Part 14
Thoren van Hagen vroeg zijn schoone begeleidster of zij ook aan batikken deed.
»Ik heb ’t wel eens gedaan,” antwoordde zij, »maar ik kan niet zeggen dat het werk mij aantrekt; ’t is misschien een gevolg van onze opvoeding dat wij onwillekeurig die Indische liefhebberijen wat te min voor ons vinden. De Hollanders denken er anders over, verbeeld u dat Portias het geluid van gamelang en anklong op de piano wil nabootsen.”
»Ik heb zelfs gehoord van een symphonie, die hij componeert over »De roode hond”.”
»Laat hij oppassen dat hij zelf dien rooden hond niet ontmoet! Ik hou niet van dat tarten.”
»Maar juffrouw de Géran, wie wordt hier getart? U gelooft toch niet aan baboesprookjes.”
»Naar sprookjes van mijn baboe heb ik nooit willen luisteren, maar de »Kalang,” zoo noemt men dat dier, is geen sprookje. Er is een legende aan verbonden, een dwaze legende zal u in uw hooge wijsheid wel beweren. U Hollanders bent zoo wijs en toch, hoe dikwijls doet u niet aan betooveringen, hekserijen, klopgeesten, tafeldansen en wat al niet. Wees niet wijzer dan Hamlet, Horatio!”
»Ik wil niets liever dan geloof slaan aan dingen tusschen hemel en aarde, waarvan schoolsche wijsheid evenmin als mijn domheid ooit droomde, en zal mij volstrekt niet aanmatigen er een oordeel over uit te spreken; zij hebben immers recht van bestaan. Het bovenaardsche openbaart zich waarschijnlijk ook wel in groteske dingen; mij is het te heilig om daartoe te worden verlaagd, maar tot het al of niet bestaan van dergelijke geheimzinnigheden, doet mijn meening niets af.”
»En voor u is ’t ook goed, dat u het niet eenvoudig ontkent. Weet u wel, dat het meer, waarbij u woont, de oorsprong is van het geheele verhaal?”
»En zwerft die spookhond daar misschien rond, in en om het meer?”
»Men zegt het! Mijn moeder zag het dier kort voor haar dood; zij was een Europeesche en zal dus even als u over zulke dingen hebben gedacht. Mijn grootvader zelfs sprak met een soort eerbied over die legende.”
»Maar hoe is de legende eigenlijk, ik ken ze niet!”
»Kent u ze niet?”
»Wel neen, niemand wist ze mij precies te vertellen.”
»Zoo zijn ze; praten en spotten over het onbekende, dat gaat hun gemakkelijk af, maar zelf onderzoeken, een eigen oordeel uitspreken, dat is te moeilijk, te lastig.”
»Zal ik ze van u mogen hooren?”
»We moeten aanstappen, als wij Djira willen zien en papa op den bepaalden tijd tegemoet rijden. Ik kan moeilijk een lang verhaal al rijdend doen.”
»Kunnen wij daar uitrusten?”
»Wanneer we tijd hebben.”
»O tijd, tijd zullen we maken des noods, al moet ik er de zon voor laten stilstaan, het zou mij de moeite waard zijn.”
»Die hond boezemt u toch belang in.”
»Ik weet niet of ’t om den hond is,” antwoordde Thoren van Hagen op gedempten toon.
Zij gaven hun paarden de sporen en reden snel over den goed onderhouden weg, die dwars door koffietuinen voerde; zij spraken geen woord meer, de wind joeg een frisschen blos op Corona’s wangen, haar oogen schitterden door den snellen rit, haar neusvleugels trilden, haar half geopende lippen verrieden door een onwillekeurigen glimlach het genot dat zij er in vond, zoo snel te rijden in de balsemgeurige morgenlucht.
Thoren van Hagen kon zijn blik niet van haar afwenden; haar lange schitterende, blauwzwarte haren wapperden als een mantel van onder haar »gouden helm”, zooals hij dat hoedje noemde, haar wit gewaad golfde om haar heen; hij voelde meer dan ooit het verlangen, die schoone, vreemdsoortige vrouw de zijne te noemen. Alles kon hij op ’t spel zetten, dat voelde hij, om haar te veroveren, maar de tijd was niet gekomen, een onvoorzichtigheid zou alles doen verliezen; hij voelde zijn bloed sneller stroomen, zijn polsen hoorbaar kloppen bij het voortrijden.
»Daar moeten we afstappen,” zeide Corona, met haar zweepje op een reusachtigen waringinboom wijzend, die nog eenige minuten van hen verwijderd was.
»Nu al!” zeide hij met zekeren spijt.
»O beklaag er u niet over! U weet niet, mijnheer Thoren, hoeveel heerlijks u nog wacht.”
Zij reden langzamer; onder den waringin die voor heilig scheen gehouden te worden, zag men offers van de eenvoudige landlieden, bloemen, lampjes.
Het schildknaapje sprong van zijn paard en hield Corona’s dier bij den toom; Thoren van Hagen wierp hem ook zijn leidsels toe en bood zijn geleidster de hand tot afstappen. Zij nam die onverschillig aan, en zoodra zij op den vasten grond was, wierp zij met een bevallige beweging haar sleep over den arm en ging Thoren van Hagen voor naar een schijnbaar dichtbegroeid bosch; een zachte, onuitsprekelijk liefelijke, onbestemde muziek trof hun oor.
»Kan Portias dat ook op zijn piano of op zijn viool overbrengen,” vroeg zij. »Ik ben eens hier geweest met hem en toen beweerde hij ’t natuurlijk ook.”
Een toornige gloed lichtte even in haar oogen. Zij dacht er aan hoe Portias toen had gedurfd, wat deze haar cavalier stellig verre beneden zich zou achten, hij had gewaagd haar zijn liefde te bekennen. Hij, de verliefde nar van Kitty, ’t was Corona of zij haar schaterenden spotlach van toen nog hoorde, die het liefelijke gemurmel overstemde.
»Vroeger was hier een dalem,” zoo ging zij voort, »een lusthuis van een Javaanschen sultan of radhen, ’t doet er niet toe. Van het lusthuis is niets meer overgebleven dan die muren, waarover nu mos en klimop groeien, maar hier in den tuin had men waterwerken aangelegd, die zijn behouden gebleven, want de natuur was de grootste kunstenares.”
Zij kwamen aan een onbeschrijfelijk, schilderachtig plekje; de hooge boomen weken eenigszins terug, op een zacht glooiende vlakte ontsprongen tallooze natuurlijke bronnen, helder als kristal, melodieus ruischend als een gezang, zoo doorschijnend, dat de duizenden visschen, die onbevreesd in het water dartelden, even helder te onderscheiden waren als de weerspiegeling van de varens en bloemen, die zich er over nederbogen; tusschen die altijd voortkabbelende golfjes had het genie der Javaansche waterkunstenaars, holle bamboes doen hangen van verschillende dikte en lengte, in beweging gebracht door kleine raderen; hierdoor ontstond die eigenaardige muziek, welke nacht en dag voortduurde, altijd weemoedig klagend, treurend als over vervallen grootheid.
Er lag iets sombers, iets plechtigs in de geheele omgeving; de boomen met hun hooge bladerkruinen, de rijke orchidéen, die zich aan de stammen vasthechtten en hun pluimvormige bloemen en bevallige slingers af lieten hangen, als dorstten zij naar dat water, de fijne geknipte varens in hunne rijke verscheidenheid, de waterleliën en sokkabloemen, die tusschen de visschen in het vloeibaar kristal dreven, alles omringde een rust en kalmte, die men vreesde door een enkel woord te verbreken.
»Wil u mij nu vertellen,” vroeg Thoren van Hagen, »ik ben in een stemming om alles te gelooven; al kwamen er ook waternimfen uit die kelken opstijgen of de grotten verlaten, dan nog zou het mij niet verwonderen.”
En in zijn hart dacht hij dat er niets tooverachtiger, niets meer gepast in deze omgeving zijn kon dan de schoone amazone.
»Verhaal me van een bevallige sultane,” zeide hij, »die hier liefhad, die hier weende en zuchtte om haar afwezigen Achmed, maar verhaal ook hoe zij elkaar vonden, gelukkig werden en lang, heel lang regeerden.”
Zij glimlachte zooals zij het zelden deed hoewel het haar onweerstaanbaar aantrekkelijk maakte.
»Durft u hier zitten?” vroeg hij, »op dezen steen?”
Het was een zwarte, bemoste steen, met een Hindoesch opschrift voorzien. Thoren streek eenige varens weg en zij zette zich neer; hij wilde voor haar zich op het gras uitstrekken. Corona maakte een gebaar van afschuw:
»Doe dat niet, heeft u dan nooit gehoord van de slangen, die zich hier altijd in het gras verschuilen?”
»O, ik vrees geen slang aan uw voeten.”
Even bedekte een blos haar wangen, maar op zijn gewonen half schertsenden toon ging Thoren van Hagen voort:
»Wil u nu vertellen? Ik ben nieuwsgierig als een schoolknaap, wien tot belooning een sprookje is beloofd.”
»Nu dan, maar u moet niet spotten, niet lachen!”
»Spotten, lachen! O waarvoor ziet u mij aan!”
»Ik heb ’t in een oud javaansch boek gelezen en zoo zal ik het u ook overbrengen.”
»Neen, ik vraag niet, van waar u ’t weet, al had u ’t ook verzonnen, dan nog zou ik u gelooven en... u danken!”
»Welnu dan! In ouden, ouden tijd... u verlangt immers geen jaartallen!”
»Foei, wees niet wreed.”
»Toen woonde hier in den Dalem een machtig vorst, die over Midden Java regeerde, hij had een zoon, wiens moeder tot het reuzengeslacht behoorde, en van wien hem voorspeld was, dat hij zijn vader van troon en leven zou berooven. De prins werd verbannen en zijn bedroefde moeder gaf hem tot vergoeding de macht om allerlei gedaanten aan te nemen. Zoo zwierf hij dan in den omtrek van zijn vaders paleis, en voerde menig bedrog uit; dan won hij als schoone jongeling de gunst eener prinses maar veranderde zich voor haar voeten in een afschuwelijk gedrocht, dan legde hij zich over de rivier en strekte den voorbijgangers tot brug.
»Eens sloeg een landman zijn bijl in die brug, doch toen het bloed van prins Djamar begon te vloeien ontdekte men dat het een slang was; de dessabewoners sloegen hem in stukken en Djamar’s ziel ging over in het lichaam van een kind. Eenzaam wandelde hij door het woud en speelde met een lidi [54], welke hij in den grond stak, daar ongeveer waar thans uw huis staat; maar nauwelijks had hij dat gedaan of de aarde schudde driemaal, de donder ratelde en als een fontein spoot het water uit de kleine opening omhoog, alles verkeerde in een watervloed.”
»En zoo ontstond mijn meer!”
»Ja, en de grond waarop Djamar’s voeten rustten veranderde in een eiland; toen steeg hij op in de lucht en verdween voor het menschenoog.”
»Maar de hond?”
»Geduld! Hij was een luchtgeest geworden die alles zag en alles hoorde; eens woonde in dezen Dalem een mooie prinses, prinsessen zijn altijd mooi... die zat te weven en liet haar weefspoel in een van deze bronnen vallen. Zij had misschien een stiefmoeder die haar over het verlies hard zou vallen, tenminste zij was troosteloos, en dat trof den luchtgeest Djamar; hij hoorde hoe de sultan, aan hem die de weefspoel aan zijn schoone beschermeling terugbracht, haar hand beloofde en nu veranderde hij zich in een rooden hond, wierp zich in de bron en vond de weefspoel.”
»En de belofte des konings?”
»Zij moest den hond trouwen, en in haar wanhoop vloog zij weg van hier, den berg op, om zich in den krater te werpen. Djamar volgde haar van nabij, zij hoorde zijn blaffen en snelde altijd voort over rotsblokken en lavavelden. Daar stond zij eindelijk boven, het afschuwelijke dier kwam haar steeds nader, nog eenige stappen en zij kon hem voor goed ontsnappen, een laatste rotsblok... zij wilde den sprong wagen, haar sarong was reeds tusschen zijn tanden geklemd, zij rukte dien los en... voor haar oogen stond een beeldschoon jongeling, die haar in zijn armen sloot.”
»En zij maakte geen tegenwerpingen meer?”
»’t Schijnt van niet! Zij trouwden en verjoegen den ouden sultan en regeerden in zijn plaats, maar ’s nachts alleen mocht Djamar mensch zijn; over dag zwierf hij als hond in de bosschen. Zijn vrouw schonk hem een zoon, die veel op jacht ging. De roode hond hielp hem het wild opsporen; eens viel hij een tijger aan, die zijn zoon aanviel; het ondier stierf, maar tevens de hond. Troosteloos kwam de jonge prins t’ huis en nu verhaalde zijn moeder hem het treurige geheim dat de roode hond zijn vader was. En nu nog zeggen de Javanen, hooren zij tegen het vallen van den avond een scherp geblaf; dan zwijgen alle honden en spitsen de ooren. ’t Is Djamar, die zich naar huis spoedt naar zijn vrouw om tegen zonsondergang de menschengedaante weer aan te nemen.”
»En voorspelt zijn verschijning ongeluk?”
»Ja, dat gelooft men hier algemeen.”
»Als men hem ziet, maar dat zal nooit gebeuren, ’t doet er niet toe, ik vind uw verhaal aantrekkelijk, ik heb dien luchtgeest lief, en geloof dat hij hier woont, maar ik begeer hem niet te zien!”
»Wij stammen van Djamar af,” zeide Corona glimlachend.
»U?”
»Ja, door mijn grootmoeder; daarom hecht ik zooveel aan die legende, evenveel als aan de verhalen, die mijn grootvader uit den tijd van den grooten keizer placht te doen. Misschien zijn deze na twee eeuwen evenveel of even weinig geloofwaardig als de heldenfeiten van den rooden hond.”
»Verbeeld u, dat hij voor ons verscheen! Ik zou ’t voorbeeld van den jongen prins volgen en hem dooden, misschien kan ik u dan meteen bewijzen iets, waarvan ge het tegendeel niet hebt gezien.”
»En dat is?”
»Dat ik moed bezit, meer dan uw zwager Akkeveen.”
Zij glimlachte en vroeg:
»Heeft u dat niet vergeten?”
»Zou ik een van uw woorden kunnen vergeten? Zij klinken voort in mijn eenzaamheid. Heeft Hermelijn u verteld van mijn treurige jeugd, van de schaduw, die op mijn leven rust?”
»Ja, met een enkel woord.”
»Vindt u niet dat het veel uitlegt en veel vergoelijkt?”
»Moet er iets vergoelijkt worden?”
»Mijn nutteloos leven, mijn... ongedurigheid en toch, ’t is nu of er een crisis in mijn lot komt, of het nu een andere wending gaat nemen.”
»Hier?”
»Ja hier; het schijnt mij dikwijls toe of ik mijn leven niet voor niets verspeeld, mijn jaren niet vergeefs verbruikt heb, daar ik in Ngaroengan mocht komen en...”
Hij zweeg als verschrikt voor zijn eigen woorden, die hem te ver voerden.
Hij stond vlak voor haar tegen een boom geleund; het water murmelde een zoet melodieus wiegelied, de aromatische geur van bloemen en bladeren vervulde de lucht, zacht speelde het windje dat door de boomen voer, met Corona’s lange lokken, zij streek ze met een ongeduldig gebaar naar achteren en sprong op.
»Laat ons gaan! Dat eeuwige zingen van het water ontstemt mij geheel; ik kan me begrijpen dat hier alleen droomerige, vadsige Javanen konden leven, en ik moet beweging, arbeid, verstrooiing hebben; ik aard meer naar de Gérans dan naar de Djamars.”
»U is een Diana en geen peinzende waternimf; maar ook Diana rustte soms aan de waterbronnen, waarom wil u zichzelf geen oogenblik kalmte gunnen?”
»’t Wordt laat; papa wacht ons, u kan hier immers terugkeeren, als u het plekje zoo aantrekkelijk vindt.”
»Zal het nog zoo wezen als Diana verdwenen is?”
»Mijnheer Thoren van Hagen, hoe aardig u die complimenten ook weet in te kleeden, ik herken ze toch en brandmerk ze als verboden waar.”
»Nu, dan zal ik ze niet meer trachten binnen te smokkelen. U wil vertrekken, en ik blijf u dankbaar voor het genot mij geschonken.”
»Ja, ’t is een mooi punt.”
»En uw verhaal op deze plek gaf er een eigenaardige bekoorlijkheid aan. Moeten we ons haasten om bijtijds uw vader te ontmoeten?”
»Aan de schaduw der boomen zie ik dat het omstreeks tien uur is. We moeten hem tegemoet gaan.”
Hun gesprek klonk nu zeer gewoon, in zijn stem was geen spoor meer over van den eigenaardigen klank, welke haar straks bijna onder een betoovering had gebracht, die zij met geweld van zich wenschte af te schudden. Zij bestegen hun paarden weder en reden den heer de Géran tegemoet.
XXIV.
Toen Hermelijn in Djantong terugkwam, was haar man niet thuis; zij trad binnen met het gevoel van een vogeltje, dat in zijn kooi terugkeert, uit eigen wil, na eerst getracht te hebben in de vrije lucht te leven en het daar even treurig, even somber vond als binnen.
Zij ging alle kamers door als zocht zij een spoor van hem, wiens beeld haar geen oogenblik uit de gedachte week; zoo betrad zij ook zijn kamer. Aan de muur hing het portret zijner moeder, eene schoone peinzende vrouw, daaronder dat van een paar zijner zusters en broers,—niets dat aan haar herinnerde; op tafel lagen boeken en cahiers in echte jongensachtige verwarring door elkander.
Met licht verklaarbare nieuwsgierigheid wierp Hermelijn daarin een blik en glimlachte; het waren Duitsche en Fransche leesboeken, die hij scheen te bestudeeren. De Frithjofssage lag er tusschen, rijk met potlood-aanteekeningen voorzien; hij scheen het er op gezet te hebben, die te verstaan, ook teekeningen lagen daar half verspreid of half weggeborgen in een portefeuille.
Conrad teekende uitstekend; zonder veel les te hebben gehad, slaagde hij er in paarden en menschen vlug uit de hand weer te geven. Hermelijn nam ze op en zag die kloek uitgevoerde schetsen bewonderend na, totdat haar aandacht getrokken werd door een blad papier, waarop allerlei losse schetsen waren neergeworpen, een vrouwekop, in verschillende uitdrukkingen en van alle kanten weergegeven, kwam telkens en telkens terug, als wanhoopte hij er aan, ooit in de uitvoering te slagen.
Het bloed steeg Hermelijn naar het hoofd; dat was zijzelf, er kon geen twijfel mogelijk zijn; ondanks zijn schijnbare onverschilligheid was Conrad’s geest toch met haar bezig. In haar afwezigheid had hij getracht haar na te teekenen, hij dacht aan haar, hij wilde haar zien; met bevende handen, als in een droom, legde zij de teekeningen weer op hun oorspronkelijke plaats, en verliet de kamer zoo zacht als zij kon, met de oogen half gesloten, zoo vreesde zij het gezicht dat zij aanschouwd hadden, door de nabijheid van andere voorwerpen, te verliezen.
Het was of er iets lossprong in haar hart, of een band die haar ziel samensnoerde, plotseling verwijd werd, zij kon jubelen, zij kon bidden, zij kon danken; het was of zij weken lang gedoold had in een sombere grot en nu eindelijk een flauw schijnsel ontwaarde, dat redding, leven, geluk beloofde. Zij was zoo verheugd door haar ontdekking als een schipbreukeling zijn moet, die na zijn lange omzwerving op den Oceaan eindelijk een landvogel ontwaart of de onbepaalde geur ruikt van bosschen en bloemen; en zij smachtte naar liefde, naar geluk, als de drenkeling naar vasten grond.
»Mijn God, ik dank u, ’t is of ik ook U weer teruggevonden heb, nu ik weer een bewijs voor uw liefde, uw goedheid zie,” snikte zij, »o, ik kon mij u niet anders voorstellen dan als een teederen vader en zoudt ge mij hier alleen laten tusschen al die vreemden, zonder steun, zonder plicht, zonder hoop?”
Zij trachtte langzaam tot bedaren te komen, den storm van blijde gevoelens, die in haar opstak te onderdrukken, opdat hij niets zou bemerken als hij terugkwam; wanneer hij nu eens binnentrad en haar plotseling in zijn armen sloot, zou zij nog wrok tegen hem voelen? Neen, niets, niets meer, zij zou de oogen sluiten, tegen hem rusten als een vermoeid, gewond vogeltje en hem niets anders verwijten dan:
»Stoute jongen, wat heb je mij geplaagd!”
Maar zij moest leven in de werkelijkheid, niet in het land der droomen en met een glimlach stond zij op en trachtte de gangen van haar huis na te gaan.
Er was weinig te doen, alles bevond zich in de volmaaktste orde; de bedienden, door Corona aan haar afgestaan, waren beproefd en vertrouwbaar; zoo zij niet vol was van het reinste, hoogste geluk, zou ’t bewustzijn haar pijnlijk getroffen hebben dat zij volstrekt niet onmisbaar was, dat haar afwezigheid niet de minste stoornis bracht in het kleine raderwerk van haar huishoudentje.
Daar hoorde zij plotseling Conrad’s stem, die zijn staljongens iets toeriep; al het bloed stroomde uit haar gelaat weg, wat moest zij doen, hem tegemoet gaan, zooals haar hart dat ingaf? Of afwachten?
Hij sprak met Guillaume’s mandoer, die met zijn dienstpersoneel rustig in een der bijgebouwen rondom de sirih-doos geschaard zat, en wist alzoo dat zijn vrouw teruggekeerd was; na enkele minuten, die Hermelijn uren toeschenen, trad hij door de achtergalerij het huis binnen; hij wist niet wat hij doen zou. Hermelijn’s gespitste oortjes namen duidelijk elk geluid op, dat hij heen en weer loopende, maakte. Na eenigen tijd op en neer schuiven kwam hij eindelijk naar voren, waar Hermelijn in haar schommelstoeltje zat te lezen, schijnbaar tenminste, want het boek met al zijn letters danste haar voor oogen.
»Dag Hermine,” zeide hij kortaf.
»Dag Conrad,” antwoordde zij zonder de oogen op te slaan; ’t was of alles bij haar klopte, de polsen, het hart, de keel, de oogleden zelfs; zij kon zich niet verroeren en vermoedde niet, hoe zij in Conrad’s oog het beeld der volmaaktste onverschilligheid scheen.
En toen hij bleef zwijgen en al zijn aandacht wijdde aan een knoop in het ophaaltouw der rieten zonneblinden, ging zij voort:
»Je moet de groeten hebben van Poppie en August, en van Guillaume en Toetie.”
»Zoo, waren ze allemaal wel?”
»Ja, ik vond Poppie recht hartelijk en goedig voor mij!”
»Dat doet me pleizier.”
»Je zegt het of ’t je niet schelen kan.”
Hij antwoordde niet en ging voort den knoop te ontwarren.
»Heb je nog visite gehad?”
»Neen.”
»En ben je nog naar ’t groote huis geweest?”
»Wat zou ik er doen? Je komt er zeker van daan?”
»Neen, ik kom rechtstreeks van Wilhelmshöhe.”
»Waarom ben je er niet langer gebleven?”
»Omdat ik mij liever misplaatst voel in mijn eigen huis, dan in dat van anderen.”
Daar bleef het gesprek bij; arme Hermelijn, al haar droomen van toenadering en verzoening verdwenen in rook maar toch, het sterretje bleef flikkeren, te midden van den stikdonkeren nacht, en daarheen wendde zij nu al haar hoop, al haar vertrouwen.
Er was niet de minste verandering in Conrad’s houding tegenover haar; hij ging zijn weg en zij den hare; Hermelijn merkte alleen op, dat hij iets minder onbeleefd was. Een enkelen keer gaf hij haar aan tafel wat aan, hij kleedde zich des middags en joeg zijn honden niet door het huis, maar bij elke toenadering van zijn vrouw, hoe gering ook, trok hij zich terug en, hoeveel ’t haar kostte, begreep Hermelijn nu toch, dat er niets beters kon zijn dan hem geheel aan zich zelf over te laten, en niet de minste blijken te geven dat zij door zijn houding bitter leed. Onverwacht kreeg zij den volgenden dag bezoek van Portias en Kitty, die van August terugkeerden en langs een omweg Djantong aandeden.
Hermelijn’s wangen gloeiden door de aangename verrassing. Conrad was natuurlijk van huis; zonder zijn stroohoed af te zetten, nam Portias plaats voor de piano en sloeg eenige helderklinkende accoorden aan. Kitty moest alles weten wat er bij Toetie voorgevallen was en gierde het uit van ’t lachen; beiden waren opgewonden als een paar schoolkinderen, die een dag vacantie hadden.
»Morgen zitten we weer onder Cor’s duim, laten we vandaag maar pret maken!” juichte Kitty, »och toe, Jo, speel nu eens een walsje, dan gaan we een rondje maken! Mineke en ik!”
»Op sloffen?” vroeg Hermelijn lachend.
»Dat hindert niet, kom ventje, dan speelt Mine straks ook en dan gaan wij samen dansen! An der schönen, blauen Donau.”
En zij greep haar zuster om het middel en toen de muiltjes haar hinderden, wierp zij ze af en danste op haar bloote voeten. Hermelijn had Europeesche pantoffels met hakjes aan en kende dus dat bezwaar niet, al vond zij de sarong nu juist geen geschikte dansjapon.
Plotseling zag Portias echter dat zijn Kitty met haar rose voetjes over het witte marmer trippelde; hij sprong op, nam haar in zijn armen en deed haar zelf de muiltjes weer aan, luid knorrend over haar onvoorzichtigheid.
»Viooltje, viooltje! wat doe je toch je man een verdriet, foei, foei! heb je dat van Poppie geleerd; je weet ik hou niet van zulke adat Djawa [55].”
»Maar ik kan moeilijk zoo dansen.”
»Dan moet je spelen?”
»Ondeugende jongen, dat is om met Hermelijn te kunnen dansen! Nu, ik zal maar denken, dat je de vrouw ontwend bent. Verbeeld je Mine, al dien tijd heeft hij zijn oude vlam Cor het hof gemaakt. Kun je ’t nu begrijpen, dat ik zoo’n vlinder heb willen nemen? Hij is doodelijker van Cor geweest dan ooit van mij!”
»Viooltje, viooltje! Wat klink je nu valsch.”
»Haar noemde hij altijd violoncel! Ik ben maar een kleine viool, en zij is het zuiverste, het grootste instrument. Ja, ik kan ook jaloersch wezen; nu, op Mientje ben ik het niet. Dans maar eens een walsje met haar, je kunt het zoo mooi; ik zal wat gaan tingelen.”
Juist was Hermelijn druk met Portias aan het doorwalsen van de galerij, toen Conrad t’huis kwam en het luide gelach van Kitty hoorde, dat haar vrij hakkelend pianospel overstemde.