Hermaphrodisie en Uranisme

v. Krafft-Ebing en de psychiaters over het hoofd gezien en dit zien

Chapter 47,636 wordsPublic domain

de meeste psychiaters nog altijd over het hoofd en het is zeer waar wat Näcke zegt, namelijk, dat "wat psychiaters, neurologen en gerechtelijk-geneeskundigen van homosexueelen onder de oogen komt, meestal abnormaal is, maar dat men dit daarom niet in algemeenen zin mag toepassen. Deze artsen zijn daarom in zake homosexualiteit meer of minder incompetent, wijl zij juist de duizenden urningen, die gewoon in de maatschappij leven, niet kennen".[58]

Wanneer men nu, behalve de verbeterde uitspraak van v. Krafft-Ebing zelf, de uitspraken van de competente onderzoekers op dit gebied nagaat, de uitspraken van Hirschfeld, die minstens 5000 uranisten heeft onderzocht, van Fuchs, van Näcke, Bloch, v. Schrenck-Notzing, dan ziet men dat geen van hen het oordeel dat uranisme een psychopathie is, is toegedaan. Noch Lacassagne, noch Havelock Ellis, noch v. Römer, die alle ettelijke uranisten hebben onderzocht, hebben zich dan ook in die richting uitgesproken, integendeel hebben zij de opvatting "psychopathie" met alle kracht tegengesproken. Wat mijn eigen onderzoekingen betreft, al is het aantal uranisten dat ik heb onderzocht niet zóó groot, dat ik mij als de evenknie van de genoemde onderzoekers durf opwerpen, toch heb ik nog geen enkelen uranist ontmoet, bij wien ik een geestesstoornis of een ziekelijke stoornis in de geestvermogens heb kunnen vaststellen. Wel heb ik in eenige krankzinnigengestichten lijders gezien, die nu en dan pogingen deden om homosexueele geslachtsdaden te doen, maar bij dezen waren de daden een gevolg van hun psychisch defect en niet van hun homosexualiteit of van hun uranisme.

Ook de opvatting "psychopathie" wordt dan ook niet meer door de competente onderzoekers van dit onderwerp verdedigd.

Schijnbaar meer naar waarheid is de opvatting, dat uranisme en homosexualiteit een degeneratie, of een verschijnsel van degeneratie is.

Nu wil het mij echter voorkomen, of men in den laatsten tijd wat al te veel gebruik en zelfs misbruik van het woord "degeneratie" maakt. Alle menschelijke uitingen, die niet zoo dadelijk geweten, gevoeld of begrepen worden, is men maar al te veel geneigd met het woord degeneratie te bestempelen. Daarenboven zegt het woord "degeneratie" betrekkelijk weinig, en zeker is het niet een verklaring. Door het woord te gebruiken, stelt men vele malen een ander woord in de plaats voor het verschijnsel of het feit dat niet begrepen of geweten wordt.

Gaan wij echter nauwkeuriger na, welke verklaring men van "degeneratie" heeft gegeven, dan zien wij al heel spoedig, dat geen der definities past voor het uranisme. Magnan zegt, dat degeneratie "de ziekelijke toestand van het individu is, dat in vergelijking met zijn ouders, constitutioneel verminderd is in zijn psycho-physisch weerstandsvermogen en slechts onvolkomen de biologische voorwaarden om den erfelijken strijd om het bestaan vol te houden, verwezenlijkt"[59]. Wertheim Salomonson zegt, "dat wij dan degeneratie kunnen constateeren, wanneer wij bij een individu een zoodanige afwijking van het type ontmoeten, dat wij, uit de ervaring van soortgelijke gevallen opgedaan, mogen besluiten, dat deze vermoedelijk op het kroost in meer ernstigen vorm zal worden overgedragen, terwijl zij bij de ouders reeds in meer gemitigeerden vorm aanwezig was."[60] Möbius voert aan, dat wij met "degeneratie zoodanige ongunstige afwijkingen van het type kunnen bestempelen, die een zekere grootte bereiken, blijvend zijn en door erfelijkheid op de nazaten kunnen overgaan",[61] terwijl Hoche degeneratie een "aus der Art schlagen" noemt en eveneens van "ongunstige afwijkingen van het type" spreekt.[62]

Vergelijken wij den uranist en het leven van den uranist met deze definities, dan zien wij, dat waar van een type wordt gesproken, nergens een type van een man of van een vrouw kan worden aangetoond. Wij hebben gezien, dat wij--omdat het type ontbrak--gedwongen waren om alleen met de eigenschappen, die bij de overgroote meerderheid der sexen voorkomen, rekening te houden. Wat dus "afwijking van het type" moet leeren, is niet duidelijk. Wat betreft het overgaan der afwijkingen op de kinderen, het is door verschillende onderzoekers bewezen, dat in de ascendentie van den uranist geen of bij uitzondering uranisten voorkomen en dat ook in de nakomelingschap van den uranist (soms toch krijgt de uranist, die om verschillende redenen kan getrouwd zijn, kinderen) geen of zeer weinig uranisten voorkomen. De meeste uranisten komen te midden van een familie van gewone broeders en zusters te voorschijn en in de meeste gevallen is er geen familielid aan te wijzen, bij wien men dezelfde of een dergelijke afwijking kan vinden. De meeste uranisten nu krijgen geen kinderen, omdat zij niet trouwen. En wat dien levensstrijd aangaat, ik geloof niet dat iemand zal durven beweren, dat mannen als Frederik de Groote, Condé, Mac Donald, Krupp en anderen de bewijzen hebben gegeven, dat zij de voorwaarden om den levensstrijd vol te houden, onvoldoende hebben verwezenlijkt!

Volkomen waar is het, dat de degeneratie zich niet bij de kinderen in denzelfden vorm als bij de ouders behoeft te openbaren, maar dat de kinderen andere verschijnselen van degeneratie dan de ouders kunnen vertoonen. Vraagt men nu echter, of er in de ascendentie van den uranist zooveel meer en zooveel ernstiger vormen van degeneratie voorkomen, dan in de familie of ascendentie van den heterosexueel, dan moeten wij ontkennend antwoorden. Immers mag men dan pas van de degeneratie van een persoon spreken, wanneer er verschillende ernstige afwijkingen van het normale (s. v. v.) bij hem te vinden zijn en wanneer over 't algemeen zijn geschiktheid om mee te bestaan en zijn plaats in de samenleving te vervullen in hooge mate is getroffen.[63] Door v. Römer is in zijn werk "Het uranisch huisgezin" voldoende en uitstekend aangetoond, dat degeneratie in de ascendentie van uranisten volstrekt niet erger en zwaarder is, dan in die van heterosexueelen. Trouwens ook andere onderzoekers, waaronder Hirschfeld in de eerste plaats, hebben aangetoond, dat bij den uranist van degeneratie in erger mate dan bij den heterosexueel, geen sprake is. Wat mijn eigen onderzoekingen betreft, ben ik tot dezelfde uitkomst als de andere onderzoekers gekomen en heb ik noch in de ascendentie der uranisten die ik heb onderzocht, noch bij de personen zelf, zoo veel of zoo groote degeneratie kunnen vinden, dat ik daaruit het besluit zou durven trekken, dat de uranist per se gedegenereerd is of het slachtoffer van degeneratie in zijn familie zou zijn. Onder al de uranisten die ik heb onderzocht, heb ik maar één gevonden, bij wien een zeer sterk uitgesproken degeneratie was aan te toonen en in wiens familie, zoowel in de directe ascendentie als in de zijliniën een zware belasting waarschijnlijk de schuld was, dat de uranist zelf een immoreel en lichamelijk gedegenereerd individu is geworden. In hoeverre nu zijn uranisme van die degeneratie afhankelijk was, weet ik niet te zeggen en is ook moeilijk aan te toonen.

Mocht dit alles nog niet genoeg bewijzen, dan wil ik daarenboven vermelden, dat--zooals uit verschillende bronnen blijkt--uranisme en homosexualiteit ook bij wilde en primitieve volken voorkomt. Zoowel in "Untrodden fields of anthropology"[64] als in het opstel van Karsch[65] en in het werk van Havelock Ellis[66] vindt men meer of minder uitgebreide mededeelingen daaromtrent. Burton heeft in zijn "Arabian Nights"[67] een gedeelte van de wereldbol afgebakend, welke hij de "sodatic Zone" noemt en die al de volken omvat, bij wie uranisme en homosexualiteit inheemsch is. Het is opmerkelijk, dat in die "sodatic zone", de primitieve en wilde volken de grootste plaats innemen. En men mag en kan toch niet aannemen, dat degeneratie, depravatie en zedebederf bij primitieve en wilde volken even ver zouden zijn voortgeschreden, als in het beschaafde Europa!

De vierde opvatting, dat het uranisme een variëteit is, blijft ons ter bespreking over. Deze opvatting is m. i. de ware en ik zou haast, met een variant op het bekende Fransche woord, willen zeggen: si elle n'existait pas, il faudrait l'inventer, zóó logisch staat de homosexualiteit op de lijn der geslachtsrichting, zóó onweerlegbaar moet zij te vinden en aan te wijzen zijn.

In zijn bekend werk "Oorsprong en bevruchting der bloemen" zegt Hugo de Vries: "het geheele probleem der erfelijkheid draait in hoofdzaak om de vraag naar het aandeel van den vader en de moeder aan de eigenschappen van het individu. De eene eigenschap heeft een mensch van zijn vader, de andere van zijn moeder. Ziedaar het feit. Slechts in schijn is elk mensch ten opzichte van het probleem der erfelijkheid een eenheid. In zijn binnenste is hij een dubbelwezen. Naast elkaar liggen in hem de erfstukken van zijn vader en van zijn moeder. Nu eens werken zij samen, dan weer werken zij tegen elkaar, nu eens overheerscht het eene, dan weer het andere.... Elk levend wezen, dat door geslachtelijke voortplanting is ontstaan, vereenigt in zich de erfdeelen van zijn ouders. Deze liggen in hem als een mozaïek, wel innig vermengd, maar toch gescheiden.... Alle lichaamskernen zijn dus dubbelkernen, alle geslachtelijk ontstane wezens dubbelwezens, die levenslang hun dubbelen oorsprong verraden en die in bijzondere gevallen dit op een bijzondere en in het oog vallende wijze doen".[68]

Wij hebben gezien, dat de kenmerken van de eene sexe bij de andere sexe kunnen voorkomen. Wij hebben gezien, dat dit zoowel wat de primaire als wat de secundaire geslachtskenmerken betreft, het geval kan zijn en ook dat de psychische eigenaardigheden, die men voor specifiek voor de eene sexe houdt, even goed bij de andere sexe kunnen voorkomen. De psychische eigenschap, de geslachtsrichting, nu kan even goed een wisseling vertoonen en de eigenschap, die in de meeste gevallen specifiek voor den man is, kan bij de vrouw voorkomen even goed als het omgekeerde het geval kan zijn.

Dat de uranist, dat de homosexueel een variëteit is, kan men op de volgende wijze aantoonen. Nemen wij een denkbeeldige lijn en plaatsen wij aan de beide uiteinden daarvan, aan de eene zijde de man met 100% mannelijke eigenschappen--wanneer die bestaat; geen enkele man heeft die 100% mannelijke eigenschappen, omdat in iederen man ook vrouwelijke lichamelijke eigenschappen zijn aan te toonen (de prostata, de rudimenten van de borsten enz.)--aan de andere zijde de vrouw met 100% vrouwelijke eigenschappen--ook weer, wanneer die bestaat; op de vrouw is mutatis mutandis hetzelfde als op den man van toepassing--dan kunnen wij op die lijn de verschillende variëteiten vinden, die al naar gelang den kant van waar wij beginnen, overwegend mannelijke eigenschappen en heel weinig vrouwelijke hebben, of omgekeerd. Zoo voortgaande tot het midden van de lijn, zullen en moeten wij noodzakelijk op dit midden den volkomen hermaphrodiet vinden. Wanneer wij op dezelfde wijze met den heterosexueel en den homosexueel te werk gaan, dan zien wij, dat waar aan het eene einde van de lijn de absolute heterosexueel staat (wanneer deze absolute heterosexualiteit bestaat), aan het andere einde de absolute homosexueel (wanneer deze absolute homosexualiteit bestaat) moet komen. In het midden komt de bisexueel, de zoogenaamde psycho-sexueele hermaphrodiet. Dat er noch een absolute hetero- noch een absolute homosexualiteit bestaat, is te begrijpen. Een individu erft toch van zijn vader en van zijn moeder, van zijn grootvader en van zijn grootmoeder en van de geheele ascendeerende reeks mannen en vrouwen, die aan zijn vorming--door zijn grootouders en zijn ouders heen--hebben deelgenomen. In iederen heterosexueel zit een gedeelte homosexualiteit, al is dat ook nog zoo klein, even goed als er in iederen homosexueel een gedeelte heterosexualiteit is, al is dit ook nog zoo klein. Het zou wonder zijn, wanneer het individu wel in zijn lichamelijke eigenschappen, maar niet in zijn psychische, van de andere sexe in zijn ascendentie zou erven. Of nu in het midden van de lijn de bisexueel staat, die precies evenveel hetero- als homosexualiteit heeft, kan niet met zekerheid gezegd worden. Theoretisch gesproken, moet het zoo zijn. Maar of er een individu bestaat, dat een zoo precies-gedeelde geslachtsrichting bezit, is niet bekend.

Uit dit alles blijkt, dat de uranist een variëteit is, evenals alle individuen variëteiten zijn, dubbelwezens die zoowel de lichamelijke als de psychische eigenschappen van de beide sexen van hun ouders en voorouders in zich dragen. Met deze opvatting, die ik het eerst op het congres voor crimineele anthropologie te Amsterdam verkondigd heb, gaan dan ook de meeste onderzoekers--Hugo de Vries,[69] Näcke,[70] Hirschfeld,[71] Numa Prätorius[72] e. a.--mede. Uit het wezen der variëteit is het dan ook te verklaren, waarom men onder de uranisten die verschillende vormen vindt, die men bij heterosexueelen ook kan aantoonen, maar die meestal aan de aandacht ontsnappen, van ultra-virilen en virilen tot passieven en geëfemineerden toe. Dat deze variëteit is aangeboren zal wel niemand, naar wat wij zooeven hebben besproken, kunnen of willen tegenspreken.

Wat echter nog wel even sterk pleit voor het aangeboren-zijn van de homosexualiteit, zijn de droomen die de uranist heeft. Näcke is de eerste geweest, die gewezen heeft op "die psychologische Bedeutung der Träume", en zegt dan ook, dat de droom een caracteristicum is, waaruit men de psyche van het individu kan diagnosticeeren.[73] Het zou mij te ver voeren om hier ook over de zoogenaamde contrastdroomen te spreken en ik wil deze dan ook buiten bespreking laten. Zoo is het een zekerheid, dat een heterosexueel in zijn verliefde droomen nooit anders dan heterosexueele beelden ziet, een homosexueel nooit anders dan homosexueele; een bisexueel zal daarentegen nu eens heterosexueele, dan weer homosexueele, beelden voor zich zien. Gesteld iemand zou uranist kunnen worden, iemand zou zijn homosexualiteit kunnen verkrijgen, dan zou het uit zijn droomen blijken, dat hij niet de echte uranisten-natuur heeft en zouden zijn droomen niet voortdurend homosexueel, maar of afwisselend homo- en heterosexueel zijn, of alleen heterosexueel, al naar dat dan zijn ware natuur is. Welken uranist men nu naar zijn verliefde droomen vraagt, men zal altijd ten antwoord krijgen, dat zijn droomen--een enkele contrastdroom, als zeldzaamheid en in zeldzame gevallen er buiten gelaten--altijd homosexueel zijn.

Werpen wij een blik terug op de verschillende theorieën, die er over het uranisme bestaan. De opvatting onzedelijkheid, depravatie, ontucht die uranisme ten gevolge kunnen hebben is niet houdbaar en is ook door een ieder, die een ernstige studie van het onderwerp heeft gemaakt of nog maakt, verlaten. Ook de opvatting, dat het uranisme een uiting is van een ziekelijke stoornis der geestvermogens, is bewezen onwaar te zijn en hij die het eerst den naam "psychopathia sexualis" heeft uitgesproken, is dan ook bereid geweest, zijn foutieve opvatting te bekennen. Door geen enkelen competenten onderzoeker wordt meer instemming met een dergelijke opvatting geuit. Integendeel, allen die een genoegzaam aantal gevallen van uranisme hebben onderzocht, zijn van het tegendeel van een psychopathie overtuigd.

Dit--zoowel als de kwestie der degeneratie--is van het hoogste belang voor de maatschappelijke zijde van het vraagstuk. Gesteld het uranisme zou een psychopathie zijn, gesteld het zou een degeneratie, een gevolg van degeneratie, een teeken van degeneratie zijn, dan zou hierin geen reden mogen gevonden worden om den uranist met verachting te behandelen of hem uit de samenleving te stooten. Is het uranisme een gevolg van stoornis der geestvermogens, dan is er zeker geen reden om hem met verachting, maar eer reden om hem met medelijden te behandelen. Immers dan staat hij gelijk met iederen ongelukkige, die een afwijking op geestelijk gebied vertoont. Zijn psychopathie toch is niet van zijn wil afhankelijk, zij is niet aan hem zelf, aan zijn wil toe te schrijven, hij heeft die integendeel zonder en tegen zijn wil gekregen.

Hetzelfde kan van de degeneratie worden gezegd. Ook die is niet van zijn wil afhankelijk, ook die heeft hij zonder en tegen zijn wil mee ter wereld gebracht. Doch op dat punt is nog iets anders op te merken, wat van het hoogste belang is. Gesteld het uranisme ware inderdaad een degeneratie--en mijnentwege noeme men het zoo, het is alleen een kwestie van woorden--dan nog zou dit, wat de maatschappelijke zijde van het vraagstuk betreft, niets zeggen. Niet alleen, dat "degeneratie" zonder meer, niets zegt, maar die "degeneratie" kan en mag nooit de maatstaf zijn, waarnaar men iemand beoordeelt. Het is alleen, en mag alleen de vraag zijn, hoe die degeneratie, hoe dit "aus der Art schlagen" zich uit! Men is zoo langzamerhand aan het woord "degeneratie" de beteekenis van individueele minderwaardigheid gaan hechten, die ten eenemale verkeerd is. Iemand die gedegenereerd is, "aus der Art schlägt", doordat hij volmaakter, beter is dan het meerendeel, een genie, een buitengewoon iemand, kan en mag men toch niet een minderwaardig individu noemen, omdat hij gedegenereerd is. Een zoogenaamd gedegenereerd iemand toch kan veel beter, veel meer waard zijn dan zijn niet-gedegenereerde evenmensch. Aan de "degeneratie" hebben wij den vooruitgang van de samenleving te danken, het is de schuld en het werk van "gedegenereerden", dat de wereld zoover gekomen is als geschied is. "Der normale Mensch ist langweilig" heeft Möbius gezegd en het zou er heel vreemd en vervelend in onze wereld uitzien, wanneer er geen dégénérés waren geweest en nog waren, geen genieën, geen geleerden, geen kunstenaars. Niettegenstaande of misschien, en waarschijnlijk zelfs, omdat zij gedegenereerd waren, hebben zoovele groote mannen de wereld vooruit gebracht. In het al- of niet-gedegenereerd zijn zonder meer, mag men geen reden tot waardeschatting van het individu vinden!

Zooals iedereen moet men ook den uranist naar zijn karakter, naar zijn eigenschappen beoordeelen en niet uitsluitend naar zijn geslachtsrichting. Amore, more, ore, re, nascuntur amicitiae! De neiging, waardoor hij van heterosexueelen verschilt, namelijk niet voort te planten (in sommige gevallen planten uranisten wèl voort. In alle geval kunnen zij even goed als heterosexueelen voortplanten.) en dit, om zoo te zeggen, willekeurig nalaten, heeft hij met zoovele heterosexueelen, b.v. vrijwillig celibatairen, gemeen. Dit niet-voortplanten nu is, wat den heterosexueel betreft, nooit een reden voor minachting van de zijde zijner medemenschen. De vraag moet en mag alleen zijn welke moreele, welke sociale eigenschappen een individu vertoont en of die eigenschappen, in den ruimsten zin genomen, beter, hooger, gelijk of minder dan de eigenschappen van het meerendeel zijn. Een ander motief is er niet.

Beschouwen wij den uranist zelf nader. Evenmin als men er begrip van heeft of vermoeden kan, dat het aantal uranisten--en het is uit de enquêtes van Hirschfeld bij de studenten aan de technische Hochschule te Berlijn en onder de Berlijnsche metaalarbeiders,[74] alsmede uit de enquête van v. Römer hier te lande[75] bewezen--plus minus 2.3% van het menschenaantal bedraagt, evenmin heeft men een goede voorstelling van den uranist, zooals hij zich in de maatschappij gedraagt, zooals hij in de maatschappij verkeert. Psychisch normaal, of liever volstrekt niet abnormaler dan de heterosexueelen in de samenleving, doet hij even goed als hij zijn werk, denkt hij even als hij, en voelt hij--op geslachtelijk gebied uitgezonderd--als de heterosexueel. Gaat men hun leven na, dan hoort men dat zij meestal te midden van geslachtelijk normale broeders en zusters zijn geboren en opgevoed, dat zij van hun jeugd reeds--sommige vroeger, andere later--neigingen hebben vertoond, verschillend van die van hun broeders, wanneer het jongens zijn, van hun zusters, wanneer het meisjes zijn. Als jongens voelden zij zich meer aangetrokken tot meisjes-bezigheden, tot meisjesvermaken; als meisjes waren zij de trouwe makkers van hun broeders in hun wilde spelen of in hun mannelijke liefhebberijen. Later, soms pas in de puberteit, is het hen meestal tot hun bewustzijn gekomen, dat zij inderdaad anders voelen dan het meerendeel van hun mannelijke vrienden. Merkwaardig is, dat de moeder dikwijls onbewust op de hoogte van zijn aanleg was, en het is niet zeldzaam te hooren, dat wanneer er grappenderwijs over vrijage of trouwen werd gesproken, de moeder de eenige en eerste was, om op te merken, dikwijls zonder dat zij precies wist waarom, dat haar zoon voor een huwelijk niet geschikt is. Behalve in hun ontwakende geslachtsneiging, verschillen zij in niets van de kameraden van hun leeftijd en alleen is soms hun neiging, zonder dat zij het zelf weten, van invloed op de keuze van het vak waarin zij zich begeven. Vele uranisten toch voelen zich aangetrokken tot het vak van dames-modes, kapper enz., ofschoon volstrekt niet alle mannen, die zich in die takken van bedrijf begeven, uranisten zijn. Andere kiezen een beroep als van hun heterosexueele kameraden en niemand zou vermoeden, dat er in ieder beroep, in ieder ambt, in iedere bediening uranisten worden gevonden, uranisten, die in hun werk, hun denken en in wat zij ten uitvoer brengen, volstrekt niet bij hun heterosexueele ambtgenooten achterstaan. Men ontmoet ze dan ook in alle rangen en standen van de maatschappij en, wanneer ik alleen naga de uranisten die ik ken of die om hulp en raad bij mij zijn gekomen, dan zie ik daaronder geneesheeren, geestelijken, handelsmannen, studenten, arbeiders, rechters en advocaten, in één woord even zoovelen als er ambachten en beroepen, als er standen in de maatschappij zijn.

Wat een eigenaardigheid is, die men bij het meerendeel der uranisten terugvindt, is deze, dat zij bijna allen een tijdlang in hun leven met de gedachte aan suicide hebben rondgeloopen en dat zij langen tijd de diepste verachting en afkeer van zich zelf hebben gehad. Vóór den tijd namelijk, dat zij op de hoogte van hun toestand waren, in de periode toen hun geslachtsgevoel begon te ontwaken, bemerkten zij, dat zij niet waren als hun kameraden, dat zij zich niet tot meisjes en vrouwen voelden aangetrokken, maar bemerkten zij tot hun verbazing en hun schrik dat hun neigingen alleen op jongens en mannen gericht waren. De schok dien zij daardoor ontvingen, bracht hen meestal tot wanhoop en vertwijfeling en--afgaande op wat zij altijd omtrent deze neigingen en omtrent personen met deze neigingen hebben vernomen--hielden zij zich voor de meest abjecte wezens, die zij zich konden voorstellen. Zóó zelfs is hun wanhoop en de diepe verachting die zij voor hun eigen persoon koesterden--vooral wanneer zij bemerkten, dat hun neigingen niet veranderden, welke moeite zij zich ook gaven, hoevele malen zij ook beproefden met vrouwen geslachtelijk te verkeeren in de hoop, dat hun neigingen zouden veranderen, hoezeer zij zich ook, wanneer zij godsdienstig waren, in het gebed verdiepten--dat er voor hen nog één uitweg open leek, namelijk een eind aan hun leven te maken. Inderdaad zijn er van die geheimzinnige zelfmoorden op jeugdigen leeftijd, die aan het uranisme van den persoon moeten toegeschreven worden, evenals zoovele geheimzinnige zelfmoorden op later leeftijd, als indirect gevolg aan het uranisme van den persoon, aan zijn angst dat men zijn afwijking zal ontdekken, moeten worden geweten.

Heeft de jonge uranist het geluk in handen te vallen van een ouderen heterosexueel, die hem van zijn neigingen op de hoogte brengt, dan is hij gered. Hij legt zich neer bij de ellende van zijn toestand en zoekt zooveel mogelijk nog iets van zijn leven te maken. Een lange ellende echter blijft zijn leven toch voor hem. In een voortdurenden angst, dat men zal ontdekken wat en wie hij eigenlijk is, verstoken van het huiselijk geluk, gedoemd om alleen en altijd alleen, zonder liefde, zonder genegenheid rondom zich als die welke hij weet, dat door iedereen veroordeeld wordt, te leven, sleept hij meestal een bestaan door dat hem een last is en waarvan hij zoo spoedig mogelijk hoopt verlost te worden. Heeft hij het geluk gehad, in handen te vallen van een superieur man of van iemand, die zijn leven dragelijk weet te maken door hem andere en nieuwe idealen te scheppen, hem een ander doel voor oogen te houden dan een heterosexueel huisgezin, dan kan hij door zoo iemand gered worden, op het goede pad gehouden en kan door diens invloed, door diens omgang, zijn leven tot een dragelijk en goed leven worden gemaakt. Altijd echter is zijn leven onvolledig, altijd loopt hij rond met het gevoel, dat hij achter is gesteld bij zoovele anderen, altijd toch is de angst in al zijn doen, in heel zijn leven ingeweven, dat een of anderen dag zijn afwijking bekend kan worden en dat hij dan als een outcast voor zijn verder leven zal worden behandeld. Andere uranisten, verwoed en verbitterd door de onbillijke veroordeeling en beoordeeling van den kant van hun medemenschen, worden onverschillig, gooien zich in een leven van débauche en ontucht en verwoesten uit bitterheid en ontmoediging hun bestaan, dat misschien nuttig en goed had kunnen zijn. Andere weer leggen zich bij hun lot neer en leven door, geslagen, vervelend en verveeld, zonder illusie, zonder het uitzicht op iets moois, dat hen het bestaan beter en om te leven waard kan maken.

Dat zoovele uranisten nerveuse klachten hebben, is daarom niet te verwonderen. Steeds in angst dat men hun toestand zal leeren kennen en dat zij uit den omgang der menschen met wie zij verkeeren, zullen worden gestooten, altijd levend onder de bedreiging--wanneer zij wèl iemand, een heterosexueel of een anderen homosexueel hebben gevonden, met wien zij een verbintenis hebben aangeknoopt--dat zij door chantage tot armoede zullen worden uitgezogen of in het publiek zullen worden geschandvlekt, is het zeer goed te begrijpen, dat hun zenuwgestel op den duur geschaad wordt. En ook de moeilijk vol te houden abstinentie, voor hen die sensueel zijn aangelegd, helpt mee.

Gaat men, de geslachtsrichting daargelaten, na welke individuen uranisten zijn, dan komt men tot de overtuiging, dat zij niets meer--wat sommige uranisten graag willen doen gelooven--maar ook niets minder dan heterosexueelen zijn. Men vindt onder hen dezelfde variaties en dezelfde verschillen als onder heterosexueelen, en evenals onder de laatsten, vindt men onder hen goeden en slechten, braven en deugnieten, knappen en dommen, zedelijken en onzedelijken, in één woord alle eigenschappen en eigenaardigheden, die men bij heterosexueelen vindt, treft men bij uranisten aan.

Wat hun geslachtsleven betreft, daarvan kan men hetzelfde zeggen. Evenals onder heterosexueelen, vindt men onder hen kuischen en onkuischen, koelen en sensueelen, ingetogenen en losbollen. En evenals onder heterosexueelen, vindt men ook onder hen personen met sexueele perversiteiten behebt: masochisten, sadisten, exhibitionisten en dergelijke meer. Eén eigenschap hebben zij im Allgemeinen voor boven heterosexueelen, namelijk dat men onder hen veel meer spiritueele liefdesverhoudingen vindt. Over het algemeen vindt men meer kuische, koele individuen onder uranisten dan onder heterosexueelen en treft men onder hen veel meer, dat hun liefdeverbintenis een meer spiritueele dan een corporeele is. Het is geen zeldzaamheid dat twee uranisten jarenlang met elkaar in een liefdesverhouding staan, zonder dat het tusschen hen tot een geslachtsuiting komt. En ook hebben zij boven heterosexueelen voor, dat over het algemeen hun omgang veel kiescher, veel gevoeliger, veel zachter is.

Toen ik weinige jaren geleden, voor mijn studie over het uranisme, eenigen tijd te Berlijn doorbracht, heb ik daar als lid van het Wissensch.-humanitär Comitée een openbare vergadering bijgewoond, waar Hirschfeld over het onderwerp sprak. Behalve door een groote menigte heterosexueelen, werd de vergadering natuurlijk door ettelijke honderdtallen homosexueelen bijgewoond. Dat er gedurende en op die vergadering geen enkel onvertogen woord viel, is niet te verwonderen. Maar toen ik daarna een van de beroemde homosexueele gecostumeerde bals bezocht, trof het mij, dat geen enkel onvertogen woord mijn ooren bereikte, trof het mij, dat ik geen enkel ongeoorloofd gebaar zag. En er waren daar zoowel uranisten, als mannelijke prostitués. Den volgenden dag woonde ik een vergadering van het Comitée bij, terwijl ik na afloop daarvan op een souper genoodigd was, dat meestal na die bijeenkomsten wordt gehouden. Ook daar, waar Hirschfeld en ik de eenige heterosexueelen waren, was de toon hoogst fatsoenlijk en de gesprekken van dien aard, dat niemand, zelfs de meest puriteinsche moralist, er aanstoot in zou hebben kunnen vinden. Ik ben in die dagen te Berlijn den geheelen dag in gezelschap van uranisten geweest, ik heb er gelegenheden bezocht waar de mannelijke basse prostitution zetelde. En toen ik in op den laatsten avond van mijn verblijf met den duitschen homosexueelen geneesheer, die ergens in Italië praktiseert, na ons laatste bezoek aan een kroegje van zeer laag allooi, liep te praten in de reeds stille straten van Berlijn en wij van gedachten wisselden over het uranisme en het heterosexueel geslachtsleven, toen moest ik volmondig bekennen, dat--zoolang ik in de afgeloopen dagen in Berlijn had gezworven, met hoeveel uranisten ik ook had omgegaan in dien betrekkelijk korten tijd, welke gesprekken ik ook had hooren voeren en had bijgewoond--hun toon den toon van heterosexueele mannen verre overtrof in kuischheid van taal en uitdrukking en dat er nergens en nooit op heterosexueele publieke gemaskerde bals, nooit in gelegenheden waar door zoogenaamde kellnerinnen werd bediend, een ingetogenheid van woorden en van doen--zooals mij door verschillende weters op dat heterosexueel gebied was meegedeeld--werd aangetroffen, als waarvan ik in die dagen onder uranisten getuige was geweest. Nergens en nergens, door niemand en niemand, heb ik één enkele uitdrukking hooren bezigen, die ongepast was en met volle overtuiging kan ik dan ook zeggen, dat de toon der gesprekken van al deze uranisten, dat de toon der gesprekken aan tafel en na het souper hemelsbreed verschilde van den toon dien men op heterosexueele heerendineetjes hoort en van de gesprekken, die heterosexueele heeren na het diner meestal gewoon zijn met elkaar te houden.

Dat deze meening niet op vooringenomenheid of op een onrechtvaardig oordeel berust, bleek mij korten tijd daarna, toen ik een opstel over de Berlijnsche homosexueelen van de hand van Näcke in het Archiv van Gross las.[76] Näcke heeft dezelfde personen ten naastenbij gesproken, met wie ik kennis had gemaakt, ik kon sommigen zeer goed uit zijn beschrijving herkennen; Näcke heeft ten naastenbij dezelfde gelegenheden bezocht als waar ik ben geweest en de conclusie van Näcke komt zoo goed met de mijne overeen, dat het den indruk zou kunnen maken, dat wij dien van elkaar hebben overgeschreven!

Vraagt men nu of er een middel is om den uranist te "genezen", om hem te veranderen en hem van homosexueel, heterosexueel te maken, dan moeten wij volmondig "neen" antwoorden. Men heeft voorgesteld hen te castreeren en sommige uranisten hebben er om gevraagd, om maar van hun onsociale neiging verlost te worden. Men heeft het gelukkigerwijs nooit gedaan, omdat het toch niet zou helpen. De geslachtsrichting zit niet in de teeltklieren, maar in de psyche. Men heeft voorgesteld--en v. Schrenck-Notzing is er een der voorstanders van--om ze te hypnotiseeren en hen suggestief te behandelen. Het heeft niet mogen baten en van de vijf gevallen, die door v. Schrenck-Notzing als genezen worden opgegeven, zijn er maar twee die op een wijze zijn genezen, dat men het geen genezing mag noemen. De eene patient zegt, dat hij nog dezelfde fantaisieën heeft als vroeger, maar dat hij--wanneer hij wakker is--macht genoeg over zich zelf heeft om er niet aan toe te geven. Daarbij denkt hij er met vrees aan, wat hij zou moeten beginnen, wanneer zijn vrouw eens zou komen te overlijden, omdat hij zeker is, dat hij dan weer in zijn oud kwaad zou vervallen. De tweede zoogenaamde genezen patient zegt, dat wanneer hij zich een tijdlang geabstineerd heeft, hij zijn oude aanvechtingen weer voelt opkomen.[77] Maar zelfs wanneer al de gevallen, die door met hypnose zijn behandeld, zoogenaamd genezen zouden zijn, dan nog zou men niet het recht hebben van "genezing" te spreken, omdat--zooals v. Krafft-Ebing te recht opmerkt--"de resultaten der hypnose in deze gevallen niet op een werkelijke genezing, maar op een kunstig volvoerde dressuur berusten"[78]. Men zou op dezelfde wijze er van kunnen spreken, dat men iemand homosexueel heeft gemaakt, wanneer men hem door hypnose en suggestie er op gedresseerd had, zijn heterosexueele geslachtsuiting onmogelijk te kunnen volvoeren, maar hem daarentegen het doen van homosexueele geslachtsdaden had ingepraat. Iemand nu die homosexueele geslachtsdaden doet, hebben wij gezien, is daarom nog geen uranist en evenmin kan iemand die door hypnose en suggestie er toe gebracht is, om in plaats van homosexueele, heterosexueele geslachtsdaden te doen, als heterosexueel aangemerkt worden.

Men heeft uranisten den raad gegeven--en sommige geneesheeren, niet genoeg of in het geheel niet op de hoogte van het onderwerp, geven dien raad nog--om zich eerst bij prostitués te oefenen in het heterosexueel geslachtsverkeer en dan te trouwen, of dadelijk te trouwen, in de verwachting, dat de homosexualiteit dan wel zal overgaan. Het immoreele van een dergelijken raad daargelaten, is deze de meest verkeerde dien men een uranist kan geven. Niet alleen maakt men hem zelf ongelukkig, door de wroeging die hij later voelt, een vrouw aan zijn bestaan te hebben gebonden, waarin zijn ware natuur toch--niettegenstaande alle pogingen om heterosexueel te verkeeren--boven komt, maar men maakt zijn vrouw ook diep ongelukkig, doordat zij er onder gebukt moèt gaan, wanneer zij op de hoogte is gekomen van den toestand van haar echtgenoot--zelfs al vergeeft zij hem en houdt zij nog meer van hem omdat hij ongelukkig is (alleen een vrouw voelt zóó teer en zacht, dat er bij haar altijd vergeving en liefde is te vinden in zoo'n geval)--en zij haar verder leven voor zich ziet in één groote desillusie, wetend, dat zij zich geen huisgezin kan scheppen, voelend, dat haar dat eene groote en mooie in haar leven zal blijven ontbreken, de echte, ware liefde van haar man!

Genezing is er niet voor den uranist, omdat hij niet ziek is. Hem den last wegnemen, dien hij bij zijn geboorte heeft meegebracht en die met hem zal blijven tot aan zijn dood, kunnen wij niet. Het eenige wat wij kunnen, is hem trachten te begrijpen, hem trachten te helpen, trachten hem zijn moeilijk leven gemakkelijker te maken.

Er zijn er die vreezen, dat wanneer de theorie die ik heb meegedeeld--namelijk, dat de uranist een variëteit is--in ruimen kring bekend wordt, geen enkele uranist zich meer zal intoomen en dat ieder uranist zich maar aan zijn geslachtslust zal te buiten gaan, dat velen die op het oogenblik uit angst voor de verachting der menschen hun lusten intoomen, aan hun lusten den vrijen teugel zullen vieren. Maar bovenal vreest men, dat velen door de openbaarmaking van deze theorie uranist zullen worden.

Het laatste het eerst besprekend, weten wij, dat dit geen gewichtig argument is. Wij zijn nu genoegzaam overtuigd geworden en het is door de competente onderzoekers genoegzaam aangetoond, dat uranisme altijd is aangeboren en dat uranisme niet kan worden verkregen. Wat de andere opmerkingen betreft, vragen wij daartegenover of er zooveel menschen zich aan drinken zijn te buiten gegaan, sinds er verkondigd is, dat drankzucht een ziekte en niet altijd een bederf der zeden is, of er zooveel menschen zich aan de prostitutie zijn gaan overgeven, omdat men openlijk heeft verkondigd, dat de prostitutie een kwaad is, dat in de samenleving is ingeweven, en dat, onder welken verschillenden vorm dan ook, van den aanvang der samenleving af tot den huidigen dag bestaan heeft. En ook staat tegenover deze vrees het feit, dat niettegenstaande reeds eeuwen lang het uranisme met verachting is beschouwd, de uranist met minachting is behandeld, er toch altijd door uranisten geboren zijn en geleefd hebben, er steeds door homosexueele daden door uranisten zijn gepleegd en nog steeds gepleegd worden. Nooit nog heeft de afkeuring van de massa een uranist teruggehouden van zijn uranisme of belet, dat er uranisten werden geboren. Die minachting en verachting hebben alleen belet, dat de uranist openlijk voor zijn uranisme uitkwam. Zij heeft echter daarbij tevens chantage, wanhoop en zelfmoord in de hand gewerkt! Waarom, wanneer de opvatting, dat het uranisme een variëteit is, in ruimen kring bekend zal zijn, geen enkele uranist meer zijn lusten zal remmen, is mij onbegrijpelijk! Geven heterosexueelen dan maar allen toe aan hun lusten en breidelen zij hun sexueele lusten niet, omdat heterosexualiteit als een normale geslachtsrichting bekend staat en overal en steeds zoo genoemd wordt? Waarom, waar de heterosexueel zijn lusten intoomt, terwijl het hem bekend is dat zijn geslachtsrichting een normale is, de uranist de zijne niet zou intoomen, wanneer men erkent dat hij een variëteit is, is moeilijk te verdedigen.

Deze en dergelijke meeningen zijn alleen het gevolg van de verkeerde gedachte, dat uranisten en homosexueelen per se gedepraveerde en ultra-sensueele individuen zijn. Wij hebben genoegzaam aangetoond, dat dit niet zoo is, maar dat men integendeel veel meer spiritueele dan corporeele liefdegevoelens bij hen aantreft.

Nogmaals, genezen kunnen wij ze niet, wij kunnen alleen trachten ze te helpen. Niet hen verstooten, niet hen verachten moeten wij, niet hen behandelen als paria's om iets dat zij bij hun geboorte en zonder hun wil hebben meegekregen. Men weet niet hoeveel er gestreden, geschreid, hoeveel er gewanhoopt, hoeveel er geleden wordt! Uit de voorbeelden die ik heb genoemd, is duidelijk genoeg gebleken, dat de uranist even goed als de heterosexueel zijn plaats in de samenleving kan innemen; uit die voorbeelden is ook gebleken, dat hij die plaats met eere kan vervullen als artiest, als wetenschappelijk man, in één woord, als werker. Hem er op te wijzen, dat de geslachtsdaad--en zelfs niet de heterosexueele geslachtsdaad--niet het eenige, het einddoel, het hoogste in het bestaan is; hem er op te wijzen, dat hij zich boven zijn geslachtsleven moet stellen, dat hij zijn lusten moet remmen, even goed als wij allen, dat hij door zijn voelen, door zijn denken, door zijn werken een ander doel zich kan scheppen tot nut en heil van zijn medemenschen, moet ons streven zijn.

Maar bij dit alles moeten wij nooit vergeten, dat waar wij allen--hetero- en homosexueelen--den last van het leven moeten dragen, wij heterosexueelen altijd dàt geluk vóór hebben, dat wij--wanneer wij moe en gekwetst zijn van het worstelen in de maatschappij en het botsen tegen de onverschilligheid en de hardheid van de menschen--altijd een vrouw kunnen vinden bij wie wij ons hoofd kunnen neerrusten in haar schoot, een vrouw die ons kan helpen, steunen en ons troosten; wij mogen en moeten nooit vergeten, dat waar wij dat hoogste en dat mooiste bezitten, dat eenige wat het leven dragelijk maakt, dat eenige wat het leven waard maakt om gedragen te worden, dat hen dat steeds ontbreken blijft, dat zij dat blijven missen tot hun dood.

Wij moeten en mogen nooit vergeten, dat zij zooveel ongelukkiger zijn.

Ik heb gezegd.

VOETNOTEN:

1: Zie Handelingen Eerste Kamer, 29 Jan. 1902 en Handelingen Tweede Kamer, 55ste Verg. 25 Febr. 1904, Vel 356, blz. 1870.

2: Handelingen Eerste Kamer, 1 Febr. 1905.

3: Havelock Ellis, Mann und Weib, vert. d. Kurella, Leipzig 1895, bldz. 56.

4: Geciteerd door Hirschfeld in Die objektieve Diagnose der Homosexualität, in Jahrb. f. sex. Zwischenstufen Dl. I. 1899. bldz. 8.

5: Havelock Ellis, l. c. bldz. 209-216.

6: Geoffroy Saint-Hilaire, Histoire des Anomalies, Paris, 1836.

7: L. S. A. M. v. Römer, Ueber die androgynische Idee des Lebens, in Jahrb. f. sex. Zwischenst. Dl. V, Bd. 2, 1903.

8: Diodori Siculi, Bibliothecae etc. lib. IV, c. 6, 5, geciteerd door v. Römer, l. c. bladz. 905.

9: Laurent, Les bisexués, Paris, George Carré, 1894, bldz. 117.

10: Laurent, l. c. bldz. 118.

11: Neugebauer, Beobachtungen auf dem Gebiete des Scheinzwittertumes, in Jahrb. f. sex. Zwischenst. Dl. IV, 1902, bldz. 130.

12: Neugebauer, l. c. ibidem.

13: Laurent, l. c. bldz. 119 en 120.

14: Neugebauer, Hermaphroditismus beim Menschen, Leipzig, Dr. Werner Klinkhardt, 1908, bldz. 4.

15: Neugebauer, Hermaphroditismus enz., bldz. 83.

16: Laurent, l. c. bldz. 122.

17: Neugebauer, Hermaphroditismus enz., bldz. 666 en vlg.

18: Debierre, L'Hermaphrodisme, Paris, 1891, bldz. 434 en vlg.

19: Neugebauer, Hermaphroditismus enz. Op bldz. 690 en vlg. geeft deze 56 gevallen, waarin het pseudo- of zoogenaamd echt hermaphrodit. met psychische stoornis gepaard ging. Dit aantal kwam onder 1885 observaties van hermaphroditisme voor.

20: Moll, Libido sexualis, Fischer's Buchhandlung, Berlin 1878, bldz. 110.

21: Neugebauer, Interessante Beobachtungen, enz. bldz. 161.

22: Ploss, Das Weib in der Natur- und Völkerkunde, Leipzig 1899, Dl. II, bldz. 422.

23: Geijll, Over operatief ingrijpen bij pseudohermaphroditisme, Med. Weekblad, 9e Jaarg. 1902, No. 31, bldz. 418 en vlg.

24: Edmond Pilou, Deux précieuses au XVIIme Siècle, Mercure de France, Dl. 67, No. 237, 1º Mei 1907, bldz. 5.

25: Raffalovich (Marc André), Uranisme et Unisexualité, Lyon-Paris, 1896, bldz. 41.

26: Waar bij het historisch overzicht geen andere bron vermeld wordt, zijn de data overgenomen uit Moll, konträre Sexualempfindung, Fischer, Berlin W. 1899.

27: A. Aletrino, Eenige beschouwingen over den beroepseed der artsen, Proefschrift, Amsterdam 1889, bldz. 6.

28: L. S. A. M. v. Römer, Heinrich der Dritte, Jahrb. f. sex. Zwischenstufen, IVe Jahrg. 1902, bldz. 572 en vlg.

29: Hans Fuchs, Richard Wagner und die Homosexualität, Berlin 1903, en Vossische Zeitung van 24 en 28 Juni 1886.

30: Jahrb. f. sex. Zw.st. Dl. I, bldz. 150 en Dl. VI bldz. 357.

31: Jahrb. f. sex. Zw.st. Dl. II, bldz. 150.--Laupts, Perversion et perversité, Paris 1896, bldz. 105.--Raffalovich, Uranisme et unisexualité, Paris-Lyon 1896, bldz. 241.

32: Raffalovich, l. c. bldz. 138.

33: Johannes Schlaf, Walt Whitman Homosexueller? Brun's Verlag, Minden in W. 1906.

34: Raffalovich, l. c. bldz. 138.

35: Jahrb. f. sex. Zw.st. Dl. 5, bldz. 1322.

36: Jahrb. f. sex. Zw.st. Dl. 5, bldz. 1304.

37: § 175 v. h. Duitsche Strafwetboek luidt: "Die widernatürliche Unzucht, welche zwischen Personen männlichen Geschlechts oder von Menschen mit Thieren begangen wird, ist mit Gefängniss zu bestrafen; auch kann auf Verlust der bürgerlichen Ehrenrechte erkannt werden."

38: Collection des plus belles pages de Restif de la Bretonne, Paris, Société du Mercure de France, 1905.

39: J. Casanova de Seingalt, Mémoires, Paris, Garnier frères.

40: Montesquieu, De l'Esprit des Lois, Paris 1873, Hachette, Livre 12, Chap. 6, bldz. 286.

41: Voltaire, Dictionnaire philosophique.

42: Meiners, Betrachtungen über die Männerliebe der Griechen enz., Leipzig 1775.

43: Ehrenberg, Euphranor. Ueber die Liebe etc., Elberfeld u. Leipzig 1809.

44: Brière de Boismont, Remarques médico-légales sur la perversion de l'instinct génésique, Gaz. méd. de Paris, 21 Juli 1849.

45: Hössli, Eros. Die Männerliebe der Griechen, 1e Bd. Glarus 1836 en 2e Bd. St.-Gallen 1838.

46: Michéa, Les déviations maladives de l'appétit vénérien, Union méd. 17 Juli 1849.

47: Casper, Ueber Notzucht und Päderastie etc. Vierteljahrschrift f. gerichtliche u. öffentl. Medizin, Berlin 1852 Bd. I.

48: Numa Numantius (Karl Heinrich Ulrichs), 1. Vindex. 2. Inclusa. 3. Vindicta. 4. Formatrix. 5. Ara spei. 6. Gladius furens. 7. Memnon. 8. Incubus. 9. Argonauticus. 10. Uranus. 11. Araxes. 12. Kritische Pfeile. (Laatste uitgaaf verschenen te Leipzig, Max Spohr, 1898.)

49: Dr. A. Aletrino, Over Uranisme en het laatste boek van Raffalovich (Marc André), Psychiatrische en neurolog. bladen 1907.

50: Dr. L. S. A. M. Römer, Ongekend leed, Tierie, Amsterdam 1904. Het Uranisch gezin, Tierie, Amsterdam 1905.

51: Dr. A. Aletrino, La situation sociale de l'uraniste, Actes du 5me Congrès d'anthrop. crimin., de Bussy, Amsterdam 1901.

52: Karl Ihlfeld, Over Uranisme, Tierie, Amsterdam 1905.

53: Casper Wirz, De uraniër voor Kerk en H. Schrift, Tierie, Amsterdam 1904.

54: Magnus Hirschfeld, Oorzaken en Wezen van het Uranisme, vertaald door W. met een voorrede van Dr. A. Aletrino, Tierie, Amsterdam 1904.

Dit werk, voor 't eerst verschenen onder den titel Ursachen und Wesen des Uranismus in het Jahrb. f. sex. Zw.st. Dl. 5, 1901, is als op zich zelf staand werk uitgekomen onder den titel "Der Urnische Mensch".

55: Rohleder, Die Masturbation, Berlin 1902. Fischer's Med. Buchh. bldz. 45.

56: Moll, l. c. bldz. 89, 5e noot.

57: v. Krafft-Ebing, Neue Studien auf dem Gebiete der Homosexualität, Jahrb. f. sex. Zw.st. Bd. 3, bldz. 7.

58: Näcke, Ein Besuch bei den Homosexuellen in Berlin, Archiv. v. Gross. 15e Bd. 2e en 3e Hft.

59: Magnan et Legrain, Les dégénérés, Paris 1895, bldz. 79.

60: Wertheim Salomonson, Iets over ontaarding, Ned. Tijdsch. v. Geneeskunde, 39ste Jaarg. 1903, 2e Dl. bldz. 715.

61: Möbius, Beiträge zur Lehre der Geschlechts-Unterschiede, Halle a. S., Carl Marhold, 1907, bldz. 17.

62: Hoche, Handbuch d. ger. Psychiatrie, Berlin 1901, bldz. 413.

63: Sigm. Freud, Drei Abhandlungen zur Sexualtheorie, Leipzig u. Wien, Franz Deuticke, 1905, bldz. 4.

64: Untrodden fields of anthropology, Paris 1898.

65: Karsch, Uranismus u. Päderastie enz. Jahrb. f. sex. Zw.st. 3e Bd. bldz. 72.

66: Havelock Ellis und Symonds, Das konträre Geschlechtsgefühl, Wiegand's Verlag, Leipzig 1896, bldz. 4.

67: Richard Burton, Arabian Nights, London 1885, Bd. 10, bldz. 205-254.

68: Hugo de Vries, Oorsprong en bevruchting der bloemen, Tierie, Amsterdam 1904, bldz. 29-33, 80.

69: Prof. Hugo de Vries schreef mij, naar aanleiding van mijn rapport op het Congres: "....met uw opvatting "variëteit" kan ik mij geheel vereenigen".

70: Näcke, Bericht über den Verlauf d. 5. intern. kriminal-anthr. Congr. in Amsterdam, Hans Gross' Archiv. Bd. 8, Hft. I, bldz. 97.

71: Hirschfeld, Jahrb. f. sex. Zw.st. Bd. 4, bldz. 962.

72: Numa Prätorius, ibidem bldz. 833.

73: Näcke, Die forensische Bedeutung der Träume, Hans Gross' Archiv. Bd. V, Hft. I, bldz. 121.

74: Hirschfeld, Das Ergebnis der statistischen Untersuchungen, Max Spohr, Leipzig 1904, bldz. 60.

75: v. Römer, Ongekend leed, Tierie, Amsterdam 1904, bldz. 13 en 14.

76: Ein Besuch bei den Homosexuellen, etc., Gross' Archiv. Bd. 15, 2e en 3e Hft., bldz. 248.

77: v. Schrenck-Notzing, Die Suggestionstherapie bei krankhaften Erscheinungen des Geschlechtstriebs, Stuttgart 1892, bldz. 244 en vlg.

78: v. Krafft-Ebing, Psychopathia sexualis, 10e uitgaaf, bldz. 285.

NOOT VAN DE BEWERKER:

In het bovenstaande is getracht zo goed mogelijk het origineel te volgen, met uitzondering van de voetnoten, die in het origineel onderin de pagina's stonden, en hier bij elkaar zijn geplaatst en hernummerd. Daarnaast zijn alle (vijf) Griekse woorden getranslitereerd en ingesloten tussen ~, en de volgende kennelijke drukfouten verbeterd:

* door Waldeyer "kiemepitheel" genoemd: in het origineel 'kiemepithel' * de voorstelling van androgynie: in het origineel 'andrygynie' * Mundi Mirabile Monstrum."[14]: in het origineel 'Monstrum.[14]' * zoogenaamde "erreur de sexe": in het origineel 'voogenaamde' * (Marc André): in het origineel '(Marc, André)' * het pseudoniem "Karl Ihlfeld": in het originaal 'pseudoneim' * Gesellschaft für Psychiatrie und Nervenheilkunde: in het origineel 'en' in plaats van 'und' * als een mozaïek: in het origineel 'mozaiëk' * aus der Art schlägt: in het origineel 'schlagt' * Mensch ist langweilig: in het origineel 'langeweilig' * nog één uitweg: in het origineel 'éen' * zonder het uitzicht op iets moois: in het origineel 'mooi's' * in een liefdesverhouding: in het origineel 'liefdeverhouding' * op een kunstig volvoerde dressuur berusten"[78].: in het origineel 'berusten[78],' * noot 18: in het origineel ontbrak de punt na 'vlg' * noot 22: Natur- und Völkerkunde: in het origineel 'Volkenkunde' * noot 25: Unisexualité: in het origineel 'Unisixualité' * noot 26: Fischer, Berlin: in het origineel 'Fisscher' * noot 31: Laupts: in het origineel 'Lauppts' * noot 61: Lehre der Geschlechts-Unterschiede: in het origineel 'Geschlechts-Unterschieden' * noot 63: Franz Deuticke: in het origineel 'Fransz' * noot 67: Arabian Nights, London: in het origineel 'Arabian Nights. Londen'

End of Project Gutenberg's Hermaphrodisie en Uranisme, by Arnold Aletrino