Part 15
Portias danste potsierlijk; hij zwaaide met het bovenlijf, wierp zijn lange beenen naar links en rechts, stiet tegen muur en meubels aan, tot Hermelijn, even hard lachend als Kitty, hijgend bleef staan, terwijl haar cavalier uitgeput van de inspanning zich het zweet van het voorhoofd droogde.
Haar geparelde, melodieuze lach trof voor het eerst Conrad’s oor. Zij zag er allerliefst uit, zooals zij daar tegenover Portias stond met de blonde lokken, in verwarde krullen over voorhoofd en hals hangend, een hoogen blos op de fijne witte wangen, en de stralende lach om de lippen, in haar sneeuwwitte kabaja en donkerblauwe sarong, die de fraaie lijnen van haar gestalte zoo bevallig volgde.
»Je komt of je geroepen wordt, Coen,” riep Kitty hem toe, »je ziet, wij hebben hier een miniatuur bal, maar mijn domme strijkstok weet van dansen niets af en ik niets van spelen, kom José, de Faustwals, en Coen pak nu je vrouwtje beet en toon haar hoe de Indischen kunnen dansen.”
»Ik ben moe,” zei Conrad kortaf, terwijl Hermelijn plotseling ernstig werd, haar weerbarstige lokken gladstreek, en zich omkeerde, zonder naar haar man om te zien.
»Je bent een saaie, akelige jongen, maak het de poes wijs, dat je moe bent, mij niet! Probeer het maar eerst met mij, neen wees niet bang, oude bromtol! Ik heb mijn slofjes aan, kom, een, twee drie!” Conrad wierp hoed en rijzweep weg, toen hij zag dat er niets aan te doen was en danste met zijn zuster eenige malen op en neer.
»Neen, ik kan waarlijk niet,” riep zij ontevreden uit, »ik mag niet ongehoorzaam wezen, en die muiltjes zijn me veel te groot. Conrad, laat mijn man niet voor niemendal spelen, pak Hermelijntje beet en denk dat het een kunstenaar, een groote artist is die jelui accompagneert.”
Zij nam haar broer bij de eene en haar zuster bij de andere hand en trok ze naar elkander toe, beiden schenen even onwillig en Hermelijn had grooten lust zich van Kitty’s vingertjes los te maken, maar zij wilde geen gelegenheid tot toenadering laten ontsnappen en dus Kitty niet tegenwerken. Conrad sloeg eindelijk met een boos gezicht zijn arm om haar heen en deed eenige stappen.
»Wil je ook handschoenen hebben om haar aan te pakken?” vroeg Kitty. »’t Schijnt dat je het dansen verleerd bent. Foei, wat zal je vrouw van zoo’n sinjo denken?”
Of hem dat woord prikkelde, of dat hij een vast besluit nam om zich niet belachelijk voor te doen, zoodra de maat der muziek het hem veroorloofde, beschouwde hij Hermelijn als een gewone danseres en vloog met haar de zaal door. Portias speelde al vuriger en vuriger, aangehitst door zijne vrouw, en het tweetal zweefde hoe langer hoe sneller voort. Hermelijn voelde zich als bedwelmd, zij rustte thans in Conrad’s armen, hij klemde haar vaster aan zich, waarom kon die dans niet altijd duren, waarom moest hij hij haar straks weer los laten? Zij voelde zich zoo veilig, zoo gelukkig, zoo zalig aan zijn borst geklemd, door zijn hand gesteund.
Zij dansten voort, altijd sneller totdat Portias eindelijk stil hield; toen bleven zij staan, beiden even duizelig, en even verward, de betoovering moest eerst langzaam wijken. Nog leunde Hermelijn met gesloten oogen op zijn schouder, zijn oogen schitterden en de booze, norsche uitdrukking was er uit verdwenen.
»Wat ben je toch met je beiden een prachtig paar,” riep Kitty uit, hen bewonderend aanstarend.
Dat woord verbrak de ban, Conrad liet Hermelijn los, die, nog niet tot zich zelf gekomen, op de canapé neerviel, en ging naar de piano om Portias te vragen of hij ’t instrument niet erg ontstemd vond.
Kitty omhelsde Hermelijn en vleide zoo hartelijk mogelijk:
»Wat dans je toch mooi, ik wist niet dat ze ’t in Holland zoo goed kenden. Die andere Hollandsche meisjes dansen zoo stijf, maar je bent volstrekt niet als een tottok. Vind je niet José?”
»Foei Kitty, wat een onbescheidene vraag!” zeide Hermelijn glimlachend.
»O dat is hij van mij gewend, niet waar manneke? De vrouw meent het zoo goed, maar zij heeft toch oogen om te zien, dat een sapoe lidi [56] nog meer gratie heeft dan hij; al zijn elegance zit in zijn vingers of liever in de piano en de viool als hij er op speelt.”
»Dat was een uitstekend duet, door de beenen uitgevoerd! Is het niet vreemd, Hermine, dat alles door muziek kan uitgedrukt worden, zelfs de kunsten die er ’t minst op gelijken?”
»Ik heb er nooit over nagedacht, Portias.”
»Let dan maar eens op! De dans is muziek, zij gelijkt er het meest op, zij heeft tempo’s en noten, al zijn de duetten het meest voorkomende, toch bezit zij ook soli en quartetten, zelfs een vol orkest, want wat is een balzaal eindelijk dan een vol orkest? Dichtkunst en muziek zijn ook gemakkelijk te vergelijken, en schilderkunst is niets dan een symfonie van kleuren; ik wed dat dan eerst het hoogste in de kunst bereikt is als de schilder er in slaagt de verborgen cadans der kleuren en lijnen op te sporen, ze samen te voegen tot melodieën en daarmede muziekstukken op het doek samen te voegen.”
»Maar de beeldhouwkunst en de architectuur dan?”
»Dat zijn de lijnen, dat is de rust, die over het figuur verspreid ligt, ’t is het perspectief, de... de... maar dat moet ik nog nader bestudeeren. De menschelijke ziel ook, de philosophie, laat zich ’t best door muziek verklaren. In de middeleeuwen waren ze er niet blind voor; nu zijn de menschen te mathematisch, alles moet wiskunstig verklaard worden, zelfs de indruk, dien de muziek op den mensch uitoefent. ’t Is belachelijk vind je ook niet, Coen?”
»Ik weet het niet, ik ben te dom om die geleerde dingen te begrijpen, ik weet niets,” was het barsche antwoord.
»Dan gaat het je als mij, Coen!” riep de goedhartige maar niet altijd even voorzichtige Kitty, »ik begrijp ook niets van al die wijsheid. Alleen vind ik het heel mooi om aan te hooren; als José nu een knapper vrouw had gehad, zou zij dat misschien nonsens vinden en er om lachen als Cor, maar ’t is zoo gemakkelijk een dom bebèkje [57] tot vrouw te hebben, hé vent?”
»O ja, dat is ’t beste wat een man treffen kan,” antwoordde Conrad uit de volheid van zijn hart op een toon, die Hermelijn door de ziel sneed.
»Adres aan Guillaume!” kon zij niet laten te zeggen.
»Toetie is niet dom,” riepen Conrad en Kitty tegelijk uit, »maar zij is onverstandig,” vulde de laatste aan, »en ben ik dat ook, Jo?”
»Jij bent het liefste wijfje van God’s schoone schepping, dat na Eva op de wereld is verschenen,” riep hij in volle overtuiging uit en bezegelde zijn woorden met een omhelzing zoo innig dat Kitty luid »adoe, adoe, je doet me pijn,” riep en zich met een gezicht, stralend van genoegen, los maakte.
»Enfin, je komt laat tot die erkenning! Vroeger dacht je anders, maar ik vind het toch bijzonder vleiend, na Cor in aanmerking te komen en niet erg tegen te vallen,” schertste zij.
Het eten werd opgediend; Kitty en Portias hadden het zeer druk en Hermelijn wond zich op, om hen niet af te vallen. Zij was nog onder den indruk van den dans met Conrad, die haast geen woord sprak, zwijgend at en onheilspellend voor zich uitkeek; alle plagerijen van Kitty konden geen glimlach op zijn somber geplooide lippen te voorschijn roepen.
Na het maal gingen de zusters naar de bijgebouwen om de vogels te zien en de dispens te bezoeken.
»Is hij nu altijd zoo?” vroeg Kitty.
»O ’t is van daag een Zondagshumeur,” was ’t antwoord, met die bitterheid gezegd, welke bij Hermelijn zoo pijnlijk en valsch klonk.
»Wat scheelt hem toch? Wat verhaalt hij toch op jou? Waarom is hij dan met je getrouwd?”
Hermelijn zweeg op deze vraag, waarvan zij het antwoord maar al te goed wist en dat de gelukkige, luchthartige Kitty niet vermoeden kon.
’s Middags vertrokken zij; Kitty als een koningin in haar draagstoel geïnstalleerd, Portias als een trouwe cavalier aan haar zijde rijdend; toen ze weg waren, ging Hermelijn naar haar kamer, Conrad het bosch in.
Weinig vermoedde zijn vrouw, hoe hij zich daar op het gras neerwierp en in hartstochtelijke snikken uitbarstte, die aan zijn gefolterd gemoed eenige lucht gaven.
»Wat moet zij mij uitlachen, wat moet zij mij een akelige, linksche sinjo vinden, een domoor, een onbeschaafde kwâjongen!” kermde hij, »wat doe ik naast zoo’n vrouw, die van mij niet kan houden, die alleen vroolijk is, als ik niet bij haar ben. Ik ben geen man voor haar! Ik moet een domme vrouw hebben als Poppie of Toetie, niet een, die..... koningin zou kunnen wezen! O God, God, laat mij toch sterven, dan kan zij trouwen met iemand, die haar beter waard is.”
XXV.
Op den dag van het tochtje naar Djira was Corona bijzonder goed gehumeurd, Thoren van Hagen bleef den geheelen dag in het groote huis; ’s avonds liet Corona hem de souvenirs van haar grootvader zien en verhaalde zij met een trots, die haar bijzonder goed stond, van zijn dapperheid en van Napoleon’s vriendschap voor hem.
Ook toonde zij hem muziek, afkomstig van het Fransche hof, waaraan haar overgrootmoeder eens schitterde; zij speelde die ouderwetsche airs op de piano en neuriede ze zelfs zoo goed zij kon, want haar stem was niet mooi.
»Dat leerde mijn oudtante aan de Amsterdamsche jeugd op de harp spelen,” zeide zij glimlachend, »zij moet een wonder van zachtheid geweest zijn. ’t Javaansche bloed heeft al die zachtheid weggespoeld, want geen der Gérans is zacht, zelfs die kleine bengels niet, vraag het Iteko maar.”
»Meent u dan dat zachtheid niet evenals alle deugden met moeite wordt verkregen?” vroeg Thoren van Hagen.
»Wel neen, men is zacht of men is ’t niet, daar is geen middelweg tusschen!”
»Dan ben ik zoo vrij aan zachtheid weinig verdiensten toe te kennen. Een schaap is ook zacht, en ik kan niet zeggen dat ik met dat dier bijzonder veel op heb; wat ik als zachtheid waardeer, is een eigenschap, die slechts langzaam wordt veroverd. ’t Is de kunst om het scherpe, bitse woord bijtijds terug te trekken als we voelen daarmee onnoodig een wond te zullen slaan, ’t is te oordeelen, zooals wij zouden wenschen geoordeeld te worden, ’t is lief te hebben met vergetelheid van zichzelf. ’t Is de kracht om zichzelf te overwinnen. Hij, die niet als het te pas komt, toornig en verontwaardigd kan zijn, die niet geeselen kan, waar een tuchtiging noodig is, maar zich zelfs dan op zijn zachtheid beroemt, dien reken ik haar meer als een gebrek dan als een deugd aan.”
»Meent u dat iemand hier zoo diep nadenkt?” vroeg Corona met een medelijdenden lach, »denkt u dat men hier aan zelfopvoeding doet en aan zelfoverwinning?”
»Foei, wat lastert u uw familie, juffrouw de Géran! Denkt u dat ik niet weet hoe over geheel Java uw familie bekend staat om haar vlekkeloos gedrag, om haar trouw aan de overleveringen en goede beginselen van haar aloud geslacht, des te schooner omdat zij hier in de onverschillige Indische omgeving zoo zeldzaam is?”
»In groote dingen misschien, maar in kleine? Wie denkt er aan, zich beter te maken dan hij is? Als er een van ons goed is, is hij ’t, omdat hij ’t gemakkelijker en prettiger vindt dan slecht te zijn.”
»Gelooft u dat waarlijk?” vroeg Thoren van Hagen, »en leert de godsdienst hun dan niet om beter te worden dan zichzelf?”
Corona boog het hoofd en voelde zich klein.
»U miskent u en uw familie, juffrouw de Géran! Hoe menige daad is niet verricht, hoe menig woord niet uitgesproken, alleen omdat u het bewustzijn in u droeg dat het beter ware ze achterwege te laten.”
»Wat moet u toch een deugdzaam en braaf mensch zijn,” riep Corona met een hellen spotlach, »daar u zoo mooi spreken kunt!”
»Ik,” antwoordde Thoren van Hagen, en de peinzende uitdrukking, die zulk een droevige wolk over zijn gelaat kon doen trekken, werd sterker dan Corona ze ooit opgemerkt had.
»Ik, u weet niet hoe slecht ik dikwijls was, u weet niet hoe vaak ik het goede heb gezien en toch mijn hand naar het kwade uitstak; u weet niet hoe ik meermalen gestreden heb en overwonnen ben. Maar dat is juist het ergste, te weten wat wij moeten doen om ons zedelijk te verheffen en toch het tegenovergestelde te verrichten. Maar u kan dat niet beoordeelen, juffrouw de Géran, u staat zoo hoog boven alle menschelijke zwakheden, u vindt elke zonde zoo verachtelijk, omdat u niets heeft te doen dan uw edele natuur te volgen.”
Corona antwoordde niet; zij bladerde een muziekboek door en hief de oogen niet naar hem op; waarom voelde zij zich zoo, zoo onbeduidend, zoo ontevreden met zichzelf als hij sprak? Van morgen had zij voor ’t eerst eenig genoegen in zijn gezelschap gevonden, maar nu was hij weer onverdragelijk en toch scheen het een teleurstelling, toen hij zonder iets meer te zeggen naar Margot ging, die druk aan het dammen was met Philip, en haar vroeg of zij den volgenden morgen met haar broer bij hem kwam roeien.
»Ik heb alle visschen commando gegeven zich door Kromo te laten vangen en hun zondagsche baadjes aan te trekken.”
»O ja, heel graag, Thoren. Heel graag!”
Het bloed vloog Corona naar de wangen; zij wiep het muziekboek op de piano en keerde haar toornig gelaat naar Margot.
»Wat zeg je daar? Hoor ik ’t goed! Brutaal nest, ga naar je kamer en je blijft er morgen den heelen dag. Hoe durf je, mijnheer Thoren van Hagen aan te spreken of hij je speelkameraad is?”
»Mijnheer heeft het me toegestaan,” schreide zij.
»Dat doet er niet toe, je mag het niet zeggen en al vraagt mijnheer nu ook duizendmaal excuus voor je, je gaat morgen niet uit en nu naar bed! Ik dien je voortaan weer als kleine meid te behandelen.”
Margot stond snikkend op, stiet haar stoel omver en wilde de kamer uitgaan, maar de oudste zuster riep haar terug.
»Wil je dien stoel wel eens oprapen, ondeugend kind, of ik geef je een week kamerarrest.”
Zoo onwillig mogelijk zette Margot den stoel recht en verwijderde zich, luid schreiende; Corona stond als een beleedigde koningin tegen de piano, zoodra de strafoefening voorbij was, begon zij weer in de muziek te bladeren.
»’t Spijt me dat ik onwillekeurig oorzaak ben van deze scène,” zei Thoren van Hagen haar naderend met zijn spotlach, die haar steeds tot verzet prikkelde.
»Ik begrijp niet hoe u zulke familiariteiten van zoo’n kind wilt dulden.”
»Vindt u mijn naam nog niet lang genoeg?” vroeg hij lachend, »ik doe er zoo graag een stuk van present, in afwachting dat ik hem heelemaal weggeef.”
»Zij kan u mijnheer Thoren noemen, maar bij den naam, dat verdraag ik niet.”
»’t Spijt mij dat ik u zoo geërgerd heb en ik zal bij juffrouw Margot de vergunning intrekken.”
Toen ’s avonds Corona in haar kamer kwam, zat Iteko daar aan een handwerkje bezig.
»Wat heeft die Margot aangegaan!” zeide zij, »’t kind schijnt erg aan mijnheer Thoren gehecht te zijn. De straf is haar betrekkelijk onverschillig, maar dat zij zoo vernederd werd in zijn presentie, dat schijnt ze vreeselijk te vinden.”
»Zoo’n kind!”
»Zij is het niet meer; ik stond verbaasd over haar vrouwelijke woorden.”
»Tegen mij?”
»Natuurlijk! Ik durf u niet alles herhalen wat ze zeide.”
»Ik wil ’t ook liever niet weten.”
»Zij is, geloof ik, erg op mijnheer Thoren gesteld en verbeeldt zich dat hij verliefd op haar is...”
»Reden te over om haar te doen voelen dat zij niets meer is dan een stout kind.”
»Maar ’t ergste is dat zij uw handelingen aan een allerdwaaste beweegreden toeschrijft.”
»Wat durft zij over mijn handelingen oordeelen, van wie heeft ze dat geleerd?”
»Wel, ik vrees van mijnheer Thoren zelf, want zij is geheel veranderd na zijn komst.”
»En wat heeft ze dan gezegd?”
»Ik durf ’t u niet herhalen.”
»Dwaasheid, als ik het verlang.”
»Zal u ’t dan nooit aan haar laten merken? Mijn prestige is er mee gemoeid, tegenover de kinderen.”
»Dat spreekt, wat heeft dat impertinente ding gezegd?”
»Dat u.... dat u.... o, ’t is te onzinnig om het te zeggen, dat u zoo boos was omdat u zelf veel van mijnheer Thoren houdt.”
Corona sprong niet op als een getergde leeuwin, zooals Iteko had verwacht, zij viel niet uit tegen Margot, maar keek peinzend voor zich; na eenige oogenblikken vroeg zij en haar stem klonk dof en heesch:
»Zou je meenen dat anderen ook reden hadden te denken, wat Margot durfde zeggen bij ’t zien van mijn strengheid?”
»Als u ’t mij zoo stellig afvraagt, moet ik oprecht antwoorden: Me dunkt het wel.”
»Waarom waarschuw je mij niet bijtijds, de menschen zijn zoo slecht en zuigen uit alles kwaad; hoe onzinniger een denkbeeld is, hoe eerder het geloofd wordt; je hadt het mij moeten zeggen.”
»Maar juffrouw, ik wist niet...”
»’t Gewone praatje! Je hadt het moeten weten, ’t is geen kunst iets te begrijpen als het reeds gebeurd is maar men moet het vooruit kunnen zien.”
»Ik hoop ’t waar te nemen,” antwoordde Iteko onderdanig.
Corona bleef zwijgend nadenken.
»Iteko,” zoo begon zij weer, »zeg morgen aan Margot, dat ik de straf ophef; ze kan doen en laten wat ze verkiest, gaan waarheen ze wil.”
»Best juffrouw!”
»Hoe oud is Margot?”
»Bijna veertien jaar.”
»Nu, over twee en een halfjaar kan mijnheer Thoren van Hagen om haar komen; tot zoo lang mag hij in zijn meer blijven visschen tot groote ergernis van de inlanders. Dan zal eindelijk de echte goudvisch zich laten vangen.”
Zij lachte onnatuurlijk scherp.
»Ik wilde dat hij voor dien tijd weg was,” mompelde Iteko.
»Waarom? Hij hindert me niet en is zijn gezelschap wel waard. Wat maak je daar, Iteko?”
»U sprak van granaatbloemen voor het volgende bal en ik probeer ze te maken.”
»Dat is reeds spoedig, vandaag over 14 dagen. Denk er om dat we een mooi toilet voor mevrouw Conrad klaar hebben. Ik wil dat zij prachtig is, lichtblauw natuurlijk met fijne gele bloemen, zal dat niet goed staan voor een blondine?”
»De tint van mevrouw is wat te warm voor lichtblauw. Niets zou haar beter kleuren dan rozerood van de allerlichtste nuance, met vergeet-mij-nietjes.”
»Nu, bestel het dan dadelijk uit Samarang, voor de bloemen kun je zelf zorgen.”
»Ik zal mijn best doen ze klaar te krijgen.”
»Je bent een juweel, Iteko. Hoe zou ik me redden zonder jou?”
XXVI.
Den volgenden namiddag kwamen Portias en zijn vrouw uit Djantong terug.
»Vrouwtje,” had hij tot Kitty onderweg gezegd, »in een muziekstuk worden de grootste effecten verkregen door wel aangebrachte rustpunten; dat wil zeggen door zwijgen, waar het noodig is. Geloof me, hou je mondje dicht over de onbegrijpelijke verhouding tusschen Conrad en Hermelijn, niemand heeft er iets mee te maken, Corona het allerminst.”
»Voor hoe dom zie je me aan?” vroeg zij pruilend, »denk je dat ik mijn liefsten broer en mijn nieuw zusje zal verklappen?”
Maar hoe goed en hartelijk de kleine Kitty ook was, onnadenkend kon zij ook wezen; ten rechten tijd gewaarschuwd door haar man, sprak zij geen woord over het jonge paar, wat anders zeker het geval zou geweest zijn; niemand had haar echter gezegd dat het beter was over Hermelijn’s ondervindingen ten huize van Toetie te zwijgen, en daar zij er behoefte aan had, Corona’s aandacht op te wekken door haar vertellingen gaf zij een zeer gekleurd en opgesierd verhaal van het voorgevallene.
Corona was verontwaardigd, en besloot reeds den volgenden dag naar Djantong te gaan om van Hermelijn alles te vernemen.
Zij was verheugd over dat voorwendsel, want sinds lang wenschte zij een dag alleen met Hermelijn door te brengen; den volgenden morgen liet zij haar paard zadelen, gaf Dario, haar javaanschen jockey, bevel haar te vergezellen, en reed naar Conrad, waar zij omstreeks 12 uren aankwam.
De echtgenooten begonnen juist hun zwijgend maal, toen zij het erf kwam oprijden; zij zag er in haar donker grijslakensch kleed, dat haar figuur als het ware in een vorm omsloot, met haar hoog hoedje Henri IV uit als een amazone van de vorige eeuw; de karwats hield zij nog in de hand, toen zij in de achtergalerij verscheen; de slip van haar kleed had zij in haar ceintuur gestoken, zoodat een gedeelte van haar donkerroode rok er onder uitkwam.
Haar geheele houding was krijgshaftig en haar stap klonk veerkrachtig en energiek op de roode vloersteenen.
»Ik kom juist bij tijds naar ik zie,” sprak zij glimlachend en gaf Hermelijn een kus, terwijl zij naar de gewoonte der Gérans haar broer met geen groet verwaardigde.
»’t Is wel een ongehoopt bezoek,” zeide Hermelijn min of meer uit de hoogte.
Corona voelde het dubbelzinnige van dit woord niet en ging voort:
»Ik hoorde van Kitty dat je terug was, en nu kon ik het verlangen niet weerstaan om je eens in je huishoudentje te zien.”
»O, ’t is allerliefst van je! Wil je mee eten!”
»Natuurlijk, ik heb Angot naar den stal gezonden en je verliest me eerst tegen van avond! Misschien komt papa mij halen; ik heb veel met je te bespreken, Hermelijn.”
»Ik misschien ook,” was het kalme antwoord.
»O foei, Conrad! Wat laat je die honden toch om de tafel dwalen, ze komen telkens met hun pooten aan het laken. Dit moet Hermelijn toch erg hinderlijk zijn, niet?”
»Als hij vermoedde dat ’t mij hinderde, zou Conrad ze reeds lang het erf op gestuurd hebben.”
»Maar ik kan ze niet uitstaan, mijn Matjan komt nooit in de achtergalerij als we eten. Stuur ze weg, Conrad!”
Conrad gaf ze een teeken, waarop ze zich verwijderden, hij zelf had een courant genomen en scheen druk te lezen.
»Is hij altijd zoo amusant?” vroeg Corona.
»Dat kan u begrijpen; hij wil aan u de zorg overlaten om hier leven en vroolijkheid te brengen.”
Conrad bromde iets onverstaanbaars, zijn wenkbrauwen fronsten zich en hij trappelde met de voeten.
»O foei, wat is die rijst naar gekookt en die sajor [58] is erg flauw, ik begrijp niet dat Bitja ze gekookt heeft.”
»Dat deed ze ook niet.”
»En wie heeft het gedaan?”
»Ik, en voor een eerste proeve vind ik het nog al dragelijk.”
»En waar is Bitja?”
»Haar grootmoeder of tante was ziek en ze is naar de kampong.”
»Dat heb je haar toegestaan?”
»Natuurlijk.”
»Nu, dan kan je er pret van beleven; als je begint met hun permissie te geven voor elke kleinigheid, dan ben je goed af. Ik begrijp niet Conrad, dat jij je vrouw niet beter raadt.”
»Ik bemoei me met geen huishoudelijke dingen,” was het korte antwoord.
»Maar vind je die rijst niet oneetbaar; ik verkies dat brouwsel niet.”
»Ze is heel goed!”
»Mijn hemel! Wat voor tottok ben je geworden om daar genoegen mee te nemen!”
»Ik zal je beschuiten geven, dat is ’t eenige wat ik in huis heb,” zeide Hermelijn opstaande om naar de dispens te gaan.
»Nu, ik zie wel dat je heele huishouding misloopt, Conrad,” verzekerde Corona terwijl Hermelijn weg was, »’t is haar schuld niet, maar zij is toch vreemd en ik geloof een beetje eigenzinnig, of heb ik het mis?”
»Zij is zeer goed, er valt niets op haar te zeggen,” en Conrad boog zijn hoofd al dieper en dieper over de courant, zonder te merken dat deze al een paar maanden oud was.
»Nu, dat wil ik graag gelooven maar je moet haar raden en niet in alles haar zin laten, anders kom je geheel onder haar pantoffeltje.”
»Daarvoor kan ik zelf zorgen, ik heb niemands raad noodig,” hij stond op en ging meer oprecht dan beleefd naar de stallingen.
»Wil je eens kijken of Angot goed verzorgd is?” riep zij hem na.
Hermelijn kwam terug met een schaaltje ham en Amerikaansche beschuit, die zij op tafel zette.
»Weinig maar uit een goed hart,” sprak zij, »’t spijt me dat je het zoo treft, Corona!”
»Dat het mij treft is minder, maar ik vind het idee onaangenaam dat jelui gebrek lijden en dat je huishouding niet op rolletjes gaat. Had ik dat geweten...”
»O laat het mij over, als er niets anders was dan dat!”
»Dit zijn kleinigheden waarvan je toekomstig geluk afhangt.”
»Mijn geluk!”
»Ja zeker, je hebt er staaltjes van gezien, hoe een net ingericht huis heel in de war kan raken door een slordige, domme vrouw zooals Toetie, en gaat men eens de helling af dan is er geen redding mogelijk.”
»Ik ben je dankbaar voor je goeden raad! Neem nog een beschuit.”
»Dank je, hé, waarom heb je het buffet verplaatst?”
»’t Beviel me daar niet.”
»Maar ik had ’t zelf daar het doelmatigst gevonden.”
»Ik vond het niet en ik heb ’t veranderd.”
»Dan heb je misschien nog meer verzet.”
»’t Kan best wezen.”