Part 10
Corona ging lezen of werken aan het handwerk, dat zij met vuur steeds begon om het later door Iteko te doen voltooien; Kitty en Portias trokken zich in hun paviljoen terug, de kinderen, waaronder zelfs Margot en Philip, kregen les in de ruime, geheel naar de eischen ingerichte schoolkamer, of mochten er zondags onder Iteko’s waakzaam oog, den tijd korten met allerlei spellen; de heeren wierpen zich echter bijna altijd in de armen van Morpheus als zij tenminste geen bepaalde werkzaamheden te vervullen of tochten door de koffietuinen te maken hadden.
Hermelijn volgde haar zuster naar het paviljoen, waarvan de kleine buitengalerij geheel met bloemen gevuld was. Achter het bevallige gordijn van groen klimop met de witte en blauwe klokjes stond een alleraardigste kleine divan met een tafeltje er voor.
»Daar ontbijten we, als Corona het toestaat,” zeide Kitty met schitterende oogen.
»Altijd en overal Corona,” sprak Hermelijn geërgerd.
Kitty dwong haar met zacht geweld neer te zitten en toen den arm om haar hals slaande, vroeg zij deelnemend:
»Zeg me de waarheid Hermine, ben je ongelukkig?”
Hermelijn zag haar met groote starende oogen aan en vroeg terug:
»Zie ik er dan zoo ongelukkig uit?”
»Dat weet ik niet. Dat kan ik niet beoordeelen, maar toen je uit den wagen stapte, toen waren je oogen heel anders. Is Conrad niet goed voor je?”
»Zeer goed!”
»Neen, dat zou je niet zoo zeggen. Toen ik pas getrouwd was, o toen had ik een gevoel of alles mij onverschillig werd, alles behalve José, of er niemand op de wereld was dan hij. Nu is ’t ook nog wel zoo, maar natuurlijk men raakt er meer aan gewoon.”
Hermelijn zuchtte.
»Dat weet ik ook! Ik heb ’t zelfde gehad toen ik pas getrouwd was, in Holland namelijk.”
»Waarom heeft Conrad je dan getrouwd, als hij niet van je hield, als hij niet lief voor je wilde zijn.”
Verwonderd zag Hermelijn Kitty aan; zij wist van niets, zwijgend had Conrad het offer gebracht, waarvan zij de bittere gevolgen droeg.
»Vertel mij alles Kitty,” verzocht zij, »’t is beter dat ik alles weet, ’t zal gemakkelijker gaan mijn rol te spelen als één weet dat het een rol is. Ja, Conrad en ik leven als geslagen vijanden, we spreken elkaar niet aan, hij heeft me gezegd dat hij me haat evenals Corona. Dat was zijn declaratie,” ging zij bitter voort. »De brieven die hij me schreef waren valsch; zeg, werd er een meisje ooit meer bedrogen dan ik?”
»O, die Corona,” zuchtte Kitty.
»’t Is schandelijk maar wat moet ik doen? Ik kan toch niet weigeren bij Conrad te blijven en de spot worden van geheel Indië, waar de familie de Géran algemeen bekend is? Een ding blijft me over: geduldig wachten, en dat is het juist wat mij zoo zwaar valt. Nu denkt Corona, nu ik tevredenheid huichel, dat haar list gelukt is, dat hij toe heeft gegeven, dat ik reden heb haar te bedanken voor mijn schitterende positie; zij vermoedt niet, hoe rampzalig ik ben.”
Kitty begon te schreien.
»Ach, ik weet het lieve zuster, ’t is zoo akelig, ongelukkig te zijn, ik weet het bij ondervinding; ik zal je later vertellen, hoe slecht wij geweest zijn, maar we hielden zooveel van elkaar en er was geen hoop om anders haar toestemming te krijgen. Ik wilde dat zij zelf iemand lief kreeg, dan zou ze eens ondervinden hoe ongelukkig zij anderen maken kan.”
»Ik wensch haar niets toe; dat zij niet verder in mijn leven taste, ’t heeft reeds ongeluk genoeg veroorzaakt.”
»Maar is er nu niets aan te doen Hermine, niets? Wil Conrad dan niet inzien, hoe lief je bent? Ik zou ’t hem willen zeggen, maar hij wordt dadelijk zoo driftig.”
»Zeg hem niets Kitty; laten wij het samen uitmaken, mijn trots beveelt me tegenover allen behalve jou de gelukkige vrouw te blijven, maar aan den anderen kant moet ik Corona toch doen voelen, hoe haar plannen slechts strekten tot mijn ongeluk.”
»Dat verdient zij ook! Durf je het zeggen?”
»Het durven?” en Hermelijn’s lippen krulden zich trotsch, »het durven, meen je, dat ik haar vrees, die vrouw zonder hart?”
»Dat moet je niet zeggen Hermine, daarvoor ken je haar niet genoeg. Cor heeft wel degelijk een hart en een goed hart ook.”
Hermelijn dacht aan Corona’s uitval op dien morgen tegen goede harten, maar Kitty vervolgde:
»Zooals zij voor me geweest is, zooals zij dag en nacht op mij gepast heeft toen ik klein en ziekelijk was, hoe lief zij mij altijd aankleedde en niets voor mij te mooi of te duur vond, dat kan ik niet vergeten. Nooit kreeg ik van haar een kwaad woord, alle avonden kwam ze mijn klamboes [19] sluiten na mij een nachtkus te hebben gegeven. Ach, ze was zoo goed, zoo lief! Je lacht er om Hermine! Je kunt het je niet begrijpen, maar ’t is toch zoo! Al is zij soms scherp en onbillijk, zij meent het zoo goed.”
»’t Eerste goede wat ik van haar hoor! Wat is ze dan veranderd!”
»Alleen tegen mij, en ik heb ’t verdiend. Waarom moest ik ook juist Portias lief krijgen, dien zij niet lijden mocht, of neen, dat deed ze vroeger niet. Zij had heel iets anders voor mij gedroomd, die goede Corona maar ik, domoor, moest een armen muziekmeester hebben, kost wat kost! Als zij van iemand houdt dan heeft ze alles voor hem over.”
»Dan schijnt ze al heel weinig van Conrad te houden.”
»Zij meende het goed, zeg ik je, en waarlijk wat kon die nare jongen meer verlangen dan zoo’n allerliefst vrouwtje? Hij is met blindheid geslagen, maar voor alle broers en zusters is zij goed, zelfs voor Akkeveen, dien zij niet kan uitstaan en, zooals zij de moeder van de kleintjes verzorgd heeft in haar laatste ziekte, ofschoon zij volstrekt niet met haar overweg kon, dat is boven alle beschrijving. Neen Hermine, ik begrijp ’t wel, je hebt heel veel grieven tegen Corona, maar haar heelemaal veroordeelen mag je niet, zoolang je haar niet beter kent.”
»Maar ben je de eenige niet, Kitty, die zoo goed van haar denkt?”
»Och, ze zijn allemaal bang voor haar, dat is zoo, maar ze weten ook dat als ze werkelijk iets noodig hebben, zij altijd van goeden wille is hen te helpen. De helft van August’s kinderen heeft zij voor haar rekening genomen; als er een Javaan ziek is dan gaat zij hem bezoeken, voor de kraamvrouwen laat zij versterkend voedsel koken, we lachen er haar om uit, want die zijn dikwijls zoo raar, ze lusten het niet of doen er sambel in; ze doet zich slechter voor dan ze is. Wij zijn niet allemaal lieve menschen, Hermine, er zijn akelige jongens bij en vervelende meisjes, maar dat verzeker ik je, wij hebben gevoel en dat kan niet van ieder gezegd worden. Daar heb je nu bijvoorbeeld Akkeveen, die man is zoo droog als een hout, hij kan Dolly zien sjouwen en hoort haar kinderen huilen zonder zich te verroeren, dat zou geen van ons kunnen.”
»Zelfs Conrad niet?”
»Conrad is misschien de beste van ons allen. Wanneer je mekaar leerdet kennen, Hermine, zou je stellig gelukkig worden.”
»Ik wanhoop aan geluk!”
»Kom, dat heb ik ook gedaan en nu ben ik zoo dol gelukkig; wil je ons huisje zien, wij hebben niet veel want Corona wou niets voor mij doen, maar Portias heeft er zoo’n pleizier in alles netjes te arrangeeren.”
Hermelijn volgde haar naar de kamer, die op de binnengalerij uitkwam; een zwarte piano, zwarte meubels met rotting zittingen, een gewone mat vormden wel een groot contrast, met de weelderige inrichting van het hoofdgebouw, maar toch bracht het geheel den aangenaamsten indruk voort, zoo smaakvol was alles geschikt.
Fraaie gravuren uit het leven der beroemde componisten, de laatste droom van Weber, de storm van Händel, Glück bij Marie Antoinette en Mozart’s sterfbed, versierden de muren, afgewisseld door busten van Beethoven en andere componisten; op een lessenaar, waarover muziekpapier uitgespreid lag, stond een metronome, een vioolkast, en een ruiker bloemen; overal zag men bloemen in sierlijke hangmandjes, in vazen en potten.
»Hoe vind je ons nestje?” vroeg Kitty met stralende oogen.
»Ik kan me begrijpen, hoe gelukkig je hier bent,” antwoordde Hermelijn weemoedig.
»Om negen uur gaan wij gewoonlijk naar de kamer, maar dan blijven we nog lang op, José speelt zoo mooi of componeert, en ik houd hem gezelschap, dat zijn de prettigste uren van den dag. De menschen vinden het eentonig dat wij hier zoo in de wildernis wonen maar je weet niet hoe heerlijk, hoe rustig wij met ons tweeën leven, zonder vrees van gestoord te worden.”
»Ja, het kan heerlijk zijn,” zuchtte de arme Hermelijn.
»Als Conrad dat wilde inzien maar hij is altijd erg koppig geweest, en hij wantrouwt je, omdat je een nicht van Corona bent, maar ik ben er zeker van dat je altijd, zoo ’t noodig is, je man gelijk zult geven zelfs tegenover haar.”
»Ik dank je, Kitty, je hebt mij het best beoordeeld. We zullen vriendinnen worden.”
»Maar laat Cor het niet merken dat wij ’t eens zijn, ’t zou voor ons beiden niet goed wezen.”
Dien avond werd er muziek gemaakt; voor ’t eerst weerklonk Hermelijn’s lieve stem in de tropische lucht, die Ngaroengan omringde; zelfs haar schoonvader luisterde en Guillaume was in de wolken en fluisterde Conrad telkens toe:
»Gelukkige kerel, wees niet ondankbaar! Wat een verschil met mijn Toetie!”
Corona was verrukt, zij zag er recht blijde uit en eens zelfs vergat zij zichzelf zoozeer, dat zij Conrad zacht vroeg:
»Ben je mij nu niet dankbaar, dat ik je zoo’n vrouw heb bezorgd?”
»Ik had er je niet om gevraagd,” was het norsche antwoord.
Thoren van Hagen deed ook zijn spel hooren, waaronder Conrad zich verwijderde: eerst was het Corona’s plan niet te spelen, maar na een vraag, over de wijnmerken die zij voor te dienen had fluisterde Iteko haar toe:
»Als ik u een raad geven mag juffrouw de Géran, laat u niet bidden en speel.”
»Waarom?”
»Omdat hij anders denken zou dat u het liet om hem.”
»Wat een verbeelding!”
Toch volgde Corona den raad op en speelde waarlijk uitstekend. Zij oogstte niet veel bijval in, maar was tevreden, want Hermelijn zeide haar eenvoudig:
»U speelt zeer goed!”
»Zulk een compliment stel ik op prijs,” verklaarde zij met een zijdelingschen blik op Thoren van Hagen.
»Hermelijn spreekt mijn meening uit,” zeide deze, »en gister avond heb ik ’t zelfde reeds gezegd.”
Toen Conrad met zijn vrouw huiswaarts reed, zeide hij plotseling na lang stilzwijgen:
»Is dat de mode in Holland, dat de heeren jonggetrouwde vrouwen bij den naam noemen al zijn ze geen familie van hen en omgekeerd?”
»Wie deed ’t dan?”
»Die kwast en u.”
»Bedoel je Thoren van Hagen?”
»Ja.”
Een scherp antwoord zweefde om Hermelijn’s lippen. »Welk recht hebt ge mij dat te verbieden tegenover den vriend mijner jeugd, die mij meer achting en eerbied betoont, dan gij, mijn man?” Maar zij weerhield zich en zeide met groote krachtsinspanning zoo zacht en vriendelijk mogelijk:
»’t Is goed Conrad. Ik wist niet dat het je onaangenaam was, maar ’t zal voortaan niet meer gebeuren.”
In de eenzaamheid overwoog zij nogmaals zijn uitval en dacht:
»Zou ’t waar zijn, wat sommigen beweren, dat daar, waar jaloezie zich vertoont, de liefde niet ver af is?”
XVI.
Den volgenden dag vertrok Thoren van Hagen naar de hoofdplaats en van daar naar Samarang; hij bleef acht dagen weg en kwam terug eenige uren nadat een groote vrachtwagen, door karbouwen bespannen, hoog met meubels opgeladen voor het kleine huis bij het Ngaroemeer kwam stilhouden.
Natuurlijk was de geheele kolonie de Géran vervuld van de bijzonderheid, dat een Hollander, zoo pas uit Europa aangekomen, zich op hun grondgebied kwam vestigen en zich inrichtte of hij er voor goed wilde blijven.
»Maar, beste Thoren,” vroeg de oude heer de Géran, »ben je voornemens hier je leven te eindigen?”
»Te eindigen mijnheer, dat staat niet in mijn macht want ik ben tegen zelfmoord.”
Hermelijn alleen kon vermoeden, welke treurige beteekenis die woorden in zijn mond hadden.
»Maar of ik het hier zal doorbrengen is nog de groote vraag. Misschien blijf ik hier jaren, misschien een maand.”
De jonge Gérans en Portias koesterden de grootste belangstelling in Thoren’s doen en laten, hij had hun harten geheel gewonnen.
»Die meubels zijn heel solide,” verzekerde Guillaume, die van alles verstand scheen te hebben.
»Maar niet mooi. ’t Is ongelukkig hoe weinig men in Indië nog aan vormen doet,” zeide Portias, die om de ingepakte piano drentelde als een mug om de kaars.
»Ik heb genomen, wat er was,” sprak Thoren van Hagen, »ik wil niet zeggen dat ze mij erg aanstaan, maar voor de binnengalerij heb ik de modellen geteekend, dan kunnen ze die in djatihout uitvoeren, dat eikenhout het meest nabij komt. Jonge juffertjes meubelen moet ik hier niet hebben.”
»Ik ben benieuwd hoe je piano is, Thoren!”
»Niet kwaad, Portias, een mollige toon, ik had liever een vleugel gehad, maar die was er niet.”
»Je hadt op een vendutie moeten wachten.”
»Die misschien juist plaats heeft als ik er weer aan denk op te breken.”
»Nu, dat doe je zoo gauw niet, ’t zal je hier stellig veel te goed bevallen.”
»’t Is me wat lekkers,” bromde Akkeveen, die ook een kijkje kwam nemen, ofschoon hij al een paar maal had gevraagd of die vreemde snoeshaan iets achter zijn voorhoofd mankeerde. Een verstandig mensch ging zich niet begraven in zoo’n wilde boel als die ellendige negorij.
»Wacht tot het regenmousson is, vriend! Dat alle goten stroomen, dat je dak lekt, de meubels bederven, dat het meer niets is dan borrelend water dagen lang, dat je niet rijden, niet loopen, niet wandelen kunt.”
»Meent u dat ik mij binnenshuis niet zal kunnen amuseeren?”
»Maar je kon voor hetzelfde geld je in Amsterdam, Brussel of Parijs installeeren, een leven leiden als een prins, eten in de eerste restaurants, uitgaan met wie je wilt, gij, die zakken vol geld en geen blokken aan je beenen hebt. Een ander moest in je plaats zijn!”
»Elk zijn smaak, Akkeveen; een volgend jaar eens weer wat anders.”
»Nu, niemand maakt me wijs dat hij er geen bedoelingen mee heeft,” bromde Akkeveen, »hij zal toch geen idées hebben op de groote Cor?”
Thoren van Hagen was zelf druk in de weer met de kisten openslaan, de meubels ontpakken, de schilderijen ophangen en hij had er bijzonder slag van ook de jonge Gérans aan het werk te zetten, daar hij de voorzichtigheid van den mandoer [20], die van Samarang meegekomen was, slecht vertrouwde. Allen stonden verbaasd over de wijze, waarmede hij zich met het maleisch wist te redden, na zulk een kort verblijf in Indië.
Hij was in een lichtblauwe kiel gekleed, en als hij naar buiten ging met zijn grooten stroohoed op, zag hij er meer uit als een Amerikaansche planter dan als een zoo pas uit Europa aangekomen oud-officier.
Alle Gérans kwamen hem achtereenvolgens bezoeken, zelfs August. Zij moesten altijd een paar maal in de week op het groote huis verslag geven van hun werk en kwamen dan van hun respectieve woningen naar »beneden;” nu was er een reden te meer om een extra-verschijning te maken en den nieuwen gast in zijn doen en laten te bespieden.
»Wel mijnheer August,” sprak Thoren, »hoe bevalt u de inboedel?”
»Jammer, de witte mieren zullen opeten.”
»Witte mieren, zijn die dan hier.”
»Overal witte mieren, vooral onder tapijten.”
»Nu, we zullen er wel raad op weten. De buitengalerij ga ik eens behangen.”
»Tjitjak [21] maken toch de behangsel kapot.”
»Maar ik kan die ellendige witte muren niet zien. Als ik ze eens beschilderde, Portias.”
»Dan zal ik u helpen,” riep Philip, die een kist met glaswerk uitpakte, »ik heb heel veel verf.”
»De vocht bederft toch de verf.”
»Kom, mijnheer August, wees niet zoo zwaartillend.”
»Dat is hij altijd,” zeide Portias, »hij ziet niets dan de schaduwzijde van de dingen.”
»Vindt u dat geen mooi gezicht op het meer?”
»Kan wel, maar ongezond, alle menschen gaan dood hier.”
»Hebben hier al zooveel gewoond?”
»Je bent de derde, Thoren; toevallig zijn er twee gestorven, maar die kwamen er ziek aan.”
»En over Bremmers’ dood hangt een sluier.”
»Ik woon vroeger ook hier maar Poppie wil niet langer.”
»Omdat het ongezond was?”
»Neen, zij ziet gendroewo [22], en toen ze moet bevallen, is zij bang, dat die steelt het kind.”
»Nou, daar was niet veel aan verloren, één van de tien,” merkte Akkeveen boosaardig aan.
»Wij verliezen toch niet graag één!” zei August met een overtuiging, die aan het banale woord zekere kracht gaf.
»En vooral niet per gendroewo, dat spreekt.”
»Nu, als die gendroewo voor niets anders te vreezen is, dan kan ze hier gerust komen.”
»U moet niet zoo praten, als zij hoort of de kalang!”
»Wie is dat?”
»De roode hond, een allerdwaast bijgeloof.”
»Niet dwaas; als u ziet die roode hond, u wordt ongelukkig.”
»Kom, mijnheer August, je bent toch wijzer.”
»Ik zeg maar, wat de menschen vertellen.”
»Als iemand den rooden hond ziet, wordt hij ongelukkig in zijn liefde,” vertelde Guillaume, »maar de Gérans zijn allen zoo gelukkig in hun keuzen, daar zij die zelf niet doen, dat de roode hond hun nooit verschijnt.”
»Conrad ziet hem, toen hij nog jong is!”
»Conrad? Nu, dan is die roode hond het grootste leugenbeest ter wereld, want hij heeft de mooiste vrouw gekregen, die op God’s aardbodem leeft.”
»Apa boleh boeat! Mooi, is niet alles.”
»Wel neen, Poppie kan nog meer dan mooi zijn.”
»Poppie is een goede vrouw, maar je weet August:
»Darie mana datang linta? Darie kali toeron di sawak, Darie mana dateng tjinta? Darie mata toeron di atti.” [23]
»En zoo zal het met Conrad gaan, al heeft hij ook honderdmaal den rooden hond gezien.”
»Ik zal het er maar op wagen; woont de kalang hier in de buurt?”
»Hij woont overal en nergens, hij sluipt door de bosschen en schuilt in de alang-alang, hij verschrikt de tijgers en doet de vogels wegvliegen.”
»En hoe ziet hij er zoowat uit?”
»Donkerrood met oogen van vuur.”
»Nu, dan zal ik hem wel kennen als ik ’t dier tegenkom!”
»Wees maar blij als je dat monster ziet en hoop dan dat die voorspelling uitkomt, want liefde brengt niets dan last en dwang.”
»Hoe kan je dat weten, Ak?” vroeg Portias leuk. »Die legende van den rooden hond is niet onaardig, ik heb beproefd er een kleine opera van te maken. De Indische opera, ziedaar een veld, dat nog geheel braak ligt.”
»En dat jij wilt ontginnen?”
»Trachten tenminste. Mijn vermogens zijn zwak, ik weet het, maar mijn wil is goed en als de bezieling maar eens komt!”
»O zie, wat een beeldige bloemenvaas!” riep Philip bewonderend, een Boheemsch kristallen horen opheffend, die op zilveren voetstuk stond.
»Goed voor dames,” zei August.
»Wel, wie weet voor welke schoone dame Thoren het bestemt!” riep Guillaume.
»’t Is het eenige artistieke ding, dat ik in de toko’s kon vinden; de gravures zijn afgezaagde platen of opera-decoraties, die aan den Bijbel ontleend heeten of muziek of schilder- of dichtergroepen even geaffecteerd van opzet als ordinair van opvatting. Nergens iets nieuws of oorspronkelijks.”
»Ik ga naar huis, het zal regenen. Bonjour gezelschap! ’t Is een genot eens ergens te kunnen komen, waar wij zeker zijn Corona niet aan te treffen.”
»Wat niet is kan komen!” mompelde Guillaume, maar Thoren van Hagen, die anders een bewonderenswaardig gehoor had, scheen het niet te hooren.
»Denk je dat het regenen gaat, Gus?”
»Neen, mooi weer!”
»Altijd in de contramine; wil je hem iets laten goedkeuren, Thoren, begin er dan kwaad van te spreken.”
»Wat is uw Jansje een mooi kind, meneer August.”
»Ja, maar leelijke ooren.”
»Ik geloof dat uw vrouw een flinke huishoudster is.”
»Jawel, maar zij kan geen kokkie houden.”
»Zij kookt zelf zeker uitstekend.”
»Maar Hollandsch eten kan zij niet klaarmaken.”
»U woont daar akelig in dat uithoekje.”
»Maar ’t huis heel prettig en groot.”
»Uw kinderen leeren zeker goed bij juffrouw Iteko.”
»Ik geloof wel, maar zij kijkt niet naar de karakters.”
»Heb je van mijn leven, wie er al niet naar karakters kijkt. Wat voor soort karakter heb jij, August!”
»Raakt je niet, beter dan van jou, Akkeveen.”
»Dat geloof ik ook,” zeide Portias binnensmonds en hardop: »Ga je naar huis, Gus?”
»Neen, ik ga naar Djantong, en vraag zuster Hermine of ze bij ons komt.”
»Conrad is de eenige, die mij met geen bezoek vereert... van het mannelijke personeel althans,” zei Thoren.
Weinige oogenblikken later kwam de reeds door Thoren gehuurde jongen binnen, met eenige ketoepats en satehs [24] in pisangbladeren gewikkeld.
»Mijn diné, heeren! excuseert!” zeide de huisheer lachend, en zette alles op een kist, die hij voorloopig als tafel gebruikte, »de naaste warong [25] is mijn Krasnapolsky.”
»Ik begrijp niet, dat u niet bij ons aan huis komt eten. Heeft Cor u niet geïnviteerd?” vroeg Guillaume.
»Je vader deed het, maar ik prefereer mijn eigen keuken in al deze drukte, dat wint het heen en weer loopen uit.”
»Nu, ’t wordt tijd naar huis te gaan, ’t is bij twaalven. Onze Cor kan niet tegen wachten.”
»Waartegen kan zij dan wel?”
»Vindt u uw oudste zuster geen prachtige vrouw?” vroeg Thoren van Hagen, zijn ketoepat opensnijdend, aan August.
»Ja wel, maar haar humeur is niet prettig.”
»Jij slaat den spijker op den kop, brave August! Nu, het beste succès met je huishoudelijke zorgen, Thoren!”
Weinige minuten later waren zij allen heengegaan, en zette Thoren van Hagen zijn arbeid alleen voort.
XVII.
Aan tafel, waarbij van daag nog al veel familieleden aanzaten, was het gesprek drukker dan gewoonlijk.
Thoren van Hagen’s heldenfeiten waren er natuurlijk het onderwerp van; Corona luisterde met een minachtenden, trotschen blik.
»Ik begrijp niet wat zijn plan is,” zeide zij.
»Hij is verliefd!” antwoordde Guillaume.
»Op wie?” vroeg Kitty.
»Op Iteko,” grinnikte Akkeveen.
»Akkeveen, ik duld geen booze aardigheden,” riep Corona met vlammende oogen, »dat is laf; zoo’n hoog idee heb ik wel niet van je mannelijkheid, maar dat is toch ieder mensch onwaardig.”
»Waarom kan Thoren niet op Iteko verlieven; Venus is wel met Vulcaan getrouwd.”
»Maar zij was nooit verliefd op hem,” merkte Guillaume op.
»Verliefd wordt hier ook niemand op zijn aanstaande, daar staat zware straf op.”
»Akkeveen, je bent onverdragelijker dan ooit, van middag! Ik begrijp niet, wat je hier van daag doet; ’t is de betaaldag niet.”
»Maar Corona, maak je zoo boos niet, kind,” zei de vader, »je weet dat mijn huis voor mijn zoons en schoonzoons alle dagen openstaat.”
»Jammer genoeg, daarom hebben we nooit kalmte en rust. We zijn nooit onder ons! Ze komen tegenwoordig alle dagen hun tijd hier verliezen, om te zien wat die mijnheer Thoren doet of niet doet. Die man heeft bedoelingen, met zijn komst; ik heb papa genoeg gewaarschuwd, let u maar op! Als het te laat is, zal papa inzien, dat ik gelijk had.”
»Hij is een spion in Spaanschen dienst, door zijn gouvernement uitgezonden om Java in te palmen,” zeide Akkeveen.
»Ik vind hem een hoogst humaan, beschaafd mensch, een wel gestemde harmonische ziel,” verzekerde Portias.
»’t Is of je met de strijkstok er langs gestreken hebt,” hervatte Corona verachtelijk.
»Ik ga naar Djantong van middag. Ga je mee, Cor?”
»Dank je, ik hou er niet van mij in te dringen bij jongelui, die hun wittebrood nog niet op hebben.”
»Ze zijn er nog niet aan geweest,” fluisterde Guillaume Portias toe: »ik ben van je gezelschap Gus.”
»Poppie verzoekt Hermine.”
»Om daar te logeeren! Wat een dwaasheid, jongelui, die pas vier weken getrouwd zijn, al te scheiden; nu probeer het maar, je krijgt er toch niets gedaan.”
Iteko was intusschen, toen zij onwillekeurig oorzaak werd van een minder aangename gedachtenwisseling tusschen schoonzuster en zwager, druk op en neer gegaan tusschen de groote en de kindertafel, die in het andere gedeelte der galerij stond. In het voorbijgaan nam zij nu en dan een bete, want zij had genoeg te doen om te zorgen dat ieder het zijne kreeg. Toch hoorde zij alles maar vertrok haar gelaat niet.
Na de rijsttafel ging Corona naar haar kamer en wenkte Iteko haar te volgen.
»Die Akkeveen zal geen verhooging meer krijgen, die vent kan ik niet uitstaan,” sprak zij voor haar lessenaar gezeten, aanteekeningen makend.
»Och juffrouw! Hij is zoo kwaad niet, maar hij moppert alleen graag, dat is een Indische kwaal.”
»Je hebt alles gehoord, dat begrijp ik wel; ik vind het schandelijk, meer dan schandelijk!”