Herfsttij Der Middeleeuwen Studie Over Levens En Gedachtervorme

Chapter 3

Chapter 33,831 wordsPublic domain

In de middeleeuwen ontbreken al de gevoelens, die ons besef van justitie schuchter en weifelend hebben gemaakt: het inzicht in halve toerekenbaarheid, het besef van 's rechters feilbaarheid, het besef, dat de maatschappij mee schuld heeft aan het misdrijf van den enkele, de vraag, of men hem niet kan verbeteren in plaats van hem te doen lijden. Of misschien beter gezegd: die gevoelens ontbraken niet, maar waren onuitgedrukt vereenigd in een onmiddellijke aandoening van barmhartigheid en vergiffenis, die, onafhankelijk van de schuld, telkens weer de wreede voldoening over het gedane recht komt breken. Waar wij een aarzelend en half schuldbewust toemeten van verzachte straffen kennen, daar kent de middeleeuwsche justitie slechts de twee uitersten: de volle maat van wreede straf en de genade. Bij het schenken van genade wordt veel minder dan thans gevraagd, of de schuldige om bijzondere redenen de gratie verdient: voor elke schuld, ook de klaarblijkelijkste, is volle kwijtschelding te allen tijde gepast. In de praktijk gaf bij die kwijtscheldingen niet altijd de zuivere barmhartigheid den doorslag. Het is verbazend, met welk een gelijkmoedigheid de tijdgenooten vertellen, hoe de tusschenkomst van aanzienlijke verwanten een misdadiger "lettres de rémission" bezorgen. Niettemin gelden de meeste van die brieven geen aanzienlijken overtreders maar armen lieden uit het volk, die geen hooge voorspraak gehad hebben [45].

De onmiddellijke tegenstelling van hardvochtigheid en barmhartigheid beheerscht ook buiten de rechtspleging de zeden. Aan de eene zijde de vreeselijkste hardvochtigheid tegen misdeelden en gebrekkigen, aan de andere die ontzaglijke verteedering, dat innig gevoel van verwantschap voor zieken, armen en gekken, zooals wij het, samen met de wreedheid, nog uit de Russische litteratuur kennen. Het genot in terechtstellingen wordt althans nog begeleid en tot zekere hoogte gerechtvaardigd door een sterk bevredigd rechtsgevoel. In de ongeloofelijke, naïeve hardheid, onkieschheid, den wreeden spot, het leedvermaak, waarmee men het ongeluk der ellendigen beschouwt, ontbreekt zelfs het veredelend element van het bevredigd rechtsgevoel. De kroniekschrijver Pierre de Fenin besluit het verhaal van het omkomen eener rooverbende met de woorden: "et faisoit-on grant risée, pour ce que c'estoient tous gens de povre estat" [46].

Te Parijs wordt in 1425 een "esbatement" gehouden van vier geharnaste blinden, die om een big vechten. Daags te voren trekken zij geharnast door de stad, voorop een doedelzakspeler en een man met een groote vlag, waarop de big geschilderd staat [47].

Velazquez heeft ons de innig droevige tronies bewaard van de dwerginnetjes, die als zottinnen aan het Spaansche hof in zijn tijd nog in eere waren. Zij waren een gezocht voorwerp van vermaak aan de vorstenhoven der 15e eeuw. Bij de kunstige "entremets" der groote hoffeesten vertoonden zij haar kunsten en haar mismaaktheid. Madame d'Or, de goudblonde dwergin van Philips van Bourgondië, was algemeen bekend. Men liet haar worstelen met den acrobaat Hans [48]. Bij de huwelijksfeesten van 1468 komt Madame de Beaugrant, "la naine de Mademoiselle de Bourgogne", gedost als herderin, binnenrijden op een gouden leeuw, grooter dan een paard. De leeuw kan den bek open en dicht doen en zingt een welkomstliedje; het herderinnetje wordt cadeau gedaan aan de jonge hertogin en op tafel gezet [49]. Wij kennen geen klachten over het lot van die vrouwtjes, wel posten uit rekeningen, die ons nog iets meer zeggen. Zij spreken ervan, hoe een hertogin zulk een dwergje liet halen uit haar ouderlijk huis, hoe de moeder of de vader haar kwamen brengen, hoe ze haar ook later af en toe kwamen bezoeken, en dan een fooi kregen. "Au pere de Belon la folle, qui estoit venu veoir sa fille...." Ging de vader verheugd en hoogvereerd over den hofdienst van zijn dochter naar huis? In hetzelfde jaar leverde een slotemaker te Blois twee ijzeren halsbanden, één "pour attacher Belon la folle et l'autre pour mettre au col de la cingesse de Madame la Duchesse" [50].

Hoe de krankzinnigen behandeld werden, kan men afmeten naar een bericht omtrent de verzorging van Karel VI, die als koning toch een verpleging genoot, die gunstig afweek van wat anderen ondervonden. Om den armen waanzinnige te verschoonen, wist men niets beters te bedenken, dan hem te laten verrassen door twaalf zwartgemaakte mannen, alsof de duivelen hem kwamen halen [51].

Er is in de hardvochtigheid van die tijden een mate van "ingénu", die ons de veroordeeling op de lippen doet besterven. Temidden van een pestepidemie, die Parijs teisterde, verzoeken de hertogen van Bourgondië en Orleans, om terwille der verstrooiing een cour d'amours in te stellen [52]. In een pauze van de gruwelijke moordpartijen op de Armagnacs in 1418, sticht het volk van Parijs in de kerk van Sint Eustathius de broederschap van Sint Andries; iedereen, priester of leek, draagt een krans van roode rozen; de kerk is er vol van en geurt "comme s'il fust lavé d'eau rose" [53]. Wanneer de heksenprocessen, die Atrecht in 1461 als een helsche plaag hadden geteisterd, tenslotte vernietigd worden, viert de burgerij die zege van het recht met een wedstrijd in het opvoeren van "folies moralisées", eerste prijs een zilveren lelie, vierde prijs een paar kapoenen; de gemartelde slachtoffers waren lang dood [54].

Zoo fel en bont was het leven, zoo verdroeg het den geur van bloed en rozen dooreen. Tusschen helsche benauwingen en de kinderlijkste pret, tusschen gruwelijke hardvochtigheid en snikkende verteedering slingert het als een reus met een kinderhoofd. Tusschen de volstrekte verzaking van alle wereldsche vreugde en een waanzinnige gehechtheid aan goed en genot, tusschen duisteren haat en de meest goedlachsche goedmoedigheid leeft het volk in uitersten.

Van de heldere helft van dat leven is ons maar luttel bewaard: het is, of al de blijde zachtheid en sereniteit van de ziel der vijftiende eeuw is verzonken in haar schilderkunst en gekristalliseerd in de ijle reinheid van haar hooge muziek. De lach van dat geslacht is verstorven, zijn gulle levenslust en onbekommerde vreugde leeft enkel nog in volkslied en klucht. Er is genoeg, om bij ons heimwee naar vervlogen schoon van andere tijden ook een verlangen naar de zonnigheid van de eeuw der van Eyck's te voegen. Maar wie zich waarlijk in dien tijd verdiept, heeft dikwijls moeite, om het blijde aspect vast te houden. Want overal buiten de sfeer der kunst heerscht het donker. In het dreigend waarschuwen der sermoenen, in de moede zuchten der hoogere litteratuur, in het eentonig relaas der kronieken en oorkonden, overal schreeuwen de bonte zonden en jammert de ellende.

De tijden na de reformatie hebben de hoofdzonden van hoogmoed, toorn en hebzucht niet meer gezien in die purperen volbloedigheid en onbeschaamde vrijpostigheid, waarmee zij wandelden onder de menschheid der vijftiende eeuw. De onmetelijke hoogmoed van Bourgondië! De gansche geschiedenis van dat geslacht, van de daad van ridderlijke bravoure, waarvan het hooggroeiende fortuin van den eersten Philips zijn oorsprong neemt, over den fellen naijver van Jan zonder Vrees en de zwarte wraakzucht na zijn dood, over den langen zomer van dien anderen Magnifico, Philips den Goede, tot de waanzinnige halsstarrigheid, waarin de hoogwillende Karel de Stoute ondergaat, is het niet een poëem van heroïeken hoogmoed? Hun landen waren de sterkst levende van het Westen: Bourgondië, zwaar van kracht als zijn wijn, "la colérique Picardie", het gulzige, rijke Vlaanderen. Het zijn dezelfde landen, waar de pracht van schilderkunst, sculptuur en muziek opbloeit, en waar het felste wraakrecht heerscht en de gewelddadigste barbaarschheid zich botviert onder adel en burgers [55].

Geen kwaad is dien tijden meer bewust geweest dan de hebzucht. Men kan den hoogmoed en de hebzucht tegenover elkander zien als de zonde van den ouden en van den nieuwen tijd. De hoogmoed is de zonde van het feodale en hiërarchische tijdperk, waarin bezit en rijkdom weinig mobiel zijn. Het machtsgevoel zit nog niet in de eerste plaats vast aan den rijkdom; het is persoonlijker, en de macht moet, om erkend te worden, zich manifesteeren door groot vertoon, van talrijk gevolg van getrouwen, van kostbare versiering en indrukwekkend optreden van den machtige. Het besef van meer te zijn dan een ander mensch wordt door de feodale en hiërarchische gedachte voortdurend gevoed met levenden vorm; die meerderheid wordt gevoeld als iets zeer wezenlijks en gerechtvaardigds.

De hoogmoed is een symbolische zonde en een theologische; haar wortels zitten diep in den grond van alle levens- en wereldbeschouwing. Superbia was de oorsprong van alle kwaad; Lucifer's hoogmoed was het begin en de oorzaak van alle verderf. Zoo had Augustinus het gezien, zoo bleef de voorstelling der lateren: de hoogmoed is de bron van alle zonden, zij groeien uit hem als wortel en stam [56].

Doch naast het schriftwoord, dat deze opvatting staafde: A superbia initium sumpsit omnis perditio [57], stond een ander: Radix omnium malorum est cupiditas [58]. In aansluiting daaraan kon men ook de hebzucht zien als den wortel van alle kwaad. Want onder cupiditas, dat als zoodanig in de rij der hoofdzonden geen plaats had, werd hier avaritia verstaan, gelijk zelfs een andere lezing van den tekst inhield [59]. En het schijnt wel, alsof vooral sedert de dertiende eeuw de overtuiging, dat het de teugellooze hebzucht is, die de wereld verderft, in de schatting der geesten den hoogmoed van zijn plaats als eerste en noodlottigste der zonden verdringt. De oude theologische vooraanstelling van Superbia wordt overstemd door het steeds aanzwellend koor van stemmen, die al de ellende der tijden wijten aan de steeds toenemende hebzucht. Hoe heeft niet Dante haar vervloekt: la cieca cupidigia!

De hebzucht nu mist het symbolisch en theologisch karakter van den hoogmoed; zij is de natuurlijke en materieele zonde, de zuiver aardsche drift. Zij is de zonde van het tijdperk, waarin het geldverkeer de voorwaarden van machtsontwikkeling heeft verplaatst en losgemaakt. De schatting van menschelijke waardigheid wordt een rekensommetje. Er is een veel onbegrensder veld geopend voor de bevrediging van toomelooze begeerten en opeenhooping van schatten. En die schatten hebben nog niet de spookachtige ontastbaarheid, die het moderne credietwezen aan het kapitaal heeft gegeven; het is nog het gele goud zelf, dat vooraan in de voorstelling staat. En de besteding van den rijkdom heeft nog niet het automatische en mechanische van voortgezette belegging: de bevrediging ligt nog in de felle uitersten van gierigheid en verspilling. In de laatste vooral gaat de hebzucht het huwelijk aan met den ouden hoogmoed. Die was nog zoo sterk en levend: de hierarchisch-feodale gedachte had nog niets van haar bloei verloren, de lust aan pracht en praal, opschik en staatsie was nog zoo purperrood.

Juist de verbinding met een primitieven hoogmoed geeft aan de hebzucht der latere middeleeuwen dat onmiddellijke, hartstochtelijke, geëxaspereerde, wat latere tijden verloren schijnen te hebben. Het Protestantisme en de Renaissance hebben in de hebzucht ethischen inhoud gebracht: haar gelegaliseerd als nuttige voortbrenging van welvaart. Haar stigma verflauwde, naarmate de loffelijkheid van de verzaking der aardsche goederen minder overtuigd beleden werd. In de late middeleeuwen daarentegen kon de geest nog enkel de onopgeloste tegenstelling bevatten van hebzucht tegenover milddadigheid en vrijwillige armoede.

Overal klinkt uit de litteratuur en de kronieken van dien tijd de bittere haat tegen de rijken, de klacht over de hebzucht der grooten, van het spreekwoord tot het vrome tractaat. Het is soms als een vaag besef van klassenstrijd, uitgedrukt met de middelen van zedelijke verontwaardiging. Op dit gebied kunnen evengoed de oorkonden als de verhalende bronnen ons het gevoel van den levenstoon van dien tijd geven, want in alle bescheiden van processen blinkt de meest onbeschaamde hebzucht.

In 1436 was het mogelijk, dat de dienst in een der drukst bezochte kerken van Parijs 22 dagen stilstond, omdat de bisschop de kerk niet wilde herwijden, voor hij zekere som van penningen daarvoor ontving van twee bedelaars, wier handgemeen door een bloedige schram de kerk had ontwijd; en de stakkers hadden het niet. De bisschop, Jacques du Châtelier, stond dan ook bekend als "ung homme très pompeux, convoicteux, plus mondain que son estat ne requeroit". Maar onder zijn opvolger, Denys de Moulins, was het in 1441 al weer zoo: nu kon er vier maanden lang op het kerkhof "des Innocents", het vermaardste en gezochtste van Parijs, niet begraven worden noch ommegang gehouden, omdat de bisschop een hooger recht daarvan eischte, dan de kerk kon opbrengen. Deze bisschop heette "homme très pou piteux à quelque personne, s'il ne recevoit argent ou aucun don qui le vaulsist, et pour vray on disoit qu'il avait plus de cinquante procès en Parlement, car de lui n'avoit on rien sans procès" [60]. Men moet de geschiedenis van de "nouveaux riches" van dien tijd, een familie d'Orgemont bijvoorbeeld, in al de laagheden van hun schraapzucht en proceszucht vervolgen, om den geweldigen haat van het volk, den toorn van predikers en dichters te begrijpen, die zonder ophouden over de rijken werd uitgestort [61].

Het volk kan zijn eigen lot en het gebeuren van den tijd niet anders zien dan als een altijddurende opeenvolging van wanbestuur en uitzuiging, oorlog en rooverij, duurte, gebrek en pestilentie. De chronische vormen, die de oorlog placht aan te nemen, de voortdurende verontrusting van stad en land door allerlei gevaarlijk geboefte, de eeuwige bedreiging van een harde en onbetrouwbare justitie, en daarboven nog de druk van helleangst, duivel- en heksenvrees, hielden een gevoel van algemeene onveiligheid levend, dat wel geschikt was, den achtergrond van het leven zwart te kleuren. Het zijn niet alleen de kleinen en armen, wier leven verliep in die hachelijke onveiligheid, ook in dat van edelen en magistraten zijn de sterkste lotswisselingen en voortdurende gevaren bijna regel. Mathieu d'Escouchy, een Picardiër, is een geschiedschrijver, zooals de vijftiende eeuw er zoo velen oplevert: zijn kroniek, eenvoudig, nauwkeurig, onpartijdig, vervuld van de gewone vereering voor het ridderideaal en de gewone moraliseerende strekking, zou ons een eerzaam auteur doen vermoeden, die aan nauwgezetten historischen arbeid zijn gaven wijdde. Maar welk een leven is het geweest, dat de uitgever van dit geschiedwerk van den auteur uit de oorkonden aan het licht heeft gebracht! [62] Mathieu d'Escouchy begint zijn magistratenloopbaan als raad, schepen, gezworene, schout (prévôt) van de stad Péronne tusschen 1440 en 1450. Van den aanvang af vindt men hem in een soort van veete met de familie van den procureur dier stad, Jean Froment, een veete, die met processen wordt uitgevochten. Dan is het de procureur, die d'Escouchy vervolgt wegens valschheid en moord, dan wegens "excès et attemptaz". De schout op zijn beurt belaagt de weduwe van zijn vijand met een onderzoek naar tooverij, waarvan zij verdacht stond; maar de vrouw weet een mandaat te verkrijgen, krachtens hetwelk d'Escouchy zijn onderzoek in handen der justitie moet stellen. De zaak komt voor het Parlement van Parijs, en d'Escouchy geraakt voor de eerste maal in gevangenschap. Nog zesmaal daarna vinden wij hem als beschuldigde in hechtenis, en eenmaal in krijgsgevangenschap. 't Zijn telkens ernstige crimineele zaken en meer dan eens zit hij in zware ijzers. De wedstrijd van wederzijdsche aanklachten tusschen de familie Froment en d'Escouchy wordt afgewisseld door een gewelddadige ontmoeting, waarbij de zoon Froment hem wondt. Beiden huren rabauwen, om elkaar naar 't leven te staan. Nadat deze lange veete uit onzen gezichtskring verdwenen is, zijn het nieuwe aanslagen; ditmaal wordt de schout verwond door een monnik; nieuwe klachten, dan in 1461 d'Escouchy's verhuizing naar Nesle, onder verdenking van euveldaden, naar het schijnt. Dit belet hem niet, om carrière te maken: hij wordt baljuw, prévôt van Ribemont, procureur du roi te Saint Quentin; hij wordt geadeld. Na nieuwe verwondingen, opsluitingen, boeten, vindt men hem in krijgsdienst: hij strijdt voor den koning bij Montlhéry in 1465 tegen Karel den Stoute, en wordt er krijgsgevangen gemaakt. Uit een volgenden veldtocht keert hij verminkt terug. Dan trouwt hij, maar het beduidt niet de intrede in een rustig leven. Men vindt hem onder de beschuldiging van zegelvervalsching, gevankelijk naar Parijs gevoerd "comme larron et murdrier", in nieuwe veete met een magistraat van Compiègne, naar wiens daden hij een onderzoek moet doen, door pijniging tot bekentenis gebracht en van appel teruggehouden, veroordeeld, gerehabiliteerd, weer veroordeeld, totdat het spoor van dit bestaan van haat en vervolging uit de bescheiden verdwijnt.

Overal waar men de lotgevallen naspeurt van de personen, in de bronnen van dien tijd vermeld, verrijst zulk een beeld van heftig bewogen levens. Lees bijvoorbeeld de bijzonderheden, die Pierre Champion verzameld heeft over allen, die door Villon in zijn Testament zijn bedacht of genoemd [63], of de aanteekeningen van Tuetey op het dagboek van den burger van Parijs. Het zijn processen, misdrijven, twisten en vervolgingen zonder eind, die ons treffen. En dit zijn de levens van willekeurige lieden, uit rechterlijke, kerkelijke of andere bescheiden opgediept. Kronieken als die van Jacques du Clercq, een verzameling van euveldaden, kunnen een te zwart beeld van den tijd geven; zelfs de lettres de rémission, die het dagelijksch leven in zoo levendige nauwkeurigheid voor oogen brengen, kunnen uithoofde van hun crimineel onderwerp te uitsluitend de booze zijden van het leven belichten. Doch elke proef, genomen uit willekeurig materiaal, bevestigt de donkerste voorstellingen.

Het is een booze wereld. Het vuur van haat en geweld brandt hoog, het onrecht is machtig, de duivel dekt met zijn zwarte vlerken een duistere aarde. En spoedig wacht der menschheid het eind van alle dingen. Maar de menschheid bekeert zich niet; de kerk strijdt, predikers en dichters klagen en vermanen vergeefs.

[1] Oeuvres de Georges Chastellain, ed. Kervyn de Lettenhove, 8 vol., Bruxelles 1863-'66, III p. 44.

[2] Chastellain, II p. 267; Mémoires d'Olivier de la Marche, ed. Beaune et d'Arbaumont, (Soc. de l'hist. de France), 1883-'88, 4 vol., II p. 248.

[3] Journal d'un bourgeois de Paris, ed. A. Tuetey, (Publ. de la Soc. de l'histoire de Paris, Doc. no. III) 1881, p. 5, 56.

[4] Journal d'un bourgeois, p. 20-24. Vgl. Journal de Jean de Roye, dite Chronique scandaleuse, ed. B. de Mandrot (Soc. de l'hist. de France) 1894-'96, 2 vol., I p. 330.

[5] Chastellain, III p. 461, vgl. V p. 403.

[6] Jean Juvenal des Ursins, 1412, ed. Michaud et Poujoulat, Nouvelle collect. des mémoires, II p. 474.

[7] Journal d'un bourgeois, p. 6; 70; Jean Molinet, Chronique, ed. Buchon, Coll. de chron. nat., 1827/28, 5 vol, II p. 23; Lettres de Louis XI, ed. Vaesen, Charavay, de Mandrot, (Soc. de l'hist. de France) 1883-1909, 11 vol., 20 Apr. 1477, VI p. 158; Chronique scandaleuse, II p. 47, id. Interpolations, II p. 364.

[8] Journal d'un bourgeois, p. 234/7.

[9] Chron. scand., II p. 70, 72.

[10] Vita auct. Petro Ranzano O.P. (1455), Acta sanctorum Apr. t. 1 p. 494 sq.

[11] Enguerrand de Monstrelet, Chroniques, ed. Douët d'Arcq (Soc. de l'hist. de France) 1857-'62, 6 vol., IV p. 302-306.

[12] Wadding, Annales Minorum, X p. 72; K. Hefele, Der h. Bernhardin von Siena und die franziskanische Wanderpredigt in Italien, Freiburg, 1912, S. 47, 80.

[13] Chron. scand., I p. 22, 1461; Jean Chartier, Hist. de Charles VII, ed. D. Godefroy, 1661, p. 320.

[14] Chastellain, III pp. 36, 98, 124, 125, 210, 238, 239, 247, 474; Jacques du Clercq, Mémoires (1448-1467), ed. de Reiffenberg, Bruxelles, 1823, 4 vol., IV. p. 40, II p. 280, 355, III p. 100; Juvenal des Ursins, p. 405, 407, 420; Molinet, III p. 36, 314.

[15] Jean Germain, Liber de virtutibus Philippi ducis Burgundiae, ed. Kervyn de Lettenhove, Chron. rel. à l'hist. de la Belg. sous la dom. des ducs de Bourg. (Coll. des chron. belges) 1876, II, p. 50.

[16] La Marche, I p. 61.

[17] Chastellain, IV p. 333 s.

[18] Chastellain, III p. 92.

[19] Jean Froissart, Chroniques, ed. S. Luce et G. Raynaud (Soc. de l'hist. de France) 1869-1899,11 vol. (niet verder dan 1385), IV, p. 89-93.

[20] Chastellain, III p. 85 ss.

[21] Ib. III p. 279.

[22] La Marche. II p. 421.

[23] Juvenal des Ursins, p. 379.

[24] Martin Le Franc, Le Champion des dames, bij G. Doutrepont, La littérature française à la cour des ducs de Bourgogne (Bibl. du XVe siècle t. VIII) Paris, Champion. 1909, p. 304.

[25] Acta sanctorum Apr. t. 1 p. 496; A. Renaudet, Préréforme et humanisme à Paris 1494-1517, Paris, Champion, 1916, p. 163.

[26] Chastellain, IV p. 300 s., VII p. 75; vgl. Thomas Basin, De rebus gestis Caroli VII et Lud. XI historiarum libri XII, ed. Quicherat, (Soc. de l'hist. de France) 1855-1859, 4 vol, I p. 158.

[27] Journal d'un bourgeois, p. 219.

[28] Chastellain, III p. 30.

[29] La Marche, I p. 89.

[30] Chastellain, I p. 82, 79; Monstrelet, III p. 361.

[31] La Marche, I p. 201.

[32] Het tractaat o.a. bij La Marche, I p. 207.

[33] Chastellain, I p. 196.

[34] Basin, III p. 74.

[35] Chastellain, IV p. 201. Vergelijk mijn studie Uit de voorgeschiedenis van ons nationaal besef, in De Gids 1912, I.

[36] Journal d'un bourgeois, p. 242; vgl. Monstrelet, IV p. 341.

[37] Jan van Dixmude, ed. Lambin, Ypres 1839, p. 283.

[38] Froissart, ed. Luce, XI p. 52.

[39] Mémoires de Pierre le Fruictier dit Salmon, Buchon, 3e suppl. de Froissart. XV p. 22.

[40] Chronique du Religieux de Saint Denis, ed. Bellaguet (Coll. des documents inédits) 1839-'52. 6 vol., I p. 34; Juvenal des Ursins, p. 342, 467-471; Journal d'un bourgeois, p. 12, 31, 44.

[41] Molinet, III p. 487.

[42] Molinet, III p. 226, 241, 283-7; La Marche, III p. 289, 302.

[43] Clementis V constitutiones, lib. V. tit. 9, c. I; Joannis Gersonii Opera omnia, ed. L. Ellies Dupin, ed. II Hagae Comitis 1728, 5 vol., II p. 427; Ordonnances des rois de France, t. VIII p. 122; N. Jorga, Philippe de Mézières et la croisade au XIVe siècle (Bibl. de l'école des hautes études, fasc. 110) 1896, p. 438: Religieux de S. Denis, II p. 533.

[44] Journal d'un bourgeois, p. 223, 229.

[45] Jacques du Clercq, IV p. 265. Petit-Dutaillis, Documents nouveaux sur les moeurs populaires et le droit de vengeance dans les Pays-Bas au XVe siècle. (Bibl. du XVe siècle) Paris, Champion 1908, p. 7, 21.

[46] Pierre de Fenin (Petitot, Coll. de mém. VII) p. 593; vgl. zijn verhaal van den doodgeslagen nar, p. 619.

[47] Journal d'un bourgeois, p. 204.

[48] Jean Lefèvre de Saint Remy, Chronique, ed. F. Morand (Soc. de l'hist. de France) 1876, 2 vol, II p. 168; Laborde, Les ducs de Bourgogne. Etudes sur les lettres, les arts et l'industrie pendant le XVe siècle. Paris, 1849-'53, 3 vol, II p. 208.

[49] La Marche, III p. 135; Laborde. II p. 325.

[50] Laborde, III p. 355, 398. Le Moyen-âge, XX 1907 p. 193-201.

[51] Juvenal des Ursins, p. 438, 1405; vgl. echter Rel. de S. Denis, III p. 349.

[52] Piaget, Romania XX p. 417 en XXXI 1902 p. 597-603.

[53] Journal d'un bourgeois, p. 95.

[54] Jacques du Clercq, III p. 262.

[55] Jacques du Clercq passim; Petit Dutaillis, Documents etc. p. 131.

[56] Hugo van St. Victor, De fructibus carnis et spiritus, Migne CLXXVI p. 997.

[57] Tobias 4, 14.

[58] I Timotheus 6, 10.

[59] Petrus Damiani, Epist. lib. I, 15, Migne CXLIV p. 234, id. Contra philargyriam ib. CXLV p. 533; Pseudo-Bernardus, Liber de modo bene vivendi § 44, 45, Migne CLXXXIV p. 1266.

[60] Journal d'un bourgeois, p. 325, 343, 357 en de gegevens uit de registers van het Parlement aldaar in de noot.