Hermelijn

Part 16

Chapter 164,043 wordsPublic domain

Corona stond op en ging de kamers door; zij vond alles geheel anders gearrangeerd; Hermelijn was bezig op Hollandsche wijze de tafel af te nemen, blijde een voorwendsel te vinden om haar schoonzuster alleen te laten.

Conrad kwam door een omweg juist in de voorgalerij.

»Maar Coen,” riep zij, »hoe heb je dat kunnen aanzien? Hermine heeft hier alles veranderd, wat ik geschikt had. Laat je alles dan zoo maar toe?”

»’t Is immers mijn en dus ook haar huis.”

»Foei, zoo’n wijsneuzigheid, dat jonge ding! Zij wil mij tegenwerken, maar ik zal ze...”

Deze laatste woorden werden niet luid uitgesproken; de kamers betrad Corona niet, zij ging weer naar de achtergalerij en zette zich op de kanapé neer.

»En bevalt het je hier goed, Hermelijn?” vroeg zij.

»Uitstekend.”

»Erg stil?”

»Levendig genoeg voor ons!”

»Dat begrijp ik, daarom moest zeker alles door mekaar gehaald worden. Wat een idée!”

»Van wie zijn onze meubels?”

»Van wie... van wie? Wel, ze komen van mij!”

»Maar nu zijn ze toch van ons, niet waar en we kunnen er mee doen wat ons bevalt!”

Corona zag haar schoonzuster scherp in de oogen; zij vertrouwde haar ooren niet, maar zij kende Hermelijn niet genoeg en wilde haar peilen, vóór zij haar terechtwees.

»’t Schijnt dat ge je hier erg verveelt om tot zoo’n amusement je toevlucht te nemen. Vond je het bij August of Guillaume prettiger?”

»Een goede vrouw, zooals ik ’t hoop te worden, amuseert zich alleen bij haar man.”

»Maar vertel me eens wat er tusschen jou en Toetie gebeurd is.”

»O foei die Kitty!” dacht Hermelijn geërgerd en antwoordde:

»Niets bijzonders, wat het vertellen waard is.”

»Maar ik moet het weten. Daarvoor kom ik opzettelijk hier.”

»Dan hadt ge u de moeite kunnen sparen. ’t Is mijn gewoonte niet, te klagen over de huizen, waar ik gastvrij ontvangen werd.”

»Maar hier is ’t een ander geval. ’t Is van het grootste belang dat ik alles hoor, wat Toetie jou gezegd heeft.”

»Dat gaat niemand aan!”

»Mij wel!”

»Waarom u meer dan anderen?”

»Waarom, waarom? Wel, wat een vraag! Omdat...”

»Omdat u alles weten moet, wat er bij uw broers en zusters voorvalt, niet waar? Nu, van mij zal u het niet weten, want ik zie er het noodzakelijke niet van in.”

»Maar Hermine, doe je mij den oorlog aan?”

»Dat is volstrekt mijn bedoeling niet, maar als u ’t daarvoor wil aanzien, dan kan ik er niets aan doen!”

»Je bent een onverstandig meisje, meer niet, Hermine; met hoeveel liefde ben ik je niet tegemoet gekomen, hoe hartelijk heb ik je als mijn zuster begroet! En je slaat nu een toon tegen mij aan, zooals geen mijner zusters en broers het ooit gedaan heeft; als het je maar niet eens spijt zoo aan je humeur te hebben toegegeven.”

»Niets kan me in het vervolg meer spijten, niets!”

Juist kwam Conrad binnen en maakte een einde aan het gesprek, dat een zeer onaangename richting begon aan te nemen, want Hermelijn had alle moeite om niet in grieven uit te barsten en haar overvol hart eindelijk eens lucht te geven tegen haar, die ze van laag bedrog en geheime kuiperijen verdacht hield en voor de oorzaak van haar treurig leven aanzag.

»We zullen er maar over zwijgen,” sprak Corona met een zelfbeheersching, die haar vreemd was; misschien dacht zij aan Thoren’s woorden van dien avond, misschien was er iets in Hermelijns oogen dat haar deed vreezen voort te gaan en raadde zij den bitteren wrok, dien het vrouwtje van haar broer tegen haar koesterde en wilde zij tot allen prijs een uitbarsting vermijden.

»Over veertien dagen geeft de regent een bal ter gelegenheid van het huwelijk zijner dochter na een groote senènan. Dat is een Javaansch tournooi, Hermelijn; papa verwacht dat ge beiden er zult komen; wij overnachten natuurlijk in Soekarenga. Als je inlichtingen wilt hebben, ben ik bereid je die te geven.”

»Ik weet niet hoe Conrad er over denkt.”

»Als je gaan wilt, is ’t mij goed.”

»Papa rekent er op.”

De middag ging langzaam voorbij; het was een zonderlinge verhouding tusschen dat drietal, Conrad ging heen, Hermelijn nam een werkje, Corona begon te lezen, zij voelde zich slecht op haar gemak en was blijde toen het tijd werd thee te drinken.

Hermelijn liet haar veel alleen, zij had huiselijke zorgen, dubbel zwaar in de afwezigheid van haar meid, en ’t was Corona een verlichting als zij verdween; het gesprek wilde niet vlotten en zij had zich toch zoo veel van den omgang met haar Europeesch nichtje voorgesteld; ook over Toetie kreeg zij niets te hooren.

»Hermine,” de bijnaam ging haar niet goed meer af, »ik heb iets bedacht; het huishouden veroorzaakt je zooveel moeite en je bent er nog zoo vreemd in. Zal ik je Iteko zenden? Zij is een uitstekende huishoudster. In dien tusschentijd zal ik de kinderen wel les geven.”

Werkelijk dacht Corona een goede daad te verrichten, want Iteko afstaan was voor haar een groote opoffering; zij hield er volstrekt niet van, de kinderen bezig te houden, maar zij wilde Hermelijn gunstig stemmen en misschien ook doen wat Thoren goed en edel had genoemd; zij was er zich niet van bewust en zou de laatste veronderstelling zeker met verontwaardiging van zich afgeworpen hebben.

’t Viel haar tegen toen Hermelijn koel antwoordde:

»Dank je, Conrad is tevreden en ik ben blijde iets te kunnen doen. Ik kan vreemde hulp missen en wil u geen overlast aandoen.”

Ook dat gelukte niet, maar wat kon Hermelijn haar toch verwijten, zij had immers alles wat een mensch begeeren kan! Zij vond niets bijzonders in de verhouding tusschen Conrad en haar; ’t waren alleen de dwaze Portias en Kitty, die het publiek met hun flauw gekir lastig vielen.

En toch er lag zoo’n bittere trek om Hermelijn’s lippen, dien zij den eersten morgen niet gezien had, in haar oogen las zij een stil, maar niet minder welsprekend verwijt. ’t Werd Corona eng tegenover haar en zij was innig blijde toen haar vader met Philip aan kwam rijden om haar af te halen.

Geheel anders was Hermelijn tegenover hen; zoo hartelijk, zoo echt kinderlijk, dat was zij werkelijk; tegen haar alleen gedroeg zij zich zoo zonderling. Eindelijk kon Corona het niet langer verdragen; op het oogenblik dat de gasten zouden vertrekken nam zij haar schoonzuster ter zijde en, haar handen op Hermelijn’s schouders leggend, vroeg zij:

»Zeg me de waarheid Hermelijn, verwijt je mij iets? Ben je niet gelukkig in je nieuw leven?”

Hermelijn zag haar aan met de groote oogen, welke slechts bestemd schenen om de wereld toe te lachen en waaruit nu een aan wanhoop grenzende smart sprak:

»Je hebt je wil, Corona,” antwoordde zij, haar handen losmakend, »ik ben getrouwd, maar wanneer je eens iemand innig lief krijgt, dan zal je eerst begrijpen, wat voor lot je mij bezorgd hebt door je bedrog!”

Corona was doodsbleek geworden, haar lippen trilden.

»Angot wacht,” riep haar vader.

Zij keerde zich om en besteeg haar paard, maar werktuigelijk als ware zij in een droom verzonken.

»Mijn bedrog! En ik deed het om haar bestwil!” mompelde zij, en haar vader verwonderde zich over het vreemde stilzwijgen van zijn oudste dochter.

XXVII.

Op een half uur afstand van het »groote huis” lag een Javaansch kerkhof; de weg daarheen was kaal en slechts hier en daar met eenige klapper- en arengboomen omzoomd; tusschen den weelderigen plantengroei, die van alle kanten Ngaroengan omringde, maakte deze kalkachtige, in het zonlicht verblindend witte weg een zonderlingen indruk; over het kerkhof echter lag koele schaduw.

De gambodja, de bloemdragende graf- en treurboomen der Javanen, wierpen de schaduw van hun schier bladerlooze takken tegelijk met hun duizenden witte bloemen, over de eenvoudige graven. Hun sterke eigenaardige geur vervulde de lucht; de talrijke graven zijn alle even eenvormig en verlaten, van vier zijden door een balkje begrensd, wijst een kort paaltje slechts de plek aan, waar het hoofd der dooden rust; geen andere tooi siert de koeboeran [59] dan de neervallende regen der gambodja bloemen.

Op het einde staat een meer versierd graf, door een dakje van atap overdekt en met offergaven, uit rijst, vruchten en plita’s [60] bestaande, versierd. ’t Is dat van een hadji [61], wellicht twee eeuwen geleden daar gestorven; een man zoo heilig dat zelfs tijgers eerbied voor hem hadden en zijn lijk ontzagen.

Een oude vrouw, afzichtelijk zooals de Javaansche Nènèks [62] er uit kunnen zien, hinkte langs de graven, tot zij aan de heilige koeboeran kwam: zij leunde op een stok, haar kleeren waren oud en versleten al hingen zij nu juist niet in flarden langs haar leden. De sarong hoog opgebonden liet een paar bruine, knokelige staven zien, die beenen verbeeldden, daar zij uitliepen in voeten met ver uitstaande teenen; de badjoe [63], met de gebruikelijke split op de borst, was ook veel te kort en liet een verdroogd zwart vel zien, dat los en gerimpeld over het gelaat hing, waarin een voorstander der zoogenaamde apentheorie misschien bewijzen voor zijn leer kon vinden. De neus was plat en van wijde gaten voorzien, de mond afschuwelijk, de lippen gebarsten en blauw paars gekleurd; de schaarsche haren van een vuil grijswit waren in een kleine knoop samengebonden, en lieten den kalen kruin geheel bloot.

In een harer dorre handen droeg zij een van pisangbladen gevlochten korfje, waarin vruchten en bloemen lagen, die zij op de heilige plek neerlegde terwijl zij op de hurken ging zitten, een »slamat” [64] maakte, en haar door talrijke hoofdbuigingen en op en neer wiegen van de toegevouwen handen, vergezelde sembayang [65] begon. Zij mompelde daarbij iets met een eentonig geluid, tot zij eindelijk opstond en aan het plukken ging van eenige kruiden, die tusschen de graven groeiden.

Eens sprong een kikvorsch tegen haar op, waarna zij het op een luid geschreeuw en achteruit loopen zette, met een verwilderden blik rondom zich heen ziende, om onmiddellijk weer haar oogst voort te zetten.

Toen zij het noodige bij mekaar had gebonden, strompelde zij het kerkhof weer af, waar juist een Javaansche begrafenis aankwam; een viertal Javanen met bloot bovenlijf en allen in een sarong gekleed, die in niet onbevallige plooien langs de heupen viel, droegen de baar, waarop de doode, alleen door een wit lijkkleed bedekt, rustte; paarse en witte soelassa bloemen waren daarover gestrooid.

Twee andere Javanen hielden hun geopende zonneschermen over de lijkbaar; daar achter ging de stoet, uit eenige mannen en kinderen bestaande, die echter allen baadjes aanhadden, terwijl hun hoofden evenals die der dragers met hoofddoek en tjaping [66] bedekt waren.

De oude vrouw ging stil en als vreesachtig op zijde; zij hield haar bos kruiden in de hand en stapte, over het lage steenen muurtje, weer op den weg; zij had daar slechts weinige stappen te doen, een smal voetpad daalde aan den overkant bergaf; zij verdween tusschen de pisangboomen, die het met hun breede, wuivende, langwerpige bladen overschaduwden.

Daar lag een klein dal, van drie zijden door roodachtige rotsen ingesloten, waartusschen slechts betrekkelijk weinig planten groeiden. Een kleine bamboezen hut stond er beschut tegen wind en stormen en ook tegen de heftige zonnestralen, want zelfs midden op den dag was het hier koel.

Voor de deur zat een magere knaap, rillend in zijn sarong gewikkeld; zijn oogen stonden hol en zijn lippen, door geen sirih gekleurd, waren bleek en bevend; zijn tanden schenen tegen elkaar te klapperen.

»Begiemana, Mas?” (»Hoe gaat het, schat?”) vroeg de Nènèk.

»Demem,” (koorts) was het lakonieke antwoord.

»Ik zal je wel beter maken, ik heb hier obat [67] voor je geplukt en die zal zeker goed werken, want ik heb er een sembayang voor gedaan en ik ben een begrafenis tegengekomen. Je zult zien wat goede djamoe[67] ik daarvan maak.”

»Och grootmoeder, ’t zal me niet helpen. Ik ben op een vrijdag in den klapperboom geklommen en toen heb ik ’s nachts de wéwéh [68] gezien, die heeft het ’m gedaan en daar helpt niets tegen, niets!”

»Dat zou ik wel eens willen zien; of de wéwéh bestand is tegen mijn obat.”

»Ik had liever, moeder, dat u de medicijn, die Nonna besaar [69] hier gebracht heeft, niet had weggegooid; toen laatst sinjo Philip ziek was, rilde hij ook als ik en de hollandsche toewan dokter gaf hem medicijn, waardoor hij spoedig beter werd. Misschien is dat dezelfde.”

»Denk je dat de wéwéh niet boos is als men met obat-blanda [70] aankomt? Ik heb zooveel vreemde kinderen genezen, zou ik mijn eigen kleinzoon niet kunnen doen herstellen?”

»Och neen, spaar die moeite! ’t Helpt niets en ik wou zoo graag beter zijn, nu rijdt de Nonna altijd met Gollok rond en hij heeft mijn kleeren aan en Djankrik mijn paard raakt mij ontwend!”

»Wie weet, of je niet met Nonna op plaatsen geweest bent, die anker (noodlottig) waren of je niet over een heilige koeboer geloopen hebt, of gevischt in een gewijde bron. Ik weet niet, welke boschgeest door je vertoornd is, en zoo moet ik het met allerlei djamoe’s probeeren.”

»Geef me toch hollandsche medicijn, Mak! De Nonna komt niet meer naar me kijken, zij denkt niet meer aan mij. Gollok heeft mijn plaats ingenomen; hij zal nu ook Sima zeker het hof maken ach! en zij had mij toch beloofd na de poewassa [71] met mij te trouwen; de Nonna zou onze bruiloft betalen!”

»Zoo zijn de Toewan Blanda allen, Djario, allen! Heb je niet gehoord wat de Hadji laatst zei? Spoedig zal de tijd komen dat er alleen maar Orang Slam [72] in de Negri Djawa [73] zullen zijn en dat de groote Sheik Ibn-Moelem terug komt met de groene vlag.”

»Ik geloof ’t niet en zou het niet wenschen moeder! Ik heb liever met orang blanda [74] te doen dan met onze wedono’s en onze loera’s [75]. Toewan en Nonna zijn goed voor ons als we maar werken willen, en die... Mak weet, hoe zij vader naar de rantés [76] hebben gezonden.”

»Die Pangoeloe[75] was bedorven door de Blanda’s en jij bent het ook Djario en tot straf daarvan heeft Toewan Allah je die ziekte toegezonden, voor niets anders. Op een sedeka [77] ga je alleen om te eten, zelf beken je dat, in plaats van naar de Missigit [78] te gaan, je in een klapperboom hebt geklommen. Is het nu wonder dat je ziek wordt!”

De oude heks betrad het armelijke door geen deur afgesloten huisje; een baléh-baléh waarop de geheele familie, want er waren er nog meer, sliepen, een opgerold matje, een kleine kerpek (koffertje), waarin hun eenvoudige garderobe geborgen was, een paar aarden pannetjes en komforen, een koekoesan om rijst in te koken, het onvermijdelijke rijstblok met stamper, dat was het eenige meubilair.

Eenige Europeesche prentjes versierden alleen den gevlochten bamboezen muur; Djario had ze bij de Blanda’s gevonden en daar opgehangen; niettegenstaande de gewetensbezwaren zijner grootmoeder, die hun een onheilspellenden invloed toeschreef, wilde hij ze niet verwijderen.

Toen zij haar kookgereedschap ging uithalen, gaf de oude vrouw plotseling weer een reeks doordringende gillen.

»Alla-la-la-lak-Astaga!” schreeuwde zij luid, vreemde bewegingen met haar handen makende, doch het scherpe geluid bracht niet den minsten indruk op Djario teweeg; hij was er aan gewoon dat zijn grootmoeder latah was, een soort van bij de Javaansche vrouwen veel voorkomende opschrikkerigheid, die echter dikwijls in een soort van biologie overgaat.

Jongeren drijven er soms een boos spel mede als zij een door latah toevallen gekwelde vrouw, plotseling doen schrikken, gebaren voor haar maken en gezichten trekken, die zij als door een onzichtbare macht gedreven, tot in de kleinste bijzonderheden nabootst; nu was de schrik alleen voortgekomen door de plotselinge verschijning van een oude, leelijke kat, van het soort op Java koetjing-maling genaamd en wier staart even als die harer meeste landgenooten door een knoop ontsierd werd.

De oude vrouw ging buiten zitten op een laag bankje en plukte haar kruiden af; de zon neigde ten ondergang, boven was het nog helder licht maar in het dal vielen reeds schaduwen.

Onverwacht sprongen een paar Europeesche kinderen te voorschijn; men wist niet van waar, en de Nènèk begon tot hun grootste pret weer met haar latah-geroep; wie weet, welke grappen zij uitgehaald hadden indien zij niet op den voet gevolgd werden door een groote, indrukwekkende gestalte, op wier nadering de arme, zieke knaap en de schrikachtige grootmoeder eerbiedig opstonden om dadelijk weer neer te hurken en hun hoofd voor haar voeten ter aarde te buigen.

Het was Corona, die met een paar van het jonge volk haar zieken jockey kwam bezoeken.

»Stil, kinderen,” gebood zij en sprak toen in het Javaansch grootmoeder en zoon aan.

»Hoe gaat het, ben je nog niet beter, Djario,” vroeg zij zoo medelijdend als weinigen het van haar zouden verwacht hebben.

»Ik mis je erg, Gollok is een slordige jongen, die meer aan spelen en slapen denkt dan aan werken. Heb je mijn medicijn niet trouw ingenomen?”

»O ja, maar alles is op,” antwoordde Nènèk snel.

»Nu Nèk, als het maar waar is; hier heb je een nieuw fleschje dat ik zelf voor je heb klaar gemaakt, Djario! Drink daar nu ’s morgens en ’s avonds van uit den lepel, dien ik je heb meegebracht; Baji,” zoo riep zij tegen een Javaansch meisje, dat een mandje droeg. »Leg dat alles nu daar neer! Hier is herten-dendeng [79] voor jou en hier zijn nog pillen, daar moet je vier malen per dag van innemen, begrijp je.”

»Trima kassi, nona,” antwoordde Djario onderworpen.

»En kom nu niet met die djamoe’s aan Nènèk; je bent weer aan ’t plukken geweest, ik zie ’t wel. Ik had Djario niet naar huis moeten laten gaan, ik had hem bij ons moeten behandelen, dat was beter geweest.”

»Ze zijn niet voor obat,” hernam de Nènèk met gemaakte verlegenheid, »ze zijn voor iets heel anders.”

»Waarvoor dan?”

»Niet voor sakit badan (lichaamskwalen) maar sakitatti (hartskwalen),” zeide zij op geheimzinnigen toon.

»Malligheid,” sprak Corona glimlachend, »wat zal zoo’n drankje helpen voor een ziek hart?”

»Nonna wil me niet gelooven, Nonna weet alles beter, Nonna wil geen toewan Resident tot man hebben; de Toewan Besaar [80] alleen, zou goed genoeg wezen voor Nonna en ik ben een oude Nènèk, dat weet ik wel, maar toch komen de meisjes van de dessa’s dikwijls bij de oude Baboe Tjioeng, en zelfs de Chineezen koopen haar obats. Zouden ze dat doen als Nènèk slechte dingen verkocht, die niet hielpen?”

»En waarvoor helpen ze dan?”

Zij zat op het omgekeerd rijstblok en wendde snel het hoofd om daar de kinderen bezig waren de kat op te jagen, die akelig miauwde; zij verbood hen ’t dier te plagen en zag de afzichtelijke Nènèk weer glimlachend aan.

»Nu Nènèk, misschien gebruik ik ze ook wel, als ik er aan geloof,” zoo drong zij aan.

»Als de meisjes verlieven op een man, dien zij niet mogen trouwen en die hun betooverd heeft, dan krijgen zij van mij een drankje dat zij in hun drinkwater moeten doen, als zij altijd denken aan iemand, die niets om hun geeft, dan heb ik een soort parem [81] welke hen die gedachten doet verliezen of ze hem ook ingeeft; als haar liefste ontrouw wordt, heb ik een andere djamoe.”

»Kan je mij iets geven, waardoor een man, zijn... zijn vrouw mooi en lief vindt en van haar leert houden?”

»Die heb ik juist klaargemaakt; wil Nonna ze hebben?”

»Dank je, ik geloof er niet aan, ik vraag het maar. Zorg liever dat Djario geregeld zijn medicijnen inneemt en de dengdengs trouw opeet, dat zal hem krachten geven. Want ik sta er op, dat hij spoedig beter wordt, hier heb jij je traktement van deze maand; ’t is je schuld niet dat je ziek bent en ook Hollandsche ambtenaren krijgen verlof wegens gezondheidsredenen met vol tractement.”

De oogen van den knaap schitterden, hij zag haar aan als ware zij zijn godin, kroop voor haar voeten en kuste de plek, waarop zij stond.

»Kom Djario,” zeide zij vriendelijk, »maak zooveel beweging niet! Neem trouw in, dan kan je me weer vergezellen; in je mooi jockeypakje, dat Gollok volstrekt niet staat.”

Zij riep de jongetjes en verliet het dal:

»Zuster,” sprak Alain haar bleekneuzig stiefbroertje. »Ik ben bang voorbij het kerkhof te gaan.”

»Foei, van wie heb je die dwaasheid geleerd? Weet je niet dat wij overal in God’s hand zijn en dat dooden geen kwaad meer kunnen doen?”

»Maar de geesten?”

»Dat is Inlandsch bijgeloof, waaraan een Christenkind niet gelooven mag.”

»Jantje heeft van zijn mama gehoord!”

Corona fronste haar wenkbrauwen, zooals zij gewoonlijk deed, wanneer zij zich ergerde en zij dacht:

»Poppie is erg bijgeloovig; Nènèk Tjioeng is vroeger haar baboe geweest; zij heeft van haar al die inlandsche knoeierijen leeren maken. Zou hij waarlijk denken, dat ik aan dien rooden hond geloofde? Ik schaam er mij voor en ’t is toch zoo, wat ik ook aan die kinderen zeg!”

Zij ging snel vooruit en hield haar broertje aan de hand; de duisternis viel in, de gambodja bloemen vervulden de lucht met hun welriekende geuren, die echter in Indië steeds aan graven en lijken doen denken en daarom onaangenaam aandoet.

Op den eenzamen weg, aan de eene zijde door sawah-velden omzoomd, aan de andere, op eenigen afstand door het kerkhof van de koffietuinen gescheiden, was niets te zien, mensen noch dier.

Corona voelde het handje van den knaap in het hare beven. Jantje liep eenige stappen achter haar en amuseerde zich met al fluitend steenen op de kraaien te werpen, die over de graven stapten, deftig als waren zij Hollandsche bidders, en soms hun akelig gekras deden hooren.

»Wil je dat laten, Jan! Neem Alain’s andere hand!”

Jantje gehoorzaamde zijn tante, hoewel schoorvoetend; Baji, het kleine meisje, volgde hen een paar stappen verder. Toen zij eindelijk aan den uitersten grens van het kerkhof gekomen waren, waar de weg zich in tweeën scheidde, de eene naar de vlakte, de andere naar huis, was het bijna geheel donker geworden.

»Ik ga nooit meer zoo laat van huis zonder één van de heeren,” dacht Corona, die ook min of meer angstig begon te worden, welk gevoel zij vertolkte door het enkele woord »Mergilan” (griezelig.)

»Zijn we haast t’huis?” vroeg Alain klagend.

»Dadelijk! ventje, dadelijk,” troostte Corona.

»Kijk eens! Zuster kijk!” riep de knaap en wees naar voren. Corona zag iets roods en vurigs door het gebladerte schitteren, en in de richting van het kerkhof verdwijnen; meteen begonnen de kraaien angstig te krassen en een huilend hondengeblaf vervulde de lucht.

»De kalang,” riep Baji, »Astaga!”

En de jongetjes grepen zich vast aan Corona’s kleeren. Zij huiverde en voelde zich niets op haar gemak, maar met haar gewone geestkracht overwon zij dat onwillekeurige angstgevoel.

»Komt kinderen! weest zoo dwaas niet! ’t zal een hond zijn, die een stuk brandend stroo draagt of ’t is een kat, die ze geplaagd hebben. Er zijn geen spoken, daar gelooven alleen domme menschen aan, kom, als je zoo aan mijn kleeren hangt, kan ik niet voort en we moeten gauw t’huis zijn. Je krijgt morgen middag ketan en kolak ketéla [82] te eten als je flink voortstapt. We zijn vlak bij huis! Baji, hoû op met dat huilen, of ik zal je moeder zeggen, dat ze je een pak slaag geeft!”

De kinderen liepen voort, nu beiden vastgeklemd aan haar handen; het javaansche meisje zoo dicht mogelijk achter haar.

De weg ging opwaarts en met een kleine bocht kwam men achter in den bloementuin uit; na weinige oogenblikken zag men de lichten van het groote huis door het geboomte flikkeren.

»Zie jullie wel, daar zijn we t’huis,” zei Corona met een zucht van verlichting naar het licht wijzend.

»Maar we hebben toch den kalang gezien!” verzekerde Jantje.

XXVIII.

Den volgenden morgen zat Corona niet zeer vroeg na een onrustigen nacht voor haar toilettafel.

Zij had gedroomd van den rooden hond, en van Hermelijn, van Nènèk Tjioeng en Thoren van Hagen, alles krielde in de grootste verwarring door haar hoofd; ’s nachts had zij nooit gedacht dat zij die dwaasheden ooit weer zou ontwarren, maar nu bij de vroolijke lachende zon spotte zij met haar eigen angsten.

Zooals gewoonlijk zat zij te lezen, terwijl Sima haar lokken uitkamde en samenvlocht.

Een onderdrukt gesnik trof haar; zij zag om en bemerkte dat het Javaansche meisje schreide.

»Wat scheelt er aan?” vroeg zij verwonderd.

»Och Nonna, ’t is zoo slecht met Djario.”