Herfsttij Der Middeleeuwen Studie Over Levens En Gedachtervorme

Chapter 38

Chapter 383,708 wordsPublic domain

"Là prins fièvre de souvenance Et catherre de desplaisir, Une migraine de souffrance, Colicque d'une impascience, Mal de dens non à soustenir. Mon cueur ne porroit plus souffrir Les regretz de ma destinée Par douleur non accoustumée." [990]

Meschinot is nog even verslaafd aan de slappe allegorie als La Marche; van zijn _Lunettes des princes_ zijn Prudence en Justice de glazen, Force de montuur, Temperance de nagel, die alles bijeenhoudt. Raison geeft den dichter dien bril met een gebruiksaanwijzing; door den hemel gezonden komt Raison zijn geest binnen, en wil daar haar festijn aanrichten, maar vindt er alles bedorven door Desespoir, zoodat er niets is "pour disner bonnement." [991]

't Schijnt alles ontaarding en verval. En toch is het de tijd, waarin de nieuwe geest der Renaissance reeds blaast, waar hij wil. Waar is de groote, jonge bezieling en de nieuwe, zuivere vorm?

NOTEN:

[902] Erasmus, Ratio seu Methodus compendio perveniendi ad veram theologiam, ed. Bazel 1520, p. 146.

[903] E. Durand Gréville, Hubert et Jean van Eyck, Bruxelles, 1910, p. 119.

[904] p. 361. (zie Hoofdstuk X, noot 721)

[905] Alain Chartier, Oeuvres, ed. Duchesne, p. 594.

[906] Chastellain, I p. 11, 12. IV p. 21, 393, VII p. 160; La Marche, I p. 14; Molinet, I p. 23.

[907] Jean Robertet, bij Chastellain, VII p. 182.

[908] Chastellain, VII p. 219.

[909] Chastellain, III p. 231ss.--Sint Antoine valt op 17 Januari.

[910] Oratoire, een door tapijten afgeschoten vertrekje in een kapel.

[911] Dooi.

[912] Een heuveltje, een aardhoop.

[913] Chastellain, III p. 46, zie hierboven blz. 154 (zie Hoofdstuk III, noot 294). vg. III 104, V 259.

[914] Helmen.

[915] Chastellain, V p. 273, 269, 271.

[916] Zie de reproducties bij A. Michel, Histoire de l'art etc., Paris, 1907 etc. 7 vol. parus, IV, 2 p. 711 en P. Durrieu. Les belles heures du duc de Berry, Gazette des beaux arts 1906, t. 35, p. 283.

[917] Froissart, ed. Kervyn, XIII p. 50, XI p. 99. XIII p. 4.

[918] Dichter onbekend, gedrukt Deschamps, Oeuvres X no. 18, vgl. Le Debat du cuer et du corps de Villon, evenzoo Charles d'Orléans, rondel 192.

[919] Dat blijkt.

[920] Ed. de 1522, fol. 101, bij A. de la Borderie, Jean Meschinot etc., Bibl. de l'école des chartes LVI, 1895, p. 301. Vgl. de balladen van Henri Baude, ed. Quicherat (Trésor des pièces rares ou inédites, Paris 1856), p. 26, 37, 55, 79.

[921] Froissart, ed. Luce. I p. 56, 66. 71, XI p. 13, ed. Kervyn. XII p. 2, 23; vgl. ook Deschamps, III p. 42.

[922] Froissart ed. Kervyn, XI p. 89.

[923] P. Durrieu, Les très-riches heures de Jean de France duc de Berry, 1904, pl. 38.

[924] Oeuvres du roi René, ed. de Quatrebarbes, II p. 105.

[925] Deschamps, I nos. 61, 144; III nos. 454, 483, 524; IV nos. 617, 636.

[926] Durrieu. l.c. pl. 3, 9, 12.

[927] Deschamps, VI p. 191, no. 1204.

[928] Froissart, ed. Luce, V p. 64, VIII p. 5, 48, XI p. 110, ed. Kervyn, XIII p. 14, 21, 84, 102, 264.

[929] Froissart, ed. Kervyn, XV p. 54, 109, 184, XVI p. 23, 52, ed. Luce. I p. 394.

[930] Froissart, XIII p. 13.

[931] G. de Machaut, Poésies lyriques, ed. V. Chichmaref (Zapiski ist. fil. fakulteta imp. S. Peterb. universiteta XCII 1909) no. 60, I p. 74.

[932] La Borderie, l.c., p. 618.

[933] Christine de Pisan, Oeuvres poétiques, I p. 276.

[934] Ib. p. 164, no. 30.

[935] Ib. I p. 275, no. 5.

[936] Froissart, Poésies, ed. Scheler, II p. 216.

[937] P. Michault, La dance aux aveugles etc., Lille, 1748.

[938] Recueil de poésies françoises des XVe et XVIe siècles, ed. de Montaiglon (Bibl. elzevirienne) t. IX p. 59.

[939] Deschamps, VI no. 1202, p. 188.

[940] Het vee dat naar de wei gaat.

[941] Froissart, Poésies. I p. 91.

[942] Froissart, ed. Kervyn, XIII p. 22.

[943] Deschamps, I p. 196, no. 90, p. 192, no. 87. IV p. 294, no. 788, V no.903, 905, 919, VII p. 220, no. 1375, vgl. II p. 86, no. 250, no.247.

[944] Durrieu, Les tres riches heures, pl. 38, 39, 60, 27, 28.

[945] Deschamps, no. 1060, V p. 351. no. 844, V p. 15.

[946] Chastellain, III p. 256ss.

[947] Journal d'un bourgeois, p. 325(2).

[948] Deschamps, nos. 1229, 1230, 1233, 1259, 1299, 1300, 1477, VI p. 230, 232, 237, 279, VII p. 52, 54, VIII p. 182, vgl. Gaguin's De validorum mendicantium astucia, Thuasne, II p. 169ss.

[949] Deschamps. no. 219, II p. 44, no. 2, I p. 71.

[950] Ib. IV, p. 291, no. 786.

[951] Bibliothèque de l'école des chartes, 2e série III 1846, p. 70.

[952] Proverbia, 14.13.

[953] Alain Chartier, La belle dame sans mercy, p. 503, 505, vgl. Le debat du reveille-matin, p. 498; Chansons du XVe siècle, p. 71, no. 73; L'amant rendu cordelier à l'observance d'amours, vs. 371; Molinet, Faictz et dictz, ed. 1537, f. 172.

[954] Alain Chartier, Le debat des deux fortunes d'amours, p. 581.

[955] Oeuvres du roi René, ed. Quatrebarbes, III p. 194.

[956] Charles d'Orléans, Poésies complètes, p. 68.

[957] L.c., p. 88, ballade no. 19.

[958] L.c., chanson no. 62.

[959] Vgl. Alain Chartier, p. 559: "Ou se le vent une fenestre boute, Dont il cuide que sa dame l'escoute, S'en va coucher joyeulx...."

[960] Huitains 51, 53, 57, 167, 188, 192, ed. de Montaiglon, Soc. des anc. textes francais, 1881.

[961] Museum te Leipzig, no. 509.

[962] Juvenal des Ursins, 1418, p. 541; Journal d'un bourgeois de Paris, p. 92, 172.

[963] J. Veth & S. Muller Fz., A. Dürer's Niederländische Reise, Berlin-Utrecht, 1918, 2 bde, I p. 13.

[964] Chastellain, III p. 414.

[965] Chron. scand., I p. 27.

[966] Molinet, V p. 15.

[967] Lefebvre, Théatre de Lille, p. 54, bij Doutrepont, p. 354.

[968] Th. Godefroy, Le ceremonial françois, 1649, p. 617.

[969] J. B. Houwaert, Declaratie van die triumphante Incompst van den ... Prince van Oraingnien etc.; t'Antwerpen, Plantijn 1579, p. 39.

[970] De these van Emile Male omtrent den invloed der theatervoorstelling op de schilderkunst moge hier blijven rusten.

[971] Zie P. Durrieu, Gazette des beaux arts, 1906, t. 35, p. 275.

[972] Christine de Pisan, Epitre d'Othéa à Hector, Ms. 9392 de Jean Miélot, ed. J. van den Gheyn, Bruxelles 1913.

[973] L.c., pl. 5, 8, 26, 24, 25.

[974] Van den Gheyn, Epitre d'Othéa, pl. I en 3; Michel, Histoire de l'art IV, 2 p. 603, Michel Colombe, grafmonument uit de kathedraal van Nantes, id. 616, figuur van Temperantia aan het grafmonument der kardinalen van Amboise in de kathedraal van Rouen.

[975] Zie daarover mijn opstel Uit de voorgeschiedenis van ons nationaal besef, De Gids 1912, I.

[976] Exposition sur verité mal prise, Chastellain, VI p. 249.

[977] zuur.

[978] gordel.

[979] Le livre de paix, Chastellain, VII p. 375.

[980] Advertissement au duc Charles, Chastellain. VII p. 304 ss.

[981] Chastellain, VII p. 237 ss.

[982] Molinet, Le miroir de la mort, fragment bij Chastellain, VI p. 460.

[983] Chastellain. VII p. 419.

[984] Deschamps, I p. 170.

[985] Le Pastoralet, vs. 501, 7240, 5768.

[986] Vgl. voor de vermenging van pastorale en politiek Deschamps, III p. 62, no. 344, p. 93, no. 359.

[987] Molinet, Faictz et dictz, f. 1.

[988] Molinet, Chronique, IV p. 307.

[989] Bij E. Langlois, Le roman de la rose (Soc. des anc. textes) 1914, I p. 33.

[990] Recueil de Chansons etc. (Soc. des bibliophiles belges), III p. 31.

[991] La Borderie, l.c., p. 603, 632.

* * * * *

XIV

HET KOMEN VAN DEN NIEUWEN VORM

De verhouding van het opbloeiende Humanisme en den afstervenden geest der Middeleeuwen is veel minder eenvoudig, dan wij geneigd zijn, ons haar voor te stellen. Ons, die die beide cultuurcomplexen scherp gescheiden zien, schijnt het, alsof de ontvankelijkheid voor de eeuwige jeugd der Ouden en de verloochening van den ganschen versleten toestel der middeleeuwsche gedachtenuitdrukking gekomen moet zijn als een openbaring. Alsof de geesten, ten doode vermoeid van allegorie en flamboyantisme, plotseling moeten hebben begrepen: neen, niet dit, maar dat! Alsof de gouden harmonie van het klassieke hun opeens als een redding voor oogen moet hebben gestraald, alsof zij de Oudheid hebben moeten omhelsd met de vervoering van wie zijn heil heeft gevonden.

Maar zoo is het niet. Midden in den tuin der middeleeuwsche gedachte, tusschen de welige woekering van het oude gewas, is het klassicisme van lieverlede opgegroeid. Eerst is het enkel een formeel fantazie-element. Een groote nieuwe bezieling wordt het eerst laat, en de geest en de uitdrukkingsvormen, die wij als de oude, middeleeuwsche plegen te beschouwen, sterven ook dan nog niet af.

Om dat alles goed te zien, zou het nuttig zijn, uitvoeriger dan hier geschiedt, het komen der Renaissance gade te slaan, niet in Italië, maar in het land, dat de vruchtbaarste bodem was geweest voor alles, wat den heerlijken rijkdom der echt-middeleeuwsche cultuur uitmaakte: Frankrijk Wanneer men het Italiaansche quattrocento beschouwt in zijn glorieuze tegenstelling tot het laat-middeleeuwsche leven elders, dan begaat men licht deze vergissing: men houdt de signatuur van het quattrocento: de blijheid, de vrijheid, het serene en het sonore, voor die van den nieuwen tijd, en zegt: daar waar het leven in dien toonaard klinkt, daar is de Renaissance. Doch is het niet veeleer de signatuur van den Italiaanschen geest, is zij niet reeds evenzeer aanwezig in het Italië der dertiende eeuw? Men komt altijd weer terecht, of bij de absurde consequentie, om de Renaissance steeds hoogerop in de Middeleeuwen te verlengen, of bij de erkentenis, dat de Renaissance met haar Italiaanschen verschijningsvorm volstrekt niet volledig is getypeerd, en dat het begrip Renaissance slechts één aspect vertegenwoordigt van de bonte cultuur der eindigende Middeleeuwen.

Midden in de oude levensopvattingen en levensverhoudingen komen de nieuwe, klassicistische vormen op. Voor het aannemen van volkomen ontwikkelde humanistische uitdrukkingsvormen is niet anders noodig, dan dat een geletterde kring zich wat meer dan gewoonlijk bevlijtigd op zuiver latijn en klassieken zinsbouw. Zulk een kring bloeit omstreeks 1400 in Frankrijk; zij bestaat uit eenige geestelijken en magistraten: Jean de Monstreuil, kanunnik van Rijssel en koninklijk secretaris, Nicolas de Clemanges, de beroemde woordvoerder der reformgezinde geestelijkheid, Gontier Col, Ambrosius de Miliis, vorstelijke geheimschrijvers evenals de eerstgenoemde. Zij wisselen fraaie en deftige humanistenbrieven, die voor de latere producten van het genre in niets onderdoen: de holle algemeenheid van gedachte, het gewild gewichtige, de gewrongen zinsbouw en ondoorzichtige uitdrukking, en ook het behagen aan geleerde beuzelingen. Jean de Monstreuil maakt zich druk over de spelling van "orreolum" en "scedula", met of zonder h, over het gebruik van de k in latijnsche woorden. "Als ge mij niet te hulp komt, waarde leermeester en broeder,--schrijft hij aan Clemanges--, [992] ben ik mijn goeden naam kwijt en als des doods schuldig. Daar heb ik bemerkt, dat ik in mijn laatsten brief aan mijn heer en vader, den bisschop van Kamerijk, in plaats van den comparativus "propior", overhaast en slordig als de pen is, "proximior" heb gezet! Verbeter het toch, anders zullen onze bedillers er schotschriften op maken." [993]--Men ziet, de brieven zijn voor de openbaarheid bestemd, als geleerde letteroefeningen. Echt humanistisch is ook zijn bestrijding van zijn vriend Ambrosius, die Cicero van tegenstrijdigheid beschuldigd had, en Ovidius boven Vergilius stelde. [994]

In een der brieven geeft hij een gemoedelijke beschrijving van het klooster Charlieu bij Senlis, en het is opmerkelijk, hoe hij, nu naar middeleeuwschen trant eenvoudig weergevend wat daar te zien was, opeens veel leesbaarder wordt. Hoe de musschen meeëten in het reefter, zoodat men zou twijfelen, of de koning de prebende voor de monniken of voor de vogels heeft ingesteld, hoe een winterkoninkje doet, alsof het de abt was, hoe de ezel van den tuinman den briefschrijver verzoekt, ook hèm in zijn epistel niet te vergeten; het is alles frisch en bekoorlijk, maar niet specifiek humanistisch. [995] Herinneren wij ons, dat Jean de Monstreuil en Gontier Col dezelfden zijn, die wij als geestdriftige vereerders van den _Roman de la rose_ leerden kennen, en als leden van den Cours d'amours van 1401. Geeft het niet te verstaan, welk een uiterlijk levenselement dit vroege Humanisme nog is geweest? Het is eigenlijk niet dan een versterkte werking van de middeleeuwsche schooleruditie, en verschilt weinig van die oplevingen van klassieke latiniteit, die Alcuin en de zijnen tijdens Karel de Groote te zien geven, en de Fransche scholen der twaalfde eeuw opnieuw.

Hoewel dit eerste Fransche Humanisme nog, zonder onmiddellijke voortzetters te vinden, uitbloeit in den kleinen kring der mannen, die het gekweekt hadden, zit het toch reeds vast aan de groote internationale geestesbeweging. Petrarca is voor Jean de Monstreuil en de zijnen reeds het illuster voorbeeld. Ook Coluccio Salutati, de Florentijnsche kanselier, die in het midden der veertiende eeuw de nieuwe Latijnsche rhetoriek in de taal der staats-acten had ingevoerd, wordt herhaaldelijk door hem genoemd. [996] Petrarca is evenwel, als men het zoo zeggen kan, in Frankrijk nog opgenomen in den middeleeuwschen geest. Wanneer inderdaad, gelijk Paulin Paris vermoedde, [997] Machaut's Peronne d'Armentières bij haar zucht naar een dichterlijk liefdesverkeer niet enkel door het voorbeeld van Heloïse, maar ook reeds door dat van Laura bezeten is geweest, dan levert _Le Voir-Dit_ een opmerkelijk getuigenis, hoe een inspiratie op het werk, waarin wij vooral den advent van de moderne gedachte zien, toch weder een zuiver middeleeuwsche schepping kon opleveren.

Het was overigens niet als Laura's dichter, dat Petrarca buiten Italië zijn naam verworven had. Hij is voor Jean de Monstreuil de "devotissimus, catholicus ac celeberrimus philosophus moralis." [998] Ook als zoodanig wordt hij nog opgenomen in de echt middeleeuwsche gedachte. Er is sprake van betrekkingen tusschen Petrarca en Geert Groote. Jean de Varennes, de geestdrijver van Saint Lié, [999] ontleent voor een nieuw gebed, dat hij samenstelt, den tekst aan Petrarca: Tota caeca christianitas. Hij roept diens gezag in, om zich te vrijwaren voor de verdenking van ketterij. [1000] Dionysius de Kartuizer neemt uit Petrarca's _De Vita solitaria_ een klacht over om het verlies van het heilige graf; "maar omdat de stijl van Franciscus rhetorisch en moeilijk is, zal ik liever den zin dan den vorm van Franciscus' woorden aanhalen." [1001]

De schoone geesten in Frankrijk werden nog tot een bijzonderen ijver in hun klassieke letteroefeningen geprikkeld, om den schimp van hun bewonderden Petrarca, dat buiten Italië geen redenaars en dichters te zoeken waren, [1002] te logenstraffen. Nicolas de Clemanges en Jean de Monstreuil komen tegen zulk een uitspraak in verzet. [1003]

Evenals Petrarca is ook Boccaccio om zijn moraliseerende geschriften vermaard, als de beschrijver van het lot der beroemde mannen, "le docteur de patience en adversité". Voor Chastellain [1004] is messire Jehan Bocace een soort impresario der Fortuin geworden; _Le Temple de Bocace_ betitelt hij een zeer barok tractaat over allerlei tragisch lotgeval van zijn tijd, waarin de geest van den "noble historien" wordt aangeroepen, om troost in haar rampspoed te schenken aan Margareta van Engeland.

Terwijl de geleerde auteurs den klassiek Latijnschen briefstijl reeds beheerschen met volkomen vaardigheid, vertoonen de wereldlijken, bij al hun bewondering voor de Oudheid, somtijds nog een diepe onwetendheid. Machaut (hoewel geestelijke geen geleerde en wereldsch als dichter) verhaspelt de namen der zeven wijzen op de wanhopigste manier. Chastellain verwart Peleus met Pelias, La Marche doet het Proteus en Pirithous. De dichter van _Le Pastoralet_ spreekt van "le bon roy Scypion d'Afrique", de schrijvers van _Le Jouvencel_ leiden "pollitique" af van [greek: _polyt_] en een gewaand Grieksch "icos, gardien, qui est à dire gardien de pluralité." [1005]

Toch wil bij hen midden in hun middeleeuwsch allegorischen vorm af en toe de klassieke visie doorbreken. Een dichter als van dat verwrongen herdersspel _Le Pastoralet_ geeft in een beschrijving van den god Silvanus en een gebed aan Pan even een glimp van den schijn van het quattrocento, om dan weer voort te sukkelen in de uitgesleten sporen van zijn oude pad. [1006] Evenals Jan van Eyck soms klassicistische architectuurvormen aanbrengt op zijn zuiver middeleeuwsch geziene tafereelen, zoeken de schrijvers, louter formeel nog en ter versiering, antieke trekken te verwerken. De kroniekschrijvers beproeven hun kracht op staats- en krijgsredevoeringen, contiones, in Liviaanschen trant, of vermelden wonderteekens, prodigia, omdat Livius het ook deed. [1007] Daar waar de verwerking der klassieke vormen met den ouden geest het onvolkomenst uitvalt, leeren wij het meest omtrent de wording der Renaissance. De bisschop van Chalons, Jean Germain, beproeft het vredescongres van Atrecht in 1435 te schilderen in den dringenden, gemarkeerden stijl der Romeinen; het valt uit als een middeleeuwsch kalenderblad. [1008] Het gezicht op de Oudheid is nog buitengewoon bizar. Bij de lijkplechtigheid van Karel den Stoute te Nancy komt de jonge hertog van Lotharingen, Karel's overwinnaar, het lijk van zijn vijand de eer bewijzen in een rouwgewaad "à l'antique", dat wil zeggen, hij draagt een langen gouden baard tot op den gordel, waarmee hij een der negen "preux" voorstelt, [1009] en zijn eigen zegepraal viert. Zoo vermomd bidt hij een kwartier lang. [1010]

Het antieke wordt voor de geesten in Frankrijk omstreeks 1400 gedekt door de begrippen "rhétorique, orateur, poésie". Zij zien de benijdenswaardige volmaaktheid der Ouden bovenal in een gekunstelden vorm. Al deze dichters der vijftiende eeuw en iets vroeger maken, als zij hun hart laten spreken en regelrecht iets te zeggen hebben, een vloeiend, eenvoudig, vaak pittig en soms teer gedicht. Maar als het eens heel mooi moet, brengen zij er mythologie aan te pas, en precieuze latiniseerende termen, en vinden zich "rhétoricien". Christine de Pisan onderscheidt een mythologisch gedicht uitdrukkelijk van haar gewone werk als "balade pouétique". [1011] Wanneer Eustache Deschamps aan zijn kunstbroeder en bewonderaar Chaucer zijn werken toezendt, vervalt hij in de meest ongenietbare quasi-klassieke poespas.

"O Socrates plains de philosophie, Seneque en meurs et Anglux en pratique, Ovides grans en ta poeterie, Bries en parler, saiges en rethorique Aigles tres haulz, qui par ta théorique Enlumines le regne d'Eneas, L'Isle aux Geans, ceuls de Bruth, et qui as Semé les fleurs et planté le rosier, Aux ignorans de la langue pandras, Grant translateur, noble Geffroy Chaucier! * * * * * * * * * * * * * * * A toy pour ce de la fontaine Helye Requier avoir un buvraige autentique, Dont la doys est du tout en ta baillie, Pour rafrener d'elle ma soif ethique, Qui en Gaule seray paralitique Jusques a ce que tu m'abuveras." [1012]

Dit is het begin van wat weldra groeit tot die belachelijke latiniseering van het edele Fransch, welke den spot van Villon en van Rabelais zou treffen. [1013] Het is steeds weer in de dichterlijke correspondentie, in de opdrachten en oraties, met andere woorden, als het bijzonder mooi moet, dat men dien trant aantreft. Dan spreekt Chastellain van "vostre très-humble et obéissante serve et ancelle, la ville de Gand", "la viscérale intime douleur et tribulation", La Marche van "nostre francigène locution et langue vernacule", Molinet van "abreuvé de la doulce et melliflue liqueur procedant de la fontaine caballine", "ce vertueux duc scipionique", "gens de mulièbre courage". [1014]

Deze idealen van verfijnde "rhétorique" zijn geen idealen van zuivere litteraire uitdrukking alleen, maar tegelijk en nog meer idealen van hoogeren litterairen omgang. Het geheele Humanisme is evenzeer als de poëzie der troubadours het geweest was, een gezelschapsspel, een vorm van conversatie, een streven naar een hoogeren levensvorm. Zelfs de geleerden correspondentie der zestiende en zeventiende eeuw heeft dat element geenszins verzaakt. Frankrijk nu toont in dat opzicht zich middenevenredig tusschen Italië en de Nederlanden. In Italië, waar taal en gedachte het minst verwijderd waren van de echte, zuivere Oudheid, konden de humanistische vormen ongedwongen worden opgenomen in de natuurlijke ontplooiing van het hoogere volksleven. De Italiaansche taal werd door eenige meerdere latiniteit van uitdrukking nauwelijks geweld aangedaan. De humanistische clubgeest sloot er zeer wel aan bij de zeden der samenleving. De Italiaansche humanist vertegenwoordigde den geleidelijken uitgroei der Italiaansche volksbeschaving, en daarmee het eerste type van den modernen mensch. In de Bourgondische landen daarentegen was de geest en de vorm der samenleving nog zoo middeleeuwsch, dat het streven naar een vernieuwde en gezuiverde uitdrukking er zich aanvankelijk slechts belichamen kon in volkomen ouderwetschen vorm: de rederijkerskamers. Als genootschappen zijn zij enkel een voortzetting van de middeleeuwsche broederschap, en de geest, die in hen spreekt, heeft zich nog enkel in het zeer uiterlijk formeele vernieuwd. Eerst het bijbelsch Humanisme van Erasmus inaugureert er de moderne beschaving.

Frankrijk kent niet den ouderwetschen toestel der rederijkerskamers, maar zijn "nobles rhétoriciens" gelijken ook nog niet op Italiaansche humanisten. Ook zij bewaren nog veel van middeleeuwschen geest en vormen. Ten opzichte der Fransche letterkunde der vijftiende eeuw kan men zonder overdrijving zeggen, dat die schrijvers en dichters, die zich het meest vrij houden van klassicisme, nader staan tot de moderne ontwikkeling der litteratuur dan zij, die de idealen van latiniteit en oratorie huldigen. De modernen, dat zijn er de onbevangenen van geest, zelfs als zij dien nog kleeden in den middeleeuwschen vorm: Villon, Coquillart, Henri Baude, ook Charles d'Orléans en de dichter van _L'amant rendu cordelier_. Juist het klassicistische streven doet zich hier, althans wat dicht en proza betreft, als den remmenden invloed gelden. De pompeuze woordvoerders van het zwaar gedrapeerde Bourgondische ideaal: Chastellain, La Marche, Molinet, dat zijn de ouderwetsche geesten der Fransche litteratuur. Zoodra ook zij zich nu en dan losmaken van hun ideaal van kunstvaardigheid, en dichten of schrijven, wat hun ter harte gaat, eenvoudigweg, worden zij leesbaar, en doen zij tegelijk moderner aan.

Een dichter van den tweeden rang, Jean Robertet (1420-1490), secretaris van drie hertogen van Bourbon en drie Fransche koningen, zag in Georges Chastellain, den Vlaming-Bourgondiër, het puik der edele dichtkunst. Uit die bewondering sproot een litteraire correspondentie voort, die het zooeven beweerde kan illustreeren. Om met Chastellain in kennis te komen, bedient Robertet zich van de bemiddeling van zekeren Montferrant, die als gouverneur van een jongen Bourbon, aan 't hof van zijn oom van Bourgondië opgevoed, te Brugge woonde. Hij zond dezen twee brieven voor Chastellain, een in 't Latijn en een in 't Fransch, benevens een hoogdravend lofdicht op den bejaarden hofchronist en dichter. Toen deze niet terstond op den aandrang van een litteraire briefwisseling inging, vervaardigde Montferrant een wijdloopige aansporing naar het oude recept: "les Douze Dames de Rhétorique" waren hem verschenen, genaamd Science, Eloquence, Gravité de Sens, Profondité enz. Voor die verlokking bezweek Chastellain, en rondom les Douze Dames de Rhétorique groepeeren zich nu de brieven van het drietal; [1015] het duurde overigens niet lang, of Chastellain had er genoeg van, en sneed verdere briefwisseling af.