Part 1
HERMELIJN
DOOR
MELATI VAN JAVA
TWEEDE DRUK
SCHIEDAM
H. A. M. ROELANTS
I.
De stoomboot »Menado” had zoo juist de Rietlanden verlaten voor haar grooten overzeeschen tocht; de muziek van Sonneman had het »Wien Neerlandsch bloed” doen hooren en er was met zakdoeken gewuifd nat van tranen. De kolonialen hieven een herhaald »Hoera” aan en het groote schip schoof langzaam en statig voorbij de groetende en schreiende menschengroepen, die op den steiger zoolang zij konden bekende gezichten naóógden als om elk hunner trekken beter in den geest te prenten.
Zoolang mogelijk bleven ook de passagiers over de verschansing gebogen; was Amsterdam nog in zicht, dan scheen de reis niet begonnen; als men vergeten kon zich op een zeekasteel van 3000 tonnenmaat te bevinden, zou men bijna gelooven, eenvoudig terug te keeren van een uitstapje op een havenboot naar Zeeburg.
Het was dezelfde Handelskade met de witte koppen van haar duc d’alven, dezelfde schepen met hun verschillende vlaggen, dezelfde rij donkere pakhuizen met oude gevels of nieuwe rozige gebouwen, diepe kijkjes gunnend langs schilderachtige grachten, de zwart berookte torens van Montalban, der Oude-, Zuider- en Westerkerk; dieper in de Koepel van het Dampaleis, naast de slanke spits der Nieuwe kerk, de ronde, grauwe Schreierstoren, de houten loods, die het Centraalstation verbeeldt, en verder huizen en niets dan huizen, waar ten minste geen schepen liggen en over alles een scherpe Aprilzon, geestig en grillig langs een geveltje strijkende, een binnenwatertje doende glimmen, een rood dak gloeien, het glazen dak van het Volksvlijtpaleis schitteren in zilverglans, een partij boomen voorbij gaande en ze aldus in schemerdonker doezelend, de witte kozijnen der ramen schel latende schreeuwen tegen den somberen achtergrond, diamanten tooverend in de keizerskroon op den Westertoren, en het sappig groene water van het IJ nu en dan aan het flonkeren en flikkeren makend, als bestond het uit louter spattende, vurige vonken.
Een laatsten blik wierpen de reizigers op de stad, reeds vóór een tweetal eeuwen door dichters bezongen, als de »keizerin van Euroop”, en bedachten misschien hoeveel liefs ze in die muren achterlieten, liefs dat eenigen dierbare vrienden, hartelijke verwanten noemden, terwijl anderen daaronder niets meer verstonden dan roekeloos weggeworpen geld, guldens, waarmede men slechts wroeging en spijt tegen een kort vervlogen genot had geruild.
Voor anderen weer was de stad niets meer dan een laatste herinnering aan het geliefde land, dat in zijn diepsten schoot geliefde wezens, een onvergetelijk te huis verborg, dat men nu verlaten moest, gehoorzamend aan de onverbiddelijke wet der noodzakelijkheid, met slechts een flauwe hoop op wederzien.
Al die gedachten welke de heengaanden vervullen bij het scheiden van Amsterdam, openbaren zich bij de vrouwen in luide snikken en zelfs zenuwtoevallen, bij de mannen in doodelijke bleekheid, in herhaald bijten op knevels of lippen, of wel in vroolijke zetten en wanhopende pogingen om altijd, zelfs in zulke hoogst ernstige oogenblikken, grappig te blijven, bij de kolonialen in meer of minder vluchtige aanrakingen van hun mond met de veldflesschen aan hunne zijde. Zoo zocht ieder zijn troost, de een in grappen, de ander in tranen, enkelen in jenever, maar niemand was op zijn gemak. Met het wegnemen der loopplank scheen iets uit hun leven afgesneden, een stukje verleden had afgedaan, een nieuwe toekomst brak aan, terwijl de stad haar dagelijksch leven voortzette; slechts zeer weinigen bekommerden zich om het kleine gedeelte harer inwoners, die zich van haar afgescheiden hadden. De Kalverstraat zou er ’s middags niet minder druk om zijn, daar het mevrouw Die en Die onmogelijk was haar asphalt meer te betreden, in de Beurs zou het rumoer geen toontje lager dalen, omdat een zijner trouwe bezoekers er geruïneerd was en nu zijn geluk in Indië ging beproeven, de »Jan” in Kras of het Poolsche koffiehuis zou met dezelfde stem en hetzelfde buitenlandsche accent zijn »Asjeblieft meneer” op elke bestelling antwoorden, en misschien een enkele weemoedige gedachte wijden aan den royalen Indischen officier, die nooit kleingeld van hem terug wilde ontvangen en die nu nimmermeer daar op zijn gewoon plaatsje zitten zou.
En ’t zou op den gewonen tijd avond worden, de gaslichten werden aangestoken, de komedies raakten in vollen gang, op de planken werd weer gezucht, gevloekt, gelachen, geweend, gedanst, in de zaal geapplaudisseerd en gebisseerd en niemand miste de bezoekers van gisteren, die op de zilten baren overwogen, hoe dat Holland toch zoo kwaad niet was, vooral als men goed geld op zak had en niet voor die eeuwige schulden bevreesd moest zijn, dat Indië toch eigenlijk erg tegenviel, en tot troost der aanstaande baren [1], waarmee men zoo pas kennis had gemaakt, werd gezegd, dat niemand zijn land verlaten moest, die het niet volstrekt behoefde, dat in de Oost het geld ook maar niet zoo op straat te vinden was, dat er hard voor gewerkt moest worden, en meer van dergelijke aanmoedigende liefelijkheden.
Eindelijk waren de laatste uitloopers der geliefde stad voorbij, de een na den ander verliet de verschansing; sommigen met een zucht, anderen met een laatste afdrogende beweging van neus en oogen, allen met het vaste voornemen zich er in te schikken en de vijf weken reis, die voor hen lagen zoo aangenaam mogelijk door te brengen.
Er waaide een frissche bries en men maakte hier en daar de opmerking dat het koel begon te worden op het dek, eenigen zochten den salon op, anderen trachtten het gezelschap te verkennen en begonnen uit te rekenen dat er nog verscheidene ontbraken, die in Marseille of Napels zouden embarkeeren.
Een was er, die onbewegelijk en steeds in dezelfde houding bij de verschansing bleef staan; het was een zeer jong meisje, niemand had haar weggebracht, niemand haar zien aankomen, want zij scheen den nacht aan boord te hebben doorgebracht. Zij was de eenige, die niet gewuifd of geschreid had bij de afvaart; onverschillig als ging het haar niet aan zag zij de toebereidselen tot het vertrek, eindelijk, het eenigszins plechtige oogenblik zelf; zij verroerde zich niet zoolang het schip langs Amsterdam voer, maar hield het oog onafgebroken op de kust gevestigd; nu had zij zich omgekeerd en overzag met rustigen blik de groepjes passagiers, zonder in het minst te vermoeden, dat iemand haar eenige belangstelling waardig keurde.
En toch trok zij algemeen de aandacht; van de passagiers, die niet tot de rubriek kinderen behoorden, was zij ontegenzeggelijk de jongste en wist daarenboven het voorrecht van jong te zijn ten volle recht te doen wedervaren.
Men kon er over twisten of ze bepaald schoon was, maar frisch en mooi kwam zij ieder der passagiers op dien Aprilmorgen voor, zooals zij daar stond met den eenen arm op het hek geleund, met de andere hand de dikke plooien van haar granaatrooden doek op haar schouders verdedigend tegen de vinnige aanvallen van den wind.
Verrassend wit kwamen haar kin en hals uit tegen die warme, roode kleur, en de zon gaf een weerglans van blinkend koper aan haar dik, eenvoudig opgestoken blond haar, maar vooral trof de fijne teekening harer donkere wenkbrauwen, zich welvend over oogen van die zeldzame viooltjesblauwe kleur, welke in de schaduw gitzwart lijken, maar zoodra zij beginnen te fonkelen saphieren worden.
»Een kranige meid,” zei een der officieren tot zijn buurman, een piepjong ambtenaartje ter beschikking.
»Weet u niet, wie zij is?”
»Neen.”
»En ook niet onder wiens geleide zij meegaat?”
»Nog minder, interesseert zij je reeds?”
»En zou ze niet, zij de eenige bloem aan boord?”
»Die naar Indië gaat om een plukker te vinden; zeker een gouvernante of onderwijzeres.”
»Maar dat ware toch zonde!”
»Zij doet stellig een domme streek.”
»Hoe weet u dat, zonder haar te kennen?”
»Ze is een blondine en blondine’s deugen niet in de Oost. Zij worden na een jaar of wat bleek, vaal, flets, die een mooie blonde vrouw meeneemt naar Indië, merkt spoedig dat hij bekocht is.”
De jonge ambtenaar keek als onwillekeurig naar het kleine zwarte meisje, dat aan de knie stond van den kapitein en dacht, dat mevrouw diens echtgenoote zeker voorzichtigheidshalve geheel het tegenovergestelde moest zijn van een blondine.
»En toch geloof ik, kapitein,” sprak een ander heer naderbij komend, »dat zulk soort van blondine’s als die jonge dame daar, tegen alle atmosferische invloeden bestand is, zelfs tegen een tropische zon.”
»Denkt u, mijnheer! Enfin, u is leeraar in natuurkunde en weet het misschien beter, maar ik geloof het nog niet.”
»Weet u wie ze is?” vroeg het gebrilde ambtenaartje met klimmende nieuwsgierigheid.
»Nog niet, maar er is wel aan de weet te komen. Ha Dokter,” en hij riep den scheepsgeneesheer, die met de handen achter op den rug heen en weer ging, naderbij, »wie is de jonge juffrouw, die daar zoo pas is gaan zitten?”
Inderdaad had zij zich op een mailstoel neergezet en leunde achterover met een ernstige uitdrukking, die alleen in haar oogen te lezen was, want zij had haar doek over het fraai geteekende, vastberadenheid verradend mondje geschoven.
»Een jonge juffrouw, dat is ze niet meer, ’t is mevrouw de Géran, die onder bescherming van den kommandant naar Indië vertrekt.”
»Getrouwd!” riep de ambtenaar met veel beteekenende teleurstelling in zijn klagend stemmetje.
»Met den handschoen zeker!”
»Dat denk ik wel.”
»Géran, Géran! zijn dat niet die schatrijke koffielords van Midden-Java?”
»Ik geloof, dat zij tot Samarang meegaat.”
»En hoe hebben ze haar in ’t net gekregen?”
»Vraag ’t haar zelf, als het je interesseert. ’t Is zonde zoo’n prachtig schepsel in die binnenlanden te begraven.”
»Vind je ze mooi; niets aan, hoor! Een bleekneusje.”
»Nu ja, de aandoening van het oogenblik.”
»En ze heeft geen traan gelaten, niemand gegroet.”
»Wat je haar opgenomen hebt!”
»Géran, is dat niet een ongemakkelijke oude heer van Fransche afkomst?”
Een derde had zich bij de groep gevoegd, een koopman, die zijn vrouw uit Europa had gehaald, waar zij eenige jaren voor de opvoeding der kinderen had doorgebracht.
»Mijnheer van Diteren.”
»Kapitein Brant.”
»Wel dat doet me genoegen!”
Er werd voorgesteld, kennis gemaakt, men drukte handjes en zette toen het gesprek voort.
»We spraken over die jonge dame, mevrouw de Géran.”
»Géran de Saint-Paul, zoo heet de volle naam, ach kom, is dat weer een nieuwe plant, die de kolonie moet uitbreiden.”
De beeldspraak was alles behalve nauwkeurig.
»Welke kolonie?”
»Wel, weet u dan niet dat de Gérans de koffiekoningen van Midden-Java zijn, dat die oude heer een familie heeft, zoo groot dat ze haast niet te overzien is, en dat hij al zijn kinderen of ten minste bijna allen uitgehuwelijkt en op zijn uitgestrekte landen geplaatst heeft. Nu zal deze jonge dame wel weer een vrouw zijn voor een van de jongens. Hoe is hij er aan gekomen? Ze zeggen zelfs dat hij uitgebreide advertentiën plaatst voor schoonzoons en schoondochters.”
»Die natuurlijk bij de vleet te krijgen zijn.”
»’t Is anders zoo’n benijdenswaardig baantje niet lid van de familie de Géran te worden. De oude heer is de zoon van een generaal van Napoleon, die indertijd na Waterloo den franschen dienst verlaten heeft en als koloniaal naar Indië vertrok; hij heeft er fortuin gemaakt en zijn zoon nog meer. Het militaire zit hem nog in ’t bloed, er valt met hem niet te spelen; de volwassen zoons beven voor zijn oogen, niemand durft hem aan dan zijn oudste dochter, die moet nog een graadje erger zijn dan papa, een bataillons-kommandant, mijnheer, zooals onze kapitein het stellig nooit worden zal. Die twee kommandeeren het regiment.”
»En is er geen vrouw aan huis.”
»Ik geloof dat er drie geweest zijn, maar je kunt begrijpen, dat de stiefmoedertjes haar pret ook op konden met een dochter als de oudste juffrouw de Géran.”
»En zou dit meisje weten, wat zij tegemoet gaat?”
»Best mogelijk heeft zij nooit haar aanstaanden man gezien.”
»Maar dat zou toch vreeselijk wezen en schandelijk!”
»Schandelijk?”
»Wel zeker noem ik dat schandelijk, zich voor altijd te verbinden aan een man, dien men niet kent.”
»En die misschien niet eens weet dat hij getrouwd is.”
»Des te erger, maar ik kan ’t van haar niet gelooven.”
»Zoo, en waarom niet.”
»Zij ziet er niet naar uit.”
De anderen barstten in een spotlach uit om den toon van volle overtuiging, waarmee de naïve ambtenaar deze woorden uitsprak.
De kapitein en de koopman wisselden een paar woorden in het Maleisch met elkaar en gingen een eindje verder; de dokter slenterde weer heen en het jongmensch kon zijn oogen niet afhouden van het schoone altijd even onbewegelijke meisje.
II.
Eindelijk kwam er beweging in haar oogen en zij richtte zich zelfs half op; een zacht, onderdrukt maar toch niet te overwinnen snikken trof haar oor.
Het kwam van mevrouw van Diteren, een knappe, wel eenigszins afgetobde Indische dame, die achter haar zat en vergeefsche pogingen deed om zich goed te houden; haar verdriet duurde ongetwijfeld nog het langste van alle ontroostbaren, die straks schreiend Amsterdam hadden nagestaard.
Niemand sloeg er acht op; haar man dacht misschien dat zij in haar hut was, bezig met de noodige beredderingen, welke het best vóór IJmuiden in het kanaal ondernomen worden, vóór dat er vrees bestaat dat de zeeziekte aan alle goede, ordelievende plannen een einde maakt.
Zij had ook werkelijk de trap willen afgaan, maar het verdriet had haar overmand en zij was op een bank neergevallen zonder de kracht te hebben verder voort te gaan.
Als door een geheime veer bewogen rees de jonge mevrouw plotseling overeind. »Wat is haar gestalte goed ontwikkeld boven het middelmatige zelfs, maar hoe blijft elk harer bewegingen altijd even bevallig!” dacht de ambtenaar.
Zij had een flacon voor den dag gehaald en besproeide het klamme voorhoofd der half onmachtige vrouw met Eau de Cologne.
»Hoe handig weet ze dat te doen, hoe belangstellend buigt zij zich! Zie, nu vraagt ze iets. Gelukkige vrouw, kon ik maar zoo huilen, misschien troostte zij mij ook even lief.”
»Doet het u goed, mevrouw?” vroeg zij zacht.
»Dank u juffrouw, dank u! O ’t is zoo hard, mijn lieve kinderen!”
»Heeft u ze achtergelaten?”
»Ja, alle vier.”
»En gaat u alleen terug?”
»Met mijn man.”
En zij begon alweer wanhopig te snikken.
»Maar als ’t u zoo hard valt mevrouw, dan had ik ze niet achtergelaten.”
»Het moest.”
»Ik zie niet in waarom.”
»Van Diteren wilde het.”
Zij schroefde haar flaconnetje toe en de vastberaden trek om haar mond teekende zich nog eens zoo duidelijk en scherp, er lag op te lezen:
»Al wilde mijn man het duizendmaal, gebeuren zou ’t toch niet.”
»’t Is voor hun bestwil,” helderde de arme vrouw op, »maar ’t is toch zoo hard, alle vier!”
»Verschrikkelijk.”
»En is u ook alleen?”
Dat »ook” vond de jonge dame misschien wat zonderling in den mond eener vrouw, die met haar man reisde, maar zij antwoordde zonder daar schijnbaar op te letten:
»Ja, ik ken hier niemand, zelfs niet van aanzien.”
»Gaat u naar uw ouders?”
Een heldere glimlach vloog over haar gelaat en gaf tinteling aan haar mooie oogen, de ambtenaar ving dien vluchtigen zonnestraal op en vond haar nu wonderschoon, het schoonste meisje dat hij ooit gezien had.
»Neen, naar mijn man.”
»Is u dan getrouwd?”
»Dat is maar zoo wat, met een handschoen in plaats van met een man.”
»Met wie heb ik dan ’t genoegen... Ik ben mevrouw van Diteren.”
»Hermel... Hermine Van Voorden, of liever neen, zoo heet ik niet meer, Géran de Saint-Paul.”
»O dien naam kent ieder op Java, met welken van zijn zoons is u getrouwd?”
»Met Conrad.”
»Dat is geloof ik de derde, niet waar?”
»Kent u hem?” vroeg zij met blijde verrassing in de stem, en zette zich toen naast de bedrukte moeder neer, die voor een oogenblik haar bitter leed vergat en zag haar vragend en afwachtend aan.
»Neen,” ging mevrouw van Diteren voort, »hem ken ik zoo goed niet, wel zijn andere broêrs August en Guillaume en de oudste zuster.”
»Ja, Corona.”
»’t Is een groote familie. Waar heeft u ze leeren kennen?”
De zachte gloed van een blos wierp een rozigen schijn op haar doorschijnend witte huid.
»Ik ken alleen mijn... mijn man en een jonger broertje, dat later aan de cholera overleden is.”
»Zijn ze dan in Holland geweest?”
»Ja, ze hebben school gelegen in de stad, waar Papa in garnizoen lag en waren bij ons in den kost. Papa was majoor moet u weten, en mijn eigen mama de zuster van mijnheer Géran’s eerste vrouw.”
»De moeder van Corona, August en Guillaume?”
»Juist, daarom kwamen die kinderen veel bij ons. Eens werd Conrad ziek bij ons aan huis en omdat mijn stiefmoeder het zoo druk had met de kleintjes, paste ik hem op. ’t Was zoo’n aardige jongen,” ging zij als in zich zelf pratende voort en een paar allerliefste kuiltjes werden zichtbaar bij het schalksche glimlachje, dat nu om haar lippen speelde.
»Wat lacht ze dikwijls, zij is zoo ongenaakbaar niet als ik eerst meende,” dacht het ambtenaartje.
Mevrouw van Diteren zag haar aan, en er lag iets zeer bezorgds in haar blik, maar zij zeide niets op deze lofspraak.
»Later gingen zij naar kostschool, Papa werd naar Leeuwarden overgeplaatst; we verloren mekaar uit het oog; ze zijn naar Indië teruggekeerd na een jaar of wat en we hoorden niets meer van de Gérans, totdat Papa het vorige jaar stierf. Mama schreef hem en er kwam een brief terug, waarin de vader mij uit naam van zijn zoon ten huwelijk vroeg.”
»En heeft u dadelijk ja gezegd,” vroeg mevrouw van Diteren op verschrikten toon.
»Neen, niet dadelijk, maar we waren zoo arm. Ik heb acht stiefbroertjes en zusjes, de oudste is twaalf jaar; gelukkig heeft mama rijke familie en die wilden haar wel ondersteunen. Ik moest natuurlijk in betrekking, maar ik had geen enkel examen gedaan, ik heb altijd moeten werken in ’t huishouden,” voegde zij er treurig bij, »en ik wilde mama, met wie ik toch niet erg harmonieerde, niet langer tot last zijn. Ik begrijp eigenlijk niet, waarom ik u dat alles vertel, mevrouw, ’t zal u niets kunnen schelen, maar misschien geeft het u wat afleiding en ik vind het zoo prettig dat u Conrad of liever zijn familie kent.”
»Ze zijn heel rijk.”
»Maar daarom zou ik niet met hem getrouwd zijn, als ik niet van hem hield. Ik vond het zoo aardig dat hij nog aan mij dacht.”
»Hoe oud was u toen u hem oppaste?”
»Hij was twaalf en ik tien, maar hij heeft nog hetzelfde gezicht, wil u eens kijken?”
En een medaillon voor den dag halend toonde zij een knap donker eenigszins stuursch gelaat.
»Ja, dat is het echte Géran gezicht,” was alles, wat mevrouw van Diteren zich liet ontvallen.
»Ik heb moeite gehad mij te decideeren, ik zag er tegen op reeds dadelijk te trouwen. Ik wilde wel naar Indië gaan om eerst de kennis te hernieuwen maar dat stond mijn oom niet toe.”
»En uw man?”
»Hij nog minder; ik heb zulke lieve brieven van hem.”
»O zoo!”
’t Scheen of er een last van haar weggenomen was, zoo verruimd klonk dat eene woordje.
»En toen heb ik er maar toe besloten. In Holland had ik na Papa’s dood niets, wat mij boeide.”
»Uw broers en zusjes ook niet.”
»Och jawel, ik mocht ze graag, maar wat niet eigen is wordt niet eigen.”
»Nu me... ik zal maar Hermine zeggen niet waar, ik hoop dat u recht eigen wordt met de familie Géran. Ze zijn heel goed, heb ik altijd hooren zeggen, alleen maar een beetje eigenaardig in sommige opzichten.”
»Dat vind ik juist prettig, ik houd niet van al te gewone dingen, maar ik ben blij, dat ik kennis met u heb gemaakt, lieve mevrouw, we zijn beiden zoo alleen...”
Zij zweeg en bedacht zich wellicht, hoe heel anders dat alleen zijn van haar was; zij liet niets achter en ging alles tegemoet, terwijl de arme moeder veel had verlaten en niets haar meer wachtte.
Deze gedachte scheen haar echter weer nieuwe tranen te kosten en Hermine de Géran begon haar te troosten of liever haar gedachten een andere richting te geven.
»Hoe oud is uw oudste, mevrouw?”
»Tien jaar en de jongste zes.”
»O foei,” had zij haast verontwaardigd uitgeroepen.
»Dat komt er van als men met een Hollander trouwt,” zeide de andere, als had zij het onderdrukte woord werkelijk gehoord.
»Zijn ze op een pensionaat?”
»Neen, bij mijn schoonzusters.”
En er vielen nieuwe tranen, die zeker geen gunstige getuigenis aflegden voor het vertrouwen dat mevrouw van Diteren in de familie van haar man stelde.
»Maar was u dan niet liever in Holland gebleven?” vroeg de jonge mevrouw.
»Wel zeker, maar mijn man wilde het niet en daarom moest ik mee.”
»En al uw kinderen achterlaten?”
»Ze moesten toch leeren.”
Eindelijk bemerkte van Diteren dat zijn vrouw nog op het dek was gebleven en tot zijn nog grootere verwondering zag hij haar in druk en zelfs vertrouwelijk gesprek met de jonge dame, die zoo de algemeene belangstelling had opgewekt.
Hij naderde het tweetal en zeide tot Hermine:
»Mevrouw de Géran de Saint-Paul, niet waar?”
»Ja mijnheer,” en zij boog even het hoofd.
»Mijn man!” fluisterde mevrouw tusschen twee snikken.
»O zoo!”
De tegenwoordigheid van hem, die zijn vrouw zoo gewelddadig scheidde van haar lievelingen, scheen haar niet erg te bevallen; zij wendde het trotsche kopje ten minste onmiddellijk van hem af.
»Ik heb het genoegen uw nieuwe familie te kennen... maar vrouw, schei toch eens uit met dat gegrien, voor de juf... ik bedoel voor mevrouw, die toch ook een zwaar afscheid genomen heeft, is dat alles behalve opwekkend.”
»Ik heb geen zwaar afscheid genomen,” sprak Hermine koel.
»Mijn vrouw is wat zenuwachtig, ziet u! Zij kan zich niet boven haar verdriet verheffen, maar waar de noodzakelijkheid spreekt, daar moet toch alles voor zwijgen, vindt u niet?”
Hermine perste haar lippen samen als om niet alles te zeggen, wat zij dacht.
Maar de heer van Diteren had er behoefte aan, dat iemand hem gelijk gaf tegenover zijn vrouw en sloeg op ’t zelfde aambeeld voort.
»Er zijn geen kinderen, die het zoo goed kunnen hebben als zij; mijn zusters zijn gek op hen, ze zullen hun een door en door Hollandsche opvoeding geven; al het Indische, dat zij door hun geboorte en eerste opvoeding mochten hebben overgehouden zal er af gaan, daarbij zijn ze op een uitstekende school; het zal hun aan niets ontbreken.”
»Behalve aan hun moeder!” kon Hermine zich niet weerhouden te zeggen.
»Zij hebben nu zes moeders in stede van een,” sprak de heer van Diteren afgemeten in het volle bewustzijn van iets zeer indrukwekkends te zeggen.
»Zes,” herhaalde de jonge mevrouw en dacht: »Zes stiefmoeders en ik, die er aan een meer dan genoeg had.”
»Ja zes, die niets te doen hebben dan alle gangen mijner lievelingen nauwlettend te volgen, die met de teederste liefde voor hen bezield zijn en die zich allen verheugen mogen in een buitengewone ontwikkeling, elk op haar eigen gebied; eene is zelfs schrijfster. Waarschijnlijk kent u ze wel van reputatie; zij schrijft onder den naam van Fedora.”
»Zij houdt immers ook lezingen over de vrouwenquaestie?”
»Ja en zij zal de kleine Non geheel naar haar beginselen opvoeden.”
»O zoo, dus worden die theorieën van haar eerst op uw dochtertje geprobeerd?”
De heer van Diteren zag dat aanmatigende ding eens flink aan; spotlust flikkerde in haar oogen en een ondeugend lachje plooide haar mond.
»Als u opvoeden probeeren noemen wil, ja!”
»Zoo de proef dan maar goed uitvalt!”
»Waarom zou ze niet goed uitvallen, als de theorieën goed zijn?”
»Omdat er een groot verschil is tusschen theorie en praktijk.”
»U heeft veel ondervinding schijnt het, mevrouw!”
»Van kinderen, ja mijnheer, ik heb ook wel eens theorieën willen toepassen, maar kwam er gewoonlijk slecht af.”
»Maar mijn zuster wil u toch niet op een lijn plaatsen...”
»Met mijzelf? O neen mijnheer! Ze heeft het voorrecht een menschenleven ouder te zijn dan ik. Ik heb haar hooren lezen.”
De lange, hoekige vrouw met de scherpe stem en de overdreven eischen van gelijke rechten voor man en vrouw, met de bittere grieven tegen alles wat man was, en de sombere levensbeschouwing kwam haar duidelijk voor den geest.