Herfsttij Der Middeleeuwen Studie Over Levens En Gedachtervorme
Chapter 21
[502] H. van den Velden, Rod. Agricola, een Nederlandsen humanist der vijftiende eeuw, 1e dl., Leiden 1911, p. 44.
[503] Deschamps, X no. 33, p. xli. In den voorlaatsten regel staat "l'ostel", wat natuurlijk geen zin geeft.
[504] Nic. de Clemanges, De novis celebritatibus non instituendis, Opera, ed. Lydius, 1613, p. 143.
[505] Le livre du chevalier de la Tour-Landry, p. 66, 70.
[506] Gerson, Sermo de nativitate Domini, Opera, III p. 946, 947.
[507] Nic. de Clemangiis, l.c., p. 147.
[508] O. Winckelmann, Zur Kulturgesch. des Strassburger Münsters, Zeitschr. f. d. Gesch. des Oberrheins NF XXII 2.
[509] Dionysius Cartusianus, De modo agendi processiones etc., Opera, XXXVI p. 198s.
[510] Chastellain, V p. 253ss.
[511] Hierboven p. 66. (zie Hoofdstuk II, noot 100)
[512] Michel Menot, Sermones f. 144vs., bij Champion, Villon, I p. 202.
[513] Le livre du chevalier de la Tour-Landry, p. 65; Olivier de la Marche, II p. 89; l'Amant rendu cordelier, p. 25, huitain 68; Rel. de S. Denis. I p. 102.
[514] L.c., p. 144.
[515] Christine de Pisan, Oeuvres poétiques, I p. 172, vgl. p. 60, l'Epistre au dieu d'Amours, II 3; Deschamps, V p. 51 no. 871, II p. 185 vs. 75; vgl. hierboven p. 207. (= zie Hoofdstuk IV, noot 399)
[516] L'Amant rendu cordelier, l.c.
[517] Menot, l.c.
[518] Gerson, Expostulatio ... adversus corruptionem juventutis per lascivas imagines et alia hujusmodi, Opera, III p. 291; cf. De parvulis ad Christum trahendis, ib. p. 281; Contra tentationem blasphemiae, ib. p. 246.
[519] Le livre du chevalier de la Tour-Landry, p. 80, 81, vgl. Machaut, Livre du Voir-Dit, p. 143ss.
[520] Ib. p. 55, 63, 73, 79.
[521] Nic. de Clemangiis, l.c. p. 145.
[522] Quinze joyes de mariage, p. 127, vgl. p. 19, 29. 124.
[523] Froissart, ed. Luce et Raynaud, XI p. 225ss.
[524] Chron. Montis S. Agnetis, p. 341; J. C. Pool, Frederik v. Heilo en zijne schriften, Amsterdam, 1866, p. 126; vgl. Hendrik Mande bij W. Moll, Joh. Brugman en het godsd. leven onzer vaderen in de 15e eeuw, 1854, 2 dln., I p. 264.
[525] Gerson, Centilogium de impulsibus, Opera, III p. 154.
[526] Deschamps, IV p. 322 no. 807; vgl. I p. 272 no. 146: "Si n'y a Si meschant qui encor ne die Je regni Dieu...."
[527] Gerson, Adversus lacivas imagines, Op. III p. 292; Sermo de nativitate Domini, III p. 946.
[528] Deschamps, I p. 271ss. no. 145, 146, p. 217 no. 105, vgl. II p. lvi en Gerson III p. 85.
[529] Gerson, Considérations sur le peché de blasphème, Op. III p. 889.
[530] Regulae morales, ib. III p. 85.
[531] Ordonnances des rois de France, t. VIII p. 130, Rel. de S. Denis, II p. 533.
[532] P. d'Ailly, De reformatione, cap. 6; de reform, laicorum, bij Gerson, Opera, II p. 914.
[533] Gerson, Contra foedam tentationem blasphemiae. Opera, III p. 243.
[534] Gerson, Regulae morales. Opera, III p. 85.
[535] Gerson, Contra foedam tentationem blasphemiae. Opera, III p. 246: hi qui audacter contra fidem loquuntur in forma joci etc.
[536] Cent nouvelles nouvelles, II p. 205.
[537] Gerson, Sermo de S. Nicolao, Op. III p. 1577; De parvulis ad Christum trahendis ib. p. 279. Tegen hetzelfde spreekwoord ook Dionysius Cart., Inter Jesum et puerum dialogus, art. 2, Opera t. XXXVIII p. 190.
[538] Gerson, De distinctione verarum visionum a falsis, Opera, I p. 45.
[539] Ib. p. 58.
[540] Deschamps, VI p. 109, no. 1167, id. no. 1222; Commines, I p. 449.
[541] Froissart, ed Kervyn. XIV p. 67.
[542] Rel. de S. Denis, I p. 102, 104; Jean Juvenal des Ursins, p. 346.
[543] Jacques du Clercq. II p. 277, 340; IV p. 59; vgl. Molinet, IV p. 390, Rel. de S. Denis, I p. 643.
[544] Joh. de Monasteriolo, Epistolae, Martène et Durand, Ampl. Coll. II p. 1415, vgl. ep. 75, 76, p. 1456 van Ambr. de Miliis aan Gonthier Col, waar hij zich beklaagt over Jean de Montreuil.
[545] Gerson, Sermo III in die Sancti Ludovici, Opera, III p. 1451.
[546] Gerson, Contra impugnantes ordinem carthusiensium, Opera. II p. 713.
[547] Gerson, De decem praceptis, Opera, I p. 245.
[548] Gerson, Sermo de nativ. Domini, Opera, III p. 947.
[549] Nic. de Clemanges, De novis celebr. etc. p. 151.
[550] Villon, Testament, vs. 893ss., ed. Longnon, p. 57.
[551] Gerson, Sermo de nativitaté Domini, Opera, III p. 947, Regulae morales, ib. p. 86, Liber de vita spirituali animae, ib. p. 66.
[552] Hist. translationis corporis sanctissimi ecclesiae doctoris divi Thom. de Aq., 1368, auct. fr. Raymundo Hugonis O.P., Acta sanctorum Martii, I p. 725.
[553] Bericht van de pauselijke commissaris-bisschop Konrad van Hildesheim en abt Hermann van Georgenthal over het getuigenverhoor aangaande de heilige Elisabeth te Marburg in Januari 1235, uitgegeven Historisches Jahrbuch der Görres-Gesellschaft XXVIII p. 887.
[554] Rel. de S. Denis, II p. 37.
[555] Zie beneden p. 280. (zie Hoofdstuk VI, noot 565)
[556] Chastellain, III p. 407, IV p. 216.
[557] Deschamps, I p. 277 no. 150.
[558] Ib. II p. 348 no. 314.
[559] Uit Johann Eck's Pfarrbuch für U.L. Frau in Ingolstadt, aangehaald Archiv f. Kulturgesch. VIII p. 103.
[560] Joseph Seitz, Die Verehrung des hl. Joseph in ihrer geschichtl. Entwicklung usw., Freiburg, Herder, 1908.
[561] Le livre du chevalier de la Tour-Landry, p. 212.
[562] B. Nat. Ms. fr. 1875, bij Ch. Oulmont, Le Verger, le Temple et la Cellule, essai sur la sensualité dans les oeuvres de mystique religieuse, Paris, 1912, p. 284ss.
[563] Zie over de heiligenfiguren vooral E. Mâle, L'art religieux à la fin du Moyen âge, chap. IV.
[564] Deschamps, I p. 114 no. 32, VI p. 243 no. 1237.
[565] Bambergsch missaal van 1490, bij Uhrig, Die 14 hl. Nothelfer (XIV Auxiliatores), Theol. Quartalschrift LXX, 1888, p. 72; vgl. Utrechtsch missaal van 1514 en Dominicaansch missaal van 1550, Acta sanctorum Aprilis t. III p. 149.
[566] L.l.c.c.
[567] Erasmus, Ratio seu methodus compendio perveniendi ad veram theologiam, ed. Bazel, 1520, p. 171.
[568] In de zooeven aangehaalde ballade van Deschamps ook Martha, die de Tarasque te Tarascon vernietigde.
[569] Gargantua, l.I ch. 45.
[570] ou = au.
[571] Deschamps, no. 1230, VI p. 323.
[572] Rob. Gaguini Epistole et Orationes, ed. Thuasne. II p. 176.
[573] Oeuvres de Coquillart, ed. Ch. d'Héricault (Bibl. elzevirienne) 1857. 2 vol., II p. 281.
[574] Molinet, IV p. 284.
[575] Fust = hout.
[576] font caroles = in 't rond staan.
[577] Deschamps, VIII p. 201, no. 1489.
[578] Gerson, de Angelis, Opera, III p. 1481, De praeceptis decalogi, I p. 431, Oratio ad bonum angelum suum, III p. 511, Tractatus VIII super Magnificat, IV p. 370; vgl. III p. 137, 553, 739.
[579] Opera. IV p. 389.
* * * * *
VII
DE GODSDIENSTIGE PERSOONLIJKHEID
Het volk leefde gewoonlijk in de sleur van een geheel veruiterlijkten godsdienst bij een zeer vast geloof, dat wel angsten en verrukkingen bracht, maar den ongeleerde geen vragen en geestelijken strijd oplegde, zooals het Protestantisme zou doen. De gemoedelijke oneerbiedigheid en nuchterheid van allen dag werd afgewisseld door de innigste ontroeringen van hartstochtelijke vroomheid, die telkens spasmodisch het volk aangrijpen. Men moet die voortdurende tegenstelling van sterke en zwakke religieuze spanning niet willen begrijpen, door de kudde te scheiden in vromen en wereldlingen, alsof een deel des volks blijvend hoog godsdienstig leefde, terwijl de anderen slechts uiterlijk vroom waren. Onze voorstelling van het laat-middeleeuwsche Noord-nederlandsche en Neder-duitsche piëtisme zou ons licht op een dwaalspoor kunnen brengen. In de moderne devotie der Fraterhuizen en Windesheimers hadden zich inderdaad piëtistische kringen uit het wereldsche leven afgezonderd; bij hen was de religieuze spanning blijvend genormaliseerd; zij vormden als vromen bij uitstek een tegenstelling tot den grooten hoop. Doch Frankrijk en de Zuidelijke Nederlanden hebben dat verschijnsel in den vorm van een georganiseerde beweging nauwelijks gekend. Toch hebben daar de stemmingen, die aan de moderne devotie ten grondslag lagen, evengoed hun werking gehad als in het stille land van den IJsel. Doch daar in het Zuiden kwam het niet tot zulk een afscheiding; de hooge devotie bleef er deel van het algemeene godsdienstleven; zij openbaarde zich er bij oogenblikken, heviger en korter. Het is het verschil, dat tot den huidigen dag Romaansche volken van de Noordelijke scheidt: de Zuidelijken nemen een tegenstrijdigheid minder zwaar, voelen minder den eisch, er de volle consequentie uit te trekken, kunnen gemakkelijker de gemeenzaam spottende houding van het dagelijksch leven verbinden met de hooge exaltatie van het begenadigde oogenblik.
De geringschatting voor de geestelijkheid, die als onderstrooming door de heele middeleeuwsche cultuur heenloopt naast de hooge vereering voor den priesterstand, is ten deele te verklaren uit de verwereldlijking der hoogere geestelijkheid en de verregaande declasseering der lagere, en ten deele uit oude heidensche instincten. Het onvolkomen gekerstende volksgemoed had nooit geheel den afkeer afgelegd van den man, die niet vechten mocht en kuisch moest leven. De ridderlijke hoogmoed, geworteld in dapperheid en liefde, stiet evenzeer als het ruwe volksbesef het geestelijk ideaal van zich. De ontaarding der geestelijken zelf deed de rest, en zoo hadden hoogere en lagere standen zich reeds eeuwen verlustigd in de figuur van den onkuischen monnik en den smullenden vetten paap. Een latente haat tegen de geestelijkheid was altijd aanwezig. Hoe heftiger een prediker uitvoer tegen de zonden van zijn eigen stand, hoe liever het volk hem hoorde. [580] Zoodra de preeker, zegt Bernardinus van Siena, tegen de geestelijken te velde trekt, vergeten de hoorders de rest; er is geen beter middel, om de aandacht gaande te houden, als het volk slaperig wordt of het te warm of te koud krijgt. Dan wordt alles terstond wakker en welgemoed. [581] Terwijl juist de hevige godsdienstige beroering door de reizende volkspredikers in de veertiende en vijftiende eeuw uitgaat van een herleving der bedelorden, zijn het aan den anderen kant juist de bedelmonniken, wier verbastering hen tot het gewone voorwerp van spot en verachting maakt. De onwaardige priester der novellenlitteratuur, die als een armzalige loondienaar voor drie grooten de mis leest, of bij wien men als biechtvader geabonneerd is "pour absoudre du tout", pleegt een bedelmonnik te zijn. [582] De vrome Molinet rijmt spottend in een nieuwjaarswensch:
"Prions Dieu que les Jacobins Puissent manger les Augustins, Et les Carmes soient pendus Des cordes des Frères Menus." [583]
Het dogmatische armoede-begrip, zooals het in de bedelorden belichaamd was, voldeed den geest niet meer. In plaats van de symbolisch-formeele Armoede begon men de sociaal-reëele ellende te zien; Pierre d'Ailly stelt tegenover de mendicanten de "vere pauperes", de echte armen, en het is geen toeval, dat de verernstiging van het geloof bij de moderne devoten hen in zekere tegenstelling tot de bedelorden bracht.
De naïeve nuchterheid van den alledaagschen volksgodsdienst spreekt uit menige bladzijde. Er is in 1437, na den terugkeer van den Franschen koning in zijn hoofdstad, een zeer plechtige lijkdienst voor de ziel van den graaf van Armagnac, het slachtoffer, met wiens moord de nu verleden troebele jaren begonnen waren. Het volk stroomt erheen, maar is zeer teleurgesteld, toen er geen uitdeeling van geld gehouden wordt. Want wel vier duizend lieden, zegt de burger van Parijs gemoedelijk, gingen erheen, die niet gegaan zouden zijn, als zij niet gedacht hadden, dat er iets gegeven zou worden. "Et le maudirent qui avant prièrent pour lui." [584] Toch is het dezelfde bevolking van Parijs, die met een vloed van tranen de talrijke processies aanschouwt en ineenkrimpt onder het woord van een reizenden prediker. Ghillebert de Lannoy zag te Rotterdam een oproer stillen door een priester, die het Corpus Domini ophief. [585]
De groote tegenstrijdigheid en de sterke spanningsovergangen vertoonen zich in het godsdienstig leven van den beschaafden enkele zoo goed als in dat der onwetende massa. Het is altijd weer met een slag, dat de godsdienstige verheldering komt, altijd weer de flauwere herhaling van wat Franciscus onderging, toen hij opeens de woorden van het evangelie hoorde als een onmiddellijk bevel. Een ridder hoort het doopformulier lezen, gelijk hij het misschien twintig keer had gehoord; maar plotseling dringt nu de volle heiligheid en wonderlijke werkdadigheid van die woorden tot hem door, en hij neemt zich voor, om voortaan alleen door de herinnering aan den doop den duivel te verjagen, zonder het kruisteeken te maken. [586]--Le Jouvencel zal een kampgevecht bijwonen; de partijen staan gereed, om op de hostie hun goed recht te bezweren. Opeens doorgrondt de ridder de peillooze noodzakelijkheid, dat een dier beide eeden valsch moet zijn, dat een van beiden zich verdoemen gaat, en zegt: zweert niet, vecht alleen om den inzet van 500 schilden, zonder een eed te doen. [587]
De vroomheid van de hoogaanzienlijken met hun zwaren levensballast van wijdloopige praal en felle geneuchten heeft juist daardoor zeer dikwijls het spasmodische, dat ook de volksvroomheid kenmerkt. Karel V van Frankrijk laat dikwijls op het opwindendste oogenblik de jacht in den steek, om naar de mis te gaan. [588] De jonge Anne de Bourgogne, Bedford's gemalin, ergert den eenen keer de burgers van Parijs, door in woesten rit een processie met slijk te bespatten. Maar een andermaal verlaat zij te middernacht den bonten zwijmel van een hoffeest, om bij de Celestijnen metten te hooren. En haar droeven jongen dood beloopt zij door de ziekte, die zij opdeed bij het bezoeken van de arme kranken in het Hôtel Dieu. [589]
Tot in raadselachtige uitersten voltrekt zich de tegenstelling van vroomheid en felle zonde in een figuur als Lodewijk van Orleans, onder al de groote dienaren van weelde en genot de meest gedebaucheerde, de hartstochtelijkste wereldling. Hij is zelfs overgegeven aan tooverkunsten, en weigert er zich van te bekeeren. [590] Dezelfde Orleans is niettemin zoo devoot, dat hij zijn cel heeft bij de Celestijnen in het gemeene dormter; hij deelt er het kloosterlijk leven, hoort er metten te middernacht, en soms vijf of zes missen per dag. [591]--Gruwelijk is die verbinding van godsdienst en misdaad bij Gilles de Rais, die temidden van zijn kindermoorden te Machecoul een dienst sticht ter eere der Onnoozele kinderkens, voor het heil van zijn ziel, en verbaasd is, als zijn rechters hem voorhouden, dat hij een ketter is. Al is het met minder scharlaken zonden, dat de vroomheid bij anderen gepaard gaat, het type van den devoten wereldling vertoonen velen: de barbaarsche Gaston Phébus, graaf van Foix, de frivole koning René, de verfijnde Charles d'Orléans. Jan van Beieren, de hardvochtige en heerschzuchtige, komt vermomd Lidwina van Schiedam spreken over den staat zijner ziel. [592] Jean Coustain, de ontrouwe dienaar van Philips den Goede, een goddelooze, die nauwelijks mis hoorde en nimmer aalmoes gaf, keert zich onder beulshanden tot God in zijn ruw Bourgondisch patois met een hartstochtelijke aanroeping. [593]
Philips de Goede zelf is een der treffendste voorbeelden van die verbinding van vroomheid met wereldschen zin. De man van de overdadige feesten en de talrijke bastaarden, van de sluwe politieke berekening, den geweldigen trots en toorn, is een ernstig devote. Hij pleegt tot lang na de mis in zijn bidvertrek te blijven. Hij vast vier dagen in de week met water en brood, en bovendien op alle vigiliën van Onze Lieve Vrouw en de apostelen. Somtijds heeft hij om vier uur na den middag nog niets gegeten. Hij geeft veel aalmoezen, en in het geheim. [594] Na de verrassing van Luxemburg blijft hij zoo lang na de mis verdiept in zijn getijden en daarna in bijzondere dankgebeden, dat zijn gevolg, dat hem te paard afwacht, want de strijd was nog niet afgeloopen, ongeduldig wordt: de hertog kon het een andermaal wel inhalen, om al die paternosters te zeggen. Men waarschuwt hem, dat er gevaar dreigt, als hij langer toeft. Maar Philips antwoordt enkel: "Si Dieu m'a donné victoire, il la me gardera." [595]
Er is in dat alles geen schijnheiligheid of ijdele bigotterie te zoeken, maar een spanning tusschen twee geestelijke polen, die in den modernen geest nauwelijks meer bestaanbaar is. Het is het volstrekte dualisme in de opvatting van de zondige wereld tegenover het rijk Gods, dat deze mogelijkheid toelaat. In den middeleeuwschen geest zijn alle hoogere en zuiverder sentimenten geabsorbeerd in religie, terwijl de natuurlijke, zinnelijke aandriften, bewust verworpen, zinken moeten tot een niveau van zondig geachten wereldzin. In het middeleeuwsche bewustzijn vormen zich als 't ware twee levensopvattingen naast elkander: de vrome, ascetische opvatting heeft alle zedelijke gevoelens tot zich getrokken: des te bandeloozer wreekt zich de wereldzin, geheel aan den duivel overgelaten. Overheerscht een van beide geheel, dan ziet men den heilige of den teugelloozen zondaar; maar in den regel houden zij elkaar in wankel evenwicht met wijden doorslag, en ziet men de felle menschen, wier rood bloeiende zonden bij wijlen hun overstortende vroomheid des te heviger doen uitbarsten.
Wanneer men een middeleeuwsch dichter de vroomste lofdichten ziet maken naast allerlei profaneering en obsceniteit, zooals het zoovelen doen: Deschamps, Antoine de la Salle, Jean Molinet, dan is er nog minder aanleiding dan bij een modernen dichter, om die producten over hypothetische tijdperken van wereldzin en inkeer te verdeelen. De tegenstrijdigheid, die ons bijna onbegrijpelijk is, moet worden aanvaard.
Er komen zonderlinge vermengingen voor van de bizarre prachtliefde van den tijd met strenge devotie. Het is niet alleen in de overlading van het geloof met schilderkunst, edelsmeedkunst en sculptuur, dat zich de ongebreidelde behoefte uit, om alles van het leven en van de gedachte bont te versieren en te verbeelden. In de aankleeding van het geestelijk leven zelf dringt somtijds die honger naar kleur en schittering door. Broeder Thomas vaart heftig uit tegen alle weelde en overdaad, maar het eigen getimmerte, vanwaar hij spreekt, is door het volk behangen met de rijkste tapisserieën, die men krijgen kon. [596] Philippe de Mézières is het volkomenste type van die prachtlievende vroomheid. Hij heeft voor de orde van de Passie, die hij stichten wilde, alles wat kleedij betreft, haarfijn vastgesteld. Het is als een feest van kleuren, dat hij zich droomt. De ridders zullen al naar hun rang in 't rood, in 't groen, scharlaken of hemelsblauw gaan; de grootmeester in 't wit; wit zullen ook de feestgewaden zijn. Het kruis zal rood zijn, de gordels van leer of van zijde met hoornen gesp en verguld koperen versiering. De laarzen zullen zwart zijn en de kaproen rood. Ook het ordekleed der broeders, servanten, klerken en vrouwen wordt nauwkeurig beschreven. [597]--Van die orde kwam niets, Philippe de Mézières bleef zijn leven lang de groote kruistochtfantast en plannenmaker. Maar hij vond te Parijs in het klooster der Celestijnen de plaats, die hem bevredigen kon: zoo streng de orde was, zoo schitterend van goud en edele steenen waren kerk en klooster, een mausoleum van vorsten en vorstinnen. [598] Christine de Pisan achtte de kerk volmaakt van schoonheid. Mézières vertoefde er als leek, deelde in het strenge leven der kloosterlingen en bleef toch in het verkeer met de groote heeren en schoone geesten van zijn dagen, een mondain-artistieke tegenhanger van Gerard Groote. Hierheen trok hij ook zijn vorstelijken vriend Orleans, die er den inkeer van zijn woeste leven en ook zijn vroege rustplaats vond.
De oude koning René ontdekte op de jacht in de buurt van Angers een kluizenaar: een priester, die zijn prebende had opgegeven en van zwart brood en veldvruchten leefde. De koning was getroffen door zijn strenge deugd, en liet voor hem een kluis en een kapelletje bouwen. Voor zich zelf voegde hij daar een tuin en een bescheiden buitenhuis aan toe, dat hij met schilderwerk en allegorieën versieren liet. Dikwijls wandelde hij daarheen, om in "son cher ermitage de Reculée" met zijn kunstenaars en geleerden te keuvelen. [599] Is het middeleeuwsch, is het renaissance, of is het niet achttiende-eeuwsch?
Een hertog van Savoie wordt kluizenaar met vergulde ceintuur, roode muts, gouden kruis en goeden wijn. [600]
Het is maar één stap van die pracht in devotie tot de uitingen van hyperbolische nederigheid, die zelf ook vol vertoon zijn. Olivier de la Marche bewaarde uit zijn jongensjaren de herinnering van den intocht van koning Jacques de Bourbon van Napels, die op aandrang van Sainte Colette de wereld had vaarwel gezegd. De koning, armzalig gekleed, liet zich dragen in een mestbak, "telle sans aultre difference que les civieres en quoy l'on porte les fiens et les ordures communement". Daar achteraan volgde een keurige hofstoet. "Et ouys racompter et dire,--zegt La Marche vol bewondering,--que en toutes les villes où il venoit, il faisoit semblables entrees par humilité." [601]
Van een niet zóo schilderachtige nederigheid zijn de door veel heilige voorbeelden aanbevolen voorschriften voor een begrafenis, die al het nietswaardige van den gestorvene treffend verbeelden moet. De heilige Pierre Thomas, de boezemvriend en geestelijke meester van Philippe de Mézières, laat, als hij den dood voelt naderen, zich hullen in een zak, een touw om den hals binden en op den grond leggen. Hij werkt daarmee het voorbeeld uit van Sint Franciscus, die zich immers ook in het sterven op den grond liet leggen. Begraaft mij, zegt Pierre Thomas, in den ingang van het koor, opdat alle menschen moeten trappen op mijn lijk, ja zelfs de geiten en de honden, als het kan. [602]--Mézières, de bewonderende leerling, wil weer den meester overtreffen in fantastische nederigheid. Hem zal men in de laatste ure een zware ijzeren keten om den hals leggen. Zoodra hij den geest heeft gegeven, zal men hem naakt bij de voeten naar het koor sleuren; daar zal hij blijven liggen, tot men hem in het graf legt, de armen in kruisvorm uitgestrekt, met drie touwen aan een plank gebonden, die de plaats inneemt van de kostbaar versierde kist, waarop men misschien zijn ijdele wereldsche wapen zou hebben geschilderd, "se Dieu l'eust tant hay qu'il fust mors ès cours des princes de ce monde." De plank, bedekt met twee ellen canevas of ruw zwart linnen, zal op dezelfde wijze naar de groeve gesleept worden, waarin "het kreng van den armen pelgrim" naakt als het is, in gestort zal worden. Er zal een klein grafteeken worden opgericht. En men moet niemand waarschuwen dan zijn goeden vriend in God, Martin, en de uitvoerders van zijn laatsten wil.
Het spreekt bijna vanzelf, dat deze geest van protocol en ceremonie, plannenmaker en uitwerker van bijzonderheden, ook een maker van vele testamenten is geweest. In de latere is van deze beschikking van 1392 geen sprake meer, en toen Mézières in 1405 stierf, kreeg hij een gewone begrafenis in het ordekleed van zijn geliefde Celestijnen, en twee grafschriften, waarschijnlijk van hem zelf. [603]