Hermelijn

Part 11

Chapter 114,049 wordsPublic domain

Corona zag haar lijftrawant niet aan en bemerkte dus ook niet den blik vol gloeienden haat, welken deze haar toewierp en die haar anders onbeduidend leelijk gezicht een bijna duivelachtige uitdrukking gaf.

»U moet zich dat niet aantrekken,” fluisterde zij weer, »ik ben aan zulke liefelijkheden gewoon.”

»Neen, op iemands uiterlijk grappen te maken vind ik beneden alles, zoo’n wezen als Dolly’s man alleen waardig. O die zwagers, die zwagers, die zoeterige Portias en die luie, ellendige parvenu!”

»U heeft het beter met uw schoonzusters getroffen.”

»’t Mocht wat; Hermelijn alleen maar... maar vind je niet dat ze erg koel tegen mij is, Iteko?”

»Zij heeft den vorigen Zondag weer den heelen middag met mevrouw Portias gewandeld, ik heb haar zelfs hooren snikken.”

»Hermelijn huilen en waarom?”

»Dat kan ik niet vermoeden, juffrouw de Géran.”

»’t Zal uit aandoenlijkheid zijn. Ze dacht aan haar papa misschien. Want ze zijn immers gelukkig, geloof je niet Iteko?”

»Wel zeker, waarom zouden ze niet, juffrouw?”

»Dat weet ik niet, ’t is gek hoe ik veranderd ben in den laatsten tijd, Iteko! Zeg me toch eens, wat je van dien Thoren denkt?”

»Och, wat kan dat de juffrouw schelen?”

»Als het me niet schelen kon, zou ik ’t je niet vragen! Zeg mij alles ronduit.”

»Ik ben bang dat u boos wordt.”

»Boos word ik alleen als je zwijgt. Zeg op!”

»Ik weet het waarachtig niet, juffrouw.”

»Dat begrijp ik, hij zal je niet tot vertrouweling nemen, maar zeg in ’s hemels naam wat je denkt, niet wat je weet.”

»’t Is zoo slecht!”

»Dat doet er niet toe; of je iets denkt dat slecht is of het zegt, dat komt op hetzelfde neer. Ga je ’t eindelijk uitspreken?”

»Belooft u me dan, niet de minste waarde aan mijn woorden te hechten?”

»Niet meer dan ze verdienen.”

»En in ’t oog te houden, dat het alleen een gedachte is, die door niets werd opgewekt?”

»Ja zeker, nu kom dan.”

»Mijnheer Thoren van Hagen is gekomen met mevrouw Conrad.”

»Dat weet ik sinds lang en verder.”

»Ze kennen mekaar van vroeger.”

»Ook oud nieuws.”

»Nu, dan is ’t geen wonder, dat mijnheer Thoren er op gesteld is in de buurt van de jonge dame te blijven wonen, misschien haar te beschermen als het noodig is.”

Corona was doodsbleek geworden.

»Haar beschermen en tegen wie?”

»Ik weet het niet; haar gezelschap meteen genieten, haar spel en zang hooren, die hij zoo bewondert, niet alleen omdat zij van een vrouw komen.”

Corona beet haar fijne paarlemoeren penhouder in stukken.

»’t Is goed, Iteko, ik dank je voor de waarschuwing. Ik zal mijn oogen open houden; je bent een echte Argus.”

»Dan deug ik toch nog voor iets anders, dan alleen om de menschen vroolijk te maken.”

»Ik zou me niet kunnen redden zonder jou. ’t Is geen kleinigheid zoo’n kolonie te besturen.”

»’t Is u goed toevertrouwd, juffrouw!”

»En ’t verveelt me zoo, ’t verveelt, ’t walgt me! Al die onbeduidendheden, die kleingeestige berekeningen en wie weet welke onaangename dingen mij nog wachten. Ga maar heen, Iteko, ’t is tijd voor de middagles.”

»Komt u straks eens kijken?”

»Wat heb je?”

»Geschiedenis.”

»Nu goed, ik zal komen.”

Iteko verwijderde zich en Corona ging de kamer op en neer.

»Iteko!” riep zij plotseling.

De geroepene kwam onmiddellijk terug.

»Iteko” en een lichte blos kleurde haar wangen. »Iteko, weet je wel, dat je mij vroeger iets anders zeidet?”

»Van wie?”

»Van Thoren van Hagen.”

»Ik wist het niet meer, juffrouw! Wat was ’t?”

»Dat hij... hier bleef om mij?”

»Heb ik dat gezegd? Ik wist het heusch niet meer, maar als ik ’t gezegd heb, dan vergiste ik mij zeker, want hij geeft bepaald niets om u; hij ziet u niet eens aan en als u speelt, dan praat hij met mijnheer de Géran of mijnheer Portias.”

»En toen Hermine speelde?”

»Toen was hij geheel ooren, zoodat meneer Conrad er nijdig van werd, ik zag ’t duidelijk.”

»En zij noemt hem bij den naam?”

»Hij zegt Hermelijn, ook van haar sprekend.”

»Waarom is hij dan niet met haar getrouwd?”

»Men trouwt niet altijd met zijn keuze.”

»’t Is goed, ik weet nu dat gij je ook vergissen kunt.”

Toen ze alleen was, wierp zij zich op den divan neer in haar gewone houding, de handen op de knieën gevouwen, het voorste gedeelte van het lichaam voorover gebogen. Verscheidene dingen hinderden haar, de koele houding van Hermelijn die zij maar niet kon overwinnen en die haar op zekeren afstand wist te houden—een bewustzijn dat de alom gevleide Corona nog niet ondervonden had; verder haar vriendschap met Kitty en Portias, die zij toeschreef aan Conrad’s oprechtheid, dan eindelijk al bekende zij het zich zelf niet, de wijze, waarop Thoren van Hagen haar behandelde; hij scheen haar niet te bewonderen, niet te vreezen, niet te zoeken. Hij bleef hier ter wille van Hermelijn, van een getrouwde vrouw; zij kon het niet gelooven, maar waarom kwam hij zich anders midden in deze wildernis vestigen?

’t Ging haar niets aan, ’t was dwaas er haar geest mee te vermoeien. Thoren van Hagen was immers vrij, zelfs op de Merapi of Merawoe, in den krater desnoods te gaan wonen! Dat zij er toch telkens en telkens weer aan moest denken en dan voelde zij zich zoo vreemd te moede als zij dacht aan zijn woorden van dien middag, toen hij excuus vroeg voor Margot.

»’t Is een goed voorteeken als ik u iets anders kom vragen.” Wat zou hij te vragen hebben, hij, die haar zijn aandacht niet waardig keurde; als zij dacht aan den blik zijner oogen, toen hij dat uitsprak, was ’t of haar hart even stilstond en of ze iets zag, iets zeer schitterends, iets zonnigs, iets verblindends. Zou het Hermelijn of Conrad gelden? Had Hermelijn misschien geklaagd dat Conrad’s inkomen niet groot genoeg was? Foei, foei, wat was dat dwaas en kinderachtig, maar wat dan in ’s hemelsnaam, wat wilde hij van haar?

Weinige oogenblikken later kwam zij statig en indrukwekkend in de tot school ingerichte kamer, zette zich naast den lessenaar van juffrouw Iteko en deed aan de kinderen, die stil en vol ontzag voor de gevreesde zuster of tante op hun bankjes zaten, eenige vragen over hun geschiedenislessen.

Maar zij was er niet bij. Hare gedachten zwierven weg verre van daar maar toen een der knapen, die het over Peter den Groote had, opdreunde dat deze prins eerst met zijn broer Iwan had geregeerd, was ’t of een electrieke schok haar bewoog, haar oogleden trilden, zij vreesde zelfs dat zij bloosde.

Iteko had gelijk: die vreemdeling bracht niets goeds voor de familie de Géran aan, papa had hem niet tegelijk met zijn nieuwe schoondochter moeten meebrengen.

XVIII.

Intusschen was het voor de arme, eenzame Hermelijn een uitkomst toen August voor haar huis van het paard steeg en de invitatie van zijn Poppie overbracht.

»Als Conrad het goedvindt,” antwoordde zij.

Conrad was echter niet te vinden; hij ging den geheelen dag uit, kleedde zich ’s middags nooit meer aan en bracht zijn vrijen tijd door met op kalongs [26] te schieten, en zich zoo Inlandsch mogelijk vóór te doen.

Aan tafel speelde hij met den hond, gaf hem de beste beten, ging dikwijls zonder zadel te paard rijden en holde den weg af, op gevaar van in een ravijn te storten; soms ging hij nog verder en plaagde Hermelijn op echt kinderachtige wijze; hij scheurde eens uit haar keurige Frithjofssage eenige bladzijden om er een propje voor zijn geweer uit te maken, zoodat onwillekeurig de tranen haar in de oogen sprongen bij deze daad van kwajongens moedwil.

Zij vermoedde niet, hoe den vorigen avond Conrad met datzelfde boek en een duitsche dictionaire voor zich had gezeten, onmogelijke pogingen aanwendend om het gedicht, dat hem belang inboezemde, te volgen, maar vergeefs, hoe hij daarna die dictionaire in machtelooze woede op den grond had gegooid, zoo hard dat Hermelijn meende een stoel te hooren omvallen.

Hij was boos en ontevreden op de geheele wereld, maar schreef toch dienzelfden dag naar Samarang om een Duitsche spraakkunst voor zelfonderricht te ontbieden en een nieuw exemplaar van de Frithjofssage.

Hermelijn moest uit alle kracht strijden tegen de vreeselijke matheid welke haar overviel, alles was haar te veel, alles boezemde haar schrik en afkeer in. Wat zou zij doen?

Boeken lezen, maar die spraken van geluk, van liefde, van hoop, en van alle drie moest zij afstand doen, alles was zoo onbeduidend, vergeleken bij haar eigen lot; de verzen van Byron en Musset alleen hadden haar geboeid, daarin vond haar geest een welkome echo, ’t was of hun bittere ondervindingen hun geleerd hadden een blik in haar ziel te slaan. Zijn vertwijfelde klachten waren ook de hare, hij gaf een vorm aan de onbestemde beelden van haar ziel, zoo levensmoede, zoo ontgoocheld, zoo bitter voelde zij zich ook. Na de lezing van eenige zijner gedichten bleef zij een geheelen nacht wakker, ter prooi aan onrustige droomen, aan wanhopige vragen, waarop geen antwoord mogelijk was. ’t Liefst ware zij zoo gebleven zonder opstaan, zonder terugkeer naar het werkelijke leven om dan stil af te wachten wat het leven haar nog bitters zou aanbrengen.

Maar toen zij opgestaan was, triomfeerde haar krachtige geest over die ziekelijke gedachten.

»Ik zal Musset niet meer lezen, hij maakt me zwak, kleinzielig. Zijn boeken zijn vergift voor mij; ik moet sterk wezen, mij niet laten neerslaan en het leven moedig in de oogen zien, hoe vreeselijk het ook schijne.”

In haar huishouden had zij weinig lust; waarom zou zij in de keuken bezig zijn, waarom smakelijke schotels klaar maken? Zij wist immers niet eens of haar man aan tafel kwam, òf wel dan gaf hij de Hollandsche spijzen, die zij zelf had toebereid dadelijk aan de honden om wat koude rijst tusschen zijn vijf vingers te nemen en ze met een stukje dendeng [27] en een lombok[27] op te eten.

Dan ging zij alles in ’t huis verzetten, opdat er niets van Corona’s regelingen zou overblijven, maar toen dit gedaan was, kon het niet meer herhaald worden en het gaf haar geen werk meer.

De piano was haar eenige uitkomst, uren lang stortte zij haar hart in tonen uit, zingen kon zij niet, haar keel was als dichtgeschroefd, maar als zij begon te spelen, zorgde Conrad dat hij wegkwam; als hij naar huis terugkeerde en haar voor de piano zag, maakte hij onmiddellijk rechtsomkeert.

Eens zeide Hermelijn tot hem:

»Maar Conrad, ik zie ’t niet in, waarom wij altijd stommetje tegenover elkaar moeten spelen.”

»Ik heb niets te praten,” snauwde hij.

Eens toen het pak boeken uit Samarang kwam, was hij niet t’huis; toen hij echter het pakje zag, nam hij het spoedig mee en sloot zich in zijn kamer op.

»Nog geheimen bovendien!” zuchtte Hermelijn, »o God, sta me bij, ik kan haast niet meer.”

Hermelijn was steeds gewoon al haar gedachten, al haar daden te adelen door een echt godsdienstige opvatting, die haar beter, geduldiger, liefdevoller moest maken; zij geloofde vast dat het lijden, goed gedragen, de ziel verheft, het hart nader tot God brengt; zij trachtte eerst steun in het gebed te zoeken, zij las bij voorkeur godsdienstige boeken, dan voelde zij zich sterk en hoopvol, maar nadat zij zich dag aan dag met haar naar liefde dorstend hart, behandeld zag met de meest ijskoude onverschilligheid, haar fijne beschaving telkens gekwetst werd door Conrad’s opzettelijk ruwe manieren, ontviel haar alle hoop, alle moed, alle vertrouwen. Zij voelde zich hoe langer hoe meer afgemat, zwak, troosteloos; niets wekte haar meer op uit de doodsche stilte, die haar omringde; haar overviel een gevoel of zij met gesloten oogen niets te doen had dan zich over te geven aan den stroom van het leven, die haar langzaam maar zeker wegvoerde naar den dood, den eenigen verlosser.

Vooral in die lange avonden en nachten, als de eigenaardige stilte van den tropischen nacht haar omringde, als buiten de sterren fonkelden tusschen het franje-achtige loof der tjemara’s en tamarinden, als het gebladerte zacht ruischte en dat gemurmel zich vermengde met het eindelooze sissen en piepen der insecten, met het klagende geroep der houtduif of de schrille kreten van de jakhalzen, als in het maanlicht de katjapirings [28] tusschen de donkere bladen gloeiden als zilveren rozen en de kamoening [29] haar fijne bloemen als een welriekenden regen ter aarde liet vallen, de melati’s[29] haar geuren naar Hermelijn’s kamer opzonden als een groete aan de eenzame Westersche, dan voelde zij zich meer dan ooit alleen, verlaten, ongelukkig; haar hart smachtte naar sympathie, naar een vriendelijk woord, een liefkozing; dikwijls voelde zij bekoring zich voor Conrad’s voeten te werpen en hem te zeggen:

»Zend mij weg òf behandel mij tenminste als vriendin! Ik zal je gehoorzamen als mijn meester.”

Doch haar trots weerhield haar; zij wilde zich zijn mindere niet toonen. Hij zou haar kunnen breken maar buigen nooit; liever had zij dat de storm wild door het gebergte loeide, dat de donder weergalmde door de rotsen, de regen kletterde en de wind de boomen heen en weer zweepte; dan droomde zij gaarne van een ramp, die de wereld uit haar grondvesten rukte, die haar en Conrad en Corona met zich rukte, waarheen, wist zij zelf niet en wilde het ook niet weten.

Zoolang mogelijk streed Hermelijn tegen de namelooze matheid, die haar dreigde te overstelpen; lichamelijke beweging had haar goed gedaan, maar waar zou zij die nemen, alleen als zij steeds was? Een wandeling ver van huis in de wildernis deed haar huiveren; in de onmiddellijke nabijheid van Djantong maakte zij soms ontdekkingstochten, doch zij kende den weg niet en vreesde onaangename ontmoetingen; lectuur kon haar niet meer boeien of het moest wanhoopspoëzie zijn en zoolang zij kon, hield zij hare hand af van Byron of Musset, die haar onweerstaanbaar aantrokken; het huishouden en de muziek boezemden haar weldra afkeer in, niets was in haar oog belangrijker dan haar eigen gedachten.

Haar hoofd klopte, haar oogen brandden, haar borst deed haar pijn; ’t was of zij zwaar ziek ging worden, in waarheid was slechts haar zenuwgestel aangedaan.

»Zou men zich zoo gevoelen als men krankzinnig wordt,” dacht zij sidderend en zag dan angstig naar den grooten weg, hopende, dat er iemand zou komen om eenige afwisseling te brengen in haar ondragelijk leven.

Een enkelen keer zag zij een of meer ruiters naderen; soms was het haar vader, of wel een van de broeders, maar de pogingen, die zij aan moest wenden om tegenover hen opgeruimd en tevreden te schijnen, vielen haar telkens zwaarder en als zij weg waren, voelde zij zich nog meer uitgeput.

»Kon ik maar iets uitrichten, die lijdelijke werkeloosheid is meer dan ik dragen kan,” verzuchtte zij weinige minuten vóór dat August kwam met zijn verzoek.

»Conrad zal wel dadelijk komen. Vraag ’t hem zelf,” antwoordde zij. August en Poppie waren nu juist geen personen aan wier omgang zij veel had maar toch, beiden schenen goed en hartelijk, en dan waren er kinderen. Zij zou daar leven en beweging vinden, maar vooral zou haar man van haar gehate tegenwoordigheid voor korten tijd ontslagen zijn.

Zooals te denken was, antwoordde Conrad niets anders dan:

»Als je trek hebt, ga je gang!”

Op die beminnelijke toestemming haastte Hermelijn zich haar goed in te pakken, terwijl August met zijn broer de beste wijze besprak om naar zijn woning te gaan.

»Je moet van avond maar slapen in het groote huis, Hermine,” zei Conrad op zulk een vreemden toon, nu hij haar aansprak, dat zijn vrouw er van schrikte.

»Morgen kan je verder gaan met de tandoe [30].”

»Heel goed, ’t is zooals je het beschikt het beste.”

Er werd gerijsttafeld. August en Conrad hadden het druk over de koffiecultuur en Hermelijn verwonderde er zich over dat haar man, wanneer hij aan den gang was, zoo aardig en in zulk goed Hollandsch redeneeren kon.

Na het eten kwam het rijtuig voor; August en Hermelijn stapten in; Conrad sloot het portier en beantwoordde zeer slapjes de hand, die zij hem toestak.

»Compliment aan Portias en Kitty,” riep hij hen na.

XIX.

Onwillekeurig voelde Hermelijn zich herleven toen zij ’s middags in de gezellige voorgalerij van Ngaroengan zat, waar Kitty, Margot en Corona in Europeesch toilet vereenigd waren, waar Portias zijn eenigszins hoogdravende maar welgemeende volzinnen ten beste gaf, waar kinderen stoeiden en groote menschen praatten en lachten.

»Vind je dat reizen in zoo’n tandoe niet kinderachtig,” vroeg Corona aan Hermelijn; »wil je niet liever te paard de reis doen?”

»Ik heb er geen kleeren voor.”

»Maar ik zal je een amazone geven; dat ik iets langer ben hindert niet bij een rijkleed; daarbij, in het gebergte is alles mooi.”

»Dank je, ik draag het kleed van anderen niet,” antwoordde Hermelijn kortaf.

Allen stonden verbaasd over dit onverwachte antwoord, Corona bood iets aan en het werd geweigerd; hoe durfde Conrad’s vrouw dat doen?

»Nu, ik ben niet gewoon iets op te dringen,” hernam zij geraakt.

Het bitterst griefde ’t haar, dat Thoren van Hagen juist binnen was gekomen, en het antwoord van Hermelijn stellig gehoord had. Hij was er ook verwonderd over en zag zijn jonge vriendin scherp aan; ’t viel hem dadelijk op, dat zij zeer veranderd was, een pijnlijke trek lag om haar mond en haar oogen; een grenzenlooze minachting sprak uit haar toon en haar blik.

Welke droevige gewaarwordingen hadden het blijmoedige, opgewekte meisje in zoo korten tijd verbitterd en veranderd!

Hij groette haar zonder meer en zij noemde hem bij opzet niet.

’t Duurde niet lang of het gesprek werd algemeen; de plannen van Thoren van Hagen werden besproken, goed- of afgekeurd; Corona mengde zich niet in het gesprek en Thoren scheen nauwelijks haar tegenwoordigheid op te merken.

»Ik ga mee bij Poppie logeeren?” fluisterde Kitty Hermelijn toe. »Is dat niet heerlijk?”

»O lieve Kitty! Je had mij geen betere tijding kunnen mededeelen.”

’t Was een genot voor Hermelijn het hartelijke, warme handje van haar schoonzuster in de hare te mogen houden en haar liefkozende stem te hooren, zoo heel iets anders dan die eeuwige stilte, welke haar in Djantong omgaf, haar oogen schitterden en Thoren van Hagen dacht:

»’t Is niets dan levensgeluk dat haar ontbreekt.”

Er werd besloten een wandeling te maken; Kitty en Portias, Philip en Margot, August en Corona, Thoren van Hagen en Hermelijn waren van de partij, Kitty had den arm van haar man genomen.

»Je bent precies een sirihplant, als je geen staak hebt om op te leunen dan val je om,” was het lieve bescheid van Corona.

Zij zelf voelde zich verlegen met haar houding; te trotsch een stap naar Hermelijn of Thoren van Hagen te doen, bleef zij zich vergenoegen met het gezelschap van August en liep met hem vooruit; zoo bleef ongezocht Hermelijn in Iwan’s gezelschap achter.

Zij zweeg, haar hart was te vol en zij kon niet klagen.

»Arme Hermelijn!” zeide hij eindelijk zacht.

»Waarom arm, ik beklaag mij niet.”

»Maar je trekken, je oogen doen ’t voor je! Ik had ’t sinds lang geraden, je bent teleurgesteld.”

»Zeg liever bedrogen; Conrad is de minst schuldige maar zij die slang, die... o Iwan, ik wilde dat ik woorden kon vinden om haar te noemen en haar te...”

»Foei Hermelijn, foei, ik ken je niet meer.”

»Maar ken ik mezelf dan nog? O ’t is zoo gemakkelijk, goed, braaf, vroom te zijn als men gelukkig is, en dan spreken ze nog van een lijden dat verheft, dat veredelt, neen ’t verlaagt, ’t maakt slecht.”

»Arm kind!”

»Zeg dat woord niet meer Iwan; zeg dat niet; ik zou mij neer kunnen werpen op den grond, en wachten tot er een tijger kwam om mij te verslinden, of een bliksemstraal om mij te treffen; alles, alles, maar niet dit vreeselijke lot.”

»Hermelijn, denk je nog aan die zwarte wolken met zilveren randen, die ik als kind, wanneer ik bij uitzondering stil en rustig was, met je bewonderde?”

»Ik ken geen zilveren randen meer, niets dan duisternis.”

»Heb je alle vertrouwen op God verloren, Hermelijn? ’t Is zoo diep treurig, een vrouw, die geen vertrouwen, geen hoop meer heeft.”

»Dat weet ik... ik denk zooveel aan je moeder Iwan, ik begrijp haar nu; dien dood, waardoor zij zich zoo verschrikkelijk op je vader wreekte.”

»En die straf viel tevens op mij, Hermelijn! Waarom ben ik zwerver geworden, waarom vind ik nergens rust? Omdat geen moederoog mijn jeugd leidde, geen moederhand mijn karakter vormde, omdat ik tegen mijn vader met schrik en... en afkeer leerde opzien! Elke zonde draagt haar straf in zich, je ziet het hoe mijn vaders fouten gewroken werden, en ik onschuldige draag den vollen last.”

»En ik dan, ben ik niet even onschuldig en even ongelukkig?”

»Alles is aaneengeschakeld, Hermelijn; ik ben waarlijk een wonderlijke zedepreker, maar lieve meid, ik wou je zoo graag een beetje troost geven voor den steun, dien je vader mij zoo ruim schonk! Als ik hem niet had ontmoet dan ware er nog minder van mij gekomen, en beken dat het dan bitter weinig was geweest, Hermelijn! Ik heb met je te doen; ik weet dat het hard is zijn illusiën te verliezen, maar zie je nergens licht? Is er nergens hoop op iets beters? Als mijn moeder sterk ware geweest, zij had mij in de armen genomen en gezegd: »Voor mijn jongen wil ik leven! Voor hem zal ik alles dragen!” En elke moedige daad van zelfoverwinning, elk offer draagt zijn belooning in zich. Zie je nergens een zilveren puntje, Hermelijn?”

»Neen, als ik t’huis ben denk ik nergens, maar hier..”

»Nu kijk goed naar dat puntje, en denk dat Onze Lieve Heer het daar heeft geplaatst. Ik zal je vertrouwen in Hem niet schokken, Hermelijn! Wij mannen, voor wie de wereld openligt, wij meenen dikwijls hem te kunnen missen en toch wat is ’t ons vaak hier leeg en grauw, maar gij vrouwen die leven moet van zelfvergetelheid, van offers, van onbeantwoorde liefde, waar moet gij heen, als gij in uw eenzaamheid geen vriend bezit, tot wien ge gaan kunt, die nooit moede wordt van uw klagen, van wien gij vast gelooft dat Hij uw lot in zijn vaderlijke zorg regelt.”

Hermelijn droogde eenige brandende tranen af.

»Mijn ongelukkige moeder, was zoo diep niet gezonken als zij dat geloof en vertrouwen had bewaard.”

»Diep gezonken, zeg je?”

»Ja, diep zeer diep; zij heeft het heiligste, wat in haar borst schuilde, haar moederliefde vertrapt uit wraakzucht.”

»Je bent streng, Iwan.”

»Misschien had het verdriet haar waanzinnig gemaakt. ’t Is haar eenige verontschuldiging.”

»Maar daar is niets aan te verhelpen als men dat wordt.”

»Alleen zwakken van ziel worden het; blijf dus sterk Hermelijn!”

»Wil je mij een genoegen doen, Iwan?”

»Natuurlijk!”

»Noem mij zoo niet meer als Conrad er bij is, hij heeft het niet graag.”

»Zei hij dat?”

»Ja!”

»En dan zocht je naar het zilveren puntje, Hermelijn! of liever mevrouw! Ik zal er om denken, dat beloof ik je. Tusschenpersonen baten hier niets, Portias heeft me alles verteld, de strijd moet tusschen je beiden worden afgestreden en uw lieftalligheid, uw geduld, mevrouw de Géran, kunnen alleen overwinnen.”

»Wat een druk gesprek! Mogen wij daarvan niet meegenieten?” vroeg Corona, wie het zwijgend gaan naast August ontzaggelijk verveelde.

»We hadden het over de trachietvorming der rotsen, juffrouw de Géran.”

Een der knaapjes, een aardige krullebol van vier jaar, was meegeloopen, maar over vermoeidheid klagend, wierp hij zich op den grond en weigerde voort te gaan.

»Ondeugende bangsat [31]!” riep Corona, trok hem in de hoogte, en nam hem op de armen, »wat doe je ook mee?”

»Mag ik u van dien zoeten last ontheffen?” vroeg Thoren van Hagen. »Maar ’t zou me echter spijten, als u mijn verzoek toestond.”

»Dan moet u het niet vragen.”

»’t Is van mijn kant een daad van zelfopoffering, ik doe afstand van een feest der oogen; met dat kind op den arm gelijkt u...”

»Een madonna!” riep Kitty.

»Dat toevallig niet! Een moeder der Grachen.”

»De eene Grach mankeert, helaas!”

»Ik belief voor geen moeder aangezien te worden; gevoelt u er roeping toe dien bengel te dragen dan geef ik hem u dadelijk over.”

»Zie zoo, ’t is gelukt, Tjapé Njo [32]?”

Corona, ofschoon innerlijk gekrenkt over de wijze, waarop hij haar ’t kind had afhandig gemaakt, kon een lach niet weerhouden toen zij hem Maleisch hoorde spreken met het knaapje.