v. Schrenck-Notzing, Benedikt Friedländer, om maar enkele te noemen,
die hun onderzoekingen en hun opvattingen omtrent het vraagstuk het licht deden zien. In Engeland begon Havelock Ellis een studie-reeks over het normale en het afwijkende geslachtsleven, een boeken-rij die--om de merkwaardigheid dient het vermeld te worden--vertaald in het Duitsch en in Duitschland verschijnen moest, omdat de schrijver in het prude Engeland geen uitgever voor werken, over een dergelijk onderwerp handelend, kan vinden. In Frankrijk waren het Chevalier, Laupts (een pseudoniem, zooals hij mij meedeelde, omdat hij onder zijn eigen naam over dit onderwerp niet durft schrijven, uit angst zijn betrekking te zullen verliezen), Laurent, Lacassagne, Raffalovich (Marc André); in Italië Penta, die de Archivio di Psychopathie sessuali uitgaf, waarvan--jammer genoeg--maar één jaargang het licht heeft gezien, terwijl in ons land, behalve een opstel van mijn hand in de Psychiatrische en neurologische bladen van het jaar 1891[49] het werkje "Ongekend leed" en "Het Uranisch gezin" van Dr. v. Römer,[50] met het reeds genoemde rapport op het congres voor crimineele anthropologie in het jaar 1901[51] en een brochure die ik onder het pseudoniem "Karl Ihlfeld" heb geschreven,[52] het licht zagen. Een vertaling van het boekje van Wirz "Der Uraniër vor Kirche und H. Schrift"[53], alsmede een vertaling van het werk van Hirschfeld "Ursache und Wesen des Uranismus"[54] zijn daarna in Holland uitgegeven.
Gaan wij na welke opvattingen er over het uranisme en over de homosexualiteit heerschen, dan zien wij, dat vier opvattingen voornamelijk om den voorrang strijden.
De eerste opvatting is die, dat uranisme, dat homosexualiteit een gevolg is van een onzedelijk leven, van zedenbederf, van overprikkeling op geslachtelijk gebied, dat uranisme verkregen wordt door slecht voorbeeld, door verleiding en dat zij, die zich gedurende hun leven hebben te buiten gegaan aan heterosexueele geslachtsuitingen, eindelijk tot homosexueele daden hun toevlucht nemen, om aan hun behoefte naar nieuwe prikkels te voldoen. Deze opvatting van "verkregen uranisme" nu wordt door niemand meer gehuldigd, die zich ook maar eenigszins in de studie van het onderwerp heeft verdiept en alleen zij, die niets van het onderwerp weten en zich niet de moeite willen geven om het te bestudeeren, maar die zich tevreden stellen met steeds maar anderen na te praten, houden nog aan die opvatting vast.
Dat die opvatting in de wereld is gekomen en blijft bestaan, is niet te verwonderen. Men dacht en denkt aan de uitspattingen gedurende de décadence van het Romeinsche Rijk, waarin homosexueele geslachtsdaden gewoonte waren, maar vergeet er bij dat de heterosexueele uitspattingen toen ter tijd evenzeer een enormen omvang hadden aangenomen. Trouwens wij weten betrekkelijk zeer weinig van de Romeinsche maatschappij in dien tijd af, al kennen wij ook de verhalen van Petronius en anderen en zeker is het voor ons onmogelijk uit te maken, of de homosexueele geslachtsdaden ons uit dien tijd vermeld, de daden van echte uranisten waren of daden door mannelijke prostitués of andere heterosexueelen gepleegd. Een bewijs echter tegen de meening, dat het uranisme--en zelfs dat het plegen van homosexueele geslachtsdaden--altijd een gevolg van depravatie, van zedenbederf en van decadentie moeten zijn, is dat in den tijd van Pericles, in den bloeitijd van Athene, in de gouden eeuw, het homosexueel geslachtsverkeer in Griekenland om zoo te zeggen algemeen was.
Dat de opvatting, dat uranisme en homosexualiteit een gevolg van uitspattingen op geslachtelijk gebied zijn, is ontstaan en bestaan blijft is te begrijpen. Men heeft de gevallen gezien van beginnende ouderdoms-kindschheid, van beginnende dementia paralytica e. d., waarbij zich dikwijls in het begin ethische en moreele defecten openbaren, waarbij zoo dikwijls een gebrek, een verkeerde handeling op zedelijk gebied de eerste aanduiding van de ziekte is, en heeft daaruit het besluit meenen te mogen trekken, dat deze handelingen het gevolg waren van vroeger-gepleegde uitspattingen en overprikkelde zinnelijkheid. Wij weten echter, dat het plegen van homosexueele geslachtsdaden volstrekt niet gelijk mag gesteld worden met uranisme en dat het plegen van homosexueele geslachtsdaden ook een gevolg van geestesstoornis kan zijn. Psychiaters kunnen getuigen, hoevele malen in de gestichten lijders aan dementie, of lijders aan andere psychosen, op het plegen van dergelijke daden betrapt worden.
En nog een oorzaak is er, waardoor men tot deze depravatie-opvatting is gekomen. Men heeft gevallen gezien van zoogenaamde "tardieve homosexualiteit", het opkomen van homosexueele geslachtsgevoelens op een zekeren leeftijd, vóór welken de persoon uitgesproken heterosexueel was. Dit verschijnsel dat nog niet goed bestudeerd en zeker nog niet verklaard is, komt meer voor dan men oppervlakkig zou meenen en de meeste gevallen, waarin men er van spreekt, dat iemand na een leven van heterosexueele uitspattingen homosexueel is geworden, berusten op het plotseling of langzamerhand te voorschijn komen van deze tardieve homosexualiteit. Trouwens in sommige gevallen kan de heterosexualiteit evenzoo tardief optreden. Mij is een geval bekend van een jongen man, die tot zijn vier en twintigste jaar uitgesproken en zeer duidelijk homosexueel was, die een of meer homosexueele verbintenissen heeft gehad en niet anders dan homosexueel aan zijn geslachtsdrift kon voldoen, en die langzamerhand zijn geslachtsrichting heeft voelen veranderen en nu reeds eenige jaren uitgesproken heterosexueel voelt. Zoowel de heterosexualiteit als de homosexualiteit echter zijn in die richting nog te weinig onderzocht en de heterosexualiteit wel het minst, zoodat men over deze kwestie nog geen zeker en nauwkeurig oordeel kan vellen. Een zekerheid echter is, dat die vorm van tardieve homosexualiteit bestaat en bestaan kan.
Wat nu echter tegen die onzedelijkheidsopvatting en tegen de meening, dat homosexualiteit door slecht voorbeeld en door omgang met homosexueele, onzedelijke individuen kan verkregen worden, spreekt, is dat het omgekeerde nooit nog is gezien. Wanneer het waar is, dat men na heterosexueele uitspattingen er gemakkelijk--door behoefte naar overprikkeling--toe komt, om homosexueele geslachtsdaden te doen, dan moet het ook kunnen dat een homosexueel--ten gevolge van oververzadiging door homosexueele geslachtsdaden--zijn toevlucht tot heterosexueele geslachtsdaden gaat nemen. Iets dergelijks nu is nog nooit opgemerkt en in de geheele literatuur over het uranisme en over de homosexualiteit is daarvan geen enkel voorbeeld te vinden, terwijl toch onder de homosexueelen even goed als onder de heterosexueelen losbollen en onzedelijke individuen worden gevonden! Te wenschen ware het wèl, dat het zou kunnen, dat men door overdadige heterosexueele uitspattingen homosexueel kon worden. Dan toch zou het omgekeerde ook het geval zijn en zou er een prachtig geneesmiddel gevonden zijn, om den homosexueel van zijn, door de maatschappij zoo verachte, neigingen te genezen. Tot nog toe echter heeft men nog niet kunnen ontdekken, of een zoodanige genezing of verandering bij een gedepraveerden homosexueel heeft plaats gehad.
En wat eveneens pleit tegen de opvatting, dat homosexualiteit kan verkregen worden, is dat waar de onanie zóó verbreid is, het percentage homosexueelen zoo betrekkelijk klein is en blijft. Volgens de meening van Rohleder[55] toch gaat 90% van het mannelijk geslacht zich in zijn jeugd aan onanie te buiten en een groot percentage daarvan pleegt, gedurende langer of korter tijd, mutueele onanie. Andere schrijvers achten het percentage niet zoo hoog, maar zijn het er toch over eens, dat het cijfer tamelijk groot is. Wanneer nu door homosexueelen omgang homosexualiteit verkregen zou kunnen worden, dan zouden zeker meer mannen dan nu homosexueel worden. Het percentage toch der homosexueelen is, zooals wij straks nog nader zullen bespreken, niet meer dan 2.3%. En wat wel het meeste er tegen pleit, dat homosexualiteit zou kunnen verkregen worden, is, dat het zoovele malen gebeurt en gebeurd is, dat bij heterosexueelen--die in hun jeugd gedurende zeer langen tijd met een homosexueelen vriend een homosexueele verbintenis hebben gehad, hetzij uit vriendschap of omdat zij het niet wilden weigeren, of omdat zij meenden dat dat de ware en eenige vriendschaps- en liefdesuiting is, onbekend met hun voelen en hun ziel--op een gegeven tijdstip hun ware gevoel wakker wordt en dat hun heterosexualiteit begint te spreken, zoodat zij de homosexueele verbintenis afbreken en een huwelijk met een vrouw sluiten uit liefde en uit heterosexueel gevoel. Wanneer homosexualiteit en uranisme zouden kunnen verkregen worden, dan zeker zou men onder die heterosexueelen toch menschen moeten aantreffen, die door hun homosexueelen omgang homosexueel of uranist zijn geworden. Zoo iemand, dan zijn zij wel in de gelegenheid geweest om van geslachtsrichting te veranderen.
Nogmaals, geen der onderzoekers, die zich ernstig met het vraagstuk heeft bezig gehouden of zich er nog in verdiept, huldigt de onzedelijkheidsmeening en alleen zij, die niets van het onderwerp weten of er niet of maar ten halve van op de hoogte zijn, houden nog aan deze opvatting vast.
Een tweede opinie is, dat homosexualiteit, dat uranisme een uitvloeisel is van een stoornis in de geestvermogens van het individu, dat uranisme een psychopathie is.
Tot een zekere hoogte is v. Krafft-Ebing de schuld, dat deze opvatting ontstaan is en zich verbreid heeft. Hij toch is de eerste geweest, die van "psychopathia sexualis" heeft gesproken. En wel hadden Jolly en Moeli gelijk, toen zij in een zitting van de "Gesellschaft für Psychiatrie und Nervenheilkunde" te Berlijn, toen de benaming en het onderwerp, door v. Krafft-Ebing ingeleid, ter sprake kwam, de vrees uitten, dat men door dezen naam een verkeerden indruk zou krijgen en dat daardoor de opvatting der monomanieën, die met moeite was losgelaten, weer in de gedachten zou komen.[56] Het is geschied zooals Jolly en Moeli hebben gevreesd en niettegenstaande