Herfsttij Der Middeleeuwen Studie Over Levens En Gedachtervorme
Chapter 39
Bij Robertet ziet men de quasi-moderne latiniteit op haar malst. "J'ay esté en aucun temps en la case nostre en repos, durant une partie de la brumale froidure", aldus een verkoudheid. [1016] Even zot zijn de hyperbolische termen, waarin hij zijn bewondering uit. Als hij eindelijk zijn dichterlijken brief van Chastellain (zeer veel beter dan zijn eigen poëzie inderdaad) beet heeft, schrijft hij aan Montferrant:
"Frappé en l'oeil d'une clarté terrible Attaint au coeur d'éloquence incrédible, A humain sens difficile à produire, Tout offusquié de lumière incendible Outre perçant de ray presqu'impossible Sur obscur corps qui jamais ne peut luire, Ravi, abstrait me trouve en mon déduire, En extase corps gisant à la terre, Foible esperit perplex à voye enquerre Pour trouver lieu et oportune yssue Du pas estroit où je suis mis en serre, Pris à la rets qu'amour vraye a tissue."
En in proza voortgaande: "Où est l'oeil capable de tel objet visible, l'oreille pour ouyr le haut son argentin et tintinabule d'or?" Wat zegt Montferrant, "amy des dieux immortels et chéri des hommes, haut pis Ulixien, plein de melliflue faconde" er wel van? "N'est-ce resplendeur équale au curre Phoebus?" Is het niet meer dan Orpheus' lier, "la tube d'Amphion, la Mercuriale fleute qui endormyt Argus?" enz. enz. [1017]
Gelijken tred met de uiterste gezwollenheid houdt de diepe schrijversnederigheid, waarmee deze dichters het middeleeuwsche voorschrift getrouw blijven. En zij niet alleen; al hun tijdgenooten huldigen nog dien vorm. La Marche hoopt, dat men zijn Mémoires zal kunnen gebruiken als mindere bloempjes in een krans, vergelijkt zijn arbeid met het herkauwen van een hert. Molinet verzoekt alle "orateurs", om zijn werk te besnoeien van het overbodige. Zelfs Commines hoopt, dat de aartsbisschop van Vienne, wien hij zijn werk zendt, het misschien zal kunnen opnemen in een Latijnsch geschrift. [1018]
In de dichterlijke correspondentie van Robertet, Chastellain en Montferrant ziet men het verguldsel van het nieuwe klassicisme slechts opgeplakt op een echt middeleeuwsch beeld. En nu, let wel, deze Robertet is in Italië geweest, "en Ytalie, sur qui les respections du ciel influent aorné parler, et vers qui tyrent toutes douceurs élémentaires pour là fondre harmonie." [1019] Maar van die harmonie van het quattrocento had hij blijkbaar niet veel mee thuisgebracht. De voortreffelijkheid van Italië bestond voor deze geesten louter in het "aorné parler", in de uiterlijke cultiveering van een kunstvaardigen stijl.
Het eenige, wat dien indruk van fraai opgepoetste ouderwetschheid even twijfelachtig maakt, is de zweem van ironie, die in deze opgeschroefde ontboezemingen soms even onmiskenbaar is. Uw Robertet, zeggen de Dames de Rhétorique tot Montferrant, [1020]--"il est exemple de Tullian art, et forme de subtilité Térencienne ... qui succié a de nos seins notre plus intériore substance par faveur; qui, outre la grâce donnée en propre terroir, se est allé rendre en pays gourmant pour réfection nouvelle (d.i. Italië), là où enfans parlent en aubes à leurs mères, frians d'escole en doctrine sur permission de eage". Chastellain zegt de correspondentie op, omdat het hem te machtig wordt: de poort heeft lang genoeg wijd opengestaan voor "Dame Vanité"; hij gaat haar grendelen. "Robertet m'a surfondu de sa nuée, et dont les perles, qui en celle se congréént comme grésil, me font resplendir mes vestements; mais qu'en est mieux au corps obscur dessoubs, lorsque ma robe deçoit les voyans?" Als Robertet zoo voortgaat, zal hij zijn brieven ongelezen in het vuur gooien. Wil hij gewoon spreken, zooals het onder vrienden hoort, dan zal George's genegenheid hem niet begeven.
Dat er onder het klassieke gewaad nog een middeleeuwsche geest huist, komt minder sterk uit, wanneer de humanist zich enkel van het latijn bedient. Dan verraadt zich het onvolkomen begrip voor den waren geest der Oudheid niet in onhandige verwerking; dan kan de geletterde nabootsen zonder meer, en bedriegelijk nabootsen. Een humanist als Robert Gaguin (1433-1501) doet ons in zijn brieven en oraties reeds bijna even modern aan als Erasmus, die aan hem zijn eerste beroemdheid te danken had, doordat Gaguin achter zijn Compendium der Fransche geschiedenis, het eerste wetenschappelijke geschiedwerk in Frankrijk (1495), een brief van Erasmus opnam, die zich daardoor voor het eerst gedrukt zag. [1021] Al kende Gaguin nog even slecht Grieksch als Petrarca, [1022] een echte humanist is hij er niet minder om. Tegelijk evenwel zien wij ook in hem den ouden geest voortleven. Hij wijdt zijn Latijnsche welsprekendheid nog aan de oude middeleeuwsche thema's, zooals de diatribe tegen het huwelijk [1023] of de misprijzing van het hofleven, door Alain Chartier's _Curial_ in het latijn terug te vertalen, of de maatschappelijke waarde der standen, in den veelgebruikten vorm van een twistgesprek, _le Debat du Laboureur, du Prestre et du Gendarme_. In zijn Fransche gedichten doet juist Gaguin, die den Latijnschen stijl volkomen beheerschte, aan de rhetorische fraaiigheden in het geheel niet mee; geen gelatiniseerde vormen, geen hyperbolische wendingen, geen mythologie; als Fransch dichter staat hij geheel aan de zijde van hen, die in hun middeleeuwschen vorm de natuurlijkheid en daarmee de leesbaarheid bewaren. De humanistische vorm is nog niet veel meer dan een gewaad, dat hij aandoet; het zit hem goed, maar hij beweegt zich toch vrijer zonder dien tabbert. Bij den Franschen geest der vijftiende eeuw zit de Renaissance er nog maar los buiten op.
Men is veelal gewend, om als een doorslaand criterium van de intrede der Renaissance het opkomen van heidensch klinkende uitingen aan te merken. Ieder kenner van de middeleeuwsche litteratuur weet, dat dit litteraire paganisme volstrekt niet beperkt is tot de sfeer der Renaissance. Wanneer de humanisten God "princeps superum" en Maria "genitrix tonantis" noemen, begaan zij niets ongehoords. Het louter uiterlijke transponeeren van de personen van het christelijk geloof in benamingen der heidensche mythologie is reeds zeer oud, en beteekent weinig of niets voor den inhoud van het religieuze gevoel. Reeds de Archipoeta der twaalfde eeuw rijmt in zijn geestige biecht onbeschroomd:
"Vita vetus displicet, mores placent novi; Homo videt faciem, sed cor patet lovi."
Wanneer Deschamps van "Jupiter venu de Paradis" spreekt, [1024] bedoelt hij geenerlei onvroomheid, evenmin als Villon, wanneer hij in de roerende ballade, die hij voor zijn moeder maakte, om tot Onze Lieve Vrouw te bidden, haar "haulte Deesse" noemt. [1025]
Een zeker heidensch tintje hoorde ook bij het herdersdicht; daar kon men argeloos goden laten optreden. In _Le Pastoralet_ heet het Celestijnenklooster te Parijs "temple au hault bois pour les diex prier." [1026] Van zulk een onschuldig paganisme werd niemand de dupe. En ten overvloede verklaart de dichter: "Se pour estrangier ma Muse je parle des diex des païens, sy sont les pastours crestiens et moy." [1027] Evenzoo schuift Molinet, wanneer hij in een droomgezicht Mars en Minerva laat optreden, de verantwoordelijkheid op "Raison et Entendement", die hem zeiden: "Tu le dois faire non pas pour adjouter foy aux dieux et déesses, mais pour ce que Nostre Seigneur seul inspire les gens ainsi qu'il lui plaist, et souventes fois par divers inspirations." [1028]
Veel van het litteraire paganisme der vol ontwikkelde Renaissance valt niet ernstiger op te nemen dan deze uitingen. Van meer beteekenis voor het doordringen van den nieuwen geest is het, wanneer zich een besef van waardeering van het heidensch geloof, met name het heidensche offer, als zoodanig aankondigt. Ook dit besef kan doorbreken bij hen, die met hun gedachtenvormen nog stevig in de Middeleeuwen staan, gelijk Chastellain deed.
"Des dieux jadis les nations gentiles Quirent l'amour par humbles sacrifices, Lesquels, posé que ne fussent utiles, Furent nientmoins rendables et fertiles
De maint grant fruit et de haulx bénéfices, Monstrans par fait que d'amour les offices Et d'honneur humble, impartis où qu'ils soient Pour percer ciel et enfer suffisoient." [1029]
Midden in het middeleeuwsche leven klinkt soms opeens het geluid der Renaissance. Bij een pas d'armes te Atrecht in 1446 verschijnt Philippe de Ternant, zonder naar de gewoonte een "bannerole de devocion" te dragen, een lint met een vrome spreuk of figuur. "Laquelle chose je ne prise point", zegt La Marche van deze verwatenheid. Maar nog verwatener is het devies, dat Ternant draagt: "Je souhaite que avoir puisse de mes desirs assouvissance et jamais aultre bien n'eusse." [1030] Het kon de lijfspreuk zijn van den vrijdenkendsten virtuoso der zestiende eeuw.
Niet uit de klassieke litteratuur behoefden de geesten dit werkelijke paganisme te putten. Zij konden het leeren uit hun eigen middeleeuwschen schat, uit den _Roman de la rose_. In de erotische cultuurvormen, daar lag het ware heidendom. Daar hadden van eeuwen her Venus en de Liefdegod een schuilhoek gehad, waar zij iets meer dan een louter rhetorische vereering vonden. Jean de Meun, dat was de groote heiden geweest. Niet zijn vermenging van godennamen der Oudheid met die van Jezus en Maria, maar zijn vermenging van de stoutste aanprijzing van aardschen wellust met christelijke zaligheidsvoorstellingen was voor tallooze lezers sinds de dertiende eeuw de school van het paganisme geweest. Er was geen grooter blasphemie mogelijk dan de verzen, waarin hij het woord van Genesis: toen berouwde het den Heere, dat Hij den mensch op de aarde gemaakt had, met omgekeerden zin in den mond legde van Nature, die bij hem volkomen als demiurg optreedt:
"Si m'aïst Diex li crucefis, Moult me repens dont homme fis." [1031]
Het blijft verwonderlijk, dat de Kerk, die tegen kleine dogmatische afwijkingen van strikt bespiegelenden aard zoo angstvallig waakte en zoo heftig optrad, de leeringen van dit brevier der aristocratie ongehinderd in de geesten heeft laten voortwoekeren.
* * * * *
De nieuwe vorm en de nieuwe geest dekken elkander niet. Zoogoed als de gedachten van den komenden tijd uiting vonden in middeleeuwsch gewaad, zoo goed zijn de meest middeleeuwsche gedachten gezegd in sapphische metra, met een heelen stoet van mythologische figuren. Klassicisme en Renaissance zijn twee geheel verschillende dingen. Het litteraire klassicisme is een oud geboren kind. De Oudheid is voor de vernieuwing van de litteratuur nauwelijks meer geweest dan de pijlen van Philoktetes. Niet wat de beeldende kunst, en niet wat het wetenschappelijk denken aangaat: daar is de antieke zuiverheid van verbeelding en uitdrukking veel meer geweest dan een dorre staf. Het overwinnen van het overdadige, van het overdrevene, van het verdraaide, van de grimas en de flamboyante krul, het is alles het werk der Oudheid geweest. Maar in het litteraire is de eenvoud en de zuiverheid opgegroeid buiten, ja ondanks het klassicisme.
De enkelen, die in het Frankrijk der vijftiende eeuw humanistische vormen aannemen, luiden nog geen Renaissance in. Want hun stemming, hun oriënteering is nog middeleeuwsch. De Renaissance komt eerst, wanneer de _levenstoon_ verandert, wanneer het getij van doodelijke levensverzaking kentert, en er een bolle frissche wind gaat blazen; wanneer het blijde besef rijpt, dat men al de heerlijkheid der oude menschheid, waaraan men zich al zoo lang gespiegeld had, zal kunnen terugwinnen.
NOTEN:
[992] N. de Clemanges, Opera ed. Lydius, Lugd. Bat., 1613; Joh. de Monasteriolo, Epistolae, Martène & Durand, Amplissima Collectio, II col. 1310.
[993] Ep. 69 c. 1447, ep. 15 c. 1338.
[994] Ep. 59 c. 1426, 58, c. 1423.
[995] Ep. 40, col. 1388, 1396.
[996] Ep. 59, 67, col. 1427, 1435.
[997] Le livre du Voir-Dit, p. xviii.
[998] Ep. 38, col. 1385.
[999] Zie hierboven p. 324. (zie Hoofdstuk VIII, tekst voor noot 666)
[1000] Gerson, Opera, I p. 922.
[1001] Dion. Cart., t. XXXVII p. 495.
[1002] Petrarca, Opera, ed. Bazel 1581, p. 847.
[1003] Clemanges, Opera. Ep. 5, p. 24; J. de Monstr., Ep. 50, col. 1428.
[1004] Chastellain, VII p. 75-143, vgl. V p. 38-40, VI p. 80; VIII p. 358, Le livre des trahisons, p. 145.
[1005] Machaut, Le Voir-Dit, p. 230; Chastellain, VI p, 194, La Marche, III p. 166; Le Pastoralet vs.2806; Le Jouvencel, I p. 16.
[1006] Le Pastoralet vs. 541, 4612.
[1007] Chastellain, III p. 173, 117, 359 enz.; Molinet, II p. 207.
[1008] J. Germain, Liber de virtutibus Philippi ducis Burgundiae (Chron. rel. à l'hist. de Belg. sous la dom. des ducs de Bourg. III).
[1009] Zie hierboven p. 107. (zie Hoofdstuk III, tekst volgend op noot 194)
[1010] Chronique scandaleuse, II p. 42.
[1011] Christine de Pisan, Oeuvres poétiques, I no. 90. p. 90.
[1012] Deschamps, no. 285, II p. 138.
[1013] Villon, ed. Longnon p. 15, h. 36-38; Rabelais, Pantagruel, 1. 2. ch. 6.
[1014] Chastellain, V p. 292ss; La Marche, Parement et triumphe des dames, Prologue; Molinet, Faictz et dictz, Prologue, id. Chronique, I p. 72, 10. 54.
[1015] Uittreksels bij Kervyn de Lettenhove, Oeuvres de Chastellain, VII p. 145-186; zie P. Durrieu, Un barbier de nom français à Bruges, Académie des inscriptions et belles-lettres, Comptes rendus 1917, p. 542-558.
[1016] Chastellain, VII p. 146.
[1017] Ib. p. 180.
[1018] La Marche, I p. 15, 184-186; Molinet, I p. 14, III p. 99; Chastellain, VI: Exposition sur verité mal prise, VII p. 76, 29, 142, 422; Commines, I p. 3; vgl. Doutrepont, p. 24.
[1019] Chastellain, VII p. 159.
[1020] Ib.
[1021] Thuasne, R. Gaguini Ep. & Or, I p. 126.
[1022] Thuasne, I p. 20.
[1023] Thuasne. I p. 178, II p. 509.
[1024] Deschamps, no. 63, I p. 158.
[1025] Villon, Testament vs. 899, ed. Longnon, p. 58.
[1026] Le Pastoralet vs. 2094.
[1027] Ib. vs. 30, p. 574.
[1028] Molinet, V p. 21.
[1029] Chastellain, Le dit de verité, VI p. 221, vgl. Exposition sur verité mal prise, ib. p. 297, 310.
[1030] La Marche, II p. 68.
[1031] Roman de la rose vs. 20141; aïst=helpe, dont=dat ik.
* * * * *
REGISTER
Cursief gedrukte namen verwijzen naar den volledigen titel van afgekort aangehaalde werken.
Abuzé en Court, L'. Adel, Taak van den. Adeldom in deugd. Adellijke levensvormen nagevolgd door de burgerij. Agricola, Rudolf. Ailly, Pierre d'. Alain de la Roche. _Alain de la Roche_. Alanus de Rupe, zie Alain de la Roche. Alcuin. _Alienor_. Allegoriel. Amadis-romans. Amant rendu cordelier, L'. Amoureux de l'observance. Amuletten. Andrieskruis. Anjou, Isabella van. Anjou, Lodewijk van. Anjou, Margareta van, koningin van Engeland. Anjou, René van; zie René, koning. Anthropomorphisme. Antieke helden. Aquino, Thomas van. Arbre des batailles, L'. Arc, Jeanne d'. Archipoeta. Arkel. Armagnacs. Armentières, Peronnelle d'. Arnemuyden, Margareta van. Arnolfini, Jean. Arrestz d'amour. Ars moriendi. Artevelde, Philips van. Artois, Philippe d'. Artois, Robert van. Atharvaveda. Aubriot, Hugues. Augustinus. Aurea mediocritas. Auvergne, Martiald'. Azincourt. Azincourt, Regnault d'.
Bach, Johann Sebastian. Baerze, Jacques de. Bajazid. Ball, John. Balue, Jean, bisschop van Evreux, kardinaal enz.. Bandello. Bar, Louis de, kardinaal. Barante, De. Basin, Thomas, bisschop van Lisieux. _Basin, Thomas_. Baude, Henri. Baudricourt, Robert de, gouverneur van Vaucouleurs. Beaugrant, Madame de. Beaumanoir, Robert de. Beaumont, Jan van. Beauneveu, André. Bedelaars. Bedevaarten. Bedford, John of Lancaster, hertog van. Begarden. Begrafenis, Vorstelijke. Beieren, Albrecht van, graaf van Henegouwen, Holland en Zeeland. Beieren, Jan van, elect van Luik, later graaf van Holland en Zeeland. Beieren, Margareta van, hertogin van Bourgondië. Beieren, Willem VI van, graaf van Henegouwen, Holland en Zeeland. Beleefdheidsstrijd. Belon la Folle. Benedictus XIII. Bernard van Clairvaux. Bernardino van Siena. Beroepsideaal. Berry, Jan, hertog van. Berry, Karel, hertog van. Berry, heraut. Berthelemy, Jean. Bespotting van het geloof. Bétisac, Jean. Beurtgesprek, als stijlmiddel. Bizarre in schilderkunst en litteratuur, Het. Bladelyn, Pieter. Bloed des Verlossers. Bloedwraak. Blois, Charles de. Blois, Jean de, heer van Gouda en Schoonhoven. Blois, Jean de. Boccaccio. Bodin, Jean. Boeddhisme. Boeufs, Pierre aux. Bois, Manssart du. Bonaventura. Bonet, Honoré. Boniface, Jean de. Borgia, Cesare. Borromeus, Karel. Boucicaut, Jean le Meingre, maréchal de. _Boucicaut, Livre des faicts du mareschal de_. Bourbon, Isabella van; zie Charolais. Bourbon, Jacques de. Bourbon, Jean de. Bourbon, Louis de. Bourgeois de Paris. _Bourgeois de Paris; zie Journal_. Bourgogne, Mademoiselle de. Bourgondië, Anna van, hertogin van Bedford. Bourgondië, David van, bisschop van Utrecht. Bourgondië, zie onder de voornamen. Bourguignons. Bouts, Dirk. Brabant, Antonie van Bourgondië, hertog van. Brabant, Wencelyn, hertog van. Brandebourch. Breauté, Pierre de. Bretagne, Frans II, hertog van. Bretagne, Jan V, hertog van. Bretagne, Frans III, hertog van. Breughel, Pieter. Brigitta van Zweden. Broederlam, Melchior. Broeders van den Vrijen Geest. Brugman, Johannes. Bruiloft. Bueil, Jean de. Burckhardt, Jakob. Burgerij. Burne Jones, Edward. Busnois, Antoine. Bussy, Oudart de. Bijgeloof.
Capeluche, beul van Parijs. Capistrano, Johannes. Carr, Robert. Casuïstiek. Casuïstiek der liefde. Catharina van Siena. Caxton, William; 441. Celestijnen, klooster der, te Parijs. Cent ballades. _Cent Ballades, Le livre des_. Cent nouvelles nouvelles. Chaise-Dieu, La. Champion, P. _Champion, P. zie Villon_. Charny, Geoffroi de. _Charny, Le livre messire Geoffroi de_. Charolais, Isabella van Bourbon, gravin van. Charolais; zie Karel de Stoute. Chartier, Alain. _Chartier, Alain_. _Chartier, Jean_. Chastellain, Georges. _Chastellain, Georges_. Châtel, Guillaume du. Châtelier, Jacques du, bisschop van Parijs. Chaucer, Geoffrey. Chevalier, Etienne. Chevalier du guet. Chevaliers Nostre Dame de la Noble Maison; zie Orde van de Ster. Chevrot, Jean, bisschop van Doornik. Chopinel; zie Clopinel. _Chroniqae scandaleuse_. Cicero. Cleef, Jan I, hertog van. Cleef, Adolf van, heer van Ravestein. Clemanges, Nicolaas van. _Clemanges, Nicolaas van_. Clemens V. Clercq, Jacques du. _Clercq, Jacques du. Clisson, Olivier de, connétable van Frankrijk. Clopinel, Jean. Coeur, Jacques. Coïmbra, Jan van. Coitier, Jacques. Col, Gontier. Col, Pierre. Colette Boellet, Sainte. Combat des Trente. Commines, Philippe de. _Commines, Philippe de_. Compositie in de schilderkunst. Contemptus mundi; zie Verachting der wereld. Coquillart, Guillaume. Coquinet, le fou de Bourgogne. Cordeliers, klooster der. Coucy, Enguerrand de. Cour d'amours. Courtenay, Pierre de. Coustain, Jean. Cranach, Lucas. Craon, Pierre de. Cresecque. Cristus, Petrus. Crokart. Croy, Antoine de. Croy, Philippe de. Curial, Le. Curtius, Quintus. Cusa, Nicolaas van.
Danse aux Aveugles. Dante. Daret, Jacques. David, Gerard. Debat des hérauts d'armes. _Debat des hérauts d'armes_. Deschamps, Eustache. _Deschamps, Eustache_. Deviezen; 201, 395 vg. Devotie, Moderne. Dieu, Spraakgebruik, voor de hostie. Dionysius de Kartuizer, of: van Rycke. _Dionysius Cartusianus_. _Dixmude, Jan van_ Dolce stil nuovo. Domburg, Jan van. Donatello. Doodendans. Doodsstrijd. Doornik, Jean de Thoisy, bisschop van. Dorpers. _Douet d'Arcq, Pièces inédites_. _Doutrepont, G._. Drie dooden en drie levenden, Sproke der. Dufay, Guillaume. Duivelfantazie. Dunois, Jan van Orleans, graaf van. Durand-Gréville, E. Durandus, Guilielmus. Dürer, Albrecht. Dwergen.
Eck, Johannes. Eckhart, Meister. Eduard II, koning van Engeland. Eduard III, koning van Engeland. Eduard IV, koning van Engeland. Eergevoel. Egmond, Lamoraal, graaf van. Elisabeth, Sint, van Thüringen. Emerson, R.W. Emprise. Engeland, Koningen van; zie onder de voornamen. Engeland, Maria van. Engelen. Entremets. Envoûtement. Epithalamische stijl. Erasmus, Desiderius. Erotiek, Droeve. Erotische allegorie. Escouchy, Mathieu d'. _Escouchy, Mathieu d_. Estats; zie Standen. Exdamacion des os Sainct Innocent. Extravagant karakter der beeldende kunst. Eyck, Gebroeders van. Eyck, Hubert van. Eyck, Jan van.
Fantaziesferen, Dooreenmenging van. Fastolfe, Sir John. Faukemont, Jehan de. Fazio, Bartolomeo. Feesten. Fénélon. Fenin, Pierre de. _Fenin, Pierre de_. Ferrer, Vincent. _Ferrer, Vincent, Vita_. Fillastre, Guillaume, kardinaal enz.. Fillastre, Guillaume, bisschop van Doornik. _Fillastre, Guillaume, Toison dor_. Flémalle, Meester van. Foix, Gaston Phébus, graaf van. Formalisme. Fouquet, Jean. Fradin, Antoine, volksprediker. Franc Gontier, Le dit de. Franc Gontier, Les contrediz. France, Anatole. Franciscus van Assisi. François, zie Paule. Frankrijk, Koningen van; zie onder de voornamen. Frans I, koning van Frankrijk. Fraterhuizen; zie Devotie, Moderne. Frederik III. Froissart, Jean. _Froissart, Jean_. Froment, Jean. Fulco van Marseille, bisschop van Toulouse.
Gaguin, Robert. _Gaguin, Robert_. Galois et Galoises. Geertgen tot Sint Jans. Geloften; zie Ridderlijke gelofte, en Voeu. Gelre, Adolf van. Gelre, Arnold van. Gelijkheidsidee. Generaliseering. Genève, Lodewijk van Savoye, graaf van. Genreschildering. Geoffroi de Paris. Gerechtigheidsgevoel. Geringschatting der geestelijkheid. Germain, Jean, bisschop van Chalons. _Germain, Jean, Liber de virtutibus etc._. Gerson, Jean. _Gerson, Jean_. Gevangenen. Gezelschapsspelen. Giotto. Glocester, Humphrey van. Godefroy, Denis. _Godefroy, Théodore_. Goethe. Gonzaga, Aloysius. Gonzaga, Francesco. Grabow, Mattheus. Grafteeken. Gregorius de Groote. Groote, Gerard. Guernier, Laurent. Guesclin, Bertrand du. Gulden Vlies.
Hagenbach, Peter van. Hales, Alexander van. Hames, Nicolaas de. Hans, acrobaat. Hardvochtigheid. Hautbourdin, Jean de Saint-Pol, heer van. Hauteville, Pierre de. Hebzucht. Heethoofdigheid. _Hefele, K., Der h. Bernhardin von Siena usw._. Heiligen en Ziekten. Heiligenbeelden. Heiligenvereering. Heilo, Frederik van. Heksenkamer; zie Malleus maleficarum. Heksenvervolging. Hel, Voorstelling der. Heldenideaal. Heloïse. Hendrik IV, koning van Engeland. Hendrik V, koning van Engeland. Hendrik VI, koning van Engeland. Henouars. Herauten. Herdersideaal. Herp, Hendrik van. Hervorming. Heures d'Ailly. Heures de Chantilly, Trés-riches. Heures de Turin. Hieronymus. Hoekschen en Kabeljauwschen. Hofceremonieel. Hofleven. Hofstaat. Hof vlucht. Holanda, Francesco de. Holland. Holbein, Hans. Hoofsche minne. Hoogmoed. Houwaert, Johan Baptista. Hugo, Victor. Humanisme. Humanisten. Hus, Johannes. Hutten, Ulrich von. Huysmans, Joris Karl.
Idealisme. Imitatio Christi. Innocentius III. Innocents; zie Onnoozele kinderen. Innocents, kerkhof der. Institoris, Heinrich. Ironie. Isabella van Beieren, koningin van Frankrijk. Isabella van Frankrijk, koningin van Engeland.
Jacobus I, koning van Engeland. Jaille, sire de. James, William. Jan II, koning van Frankrijk. Jan zonder Vrees, hertog van Bourgondië, eerder graaf van Nevers. Jeruzalem. Johanniters. _Jorga, N._. Joseph, Sint. _Journal d'un bourgeois de Paris_. Jouvencel, Le. _Jouvencel, Le_. Jouvenel, Jean, bisschop van Beauvais. _Juvenal des Ursins_.
Kamp van Neuss. Karel de Groote. Karel V, keizer. Karel V, koning van Frankrijk. Karel VI, koning van Frankrijk. Karel VII, koning van Frankrijk. Karel VIII, koning van Frankrijk. Karel de Stoute, hertog van Bourgondië, eerder graaf van Charolais. Kempis, Thomas a. Kerkelijk-erotische travesti. Kerkgang. Kethulle, Lodewijk van de. Keuken. Kinderen. Klassicisme. Kleederdracht. Kleuren, Symbolische beteekenis der. Kleurenzin. Klokgelui Kluisters bij geloften. Kok. Koningschap. Kraamkamer. Krankzinnigen. Kroningsmaal. Kruistochtideaal. Krijgsmoed. Krijgsmuziek.