Hermelijn

Part 12

Chapter 123,960 wordsPublic domain

Thoren van Hagen ging vooruit met het ventje op den nek, de weg was een holle, hoog beschaduwd met bamboestruiken en ramboetanboomen waartusschen de koffieplant groeide.

»Weet u wel, dat we vlak bij mijn villa zijn,” vroeg hij, zich plotseling omkeerend, en tot het kind: »Nu Njo, genoeg paardje gereden op oom?”

»Oom,” gierde Margot, »hoor je Philip, meneer noemt zich oom.”

»Nu Margot, is dat zoo onmogelijk? Njo vindt het zoo vreemd niet, hé jongen?”

»De jongen ziet en hoort ook van niets anders dan van ooms en tantes!” zei Kitty.

»Dan hindert een oom meer of minder niet, waar de boom zoo vol geladen is.”

»En nu gaat Njo, zooals het een behoorlijk jongmensch past, aan oom’s handje wandelen! Heel netjes en fatsoenlijk; morgen krijg je wat lekkers van oom.”

De weg kwam werkelijk uit op het verrukkelijk meertje, dat Thoren van Hagen zich tot woonplaats had uitgekozen; stil en vredig lag het daar in de vallende duisternis, omzoomd door rotsen en boomen. Een enkele ster spiegelde zich in het gladde water, eenige watervogels gleden statig over de licht gerimpelde oppervlakte.

Een kleine boot lag bij een der eilanden, en verried het plan van den landheer, om over het meer tochtjes te doen.

»Een schuitje, hoe prettig!” riep Kitty.

»’t Staat te uwer beschikking, mevrouw! En aan wie mag ik nu mijn Njotje toevertrouwen, aan jou, Philip, je hebt er nu net een gezicht naar, om zonder dat jezelf er veel last van hebt hem veilig t’huis te brengen.”

»Ga je niet mee, Thoren! We hadden zoo gerekend op een gezellig muziekavondje, nu Hermine er is.”

»’t Spijt me, Portias, maar ik moet van avond dringend t’huis zijn; ik heb mijn huisgenoot beloofd met hem op de vleermuizenjacht te gaan. Die beesten maken het mij zoo geducht lastig! En dan, we hebben van avond ketan item [33] voor diné.”

»Is u heel ingericht?” vroeg Hermelijn.

»Op de voorgalerij na! Dan hoop ik een inwijdingsfeest te geven.”

»Een mooi vooruitzicht!” zeide Corona spottend.

»Een jongeheeren feest?” vroeg Kitty.

»Wel neen, ik zal juffrouw Iteko verzoeken er de honneurs van waar te nemen.”

»U ook al meneer van Hagen? Van Akkeveen is zoo iets te verwachten, maar van u.”

»Van mij, lieve juffrouw, wat bedoelt u!”

»Ik wil geen laffe aardigheden hooren op een uitstekend goed schepsel, wier eenige fout het is dat ze ongelukkig is.”

»Maak ik dan aardigheden? Ik verzeker u dat het mij ernst is en zal het bewijzen ook. De vrouwen zijn wel gelukkig, ze mogen alles straffeloos wezen, mooi, geestig, scherp, voorbarig, en wij arme sukkels staan er weerloos tegenover.”

»U is wel te beklagen,” antwoordde Corona vol ingehouden toorn.

XX.

De koffielanden der Gérans lagen op de helling van den Merawoe, een sinds jaren schijnbaar rustige vulcaan, die echter in den laatsten tijd enkele teekenen van leven gaf in den vorm van luchtige pluimen die als donzige wolken den krater ontsnapten; nu en dan hoorden de Javanen ook een onderaardsch gedruisch, dat schrik en vrees onder hen bracht, maar tot nu toe geen verdere gevolgen had.

Aan den voet van den berg strekte zich een heuvelachtige oppervlakte uit, rijk aan wouden en dalen, aan stille meren en oudheden uit den Hindoetijd, die dit gedeelte tot een der merkwaardigste van Java maakten.

Vredige dessa’s [34] brachten met hun goudbruine daken afwisseling in die zee van groen, en sawahs [35], dambordvormig afgedeeld, daalden trapsgewijze de hellingen af. Het groote huis lag tegen den heuvelrug aan, vanwaar men een uitgestrekt gezicht had; hoogerop, dieper in het woud, bevond zich het land, waarover August het opzicht had.

De weg ging steil opwaarts, langs rotsmuren en ravijnen, gevuld met den weelderigsten plantengroei; een rijtuig zou langs den smal kronkelenden weg niet kunnen voortgaan, slechts het kleine, dappere paard van August, te klein bijna voor zijn lange beenen, en de tandoe, waarin beide schoonzusters zaten, door zes koelies gedragen, konden zich aan de moeilijke bestijging wagen.

Portias had gaarne zijn vrouwtje gevolgd maar zijn schoonvader vertrouwde hem een werk toe, dat veel te doen gaf, en waarbij zulk een haast was, dat er van meegaan geen sprake kon zijn.

Corona liet zich dien morgen niet zien; zij had haar vader gevraagd of ’t met zijn goedkeuring was, dat Kitty meeging.

»Maar kindlief,” was het antwoord, »wat kan ’t mij schelen als haar man het goedvindt; heb jij er iets tegen, belet ’t haar dan.”

Zij voelde haar onmacht om dat uitstapje te beletten; met leede oogen zag zij de toenemende vriendschap tusschen Kitty en Hermelijn aan, een vriendschap, waarop zij alleen recht meende te hebben; zij had alle moeite gedaan die te verwerven, zij die niet gewoon was om liefde of vriendschap te bedelen, en Hermelijn bleef standvastig op een afstand. Zij behandelde haar met koelen afkeer, zou ’t dan waar zijn, wat Thoren van Hagen had gezegd, dat het een slechte daad geweest was, Conrad te dwingen tot zijn geluk?

Zoo vertrokken dan Kitty en Hermelijn zonder haar afscheidsgroet en hun stemming was er niet slechter om. Het was zeer vroeg in den morgen, de dauw lag nog over het gras en de boomen, de bamboes en varens, de alang-alang en de woudbloemen; hoe hooger men kwam, hoe frisscher de atmosfeer werd, een nieuw leven doortintelde Hermelijn’s aderen; daar de tandoe hoogst langzaam ging, stapte zij nu en dan uit om te wandelen en ten volle de heerlijke natuur te genieten.

Bij elke kromming van den weg vertoonde zich een ander gezicht: rotsblokken in chaotische verwarring opeengestapeld, bedekt met mantels van groen, wit en rood gebladerte, vergezichten op rijstvelden, die een groot meer geleken, waaruit als eilanden de groene boomen doken, die een kampong overschaduwden; wouden, ineengestrengelde koepeldaken, die met moeite een zonnestraal doorlieten en op welks bodem het donkergroene mos met ontelbare woekerplanten doorwoeld werd; ravijnen, waarin de toppen van de hoogste boomen onbereikbaar diep aan haar voeten lagen.

En boven dat alles de top van den bergreus, verscholen tusschen blauwe wolken, die nu eens een bekoorlijken sluier wierpen over bosschen en rotsen, dan weer door de zon beschenen, schitterden in weergaloozen gouden gloed.

»Hoe heerlijk te leven en gelukkig te zijn,” riep Hermelijn, Kitty’s arm drukkende, terwijl zij de wonderbare tropische natuur plotseling omfloersd zag door het vochtige waas dat haar oogen bedekte.

»We moesten met ons vieren zijn, ik met met mijn José, jij met Conrad!”

»Niets gemakkelijker dan dat voor jou, maar voor mij!”

»Wacht maar, Hermelijn! Wie verzekert ons dat hij niet evenveel verdriet heeft als jij?”

»Omdat hij met mij getrouwd is?”

»Neen, omdat hij verlegen is met zijn eigen houding! Let maar op, zusjelief, hij weet niet, hoe hij ’t moet aanleggen, want hij is een domme jongen, maar geloof me, als hij alles vooruit had geweten, zou hij ’t anders hebben aangelegd.”

»Wat vooruit geweten?”

»Wel dat je zoo’n lief, goed Hermelijntje was, die Cor zoo aardig op haar plaats kon zetten. Portias zal ’t hem vertellen, wat je gisteren avond tegen haar hebt durven zeggen.”

»Maar is daar nu zoo’n moed toe noodig?”

»We zijn allemaal bang voor haar, ik heb zooveel van haar gehouden en toch, zoo iets durfde ik nooit uitspreken.”

Tegen den middag kwam men aan het hooggelegen, bijna geheel in de bosschen verscholen huis van August; het was van bamboes opgetrokken en met atap [36] gedekt, maar het zag er toch netjes uit. Een loentasheg omgaf het van drie zijden; in de voorgalerij stonden potten met bloemen, die Hermelijn wel wat kinderachtig vond, daar waar men de heerlijkste exemplaren van het plantenrijk voor het bewonderen had in den vrijen grond; de kerees [37] hingen neer, maar op het getrappel van papa’s paard kwamen een zestal kereltjes, van verschillende schakeeringen bruin, opstuiven. Het eenige verschil was dat eenige in hansop, schilderachtig badjoe monjet (apenbaadje) genoemd, waren gekleed zonder aanzien van geslacht of leeftijd, terwijl de anderen dit eenige kleedingstuk geheel misten. De jongste scheen nauwelijks één jaar en hield een groote pisang [38] onophoudelijk tusschen hand en mond, de anderen hadden òf kuikens, òf vruchten in de vuile vingers.

Zij spraken niet eens Maleisch maar Javaansch, allen door mekaar, een gillend, de andere kermend, papa tegemoet vliegend. Kitty greep er twee, die als droppels water op elkaar geleken bij de badjoe monjet en stelde ze Hermelijn voor.

»Het tweede tweelingpaar, tot het oudste behoort Jantje.”

»Dan is het gemakkelijk er tien bij mekaar te krijgen,” antwoordde Hermelijn lachend en dreef de zelfoverwinning zoover, dat zij op het met zand en pisangpap bemorste gezichtje een plek zocht, waar zij een kus drukte, bij welk onverwacht bewijs van tantelijke liefde het jongentje of meisje ’t op zulk een luid geschreeuw zette, dat zij zich niet meer aan de herhaling der liefkoozing waagde.

Toen zij het huis betrad kwam de dikke Poppie in een bonte kabaja, met hooge kondé [39], geheel het uiterlijk eener Javaansche baboe, aangewaggeld, haar in het Maleisch verwelkomend.

»Hoor eens Pop,” zei Kitty, »onze lieve zus kan reeds heel aardig maleisch voor haar doen, maar met haar schoonzuster spreekt zij bij voorkeur Hollandsch.”

»Ja, ik vergeet haast! Kom hier, ik zal wijzen met jou kamer en dan wij gaan eten.”

»Laper sekali,” [40] bromde August.

»Ja, kassian! Cor geeft ook niets mee voor te eten, wacht als ze weg gaat, ik geef ketoepat en saté, en kwee-kwee!”

»Dadelijk eten!”

Met bedrijvige hartelijkheid rolde de goedhartige dikkert voor hen uit naar de logeerkamer, die er heel anders uitzag dan die van Ngaroengan en Djantong; alles had een even Inlandsch aanzien, ofschoon blinkend van zindelijkheid. De voorgalerij werd nooit gebruikt en was bijna altijd gesloten; in de achtergalerij scheen men te huizen, daar stond tenminste August’s leuningstoel en de rustbank met kussens opgestapeld, waarop moeder Poppie en haar kinderen met opgetrokken knieën zaten te eten, want van aan tafel zitten was geen sprake.

Poppie deed op gewone dagen als er geen logés waren alles op een diep bord en zette den hoogen rijstberg voor August, die in zijn luiaardstoel lag en zoo dineerde, dan nam zij op een ander bord een bijna even grooten hoop, ging met de onnavolgbare vlugheid van een Indische vrouw op de baleh-baleh [41] zitten, de beenen kruisgewijze onder haar gevouwen en begon met haar vijf vingers eerst zich zelf te voeren en dan haar talrijk kroost, dat op bloote voeten om haar heen trippelde of wel op de baléh-baléh klom, stoeide, griende, kibbelde om elk stukje vleesch dat Adik meer kreeg dan Non, of om elke hap, die een beurt oversloeg bij Pietje of Jootje; zoo hadden ten huize van August de middagmalen plaats. De grootere kinderen kregen een batok (uitgeholde klappernoot) vol rijst en toebehooren en gingen ergens op de trappen zitten of in den tuin en kwamen zich aanmelden als de voorraad uitgeput was. Na het diner of de lunch, nam mevrouw Poppie haar mooie schildpadden sirihdoos en tracteerde zich zelf op een pruimpje dat zij met grooten smaak toebereidde; zij spoelde daarna echter steeds haar mond en durfde zich niet te veel aan haar liefhebberij overgeven; want als Corona er achter kwam, wist zij wel, wat er volgen zou.

Daarna ging Njonja [42] een praatje houden met de kokkie, die naast de naaister op een matje kwam hurken; zij zelf nam daarbij een korte welverdiende rust op de baléh-baléh, omringd door haar lievelingen.

Nu echter was alles anders ingericht; de zusters waren het zoo deftig gewoon, daarbij de eene was een tottok. [43] De tafel werd behoorlijk gedekt en van zilveren lepels en vorken voorzien; de stoelen waren aangezet maar de kinderen kregen hun batok en de kleinen werden door de baboe op een matje vereenigd en door haar gedoelangd (gevoed). Hermelijn moest uit een ondragelijke omgeving ontsnapt zijn om zich hier op haar gemak te voelen. August sprak met zijn vrouw slechts in het Maleisch of Javaansch, Poppie draafde door zonder te bemerken, hoeveel bokken tegen het Hollandsch door haar geschoten werden en links en rechts neervielen; Kitty alleen was haar gezelschap waard en Hermelijn smachtte er naar met haar samen te kunnen zijn.

Na het maal, dat zoo overvloedig was als een echte Indische rijsttafel het slechts kon wezen, gingen zij naar haar kamer en daar spraken beiden naar hartelust over hetgeen hen zoo ter harte ging: Conrad en alweer Conrad; Hermelijn werd niet moe over zijn jeugd te hooren verhalen.

»Hou je nog altijd veel van hem?” vroeg Kitty.

»Moet ik ’t dan niet? Hij is mijn man, als ik niet meer van hem kon houden dan zou mijn ongeluk niet te overzien zijn.”

’s Middags werd er gebaad, maar het toilet van Poppie bepaalde zich tot het aantrekken van een schoone witte kabaja, dat was nog een beleefdheid den gasten aangedaan, anders werd de bonte kabaja tegen een andere van die kleur verruild. De kinderen kregen schoone hansoppen aan, vóór dat zij het bosch ingingen. Mama had voor pisang goreng en kollak [44] gezorgd, waaraan zij zich zoolang te gast deden, tot er zelfs onpasselijkheden en nieuwe huilpartijen ontstonden.

Al was dus de geest, die in dit huishouden heerschte, voor Hermelijn nu juist niet opwekkend of verfrisschend, materieel deed het haar bijzonder goed, dank de groote wandelingen, die zij met Kitty en August maakte, de rijtoertjes, welke zij alleen met hem ondernam, want Kitty bleef t’huis gehoorzaam aan haar man, met alle blijmoedigheid, die een liefhebbende vrouw leggen kan in haar onderwerping aan den wil van een beminden meester.

»Kon ik den mijne ook maar gehoorzamen. Gaf hij mij maar een gebod, een wensch, dien ik opvolgen moest!” zuchtte Hermelijn.

Maar voornamelijk was het haar een troost met Kitty over al die duizend kleine nietigheden te kunnen keuvelen, waarover jonge meisjes en vrouwtjes nooit uitgeput raken, en waaraan zij evengoed behoefte hebben als aan versche lucht en dagelijksch brood. Zich uit te praten is zoo iets echt vrouwelijks, dat zij, die er de gelegenheid niet toe hebben, het gemis daarvan voelen tot schade van haar lichaams- of zielsgezondheid; het onverstoorbaar optimisme van Kitty werkte gunstig op Hermelijn, haar gezonde natuur, die een afkeer had van neerslachtigheid, kwam den druk te boven, welke haar in Djantong zoo pijnigde; zij begon zooals Thoren van Hagen het raadde, zilveren randen aan de donkere wolken te onderscheiden en vreesde niet terug te keeren naar huis; ook trachtte zij de kinderen van August uit hun verwilderden staat op te heffen. Vroeger had zij het in haar blinde ingenomenheid tegen Corona wreed en onnatuurlijk gevonden dat deze de kinderen van hun ouders verwijderde om ze onder haar oog op te voeden, nu echter, nu zij hen als Javanen in het wilde hier zag opgroeien kon zij de groote, gevreesde Cor geen ongelijk meer geven.

Haar schoonzuster Poppie gaf zich veel af met Inlandsche geneeskunde; geen kwaal of zij wist er raad voor; zij had zalfjes en dranken voor ieder ten beste, maar zeide zij:

»Cor geeft niet ik gebruik die obat! Kassian, als laatst ik mag helpen met kleine Jantje, hij stellig beter, maar nu hij is dood.”

Zij was steeds in groote zorg of haar kinderen wel gebruik maakten van de djamoe’s, borehs, parems en hoe al die middeltjes, welke den anti-kwakzalversbond een griezeling op het lijf zouden jagen, nog meer heeten mogen; niettegenstaande Corona’s verbod had zij toch steeds een menigte tampah’s [45] met allerlei kruiden op het dak harer bijgebouwen te drogen gelegd, om ze als vloeistoffen te laten trekken in den maneschijn. Er was altijd een heele apotheek in de maak, en Hermelijn, die gaarne iets leerde, won haar hart door naar het gebruik en de samenstelling van die middeltjes te vragen.

August liet zijn vrouw haar gang gaan; hij zat het liefst in Indisch costuum staten te schrijven, hij was de copiist der kolonie, had een prachtige hand en maakte nooit fouten, zijn vrouw zorgde goed voor zijn tafel; meer scheen hij niet van haar te verlangen.

Acht dagen bleef Hermelijn hier logeeren en verkreeg daardoor een blik in een echt Indisch huishouden, dat haar volstrekt niet aantrekkelijk voorkwam. Kitty, die reeds in dien tusschentijd een kort bezoek van haar man en dagelijks eenige brieven van hem had ontvangen, verlangde naar huis, maar Guillaume kwam zijn beide zusters dringend vragen, ook zijn Toetie eens te komen bezoeken, en Hermelijn, die geen haast had naar Djantong terug te keeren, vanwaar zij taal noch teeken ontving, voelde lust de uitnoodiging aan te nemen.

XXI.

De weg naar Wilhelmshöhe, zoo had Guillaume zijn landhuis genoemd, was dalende en liep bijna geheel door de koffietuinen; de kleine struiken schieten niet boven 10 tot 12 voet op; de takken spreiden zich in de breedte uit daar de kroon weggesneden is, waardoor de bloesems zich rijker ontwikkelen; de bodem was zorgvuldig van struikgewas en onkruid gezuiverd, terwijl tusschen de jonge boompjes, de hooge schaduwrijke dadapboomen geplant zijn, die hun takken ineenstrengelen en zoo een dak vormen, om de koffieplanten te beschutten en den grond rein te houden, want lommer is een levensvoorwaarde van de kostbare aanplanting. Het golvende terrein was geheel met zulke tuinen bedekt, de bloeiende planten verspreidden de zoetste geuren; later kwam men in een laan, aan weerszijden met hoogopgaande palmen omzoomd, pinang, areng en kokosboomen. Te midden van zulk een klappertuin stond het eenvoudige huis van Guillaume. Onmiddellijk trof het Hermelijn’s aandacht, dat hier een minder Indische toon heerschte dan bij August, doch ook de zindelijkheid van Poppie ontbrak geheel.

Toetie had een witte kabaja aan vol vlekken, haar haar was zoo netjes niet gekamd en gladglimmend als dat van haar schoonzuster, maar in een verwarde lus opgebonden; de kinderen hadden Europeesche pakjes vol scheuren en gaten aan. De meubels waren van goed Europeesch model, doch afgebroken, gelijmd, het bekleedsel bemorst en gescheurd; Toetie had een vriendin bij zich, een echt Indisch meisje met dikke lippen en platten neus. ’s Middags amuseerden zij zich met main keplèk, een soort van dobbelspel met Chineesche kaarten, waaraan zij veel geld verloor.

Kitty vergezelde Hermelijn niet; zij bleef nog een dag bij haar oudsten broer, in afwachting dat Portias haar zou komen halen. ’t Hollandsch vrouwtje voelde zich hier nog minder t’huis, Guillaume maakte over alles gekheid, al lachend verweet hij zijn vrouw haar onregelmatigheden; de kinderen waren vreeselijk ondeugend maar hij strafte hen nooit.

Toen in de achtergalerij het eten klaar stond, en de familie zich om de tafel zette, bemerkte Hermelijn dadelijk dat de borden gebarsten, het tafelkleed bemorst, de lepels en glazen er ongewasschen uitzagen. De rijst verscheen in een koekoesan [46], waaruit Toetie schepte; intusschen waren de kinderen niet bij elkaar te houden; een stond op een stoel met lepel en bord, een ander lag schreeuwend op den grond, een derde alleen, een knaapje met ondeugende oogen, keek zijn moeder en de tantes zwijgend aan.

»Allah, minta ainpon!” [47] gilde plotseling Toetie, want haar rijstlepel stuitte op een hard voorwerp, dat bij nader inzien een versleten, vuile slof bleek te zijn.

Het zoete knaapje gierde ’t uit van lachen, zijn moeder die het voorwerp der misdaad in de hand nam, vloog hem na, zoo vlug als men van haar vadsigheid niet had verwacht, greep den jongen bij zijn haar en hield een strafoefening, zoo overdreven streng, dat Hermelijn, die anders verontwaardigd genoeg was over deze jongensstreek, er zenuwachtig van werd.

Guillaume deed niets dan lachen, bediende zich van saus en kip, en scheen zijn eetlust er niet bij verloren te hebben.

Toetie kwam terug met het gezicht en de gebaren van een feeks, de jongen gilde zoo hard dat men het uren ver in het gebergte moest hooren; zijn moeder bond het verwarde haar op en deed haar man de bitterste verwijten:

»Ik moet ook alles doen, jij verwent de kinderen maar, jij lacht om alles. ’t Is hier een huishouden als van Jan Steen. Wat zal Hermine daarvan denken? Ik moet ook alles doen met zoo weinig tractement; Cor houdt niet van mij en niemand houdt van mij, voor de nicht moet alles mooi zijn, maar voor mij is niets noodig, we eten altijd droge rijst. Ik kan geen japon koopen voor mij en dan zeggen ze nog, dat wij rijk zijn. Als ik geweten had, ik was nooit getrouwd, betoel!”

»Heb je nu niets voor Hermine om te eten, zij lust die sloffenrijst stellig niet.”

»Ah ja, die tottoks zijn zoo fijn, ik geef er niets om en als zij er om geeft, dan moet zij maar niet eten.

»Foei, Toetie, foei!”

De goede Guillaume stond op, ging naar de keuken en haalde een bord rijst voor zijn schoonzuster!

»Dat komt er van als je logés vraagt en men geen geld heeft, maar voor tottoks moet alles gedaan worden en voor de eigen vrouw niemendal. Dat ben ik zoo gewoon, niet waar Adik! Dat is altijd zoo, jammer dat je niet bent getrouwd met zoo’n nonna blanda!” [48]

Hermelijn voelde zich zoo uit het veld geslagen, dat zij niet meer eten kon; onwillekeurig dacht zij aan Diteren’s raad:

»Pas op je schoonzusters!”

En aan haar overmoedig:

»Ik ben niet bang voor een schoonzuster, voor geen zes!” Wat een tijd lag daar tusschen; voor de schoonzuster, wie die waarschuwing gold behoefde zij niet ’t minst te vreezen; haar eenige, grootste vijand was haar toen zoo aangebeden echtgenoot.

»Ik zal je niet lang hinderen, Toetie,” antwoordde zij kalm. »Als het kan zou ik van middag reeds willen vertrekken.”

»Dat zou wat moois zijn, Hermelijn, je laten afschrikken door het gekakel van die onwijze hen? Je ziet, ik geef er niets om, laat ze pruttelen, straks gaat ze keplek spelen en dan vergeet zij alles; zij gaat links, ik rechts, we bemoeien ons anders niet met mekaar, ’t is mijn huis en je blijft er zoolang ik het hebben wil. Het geld komt nog liefst van mij en zij verspeelt het.”

Hermelijn’s gevoel kwam in opstand tegen die onkiesche verwijten tusschen man en vrouw, vooral nu Toetie uitbarstte in een stortvloed van scheldwoorden, waarvan zij niets verstond, en waarvoor Guillaume lachend zijn beide ooren toesloot.

De andere logée at rustig voort, als ware zij aan zulke tooneelen gewend.

»Hoor eens Guillaume en Toetie,” zoo maakte zij gebruik van een oogenblik windstilte te midden van den storm, »je moet het me niet kwalijk nemen maar ik ben aan zulke scènes niet gewoon en daarom wil ik onmiddellijk vertrekken. Ik kom hier niet meer terug of mijn schoonzuster moet mij persoonlijk inviteeren; dan zal zij mij ook stellig hartelijker ontvangen dan nu ik alleen door haar man schijn verzocht te zijn. Je moet mij straks de tandoe laten klaarmaken Guillaume, want ik blijf hier niet slapen, al moest ik ook te voet naar Djantong gaan.”

»Dat is nu jou schuld, Xantippe,” zei Guillaume, »je houdt de fatsoenlijke menschen van mijn huis. Poppie die op geen pensionaat is geweest, heeft er beter verstand van de lui te ontvangen dan jij. ’t Is goed Hermine, ga maar terug naar ’t groote huis en vertel wat je hier gezien hebt en hoe Toetie je behandelt.”

Met groote oogen zag de jonge vrouw haar schoonzuster aan.

»Als je zoo brani [49] bent,” zei ze met ingehouden drift.

»Brani ben ik genoeg,” antwoordde Hermelijn, »maar ik ben niet gewoon, uit de huizen, waar ik logeerde, te klikken.”

»Maar je kunt wel hier blijven,” begon Toetie te vleien, »bij ons is het wel niet zoo netjes als bij jou, wij zijn zoo arm.”

»Neen, ik zal mijn bezoek liever uitstellen, tot ik eens met Conrad kom,” verzekerde Hermelijn vastberaden.

»Zooals je wilt, Hermine,” sprak Guillaume, »als je maar weet dat je mij ’t ergste straft; ik had me zoo’n paar prettige dagen voorgesteld in je gezelschap.”

»Natuurlijk, andere vrouwen vindt hij alleen lief.”

»Dat komt er van als men gekoppeld wordt aan zoo’n heks. ’t Is alles jouw schuld, vrouw! Geen wonder dat je mij het huis uitjaagt.”