Part 17
»Slecht? Gister avond heb ik hem bezocht en hij zat goed en wel voor de deur.”
»Van morgen is zijn zusje Roesa er geweest; zij zeide, dat hij reeds stijf was van de koorts en van de krampen.”
Corona verbleekte; een geheime vrees kwam in haar op. Zij bezat een groote medicijnkist, door een geneesheer voor haar toebereid met een handleiding en instrumenten; daarmede behandelde zij alle zieken op Ngaroengan en dikwijls met voldoend succes.
Poppie zeide dikwijls als Corona het niet hoorde:
»Cor verwijt mij altijd dat ik obat maak en zijzelf dan, wat doet ze anders? Van mij is tenminste al dikwijls geprobeerd, en zij moet maar gelooven die dokter.”
Gisteren had zij vrij sterke medicijnen voor Djario gemaakt; hij had koorts meende zij en krampen en werkte dus daarop. Een namelooze angst vervulde haar plotseling; als die verergering der kwaal eens een gevolg was van haar medicijnen! Haastig stond zij op, trok haar donkerblauwe zijden kabaja aan en liet de Américaine inspannen.
»Neem de medicijnkist en ga met mij mee, Sima!” beval zij.
In dien tusschentijd nam zij de handleiding en las nog eens over wat zij voor hem toebereid had; zij begon te twijfelen of zij wel het rechte fleschje had genomen, of de druppels niet te groot en te talrijk waren geweest.
»Als Djario eens stierf, zou ik ooit die gedachte van me kunnen afzetten?” vroeg zij zichzelf af.
Zij hoorde het rollen van het rijtuig dat vóórreed en snel stapte zij in, gevolgd door Sima; ’t kwam haar niet in de gedachte dat zij nog niets had gebruikt, zij wilde hulp aanbrengen, misschien zekerheid hebben.
Zij reed den eenzamen weg af van gister avond, die nu echter blaakte in de zonnestralen en niets afschrikwekkends meer vertoonde.
Op het voorbankje zat het Javaansche meisje met de kist op haar schoot; Corona hield veel van Sima, zij had haar van jongs af onder haar leiding genomen, mooi naaien, borduren en kappen geleerd; haar kennis met Djario had zij bevorderd en op haar hoog bevel werd het huwelijk, dat anders bij de Javanen schier onmiddellijk de verloving volgt, niet zoo spoedig voltrokken.
Men kon slechts rijden tot het voetpad, waarlangs de oude grootmoeder gister avond naar beneden was geklauterd; hier stapten beide vrouwen uit en moedig ging Corona voor. Weinige oogenblikken later stond zij voor de bamboezen tent, die zij binnentrad.
Daar zaten een paar kinderen in een hoek gehurkt, rondom de grootmoeder, die een dof, gerekt gehuil uitgalmde en met de beenige handen in haar schaarsche lokken wroette.
Op de baleh-baleh lag Djario bewegingloos uitgestrekt, zijn groote oogen puilden uit hun kassen, zijn lange haren hingen verward langs zijn uitgeteerd gelaat, handen en voeten waren ineengekrompen, en slechts een onrustig hijgen verried dat hij nog leefde.
Voor ’t eerst misschien in haar leven voelde Corona zich hulpeloos tusschen de vrouwen en kinderen, die slechts aan klagen en niet aan helpen dachten; een gevoel van machteloosheid, haar geheel onbekend, overviel haar; het was of een onuitsprekelijke angst, een wantrouwen in zichzelf al haar bewegingen en besluiten verlamde en toch zij moest dat overwinnen; allen zagen in haar, zoo meende zij tenminste, een reddenden engel, die alleen hulp kon aanbrengen.
»Nènèk,” vroeg zij met onvaste stem, »wanneer is dat begonnen?”
»Van nacht,” antwoordde de vrouw, die meer naar haar toekroop dan ging.
»En mijn obat, heeft hij die niet ingenomen?”
»Ja zeker, hij wilde en moest die innemen, maar kort daarop is ’t begonnen. Allah, allah, ill-allah.”
»Maak toch geen leven, maar tracht hem dit in te geven.”
»Neen, nonna, neen, nonna’s medicijnen werken als vuur, zij hebben hem zoo erg gemaakt.”
Corona’s bloed steeg haar naar het hoofd bij deze beschuldiging en toch kon en durfde zij die niet afweren.
»Neem dan ten minste dit vocht en smeer hem daarmee in! Kom Sima, zit nu zoo niet te huilen! en steek de handen uit de mouw!”
»Neen, ’t mag niet, nonna! ’t Is nonna’s schuld niet, nonna is goed maar haar obats deugen niet. Toewan Allah wil Djario straffen, en nu moet hij sterven. Er is niets aan te doen, niets! Hollandsche obat helpen niet, en Javaansche evenmin.”
»Maar je kunt hem niet zoo hulpeloos laten! Sima, ga naar den koetsier en zeg, dat hij naar Soekarenga rijdt om den dokter te halen; laat hem ’t paard doodrijden als het moet!”
Haar handen beefden, terwijl zij haar medicijnen uithaalde, de fleschjes opende en ze weer sloot; zij voelde zich zoo klein, zoo onmachtig tegenover den vreeselijken gast, wiens nabijheid zij voelde; ’t was vermetel den strijd op te vatten tegen dien geweldigen dood, wiens komst zij misschien door haar onvoorzichtigheid verhaast had.
Zij liet Djario ether opsnuiven, zij verbrandde haar vingers met helschen steen, dien zij in plaats van pepermuntolie op haar hand uitstortte, zij knielde neder en wreef met haar fijne handen zijn bruine, ruwe huid in de borstholte; hij begon nog harder te kermen.
»Nonna zal maken, dat hij nog veel meer pijn lijdt, vóór hij gaat sterven,” steunde Nènèk Tjioeng.
»Mijn God, sta mij bij!” smeekte Corona. »Ik ben zoo hulpeloos!”
Als hij nu eens stierf onder haar handen; zij ijsde bij de gedachte en had er behoefte aan het uit te snikken.
»Daagde er nergens redding? Nergens?”
Zij voelde of verbeeldde zich te voelen dat Djario koud werd, dat het doodszweet bij hem uitbrak! Ze durfde niet voortgaan met wrijven en kon ook niet besluiten werkeloos te blijven; dat akelige klagen der oude vrouw vermeerderde haar onzekerheid.
»Is ’t hier?” hoorde zij een heldere stem in ’t Maleisch vragen, vlak bij de deur.
Zij sprong op en zonder nog te weten wat zij deed, vloog zij den binnentredende te gemoet.
Door een opgeschoten Javaanschen knaap gevolgd, trad Thoren van Hagen binnen.
»He, juffrouw Corona! U ook hier? Djario is een broer of neef van mijn vleugel-adjudant; hij moet niet recht wel zijn, hoor ik!”
»Als hij nog maar leeft,” antwoordde zij bevend, »heeft u verstand van medicijnen?”
»Och, als men zoo gezworven heeft als ik, dan krijgt men verstand van alles. Laat eens kijken, wat scheelt den armen kerel?”
Hij ging vertrouwelijk op de baleh-baleh zitten, er was iets in zijn manier van doen dat kalmer stemde, dat de dingen weer op hun rechte waarde bracht. Corona stond terzijde met gewrongen handen, bijna even bleek als de zieke zou zijn, ware hij minder bruin.
»Pols erg zwak! Jongen, hij heeft ’t fameus beet, maar als ik voor dokter spelen moet dan kan ik zoo’n huilende familie niet om mij heen hebben. Hoor eens, Mak of Nènèk, jij kunt hier blijven mits je diam [83] bent, maar dat kleine grut moet allemaal de deur uit.”
»Weg, weg!” riep de oude en greep er een bij den sarong, zijn eenig kleedingstuk, waarin hij zich van af de schouders wikkelde.
’t Viel Corona op, in andere omstandigheden had ’t haar misschien geërgerd, dat de onwillige grootmoeder van daareven nu zoo grif gehoorzaamde en van zins scheen alles te doen, wat Thoren beval.
»Zie zoo en nu kunnen we beginnen! Maar wat heeft u daar, juffrouw de Géran, een medicijnkist? Daar kan wat goeds in zijn. Heeft u hem wat ingegeven?”
»Nu niet,” antwoordde zij haperend, »maar gisteren heb ik hem quinine-pillen gegeven en... en... laudanum.”
»Die hij misschien in eens opgebruikt heeft, waar is die obat, Nènèk, van gisteren.”
»Zou u denken...?” vroeg Corona, hijgend.
»Alle overdaad schaadt,” antwoordde hij bedaard, »zoo, is dat er van over? Nu, dan heeft hij zich gehaast, hoeveel pillen waren er in?”
»Dertig, om de twee uren drie.”
»Ik denk dat het klokkenstelsel bij onze Nènèk wel ’t een en ander te wenschen overlaat, en dat zij zich niet precies aan den tijd heeft gehouden; sedert gisteravond heeft hij er dus vijf en twintig gebruikt. Het kan wel! En de laudanum, wist u dan precies, wat hem scheelde?”
»Hij klaagde over krampen en had dagelijks koorts.”
»Maar u weet dat beide symptomen gevolgen van verschillende ziekten kunnen zijn. Nu, ’t is alleen erg wanneer men er te veel van gebruikt.”
»Zou het dan vergift kunnen worden?” vroeg Corona.
»Hij heeft er de helft van ingenomen; de arme duivel had haast beter te worden en stelde een volledig vertrouwen in uw geneeskunst.”
Corona sloeg de handen voor het gelaat; zij voelde zich vernederd, en dat het nu juist door hem moest zijn!
»Is er geen hoop?” vroeg zij sidderend.
»Och, waar leven is, moeten wij altijd hopen! Kom maar eens hier, kerel. Drink dit uit! Een flinke teug!”
Hij goot zijn veldflesch tusschen de droge lippen van den zieke, nam toen van den brandewijn in de holte zijner hand en wreef met alle kracht over Djario’s borst en rug.
»Om zoo’n knaap te behandelen moet men meer kracht tot zijn beschikking hebben dan in uw lieve handjes schuilt,” sprak hij glimlachend. Corona zweeg; hoe onaangenaam haar later vele dingen ook zouden voorkomen, nu voelde zij slechts een groote verlichting omdat zij van een deel der verantwoordelijkheid ontheven was.
Het kermen hield op; de uitpuilende oogen schenen achteruit te treden en sloten zich. Nènèk zat op haar hurken, vlak bij de baléh, en gehoorzaamde elk bevel van Thoren.
»Leg een kruik, maar die heb je niet, een steen, je loempang [84] desnoods in het vuur,” zeide hij, »heb je niet een stuk van een wollen lap. Nu, smakelijk ziet dat ding er juist niet uit! Geef maar hier!”
»Kan ik u niet helpen?” vroeg Corona.
»Op ’t oogenblik neen. Hij komt bij; merkt u niet?”
»Ja, ja, Goddank!” zeide Corona en, plotseling overmand door een gevoel van dankbaarheid, riep zij uit: »hoe zal ik u mijn dank betuigen?”
»Mij dank betuigen? Juffrouw de Géran, u houdt me toch voor geen kind. Als de grootmama zich nu nog in ’t hoofd stelde, dankbaar tegen mij te wezen; maar u, wat voor dienst heb ik u bewezen, door uw ambt als dokter op mij te nemen?”
Zij bloosde en boog het hoofd diep; ’t was haar onmogelijk, te erkennen dat hij goed maakte wat zij bedorven had. Zou hij ’t niet weten?
»Ik heb den dokter van Soekarenga met mijn rijtuig laten halen.”
»Die kan hier niet zijn voor 12 uur als hij onmiddellijk meegaat. Mag ik uw verzameling eens nazien, misschien vind ik daar iets in, dat den patient wat doet ophalen.”
Hij bezag de etiquettes en keek het boekje door terwijl een glimlach over zijn lippen speelde.
»Is dat de eerste, die u van uwe geneeskundige bekwaamheid laat profiteeren?” vroeg hij met zijn gewonen spottenden lach.
»Bij wien ze minder goed werkt, ja,” antwoordde zij,—met het wijken van het gevaar kwam haar trots weer boven,—»maar ’t is toch mijn schuld niet, als hij misbruik maakt van hetgeen ik voorschreef.”
»Natuurlijk niet, maar u kan met het toedienen van zulke sterke medicijnen niet te voorzichtig zijn.”
»Moet ik dan die menschen die zoo ver van elken dokter wonen, geheel verstoken laten van geneeskundige hulp, als ik die geven kan?”
»Dat is juist de vraag! Of u die werkelijk geven kan: enkele huismiddeltjes kunnen geen kwaad, maar om een ziekte, die u oppervlakkig beoordeelt, met medicijnen te willen genezen, die wellicht deugen voor den schoenmaker en niet voor den smid, dat onderstelt een kennis, die slechts door langjarige studie en ondervinding verkregen wordt.”
»Maar zou dat in elk geval niet beter zijn dan hen stil te laten knoeien met hun obat?”
»Ik wil ’t niet beweren; u weet, le mieux est l’ennemi du bien! In elk geval: verantwoordelijkheid voor menschenlevens is geen lichte last.”
Al pratende had hij in het bokaaltje eenige druppels gemengd en gaf ze den zieke, die ze met zeker bewustzijn innam.
»Ik matig mij ook niets meer aan dan ik kan,” sprak Thoren, »en daarom geef ik hem alleen zeer onschadelijke, opwekkende dingen, in afwachting dat de dokter komt.”
»Ik ben er zoo van geschrikt, er is mij nooit zoo iets overkomen!”
»In uw praktijk? Ik feliciteer u.” Dit werd zoo spottend gezegd, dat hij even goed, op denzelfden toon had kunnen zeggen. »’t Is meer geluk dan wijsheid.”
»Ik voer hier eigenlijk niets uit,” zeide Corona, »maar ik kan moeilijk weg; mijn rijtuig is naar de hoofdplaats en ik kan toch niet te voet naar huis gaan.”
»Des te beter!” antwoordde Thoren, »dan dragen wij samen de verantwoordelijkheid. Ik heb sinds zoo lang gedacht dat het een onuitsprekelijk genot moest wezen met u samen iets te dragen, al bedoelde ik eigenlijk iets anders!”
»En dat is?” vroeg zij met kloppend hart.
»De tijd is er nog niet het te zeggen! Wil u eens er naar kijken, hoe dat goede mensch die loempang warmt; ondertusschen ga ik mijn rol van frère de charité uitspelen en zijn maag met brandewijn wasschen. Ik moet er meer hebben, hoor eens Scipio, ga naar mijn huis en haal nog een flesch brandy; wat zou het leven van een armen zwerveling zijn zonder brandy.”
Corona hielp de Nènèk den steen warmen en na eenige gezamenlijke pogingen met de oude vrouw om den stamper, die nu gloeiend was geworden, op te beuren, werd hij op een tampak geladen en naar binnen gebracht. Thoren wilde het ding aanvatten, maar brandde zijn vingers.
»Lieve hemel, je wilt toch zijn voeten, hoe dikhuidig die ook zijn, niet verschroeien,” riep hij lachend uit, »laat hem maar eerst afkoelen. U heeft aanleg voor veel, juffrouw de Géran, maar voor liefdezuster gelukkig nog niet.”
»Waarom gelukkig?” vroeg zij.
»Omdat met den aanleg de roeping licht zou kunnen komen en dat, zou ik de vrijheid nemen, te betreuren.”
»Ik begrijp niet, waarom!”
»U moet ook het wat en waarom van alles weten,” antwoordde hij.
»Zie zoo, nu zijn de pootjes al wat minder stijf. Ik begin respect voor mijzelf te krijgen, de pols slaat ook krachtiger; als nu de dokter komt en eens vertelt, wat hem eigenlijk mankeert, zullen we er wel komen!”
»Ik moet voor dien tijd weg,” zeide Corona, en toen, tot haar meisje:
»Sima, ga als je blieft naar huis en laat den tandoe dadelijk hier komen, of neen, ik ga met je meê, geef mij maar een pajong [85], Nènèk.”
»Over dien zonnigen weg, waar denkt u aan, in deze kleeding?”
»Vindt u die kleeding ongepast? Daarvoor kent u de Indische gebruiken niet genoeg en daarbij, hier in ’t gebergte bemoeien wij ons met die Europeesche dwaasheden niet.”
Dit woord klonk vrij vreemd uit den mond van een jonge dame, die al haar toiletten tot in het oneindige wist te varieeren, zelfs te midden der grootste wildernis.
»Maar ’t is brandend heet.”
»Als Sima er door kan, waarom zou ik ’t niet kunnen. Ik heb hier niets te maken, ik zou de heeren maar hinderen.”
»Wat dat betreft, hierop mag ik uit vrees voor van te veel te zeggen, niet antwoorden; ik durf u overigens niet vragen hier langer te blijven, ’t is in deze Javaansche ziekenkamer waarlijk zoo aanlokkelijk niet.”
»Dat zou voor mij geen reden wezen, maar ik heb er niets te doen, u zal den dokter op de hoogte brengen, beter dan ik.”
»Mag ik hem alles vertellen,” vroeg Thoren van Hagen plotseling met ongewonen ernst in de stem; zij raakte verward, voelde zich verlegen en stamelde:
»Als het zijn moet... natuurlijk!”
»Ik heb me niet vergist,” sprak hij thans half luid, »laat het aan mij over, ik weet wat ik zeggen en zwijgen moet.”
»’t Is niet noodig,” wilde Corona op haar gewonen trotschen toon zeggen, maar het kon niet over haar lippen komen; zij voelde zich zoo machteloos tegenover hem, zoo dom, dat het haar kinderachtig voorkwam, nog een schijn van eigenwaan te willen aannemen.
’t Was of zij zich min of meer in zijn macht bevond, of hij nu van haar zeggen en denken kon wat hij wilde, zoo was zij overgeleverd aan zijn goedvinden.
»Ik herinner me juist dat ik nog niets gebruikt heb,” zeide zij, misschien meer om haar verlegenheid, waaraan zij nog zoo weinig gewoon was, te verbergen, dan omdat zij werkelijk behoefte aan voedsel had.
»Heb je iets voor mij, Nènèk?”
Nènèk ging naar den hoek, die provisiekast, eettafel en keuken tegelijk scheen te wezen, en kwam met een kopje lauwe koffie, een stuk Javaansche suiker en wat ketan [86] van den vorigen dag terug; plotseling keerde zij zich om en kroop rond als om iets te zoeken.
»Nonna zal dien toewan ook niet willen hebben en hij zou toch zeer goed voor haar zijn. Nonna is niet jong meer en de toewan besaar [87] woont zoo ver af.”
Zij wierp iets in de koffie en mompelde een paar formulieren.
Corona dronk in één teug het kopje leeg en trok een gezicht alsof zij medicijnen slikte.
»Trima kassi,” [88] zeide zij, het kopje teruggevend.
»Belieft mijnheer ook,” vroeg de allesbehalve smakelijke gastvrouw.
»Ik zou ’t u niet aanraden,” sprak Corona, »u zal uw illusiën over de Oostersche moka op ons koffieland verliezen.”
»Heel graag, Nènèk, maar schenk het er dadelijk in.”
De oude ging weer in den hoek aan het zoeken.
»Wat scharrelt die Javaansche Canidia daar toch,” vroeg Thoren van Hagen lachend, »geef hier, ouwe!”
Zij had hetzelfde door den drank gemengd, dien zij hem overreikte; hij zocht de plek, door Corona’s lippen aangeraakt en dronk het kopje toen ook even snel leeg.
»’t Is geen Mazagran,” zeide hij, »maar er is een eigenaardige smaak aan, iets dat men in geen Europeesche koffie terug vindt. Blijft u bij uw plan, juffrouw de Géran? Als ’t u maar op geen hoofdpijn te staan komt.”
»Dat heb ik er voor over,” antwoordde zij.
Hij volgde haar naar buiten; de zon ging achter dikke wolken schuil.
»U treft het goed, ’t is mendoeng!” [89] sprak hij.
Zij glimlachte zooals zij gewoonlijk deed, wanneer hij, op Indische manier, Maleische woorden door zijn gesprek vlocht.
»Goed succes verder!” wenschte zij en, zich even bedenkend, als behaalde zij een overwinning op zichzelf, reikte zij hem haar hand toe.
Hij hield die even vast en zag de zwarte vlekken, door de lapis infernalis er op gebrand en die tusschen de ringen zonderling uitkwamen; zoo hoffelijk als hem mogelijk was, bracht hij de vingers aan zijn lippen en raakte ze even aan, gelijk het bij zulk een vormelijke beleefdheid past; zij trok haar hand snel terug en zonder hem meer aan te zien, verdween zij, door haar meisje gevolgd, tusschen het geboomte.
XXIX.
De dag voor het feest in de hoofdplaats bestemd was aangebroken; reeds den geheelen dag waren de dessabewoners in feestgewaad, met de kris op zij, den nieuw beschilderden tjaping op het hoofd, langs alle boschwegen naar het plaatsje samengestroomd.
Verscheidene leden van de familie de Géran hadden eveneens hun intrek genomen in het geheel nieuw ingerichte woonhuis, dat zij op Soekarenga bezaten, en dat bijna altijd een of meer hunner huisvesting verleende.
Tegen vier uur zou het steekspel beginnen; voor het huis van den regent strekte zich ook hier, gelijk overal, een groot plein uit, door tamarindeboomen omringd, en in welks midden een reusachtige waringin, de heilige boom der Javanen, geplant was, die op zich zelf reeds een klein bosch vormde, want zijn lange slingers reikten tot aan den grond, vatten daar wortel en werden op hun beurt nieuwe stammen.
Een gedeelte van dat plein of, zooals de Javanen het noemen, aloon-aloon was tot strijdperk ingericht; eenige tribunes waren voor de Europeanen en voornaamste Inlandsche hoofden opgericht; de duizenden en duizenden inlanders staan rondom langs den weg geschaard; de kooplieden met hun draagbare gaarkeukentjes, hun verfrisschende dawet of bedwelmende arak, hebben het druk; algemeene maar kalme vroolijkheid, geheel verschillend van het luidruchtige dringen en woelen bij ons Hollanders, heerscht in hunne rijen. Plotseling heerscht ademlooze stilte. De feestoptocht verlaat den dalem van den regent.
De dorps- en afdeelingshoofden verschijnen eerst op hun vurige zwarte paardjes gezeten; zij dragen den hoofddoek om het glimmende haar, in den sarong, die halverwege den engsluitenden broek hangt, steekt een kris, gewoonlijk een erfstuk uit oude tijden, de greep fraai besneden uit hout of ivoor, versierd met zilver, goud en edelgesteenten; in de hand houden zij de lans.
Ook de paarden zijn feestelijk getuigd, met zilveren kettingen, zijden of fluweelen schabrakken; achter hen komt de regent met zijn Radhen Ajoe, een schoone, slanke vrouw in zijden baadje en met goud bestikte sarong, met groote diamanten in den kondé, aan de ooren en in de braceletten, gevolgd door een paar zijner dochters. De gamelang begeleidt met zijn klanken den feestelijken stoet, de familie van den regent betreedt de tribune, waar nu ook de resident en de notabelen plaats nemen.
De Javaansche ridders treden in het strijdperk; het is een opwekkend gezicht, de zon speelt grillig in hun wapens en doet hun kleederen en versierselen schitteren, de bonte kleuren van de sarongs en hoofddoeken der mannen en de slendangs der vrouwen een schrille tegenstelling vormend met het groene veld en de kroon van hooge boomen rondom het plein; de ruime in de breedte uitgebouwde huizen met hun uitgestrekte erven zijn als een schilderij, in een reusachtig raam omsloten door de trapsgewijze opgaande heuvelen, en in het verschiet door den blauwgroenen bergreus met zijn afgeplatten kruin.
De spelen zijn afwisselend genoeg; nu eens wedrennen dan spiegelgevechten met de lans, een gedurige aanval en verdediging; een kleine, leelijke dwerg zit op een opzettelijk daartoe verminkt paard zonder staart of ooren. Als de nar aan de oude koningshoven, is hij overal te vinden, waar hij spotten en springen kan; nu eens tuimelt hij van het paard, dan springt hij een der ridders achterop, werpt zich ruggelings op een der paarden en wekt door elk zijner buitelingen het uitbundig gelach der talrijke toeschouwers op.
In de tribune van den regent zat Corona de Géran de Saint Paul naast de Radhen-Ayoe, de dames hadden het druk met praten en zagen nauwelijks naar de spiegelgevechten der ruiters, en de kluchtige sprongen van den nar.
Met haar waaier wist Corona een uitstekend spel te spelen. Zij had die aardigheden van den senènan al zoo dikwijls gezien dat het geen wonder was, als zij er weinig aandacht aan wijdde. Zij was zeer bevriend met de Regentsvrouw, een geboren Prinses, wat menigeen de goedkoope aardigheid ontlokte dat soort altijd soort zoekt, want de trotsche juffrouw de Géran, zei men, kon maar niet vergeten, dat zij eigenlijk gravin geboren was en, hoewel zij haar broers en zusters links en rechts uithuwelijkte aan wien haar goeddacht, vond zij voor zich zelf een prins nauwelijks goed en groot genoeg.
Aan de andere zijde naast den Resident zag men de nieuwste schoondochter, allerliefst in haar lichtgrijs kleedje, het lenteachtige witte hoedje op de blonde lokken; een opgewekte glimlach om haar lippen spelend. Als zij zon en leven en beweging zag, als zij muziek hoorde, dan vergat Hermelijn spoedig haar verborgen leed en kon voor een oogenblik weer schertsen en lachen als ware alles geluk rondom en in haar.
Kitty zat naast haar, even lief en innig gelukkig als altijd, en daardoor een scherpe tegenstelling vormend met de ontevredene taankleurige Toetie, die in haar opzichtig, schreeuwerig toilet zeer afstak bij haar elegante schoonzusters. De heeren stonden meer achteraf, Thoren van Hagen ontbrak niet, evenmin als Conrad, die met zijn gewone knorrige uitdrukking naar alles keek of naar niets, dat wist niemand te zeggen. Akkeveen had zijn vrouw thuis gelaten, het ééne kind was ziek en het andere lastig, daarbij merkte hij op een toon van gezag aan:
»Een goede vrouw en een goede kat hooren t’huis. Ik zie het heel ongaarne als een jonge vrouw haar genoegen buitenshuis zoekt. Dansen komt voor een getrouwde dame gewoon niet te pas.”
»Van dat idée krijg je mij nooit, manneke!” sprak Kitty. »Als ik ophield met dansen zou ’t zijn omdat...”
Een vochtige sluier dreef langs haar schitterende oogen en een ernstig trekje teekende zich om haar lachend mondje.
»Foei, viooltje,” troostte Portias, »geduld! geduld! Wij doen het gedistingueerd; ’t staat zoo ordinair, reeds dadelijk zijn huisje vol te krijgen.
»Waarom zegent Onze Lieve Heer hen met zoo ruime hand en wij, die getrouwd zijn uit liefde...”