Herfsttij Der Middeleeuwen Studie Over Levens En Gedachtervorme

Chapter 24

Chapter 243,836 wordsPublic domain

Hij kende het uit zijn groote zielkundige ervaring, hij kende het van verschillende zijden, als dogmatisch en als zedelijk gevaar. "De dag zou mij niet genoeg zijn, zegt hij, als ik al de tallooze waanzinnigheden wilde opsommen van de minnenden, de zinneloozen: amantium, immo et amentium." [669] Ja, hij wist het bij ondervinding: "Amor spiritualis facile labitur in nudum carnalem amorem." [670] Want wie zou het anders zijn dan Gerson zelf, die man, dien hij kende, die uit loffelijke devotie een gemeenzame vriendschap in den Heer had gekweekt met een geestelijke zuster: "aanvankelijk ontbrak het vuur van eenige vleeschelijkheid, maar gaandeweg wies uit den geregelden omgang een liefde, die niet geheel en al meer in God was, zoodat hij zich niet meer kon weerhouden, haar te bezoeken, of in haar afwezigheid aan haar te denken. Nog vermoedde hij niets zondigs, geen duivelsch bedrog, totdat een langere afwezigheid hem tot het inzicht bracht van het gevaar, dat God nog ter juister tijd van hem had gewend." [671] Hij was voortaan "un homme averti" en trok er profijt van. Zijn geheele tractaat _De diversis diaboli tentationibus_ [672] is als een scherpe analyse van den geestesstaat, die ook die van de Nederlandsche moderne devoten was. Het is vooral de "dulcedo Dei", de "zueticheit" der Windesheimers, welke Gerson wantrouwt. De duivel, zegt hij, boezemt den menschen somtijds een onmetelijke en wonderlijke zoetheid (dulcedo) in, op de wijze van en gelijkende op devotie, opdat de mensch in het genieten van die zoetheid (suavitas) zijn eenig doel zoeke, en God enkel meer wil beminnen en volgen, om die genieting te erlangen. [673] En elders, [674] van dezelfde dulcedo Dei: velen heeft de al te sterke kweeking van dergelijke gevoelens bedrogen: zij hebben de razernijen van hun hart als het voelen Gods omhelsd en jammerlijk gedwaald. Het leidt tot allerlei ijdel streven: sommigen trachten een staat te bereiken van volkomen gevoelloosheid of passiviteit, waarin slechts God door hen handelt, of een mystische kennis en vereeniging met God, waarin Hij niet meer onder eenig begrip des zijns, des waren of des goeden wordt opgevat.--Hier liggen ook Gerson's bezwaren tegen Ruusbroec, aan wiens eenvoudigheid hij niet gelooft, wien hij de meening van zijn _Chierheit der gheesteliker brulocht_ verwijt, dat de volmaakte ziel, God schouwende, Hem niet enkel ziet door de klaarheid, die de goddelijke essentie is, maar dat zij zelve de goddelijke klaarheid is. [675]

Het gevoel van de volstrekte vernietiging der individualiteit, dat de mystieken van alle tijden gesmaakt hebben, kon de voorstander van een matige, ouderwetsche, Bernardijnsche mystiek, die Gerson was, niet gedoogen. Een zieneres had hem verteld, dat haar geest in het schouwen Gods vernietigd was geworden met een werkelijke vernietiging en daarna opnieuw geschapen. Hoe weet ge dat? had hij haar gevraagd. Zij had het zelf ondervonden, was haar antwoord. De logische absurditeit dier verklaring is voor den intellectueelen kanselier het triomfantelijk bewijs, hoe verwerpelijk zulk een gevoelen was. [676] Het was gevaarlijk, zulke gewaarwordingen in een gedachte uit te drukken; de Kerk kon ze enkel dulden in den vorm van een beeld: het hart van Catharina van Siena was veranderd in het hart van Christus. Maar Marguerite Porete uit Henegouwen, van de Broeders van den vrijen geest, die ook haar ziel in God vernietigd waande, was in 1310 te Parijs verbrand. [677]

Het groote gevaar van het zelfvernietigingsgevoel lag in de conclusie, waartoe evenzeer de Indische als sommige christelijke mystieken kwamen, dat de volmaakte schouwende en minnende ziel niet meer zondigen kan. Immers, opgegaan in God, heeft zij geen wil meer; slechts het goddelijk willen is gebleven, en waarin zij ook de vleeschelijke neigingen volgen, daarin is geen zonde meer. [678] Tal van armen en onwetenden waren door zulke leeringen verleid tot een leven van de vreeselijkste ongebondenheid, zooals de secten der Begarden, de Broeders van den vrijen geest, de Turlupijnen te zien hadden gegeven. Telkens als Gerson van de gevaren der uitgelaten godsminne spreekt, komt hem het waarschuwend voorbeeld van die secten in de gedachte. [679] Toch is men hier voortdurend vlak bij de kringen der devoten. De Windesheimer Hendrik van Herp beschuldigt zijn eigen geestverwanten van geestelijk overspel. [680] Er lagen in deze sfeer duivelsche valstrikken tot de meest perverse goddeloosheid. Gerson vertelt van een aanzienlijk man, die aan een Kartuizer had bekend, dat hem een doodzonde, en hij noemde met name die der onkuischheid, de minne Gods niet belemmerde, maar hem integendeel ontvlamde om de goddelijke zoetheid nog inniger te prijzen en te begeeren. [681]

De Kerk waakte, zoodra de smeltende aandoeningen van de mystiek zich omzetten in geformuleerde overtuigingen of in toepassing op het maatschappelijk leven. Zoolang het bleef bij louter hartstochtelijke verbeeldingen van symbolischen aard, liet zij ook het meest exuberante toe. Johannes Brugman kon ongestraft al de eigenschappen van den dronkaard, die zich zelf vergeet, geen gevaar ziet, niet toornig wordt om bespotting, alles weggeeft, toepassen op Jezus' menschwording: "O en was hi niet wael droncken, doe hem die mynne dwanck, dat hi quam van den oversten hemel in dit nederste dal der eerden?" In den hemel gaat hij rond, "schyncken ende tappen mit vollen toyten" aan de profeten, "ende sij droncken, dat sij borsten, ende daer spranck David mit sijnre herpen voer der tafelen, recht of hij mijns heren dwaes waer." [682]

De groteske Brugman niet alleen, ook de zuivere Ruusbroec geniet de godsminne onder het beeld der dronkenschap. Naast dat der dronkenschap staat het beeld van den honger. Mogelijk lag voor beide de aanleiding in het bijbelwoord: "qui edunt me, adhuc esurient, et qui bibunt me, adhuc sitient," [683] dat, door Sapientia gesproken, als woord des Heeren werd geduid. De voorstelling van des menschen geest, geteisterd door een eeuwigen honger naar God, was dus gegeven. "Hier beghint een ewich honger, die nemmermeer vervult en wert, dat es een inwendich ghieren ende crighen der minnender cracht ende dies ghescapens geestes in een ongescapen goet.... Dit sijn die armste liede die leven; want si sijn ghierich ende gulsich ende si hebben den mengherael (verklaring: "dat is die vraet of den ghier of den heeten onversadeliken hongher"). Wat si eten ende drinken, si en werden nemmermeer sat in deser wijs, want dese hongher es ewich.... Al gave God desen mensche alle die gaven die alle heylighen hebben ... sonder hem selven, nochtan bleve die gapende ghier des gheests hongherich ende onghesaedt."--Doch evenals het beeld der dronkenschap is ook dat van den honger voor omkeering vatbaar: "Sijn (Christus') hongher is sonder mate groet; hi verteert ons al uut te gronde; want hi is een ghierich slockaert ende heeft den mengerael: hi verteert dat merch uut onsen benen. Nochtan gonnen wijs hem wale, ende soe wijs hem meer ghonnen, soe wij hem bat smaken. Ende wat hi op ons teert, hi en mach niet vervult werden, want hi heeft den mengerael ende sijn hongher is sonder mate: ende al sijn wi arm, hi en achtes niet, want hi en wilt ons niet laten. Ierstwerf bereyt hi sine spise, ende verbernt in minnen al onse sonden ende ghebreken. Ende alse wi dan ghesuvert sijn ende in minnen ghebraden, soe gaept hi alse die ghier diet al verslocken wilt.... Mochten wi sien die ghierighe ghelost (lust) die Christus heeft tote onser salicheit, wi en mochten ons niet onthouden wi en souden hem in die kele vlieghen. Al verteert ons Jhesus te male in hem, daer vore gheeft hi ons hem selven, ende hi gheeft ons gheesteliken hongher ende dorst sijns te ghesmaken met ewigher lost. Hi gheeft ons gheesteliken hongher, ende onser herteliker liefde sijn lichame in spisen. Ende alse wi dien in ons eten ende teren met ynnigher devocien, soe vloyet uut sinen lichame sijn gloriose heete bloet in onse nature ende in alle onse aderen.... Siet, aldus selen wi altoes eten ende werden gheten, ende met minnen op ende nedergaen, ende dit is onse leven in der ewicheit". [684]

Een kleine schrede, en men is van deze hoogste vervoeringen der mystiek weer bij een plat symbolisme. "Vous le mangerés,--zegt van de eucharistie _Le livre de crainte amoureuse_ van Jean Berthelemy--, rôti au feu, bien cuit, non point ars ou brulé. Car ainsi l'aigneau de Pasques entre deux feux de bois ou de charbon estoit cuit convenablement et roty, ainsi ledoulx Jésus, le jour du Vendredi sacré, fut en la broche de la digne croix mis, attachié, et lié entre les deux feux de tres angoisseuse mort et passion, et de tres ardentes charité et amour qu'il avoit à nos ames et à nostre salut, il fut comme roty et langoureusement cuit pour nous saulver." [685]

Het beeld van de dronkenschap en den honger weerspreekt reeds de meening, dat elk godsdienstig zaligheidsgevoel erotisch geïnterpreteerd zou moeten worden. [686] Het instroomen van den goddelijken invloed wordt evengoed als een drinken of een gebaad worden ondergaan. Een Diepenveensche devote voelt zich geheel overstort met het bloed van Christus en bezwijmt. [687] De bloedfantazie, voortdurend door het geloof aan de transsubstantiatie levend gehouden en geprikkeld, uit zich in de bedwelmendste uitersten van rooden gloed. De wonden van Jezus, zegt Bonaventura, zijn de bloedroode bloemen van ons zoete en bloeiende paradijs, waarover de ziel als een vlinder zweven moet, dan aan deze dan aan gene drinkende. Door de zijwond moet zij binnendringen tot het hart zelf. Tegelijk stroomt het bloed als beken in het paradijs. Al het roode en warme bloed van alle wonden is door Suso's mond in zijn hart en ziel gevloeid. [688] Catharina van Siena is een der heiligen, die uit de zijwond van Christus gedronken hebben, gelijk het anderen ten deel viel, de melk van Maria's borsten te proeven: Sint Bernard, Heinrich Suso, Alain de la Roche.

Alain de la Roche, in het latijn Alanus de Rupe, bij zijn Nederlandsche vrienden Van der Klip geheeten, kan als een der meest markante typen gelden van de Fransche, meer fantastische devotie en van de ultra-concrete geloofsverbeelding der laatste Middeleeuwen. Omstreeks 1428 in Bretagne geboren, heeft hij als Dominicaan hoofdzakelijk in het Noorden van Frankrijk en in de Nederlanden gewerkt. Hij is te Zwolle bij de Fraters, met wie hij levendige betrekkingen onderhield, in 1475 gestorven. Zijn voornaamste werk was het ijveren voor het gebruik van den rozenkrans, waartoe hij een gebedsbroederschap over de geheele wereld stichtte, aan welke hij het bidden voorschreef van vaste stelsels van Ave's, door Pater's afgewisseld. In het werk van dezen visionair, hoofdzakelijk preeken en beschrijvingen van zijn gezichten, [689] treft het sterk sexueele van zijn verbeeldingen, doch tegelijk het ontbreken van dien toon van gloeiende passie, die de sexueele verbeelding van het heilige rechtvaardigen kon. De zinnelijke uitdrukking der smeltende godsminne is hier louter procédé geworden. Er is niets van de overstroomende innigheid, die de honger-, dorst-, bloed- en liefde-fantazieën van de groote mystieken verheft. In de meditaties over elk van Maria's lichaamsdeelen, die hij aanbeveelt, in de nauwkeurige beschrijving van zijn herhaalde laving met de melk van Maria, in de symbolische systematiek, waarbij hij elk der woorden van het Onze Vader het bruidsbed van een der deugden noemt, spreekt een geest op zijn laatst, het verval van de hooggekleurde vroomheid der latere Middeleeuwen tot een uitgebloeiden vorm.

Ook in de duivelenfantazie had het sexueele element een plaats: Alain de la Roche ziet de beesten der zonde met afschuwelijke teeldeelen, waaruit een vurige en zwavelige stortvloed breekt, die met zijn smook de aarde verduistert; hij ziet de meretrix apostasiae, die de afvalligen verslindt, weer uitbraakt en uitscheidt, weer verslindt, hen als een moeder kust en koestert, hen telkens opnieuw baart uit haren schoot. [690]

Daar lag de tegenkant van de "zueticheit" der devoten. Als onvermijdelijk complement van de zoete hemelsche fantazie borg de geest een zwarten poel van hellevoorstellingen, die eveneens hun uitdrukking vonden in de gloeiende taal der aardsche zinnelijkheid. Het is zoo vreemd niet, dat er verbindingen zijn aan te wijzen tusschen de stille kringen der Windesheimers en het duisterste wat de Middeleeuwen tegen haar einde hebben voortgebracht: de heksenwaan, thans uitgegroeid tot dat noodlottig sluitende systeem van theologischen ijver en rechterlijke strengheid. Alanus de Rupe vormt zulk een schakel. Hij, de gaarne geziene gast van de Zwolsche fraters, was ook de leermeester van zijn ordebroeder Jakob Sprenger, die niet alleen met Heinrich Institoris den Heksenhamer geschreven heeft, maar ook in Duitschland de ijverige bevorderaar is geweest van Alanus' broederschap van den rozenkrans.

NOTEN:

[637] Gerson, Tractatus VIII super Magnificat, Opera, IV p. 386.

[638] Acta Sanctorum Martii, t. I p. 561, vgl. 540, 601.

[639] K. Hefele, Der bl. Berhardin voor Siena und die franziskanische Wanderpredigt in Italien während des XV. Jahrhunderts, Freiburg, 1912, p. 79.

[640] W. Moll, Johannes Brugman, II p. 74, 86.

[641] Zie boven blz. 255. (zie Hoofdstuk VI, noot 495)

[642] Zie boven blz. 6 vgg. (zie Hoofdstuk I, tekst volgend op noot 7)

[643] Acta Sanctorum Aprilis, t. I p. 195.--Noch van Vincent Ferrer, noch van Olivier Maillard en Clement Menot heb ik de Sermones in Nederland kunnen vinden. Het beeld, dat Hefele t.a.p. van de prediking in Italië geeft, kan echter in veel opzichten ook op de fransch-sprekende landen toepasselijk worden geacht.

[644] Leven van S. Petrus Thomasius, Carmeliet, door Philippe de Mézières, Acta sanctorum Jan., t. II p. 997; Dionysius Cartus over Brugman's preektrant: De vita etc. christ.

[645] Acta Sanctorum Apr., t. I p. 513.

[646] James, l.c., p. 348: "For sensitiveness and narrowness, when they occur together, as they often do, require above all things a simplified world to dwell in"; cf. p. 353(1).

[647] Moll, Brugman, I p. 52.

[648] Dionys. Cartus. De quotidiano baptismate lacrimarum, t. XXIX, p. 84; Deoratione. t. XLI p. 31-55; Expositio hymni Audi benigne conditor, t. XXXV p. 34.

[649] Acta sanctorum Apr., t. I p. 485, 494.

[650] Chastellain, III p. 119; Antonio de Beatis (1517), L. Pastor, Die Reise des Kardinals Luigi d'Aragona, Freiburg 1905, p. 51(3), 52; Polydorus Vergilius, Anglicae historiae libri XXVI, Basileae, 1546, p. 15.

[651] Gerson, Epistola contra libellum Johannis de Schonhavia, Opera, I p. 79.

[652] Gerson, De distinctione verarum visionum a falsis, Opera, I p. 44.

[653] Ib. p. 48.

[654] Gerson, De examinatione doctrinarum. Opera, I p. 19.

[655] Ib. p. 16, 17.

[656] Gerson, De distinctione etc., I p. 44.

[657] Gerson, Tractatus II super Magnificat, Opera, IV p. 248.

[658] 65 nutte artikelen van der passien ons Heren, Moll, Brugman, II p. 75.

[659] Gerson, De monte contemplationis, Opera, III p. 562.

[660] Gerson, De distinctione etc., Opera, I p. 49.

[661] Ib.

[662] Acta sanctorum Martii, t. I p. 562.

[663] James, l.c., p. 343.

[664] Acta sanctorum, l.c., p. 552ss.

[665] Froissart, ed. Kervyn, XV p. 132; Religieux de Saint Denis, II p. 124; Joannis de Varennis Responsiones ad capita accusationum bij Gerson, Opera, I p. 925, 926.

[666] Responsiones, l.c., p. 936.

[667] Ib. p. 910ss.

[668] Gerson, De probatione spirituum. Opera, I p. 41.

[669] Gerson, Epistola contra libellum Joh. de Schonhavia, Opera, I p. 82.

[670] Gerson, Sermo contra luxuriam. Opera, III p. 924.

[671] Gerson, De distinctione etc., Opera, I p. 55.

[672] Opera, III p. 589ss.

[673] Ib. p. 593.

[674] Gerson, De consolatione theologiae, Opera, I p. 174.

[675] Gerson, Epistola ... super tertia parte libri Joannis Ruysbroeck De ornatu nupt. spir., Opera, I p. 59, 67 etc.

[676] Gerson, Epistola contra defensionem joh. de Schonhavia (polemiek over Ruusbroec), Opera, I p. 82.

[677] Hetzelfde gevoel bij een moderne: "I committed myself to Him in the profoundest belief that my individuality was going to be destroyed, that he would take all from me, and I was willing", James, l.c., p. 223.

[678] Gerson, De distinctione etc., I p. 55; De libris caute legendis, I p. 114.

[679] Gerson, De examinatione doctrinarum, Opera, I p. 19; De distinctione, I p. 55; De libris caute legendis, I p. 114; Epistola super Joh. Ruysbroeck De ornatu, I p. 62; De consolatione theologiae, I p. 174; De susceptione humanitatis Christi, I p. 455; De nuptiis Christi et ecclesiae, II p. 370; De triplici theologia, III p. 369.

[680] Moll, Johannes Brugman, I p. 57.

[681] Gerson, De distinctione etc., I p. 55.

[682] Moll, Brugman. I p. 234, 314.

[683] Ecclesiasticus 24, 29; vgl. Meister Eckhart, Predigten no. 43, p. 146. 26.

[684] Ruusbroec, Die Spieghel der ewigher salicheit, cap. 7, Die chierheit der gheesteleker brulocht, 1. II c. 53, Werken, ed. David en Snellaert (Maatsch. der Vlaemsche bibliophilen) 1860(2), 1868, III p. 156/9, VI p. 132.

[685] Naar het hs. bij Oulmont, l.c., p. 277.

[686] Vgl. de bestrijding dier meening door James, l.c., p. 10(1), 191, 276.

[687] Moll, Brugman, II p. 84.

[688] Oulmont, l.c., p. 204, 210.

[689] B. Alanus redivivus, ed. J. A. Coppenstein, Napels, 1462, p. 29, 31, 105, 108, 116 etc.

[690] Alanus redivivus, p. 209, 218.

* * * * *

IX

VERBEELDING EN GEDACHTE

De aandoening wilde zich altijd onmiddellijk omzetten in bonte en gloeiende verbeelding. De geest meende het wonder te hebben begrepen, wanneer hij het voor oogen zag. De behoefte, om het onuitsprekelijke onder zichtbare teekenen te aanbidden, schiep steeds nieuwe figuren. In de veertiende eeuw zijn het kruis en het lam niet meer genoeg, om aan de overstroomende liefde voor Jezus een zichtbaar object te geven: de vereering van den naam Jezus voegt zich daaraan toe, en dreigt zelfs bij sommigen de kruisvereering in de schaduw te stellen. Heinrich Suso tatoeërt zich den naam Jezus op de hartstreek, en vergelijkt het met de beeltenis eener geliefde, die de minnaar in zijn kleed genaaid draagt. Hij zendt doekjes, waarop de zoete naam geborduurd staat, aan zijn geestelijke kinderen. [691]--Als Bernardino van Siena een geweldige preek besloten heeft, ontsteekt hij twee kaarsen en vertoont een bord van een el groot, waarop in goud op blauw de naam Jezus te midden van stralen; "het volk dat de kerk vult, ligt op de knieën, allen te zamen huilend en schreiend van zoete aandoening en teedere liefde tot Jezus". [692] Vele andere Franciscanen, en ook predikers van andere orden, volgden het na: Dionysius de Kartuizer wordt met zulk een naambord in de hoogopgeheven handen afgebeeld. De zonnestralen als helmteeken boven het wapen van Genève worden uit deze vereering afgeleid. [693] Zij scheen den kerkelijken autoriteiten bedenkelijk; men sprak van bijgeloof en idolatrie, er ontstonden tumulten voor en tegen het gebruik. Bernardino werd voor de curie gedaagd, en paus Martinus V verbood de gewoonte. [694] Doch in een anderen vorm vond weldra de behoefte, om den Heer zichtbaar te aanbidden, gewettigde bevrediging: de monstrans stelde de gewijde hostie zelf tot aanbidding ten toon. Voor den torenvorm, dien zij bij haar eerste opkomen in de veertiende eeuw had, kreeg de monstrans weldra dien van de stralende zon, symbool der goddelijke liefde. Ook hier had de Kerk aanvankelijk nog bedenkingen gekoesterd; het gebruik der monstrans was enkel gedurende de week van het sacramentsfeest toegestaan.

De overmaat van verbeeldingen, waarin de uitbloeiende middeleeuwsche gedachte bijna alles had opgelost, zou louter wilde fantasmagorie zijn geweest, wanneer niet bijna elke figuur, elk beeld, zijn plaats had gehad in het groote, alles omvattende denksysteem van het symbolisme.

Er was geen groote waarheid, die de middeleeuwsche geest stelliger wist, dan die van het woord aan de Corinthen: "Videmus nunc per speculum in aenigmate, tunc autem facie ad faciem"; "Want wij zien nu door eenen spiegel in eene duistere rede, maar alsdan zullen wij zien aangezicht tot aangezicht".--Zij hebben nooit vergeten, dat elk ding absurd zou zijn, als zijn beteekenis uitgeput was in zijn onmiddellijke functie en verschijningsvorm, dat alle dingen met een heel stuk reiken in de wereld aan den anderen kant. Dat weten is ook ons als ongeformuleerd gevoel nog op ieder oogenblik gemeenzaam, wanneer het geluid van den regen op de bladeren of het schijnsel van de lamp over de tafel even doordringt tot een dieper perceptie dan die van den praktischen denk- en handelingszin. Het kan zich voordoen als een ziekelijke oppressie, zoodat de dingen zwanger schijnen van een dreigende persoonlijke bedoeling of van een raadsel, dat men kennen moet en niet kennen kan. Het kan ook, en zal vaker, ons vullen met de rustige en sterkende verzekerdheid, dat ook ons eigen leven deel heeft aan dien geheimen zin der wereld. En hoe meer dat gevoel zich verdicht tot de huivering voor het Eene, waarvan alle dingen uitstroomen, hoe lichter het van de zekerheid van enkele klare oogenblikken zal overgaan tot een blijvend aanwezig levensgevoel, of zelfs een geformuleerde overtuiging. "By cultivating the continuous sense of our connection with the power that made things as they are, we are tempered more towardly for their reception. The outward face of nature need not alter, but the expressions of meaning in it alter. It was dead and is alive again. It is like the difference between looking on a person without love, or upon the same person with love.... When we see all things in God, and refer all things to him, we read in common matters superior expressions of meaning." [695]

Dit is de gevoelsgrond, waarop het symbolisme opgroeit. Bij God bestaat niets ledigs of zonder beteekenis: "nihil vacuum neque sine signo apud Deum". [696] Zoodra God verbeeld was, moest ook dat al, wat van hem uitging en in hem zijn zin had, stollen of kristalliseeren tot geformuleerde gedachten. En zoo ontstaat die grootsche en edele verbeelding van de wereld als één groot symbolisch verband, een kathedraal van ideeën, de allerrijkst rythmische en polyphone uitdrukking van al het denkbare.

De symbolische denkorde staat zelfstandig en op zich zelf gelijkwaardig naast de genetische. De laatste: het begrijpen van de wereld als ontwikkeling, was den Middeleeuwen niet zóo vreemd, als men het wel eens voorstelt. Doch het voortkomen van de dingen uit elkander werd nog alleen gezien onder de naïeve figuur van directe voortteling of van vertakking, en nog alleen toegepast volgens logische deductie, op de dingen van den geest. Die werden gaarne gezien in de geleding van genealogieën of van boomen met vertakkingen: een "arbor de origine juris et legum" rangschikte alles van het recht in het beeld van een wijdgespreiden boom. Enkel deductief toegepast behield de ontwikkelingsgedachte iets schematisch, willekeurigs en onvruchtbaars.

Het symbolisme is, van het standpunt van het causale denken beschouwd, als een geestelijke kortsluiting. Het verband der dingen wordt niet gezocht als een band van oorzaak en gevolg, maar als een van beteekenis en doel. De overtuiging van zulk een verband kan ontstaan, zoodra twee dingen één essentieele eigenschap gemeen hebben, die te betrekken is op iets van algemeene waarde. Of met andere woorden: elke associatie op grond van eenigerlei gelijkheid kan zich onmiddellijk omzetten in het besef van een wezenlijk en mystisch verband. Dit kan van psychologisch gezichtspunt een zeer povere geestesfunctie schijnen. En van ethnologisch gezichtspunt kan men het bovendien een zeer primitieve geestesfunctie noemen. Het primitieve denken kenmerkt zich door een zwakheid van de waarneming der identiteitsgrenzen tusschen de dingen; het incorporeert in de voorstelling van een bepaald ding alles wat daarmee door gelijkenis of toebehooren in eenig verband staat. De symboliseerende functie hangt daarmede ten nauwste samen.