piano zal er immers zijn, en ik heb boeken bij me, die we samen zullen lezen..... Wat zijn we nog jong, Coen! Vind je dat niet heel prettig? Twee en veertig jaar met ons tweeën,—we zullen echte goede kameraadjes zijn. Ik verbeeld me, dat we er nog pleizier in zouden hebben met den vlieger te spelen, en ik kan ook paardrijden! En dan gaan we samen rijden, uren, uren ver!
»Ik schrijf hier alles wat mijn hart mij ingeeft, mijn brieven verscheur ik drie, vier malen en begin ze telkens opnieuw: ik ben nog een beetje bang voor den Conrad, dien ik niet ken, maar de andere met wien ik kennis zal maken, die mij schaakt en mij brengt, diep, diep in het gebergte, waar hij ons nestje gebouwd heeft, die moet alles weten, alles wat in mijn hart omgaat.
»Ach Coen, ik ben zoo gelukkig! Als je toch wist, hoe ik iederen morgen en iederen avond, je portret een nachtkus geef, en hoe ik me voorstel, dat we in het vervolg zoo’n akelig stuk papier niet noodig zullen hebben om dat mekaar te doen.
»Ondankbaar schepsel, nu spreek ik zoo van dat lieve portret en ik zou ’t niet willen missen voor ik weet niet hoeveel. Ik ben te gelukkig, Coen, en dat doet me zulke dwaasheden zeggen. Is ’t wel goed zoo gelukkig te wezen en geeft dat geen teleurstelling? Ze zeggen... maar zijn we niet allen in Gods hand? Beste Coen, je gelooft het immers ook, dat wij een goeden Vader in den hemel hebben, die al ons doen en laten bestiert, die ons verdriet toezendt—zooals Papa’s overlijden—opdat wij ons leed moedig dragen en daardoor beter worden, die evenals Hij regen en droogte aan het land geeft, ons ook tranen en geluk toezendt. Lieveling, als wij samenzijn, vrees ik geen leed, ik zal op je steunen, je zult me leeren beter te worden, want...”
IV.
»Ben je zoo druk aan ’t schrijven, Mientje?”
»Och mijn lief mamaatje.”
Hermelijn streek met de hand over de oogen, die een weinig vochtig waren, trok mevrouw van Diteren naar zich toe en kuste haar hartelijk.
»Ik amuseer mij zoo met mijn Coentje alles te schrijven wat mij op het hart ligt.”
»Moet hij dat alles lezen?”
»Ja later, als wij op ’t land samen zijn. Nog achttien dagen!”
»Nog achttien dagen, dan ben ik weer zooveel verder van mijn kindertjes.”
»Maar dan krijgt u ook spoedig tijding van hen!”
»Ze mogen zoo dikwijls niet schrijven, dat leidt hen af in hun studie.”
»O mevrouwtje, dat u zich dit alles heeft laten wijsmaken, u die meer verstand in uw pink heeft, dan die zes totebellen...”
»Mientje, wat een leelijk woord, het zijn toch van Diteren’s zusters en ze zijn zoo knap.”
»Zoo knap, zoo knap, dat zij uw liefde en eenvoud niet meer kennen. En ik zeg u, dat u veel knapper is dan alle zes te zamen met... uw man daarbij,” wilde zij zeggen, maar hield het woord in en zei alleen:
»Ik had ù eerder moeten kennen.”
»Je bent ook zoo flink. Kassian, die arme Simons.”
»Zit hij te dammen met zijn tweede vlam, mevrouw Brant?”
»Als je niet getrouwd was, werd hij stellig op je verliefd.”
»Zou hij ’t dan nog moeten worden?”
»Nu ja, je bent getrouwd en al wordt hij verliefd, het helpt hem weinig.”
»Neen, daar vrees ik ook voor! Maar ik ben moe van ’t schrijven. Ik ga mijn boekje opbergen en dan wil ik eens kijken hoe hij ’t daar boven maakt.”
»Mevrouw wint altijd.”
»Natuurlijk, anders was er geen aardigheid bij.”
Een oogenblik later kwamen beide dames op het dek, waar Simons werkelijk vlijtig aan het dammen was met de kolossale mevrouw Brant, een dame met sterk Groningsch accent, die ook voor ’t eerst de keerkringen passeerde en nog geen twee jaar gehuwd was.
Kapitein Brant, die met verlof in Europa geweest was met zijn twee voorkinderen, had daar haar kennis gemaakt. Zij was een weduwe ook met twee kinderen en woonde in de kleine stad, waar Brant zijn familie kwam bezoeken en plan had zich te vestigen.
»Mooier kon je het niet treffen,” zeide men, »mevrouw X gaat de stad uit en heeft nog huur aan haar huisje. ’t Is juist groot genoeg voor u en misschien wil zij zich ook van haar meubels ontdoen.”
Kapitein Brant maakte haar een visite; och ja, zij wilde om mijnheer pleizier te doen, wel het een en ander verkoopen, maar zij had er geen plan op gehad, alles was nog betrekkelijk nieuw en keurig netjes onderhouden.
Dit zag Brant’s militair oog onmiddellijk; smaakvol waren de meubeltjes niet, fijn nog minder maar solide, ô zoo solide. Voor een officier, die voor twee jaren met verlof in Holland is, komt het er echter op een weinig meer of minder soliditeit niet aan. Het moeten al heel zwakke dingen zijn, die ’t geen twee jaar kunnen uithouden; doch mevrouw sprak zoo mooi, zelfs aandoenlijk, daar waar zij het over haar verlatenheid als arme weduwe had en zij vroeg hem zoo weinig.
De kapitein vond alles dol goedkoop, toen zij met een zucht en de verklaring dat zij er zich van ontdeed alleen om mijnheer te gerieven, hem een prijs noemde, dien hij in vergelijking met de Indische prijzen werkelijk laag vond, maar t’huis gekomen en alles optellend en besprekend met zijn moeder en broers, verklaarden deze niet meer of minder dan dat mevrouw X een afzetster was. Zij bepaalden een som, waarvoor zij alles te houden of te geven had, en den volgenden morgen ging onze kapitein met looden schoenen naar de weduwe. Hij had een afschuw van loven en bieden, en in plaats van met zijn voorstel aan te komen, verklaarde hij haar spoedig, dat hij alles voor den door haar gestelden prijs overnam.
Nu werd zij waarlijk onweerstaanbaar; zij liet haar kindertjes komen en sprak over »de engeltjes” van den kapitein, luisterde naar de opsomming hunner kwalen, raadde dik ondergoed aan, flanellen borstrokken en wollen kousjes, verzocht hen eens bij haar grut te komen spelen; in een woord de kapitein raakte in de wolken.
Den nacht bracht hij slapeloos door; een enkel denkbeeld hield hem bezig, waarom moest die teere, zorgvolle moeder dit huis nu voor hem verlaten, zou er iets tegen zijn, dat hij met zijn lievelingen bij haar introk?
Neen niets, als zij maar wilde.
En zij wilde. De kinderen waren geen bezwaar, integendeel ze zouden met mekaar heel aardig kunnen spelen.
»En nu we toch trouwen, zal ik je maar bekennen, dat ik je heel, heel veel voor alles in rekening heb gebracht. Ik zag er eerst tegen op maar nu ieder van ons met zijn drieën is, hebben we mekaar niets te verwijten,” zoo sprak zij. Kort daarna werd het huwelijk gesloten; de beide meisjes van weerskanten gingen mee naar Indië en de geïmproviseerde broertjes bleven op dezelfde kostschool; gedurende het verblijf in Holland had geen der partijen zich over den genomen stap beklaagd en mevrouw Brant zag er niets tegen op den man harer keuze te volgen.
Een hartstocht had zij en dat was dammen; ieder werd om beurten voor het bord gezet en was er niemand te vinden dan werd de man er aan gewaagd.
»Maar met hem kan ik het nog dikwijls doen in de eene of andere negorij, waar hij geplaatst wordt,” sprak zij openhartig, »nu wil ik het liever met een ander probeeren.”
»Wint u, mevrouw?” vroeg Hermelijn naderbij komend.
»Ja, als u er bij komt, dan kan ik drie tegelijk slaan zonder dat hij er iets van merkt, hij kan zijn gedachten niet bij het spel houden.”
»Dus zal ik maar heen gaan om u de overwinning niet te gemakkelijk te maken!”
»Ik heb er een nederlaag voor over, als u bij ons komt staan,” zei Simons, »heeft u gedaan met schrijven?”
»Voorloopig,” en mevrouw van Diteren toefluisterend, »een drama getiteld: »Het damspel op de Menado” of »de zelfopofferende ambtenaar”.”
De beide onafscheidelijke dames verwijderden zich.
»Men zou niet zeggen dat zij al getrouwd is,” merkte mevrouw Brant op met al het gewicht dat eene, die het reeds tweemaal geweest is, in zoo’n opmerking kan leggen.
»Zij is ’t toch helaas! wel!” zuchtte Simons.
»Och, ’t is de moeite niet waard; met den handschoen of liever niet eens met een handschoen, want dat doen ze niet meer.”
»Vindt u het geen waagstuk van haar?”
»Verschrikkelijk.... ongehoord!.... Ze kennen mekaar zoo goed als niet.”
»Dat treft de kerel, zonder eenige moeite, zonder gevaar voor een blauwtje zulk een vrouw t’huis te krijgen.”
»En ’t moet een nare, akelige jongen zijn. Brant kent die familie, door en door inlandsch—dat zeggen de Oosterschen voor Indisch, moet u weten—echte sinjo’s, die geheel onder den invloed van hun vader en zuster staan.”
»Kent de kapitein haar man?”
»Neen, maar wel zijn familie! De vader zoekt de vrouwen voor zijn zoons uit. Misschien hebben ze dien zoogenaamden man van haar zijn handteekening laten plaatsen onder de procuratie zonder dat hij wist, wat hij teekende.”
»Maar dat zou onmogelijk wezen.”
»Verbeeld je, getrouwd zijn zonder het zelf te weten.”
»En is daar niets aan te doen?”
»Zij is vol illusiën, het spijt me alleen dat wij te Batavia uitstappen. Ik zou die ontmoeting zoo graag gezien hebben op Samarang tusschen die onbekende echtgenooten.”
»Ik niet, ik vind een teleurstelling hartverscheurend. Waarom kon ze niet wachten met trouwen tot ze in Indië was?”
»De Gérans weten ook wat zij doen. Op geld komt het bij hun niet aan, ze moeten een mooi meisje hebben, van goede familie, want trotsch is dat volk er bij, zegt Brant. Verbeeld je, als zij eens kennis maakte met die menschen en ze bevielen haar niet, dan kwam er van trouwen niets.”
»Des te beter.”
»Maar dan zou ze toch niet juist u nemen.”
»Dat weet ik wel, maar er was altijd meer kans.”
»Nu verbeelding heb je genoeg, Simons, maar kijk eens aan waar je dien dam zet. Is ’t je ernst? Praten of spelen, een van tweeën, naaien en breien gaan niet samen.”
Haar echtgenoot liep met van Diteren op en neer. Ook zij hadden het over Hermine de Géran! Wat zou er van de conversatie aan boord der Menado geworden zijn, wanneer zij de reis op een andere boot had gemaakt?
»Ik zie hun vriendschap niet graag, zij haalt mijn vrouw allerlei dingen in ’t hoofd,” sprak van Diteren.
»En de mijne zet ze onophoudelijk met haar stillen aanbidder voor het dambord.”
»Ik mag ze niet, en jij?”
»Ik vind het een verduiveld aardige meid. Bij de hand, van alle markten t’huis, niet preutsch en toch met zoo’n air over zich, dat niemand het wagen zal haar te na te komen.”
»Maar bemoeiziek in de hoogste mate.”
»Dat kan ik niet vinden, enfin, ik heb er geen ondervinding van.”
»In plaats van mijn vrouw wat neer te zetten, en te zeggen, dat het voor ’t welzijn der kinderen is, dat zij in Europa blijven, zet zij haar op en verzekert, dat het onnoodige plagerij van mijn kant is en volstrekt niet noodzakelijk.”
»Heeft zij dat gezegd?”
»Nu ja, niet precies maar in dien geest toch.”
»Een bewijs dat zij oprecht is.”
»Laat ze haar oprechtheid voor zich houden. Ik kan er mij in verkneukelen, dat zij bij die Gérans komt. Let maar op, Brant, we zullen er mooie dingen van beleven.”
»In elk geval niets ten nadeele van haar naam en karakter, want zij is zoo braaf als trotsch. En een vrouw, die beide is, zal zelfs door onze alles behalve reine Indische maatschappij geëerbiedigd worden.”
»Wat zij is, hoe weet je dat?”
»Hermelijn wordt zij genoemd en dat is zij, blank en fier; zoo zal zij ook blijven.”
»Mijn hemel, Brant, ken je haar van van daag of van gisteren, hoe kom je zoo poëtisch?”
Het gesprek werd fluisterend voortgezet. Van Diteren had nu eenmaal een antipathie opgevat tegen de vrouw, die hem geen gelijk gaf in iets, wat hij tegen beter weten in had volgehouden, alleen om de arme moeder te toonen dat zij van zulke dingen geen verstand had.
Daarbij was hij een van die ongelukkige wezens, bij wien de Indische zon alles verzengd heeft wat eeuwig jong en frisch moet blijven; hij geloofde niet aan liefde, zelfs aan geen ouderliefde, aan onbaatzuchtigheid, aan opoffering, alles werd gedaan om bij-oogmerken, niemand was volgens hem goed en edel dan omdat hij inzag dat hij door zich zoo te vertoonen beter zijn doel zou bereiken dan omgekeerd.
Nu begon hij den kapitein staaltjes te verhalen, die hij zelf had bijgewoond van meisjes, bij wie Hermine niet in de schaduw kon staan en waarop thans zeer veel af te dingen viel, die de laster had aangevallen met of zonder recht.
»De laster, o spreek me niet van laster! Ga maar eens bij Verhuell kijken, daar zie je wat laster doen kan en hoor wat Bouwmeester als Hamlet er van zegt. »Wees zoo rein als ijs, zoo koud als marmer,” ik weet het niet precies meer, maar ’t komt er op aan dat het niemendal helpt, hoe men zich houdt; als de laster je pakken wil, dan krijgt hij je ook beet.”
»Men noemt geen koe bont of er is een vlekje aan.”