Herfsttij Der Middeleeuwen Studie Over Levens En Gedachtervorme

Chapter 18

Chapter 183,449 wordsPublic domain

[439] Proces over de zaligverklaring van Pieter van Luxemburg, 1390, Acta sanctorum Julii, I p. 562.

[440] Les Grandes chroniques de France, ed. Paulin Paris, Paris 1836-'38, 6 vol., VI p. 334.

[441] Juvenal des Ursins, p. 567; Journal d'un bourgeois, p. 237, 307, 671; Lefèvre de S. Remy, I p. 260.

[442] Zie over dit alles Emile Male, l'Art religieux à la fin du moyen-age, II, 2 La Mort.

[443] Laborde, II. I, 393.

[444] Journal d'un bourgeois, p. 203.

[445] Eenige reproducties bij Mâle t.a.p. en in Gazette des beaux arts 1918, avril-juin p. 167.

[446] Oeuvres du roi René, I p. clii.

[447] Chastellain, Le pas de la mort, VI p. 59.

[448] Vgl. Innocentius III, de contemptu mundi, II c. 42; Dion. Cart. de IV hominum novissimis, t. XLI p. 496.

[449] Oeuvres, VI p. 49.

[450] T.a. p. 60.

[451] Villon, Testament, XLI, vs.321-328, ed. Longnon, p. 33.

[452] Champion, Villon, 1 p. 303.

[453] Mâle l.c. p. 389.

[454] Leroux de Lincy, Livre des légendes, p. 95.

[455] Le livre des faits etc., II p. 184.

[456] Journal d'un bourgeois, I p. 233/4, 392, 276. Zie verder Champion, Villon, I p. 306.

[457] A. de la Salle, Le Reconfort de Madame du Fresne, ed. J. Nève, Paris. 1903.

* * * * *

VI

DE TEUGELLOOZE VERBEELDING VAN HET HEILIGE

De doodsvoorstelling kan gelden als voorbeeld van het laat-middeleeuwsche denkleven in het algemeen: het is als een uitvloeien, een verzanden van de gedachte in het beeld. De gansche inhoud van het gedachtenleven wil uitgedrukt worden in verbeeldingen; al het goud wordt aangemunt in kleine, dunne schijven. Door die teugellooze behoefte aan verbeelding was het heilige voortdurend blootgesteld aan veruiterlijking en verstarring.

Het geheele proces van de ontwikkeling der volksvroomheid in de latere Middeleeuwen kan niet bondiger worden uitgedrukt dan in de volgende woorden van Jakob Burckhardt uit zijn _Weltgeschichtliche Betrachtungen_. "Eine mächtige Religion entfaltet sich in alle Dinge des Lebens hinein und färbt auf jede Regung des Geistes, auf jedes Element der Kultur ab. Freilich reagieren dann diese Dinge mit der Zeit wieder auf die Religion; ja deren eigentlicher Kern kann erstickt werden von den Vorstellungs- und Bilderkreisen, die sie einst in ihren Bereich gezogen hat. Das 'Heiligen aller Lebensbeziehungen' had seine schicksalsvolle Seite." En verderop: "Nun ist aber keine Religion jemals ganz unabhängig von der Kultur der betreffenden Völker und Zeiten gewesen. Gerade, wenn sie sehr souverän mit Hilfe buchstäblich gefasster heiliger Urkunden herrscht und scheinbar Alles sich nach ihr richtet, wenn sie sich 'mit dem ganzen Leben verflicht', wird dieses Leben am unfehlbarsten auch auf sie einwirken, sich auch mit ihr verflechten. Sie hat dann später an solchen innigen Verflechtungen mit der Kultur keinen Nutzen mehr, sondern lauter Gefahren; aber gleichwohl wird eine Religion immer so handeln, so lange sie wirklich lebenskräftig ist." [458]

Het leven der middeleeuwsche christenheid is in al zijn betrekkingen doortrokken, geheel verzadigd met godsdienstige voorstellingen. Daar is geen ding en geen handeling, waarin niet voortdurend de betrekking tot Christus en het geloof wordt gelegd. Maar in die oververzadigde atmosfeer is de religieuze spanning, de daadwerkelijke transcendentie, het uittreden uit het hier-en-dit niet steeds aanwezig. Blijft die spanning uit, dan verdooft alles tot schrikwekkende alledaagsche onheiligheid, een verbazende deeszijdigheid in geenzijdige vormen. Zelfs bij een subliemen heilige als Heinrich Suso, bij wien de religieuze spanning misschien geen oogenblik te kort schoot, blijft toch de val naar het ridicule niet uit. Subliem, wanneer hij, gelijk de ridder Boucicaut het om der wille van een aardsche geliefde deed, allen vrouwen eer bewijst om Maria, en voor een arme terzijde in het slijk treedt. Hij volgt de gebruiken der aardsche min, en viert den jaarsdag en den Meidag zijn liefde voor de Wijsheid, zijn bruid, met een krans en een liedje. Hoort hij een minneliedje, dan past hij het terstond toe op zijne Wijsheid. Maar wat van het volgende? Aan tafel placht Suso, als hij een appel at, dien in vieren te snijden: drie partjes at hij in naam der Drieëenheid en het vierde at hij "in der minne, als diu himelsch muter irem zarten kindlein Jesus ein epfelli gab ze essen", en daarom at hij dat vierde partje met de schil, want kleine jongens eten appels ongeschild. En eenige dagen na Kerstmis,--dus als het Jezuskind nog te klein was om appels te eten, zal de bedoeling zijn,--at hij dat vierde partje niet, maar offerde het aan Maria, om het aan haar zoon te geven. Zijn dronk nam hij in vijf teugen, om de vijf wonden des Heeren, maar omdat uit Christus' zijde bloed en water vloeide, nam hij den vijfden teug dubbel. [459]--Ziedaar het 'Heiligen aller Lebensbeziehungen' in zijn uiterste doorvoering.

Afgezien voorloopig van den graad van innigheid, en enkel beschouwd als godsdienstige vormen, is er in de vroomheid der late Middeleeuwen zeer veel, wat zich voordoet als woekeringen van het godsdienstig leven, mits men dat begrip niet opvat van een protestantsch-dogmatisch standpunt. Er was, afgezien van de qualitatieve veranderingen, die zij meebrachten, in de Kerk een quantitatieve vermeerdering van gebruiken en begrippen ontstaan, die de ernstige godgeleerden met schrik vervulde. Het is niet zoozeer tegen de onvroomheid of bijgeloovigheid van al het nieuwe, dat zich opdrong, als tegen de overlading van het geloof op zich zelf, dat de reformgeest der vijftiende eeuw zich keert. De teekens der altijd bereide goddelijke genade waren altijd meer geworden; naast de sacramenten bloeiden aan alle zijden de benedicties; van de relieken kwam men tot de amuletten, de kracht van het gebed werd geformaliseerd in de rozenkransen, de bonte galerij der heiligen kreeg altijd meer kleur en leven. En al ijverde de theologie voor een goede onderscheiding van sacramenten en sacramentaliën, welk middel was er, om het volk te weerhouden, op al dat magische en bonte hun hoop en geloof te vestigen? Gerson had te Auxerre iemand ontmoet, die beweerde, dat het Dwazenfeest, waarmee in kerken en kloosters de wintermaand gevierd werd, even geheiligd was als dat van Mariae ontvangenis. [460] Nicolas de Clemanges schreef een tractaat tegen het instellen en vieren van nieuwe feesten; er waren er van die nieuwe, verklaarde hij, waarbij ongeveer de geheele liturgie van apocryphen aard was, en met instemming gewaagt hij van den bisschop van Auxerre, die de meeste feestdagen had afgeschaft. [461] Pierre d'Ailly richt zich in zijn geschrift _De reformatione_ [462] tegen de voortdurende vermeerdering van kerken, feesten, heiligen, rustdagen, tegen den overvloed van beelden en schilderijen, de al te groote uitvoerigheid van den dienst, het opnemen van apocryphe geschriften in de liturgie der feesten, tegen de invoering van nieuwe hymnen en gebeden of andere willekeurige nieuwigheden, tegen de al te strenge vermeerdering van vigiliën, gebeden, vasten, onthoudingen. Er was een neiging, om aan elk punt uit de vereering van de Moeder Gods een specialen dienst te verbinden. Er waren bijzondere missen, later door de Kerk afgeschaft, van Maria's vroomheid, van haar zeven smarten, van alle Mariafeesten te zamen, van haar zusteren Maria Jacobi en Maria Salome, van den engel Gabriel, van al de heiligen, die den geslachtsboom des Heeren uitmaakten. [463] Verder zijn er te veel kloosterorden, zegt d'Ailly, en dit leidt tot verscheidenheid van gebruiken, tot afzondering en hoogmoed, tot ijdele verheffing van den éénen geestelijken staat boven den anderen. Vooral de bedelorden wil hij beperken. Hun toestand is schadelijk voor de leprozenhuizen en hospitalen en voor de andere echte armen en ellendige behoeftigen, wien het recht en de ware titel des bedelens toekomt. [464] Hij wil de preekende questierders van den aflaat uit de kerk verbannen, die haar bezoedelen met hun leugens en haar belachelijk maken. [465] Waar moet het heen met de voortdurende stichting van nieuwe vrouwenconventen zonder voldoende middelen?

Men ziet, het is meer tegen het quantitatieve euvel, dat Pierre d'Ailly te velde trekt, dan tegen het qualitatieve. Hij trekt, met uitzondering van zijn schimp tegen den aflaatpreek, niet uitdrukkelijk de vroomheid en heiligheid van al die praktijken in twijfel; hem bezwaart hun ongebreideld aangroeien als zoodanig; hij ziet de Kerk verstikken onder dien last van bijzonderheden. Toen Alanus de Rupe zijn nieuwe broederschap van den rozenkrans propageert, richt zich het verzet ook meer tegen de nieuwigheid op zich zelf dan tegen den inhoud ervan. Vertrouwend op de werking van zulk een grootsche gebedsgemeenschap, als Alanus zich voorstelde, zou het volk de voorgeschreven penitenties, de geestelijkheid de canonieke getijden verwaarloozen. De parochiekerken zouden leegloopen, als de broederschap enkel in de kerken der Franciscanen en Dominicanen vergaderde. Uit de bijeenkomsten konden licht partijzucht en samenzweringen voortkomen. En ten slotte verwijt men hem ook: het zijn droombeelden, phantasieën en oudewijvenpraatjes, die de broederschap voor groote en wonderlijke openbaringen verkoopt. [466]

De bijna mechanische wijze, waarop de heilige gebruiken zich neigden te vermenigvuldigen, wanneer geen strenge autoriteit besnoeiend ingreep, heeft een karakteristiek voorbeeld in de wekelijksche vereering der Onnoozele kinderen. Aan de herdenking van den Bethlehemschen kindermoord op 28 December verbond zich evenzeer allerlei half-heidensch midwinter- bijgeloof als sentimenteele aandoening over den gruwel van dit martelaarschap; de dag gold als een ongeluksdag. En nu plachten velen gedurende het heele jaar den weekdag, waarop het laatst Onnoozele kinderen gevallen was, als een ongeluksdag te ontzien. Men mocht dien dag geen werk beginnen, geen tocht aanvaarden. De dag heette eenvoudig "les Innocents" evenals het feest zelf. Lodewijk XI nam dit gebruik nauwgezet in acht. De kroning van Eduard IV werd nog eens overgedaan, omdat men haar eerst op den ongelukkigen dag der week had verricht. René van Lotharingen moest van een gevecht afzien, omdat zijn landsknechten weigerden, op grond dat het de weekdag van Onnoozele kinderen was. [467]

Johannes Gerson neemt uit dit gebruik de aanleiding tot een tractaat tegen het bijgeloof in het algemeen en dit in het bijzonder. [468] Hij is een dergenen geweest, die het gevaar van die woekering der godsdienstige denkbeelden voor het kerkelijk leven duidelijk hebben gezien. Met zijn scherpen, ietwat nuchteren geest ziet hij ook iets van den zielkundigen grond voor het opkomen van al die denkbeelden. Zij spruiten voort "ex sola hominum phantasiatione et melancholica imaginatione"; het is een bederf van de verbeeldingskracht; deze berust op een inwendig hersenletsel, en dit weer op duivelsche begoocheling. Zoo krijgt de duivel toch nog zijn deel.

Het is een proces van voortdurende herleiding van het oneindige tot eindigheden, een uiteenvalling van het wonder in atomen. Aan elk heiligste mysterie hecht zich, als een korst van schelpen aan een schip, een aangroeisel van uiterlijke geloofselementen, die het ontwijden. De ontzaglijke doordrongenheid van het wonder der eucharistie plant zich aan de oppervlakte voort in het nuchterste en materieelste bijgeloof: bij voorbeeld dat men op den dag, waarop men mis gehoord heeft, niet blind kan worden of een beroerte krijgen, dat men gedurende den tijd, dat men de mis hoort, niet ouder wordt. [469] De Kerk heeft er voortdurend tegen te waken, dat God niet al te zeer op aarde wordt gebracht. Zij verklaart het kettersch, te beweren, dat Petrus, Johannes en Jacobus bij Christus' transfiguratie het goddelijk wezen even klaar hadden gezien, als zij het nu doen in den hemel. [470] Het was godslastering, dat een der navolgsters van Jeanne d'Arc beweerde, God gezien te hebben in een lang wit kleed met een rood overkleed. [471] Doch kon het volk het helpen, dat het niet de fijne onderscheidingen wist te maken, die de theologie voorschreef, waar de Kerk zooveel bonte stof aan de verbeelding bood?

Gerson zelf hield zich niet vrij van het euvel, dat hij bestreed. Hij verheft zijn stem tegen de ijdele nieuwsgierigheid, [472] en bedoelt daarmee den geest van onderzoek, die de natuur wil leeren kennen in haar uiterste geheimen. Maar hij zelf wroet met onbescheiden nieuwsgierigheid in de kleinste uiterlijke bijzonderheden der heilige dingen. Zijn bijzondere vereering voor den heiligen Joseph, voor wiens feest hij op allerlei wijzen werkt, maakt hem benieuwd, om alles van Joseph te weten. Hij verdiept zich in al de bijzonderheden van diens huwelijk met Maria, hun samenleven, zijn onthouding, hoe hij haar zwangerschap leerde kennen, hoe oud hij was. Van de caricatuur, die de kunst van Joseph dreigde te maken: den ouden slovenden man, zooals Deschamps hem beklaagde, wil Gerson niet weten: Joseph was nog geen vijftig jaar, zegt hij. [473] Elders veroorlooft hij zich een bespiegeling over de lichamelijke samenstelling van Johannes den Dooper: "semen igitur materiale ex qua corpus compaginandum erat, nec durum nimis nec rursus fluidum abundantius fuit". [474] De beroemde volksprediker Olivier Maillard pleegt zijn gehoor na de inleiding te onthalen op "une belle question théologale", bij voorbeeld, of de Maagd zoo actief had meegewerkt tot de ontvangenis van Christus, dat zij waarlijk Moeder Gods mocht heeten; of het lichaam van Christus asch zou zijn geworden, indien de opstanding niet tusschenbeide gekomen ware. [475] De strijdvraag over Maria's onbevlekte ontvangenis, waarin de Dominicanen tegen de wassende volksbehoefte in, die de Maagd van aanvang af vrij van de erfzonde wilde zien, de ontkennende partij hielden, veroorzaakte een vermenging van theologische en embryologische bespiegeling, die ons weinig stichtelijk voorkomt. En zoo hardnekkig overtuigd waren de ernstigste godgeleerden van het gewicht hunner argumenten, dat zij zich niet ontzagen, het dispuut in preeken voor het groote publiek te brengen. [476] Als zoo de geest van de ernstigsten was gericht, hoe kon het dan anders, of over een groot levensgebied moest zich door die voortgezette uitwerking in bijzonderheden al het heilige oplossen in een alledaagschheid, waaruit men zich slechts bij vlagen tot de ontzaglijke huivering over het wonder verhief?

De gemeenzaamheid, waarmee men in het dagelijksch leven met God handelde, moet van twee kanten worden bezien: het is even goed de volstrekte vastheid en onmiddellijkheid van het geloof, die daaruit spreken, als de schade, die dat geloof leed door zijn volkomen afvloeiing in alle dingen van het gewone leven. Juist het innigste mysterie, de eucharistie, lijdt voortdurend het gevaar der profanatie. Zoo ongeschokt was het geloof aan het miswonder en de rechtgeloovige vereenzelviging der drie personen van de Drieëenheid, dat men de gewijde hostie eenvoudig God noemde. Zoo ontstaat een spraakgebruik, dat ons profaner schijnt dan het voor den middeleeuwschen geest was. Een reiziger stijgt even af, en gaat een dorpskerk binnen "pour veoir Dieu en passant". Van den priester heet het: "quand il eut levé Dieu et calice"; gaat hij met de hostie op een ezel zijns weegs, dan spreekt men van "un Dieu sur un asne". [477] Wekken deze voorbeelden door de bron, waaraan zij zijn ontleend: de _Cent nouvelles nouvelles_, wellicht de verdenking van een onvrome bedoeling (ik zie er enkel het gemeenzame spraakgebruik in), deze is uitgesloten bij het volgende uit _Le livre du chevalier de la Tour-Landry pour l'enseignement de ses filles_, waar van een dame gezegd wordt: "Sy cuidoit transir de la mort, et se fist apporter beau sire Dieux." [478] "Veoir Dieu" was een gangbare term voor het zien heffen van de hostie. [479] --Zoodra nu de smaak van het wonder even uitbleef, welk een ontwijding bracht dan zulk een spraakgebruik mede! Dan was het maar een kleine val tot gedachtenlooze gemeenzaamheden als het spreekwoord: "Laissez faire à Dieu, qui est homme d'aage", [480] of Froissart's: "et li prie à mains jointes, pour si hault homme que Diex est." [481]

Hoe zulk een spraakgebruik "Dieu" voor de hostie het godsgeloof zelf contamineeren kon, bewijst een geval als het volgende. De bisschop van Coutances draagt een mis op in de kerk van Saint Denis. Toen hij het lichaam des Heeren gaat heffen, vermaant men Hugues Aubriot, den prévôt van Parijs, die de kapel rondwandelde, waar de mis gevierd werd, om te aanbidden. Maar Hugues, een bekend esprit fort, antwoordt met een vloek, dat hij niet geloofde in den God van zoo'n bisschop, die aan het hof woonde. [482]

Een treffend voorbeeld van bijna onbeschaamde gemeenzaamheid met het heilige, waar toch aan een spottende bedoeling niet valt te denken, zijn de Mariabeeldjes, zooals de Bourgondische hertogen er een bezaten, die een variant opleveren van het oud-hollandsche drinkvaatwerk, dat Hansje in den kelder genoemd werd. Het was een klein gouden beeldje, rijk met edelsteenen versierd, waarvan de buik open kon, waarbinnen men de Drieëenheid zag. [483] Gerson zag er een bij de Carmelieten te Parijs, en keurt het af, maar niet wegens de onvroomheid doch om de ketterij, die erin gelegen was, de geheele Drieëenheid als de vrucht van Maria's schoot voor te stellen. [484]

Het geheele leven was zoo doortrokken van godsdienst, dat de afstand tusschen het aardsche en het geestelijke ieder oogenblik dreigt te loor te gaan. Wordt aan den eenen kant alles van het gewone leven in de heilige oogenblikken opgetrokken in wijding, aan den anderen kant wordt het heilige voortdurend in de sfeer van het alledaagsche gehouden door zijn onoplosbare vermenging met het dagelijksch leven. Hierboven werd gesproken van het kerkhof der Innocents te Parijs, die afzichtelijke kermis des doods met de doodsbeenderen al rondom opgetast en uitgestald. Kan men zich iets vreeselijkers denken dan het leven van de kluizenares, ingemetseld tegen den kerkmuur op die plaats der verschrikking? Maar lees nu, hoe de tijdgenooten erover spreken: de recluses woonden er in een keurig nieuw huisje, zij werden ingemetseld met een mooie preek, zij kregen van den koning een bezoldiging van acht pond 's jaars in acht termijnen. [485] Alles alsof het gewone hofjesjuffrouwen waren. Waar blijft het religieuze pathos? Waar blijft het, als er een aflaat wordt verbonden aan de gewoonste huiselijke werkzaamheden: het aanmaken van den oven, het melken van een koe, het uitboenen van een pot. [486] Bij een verloting te Bergen-op-Zoom in 1518 waren naast elkaar "costelijcke prijsen" en aflaten te winnen. [487] Bij de vorstelijke intochten prijkten op de hoeken der straten afwisselend met de zinrijke vertooningen, dikwijls van heidensche naaktheid, de kostbare reliekschrijnen der stad op altaren, bediend door prelaten en den vorst om eerbiedig te kussen aangeboden. [488]

Die oogenschijnlijke ongescheidenheid van de religieuze en de wereldlijke sfeer wordt het levendigst uitgedrukt door het overbekende feit, dat de wereldlijke melodie steeds onveranderd dienen kan voor den kerkelijken zang en omgekeerd. Guillaume Dufay componeert zijn missen op thema's van wereldlijke liederen als "Tant je me déduis, Se la face ay pale, L'omme armé."

Er is een voortdurend wisselverkeer tusschen de godsdienstige en wereldlijke terminologie. Zonder aanstoot ontleent men de uitdrukking voor aardsche dingen aan den godsdienst en omgekeerd. Boven den ingang van de Rekenkamer te Rijssel prijkte een vers, dat aan iedereen herinnerde, hoe hij eenmaal rekenschap zou hebben af te leggen van zijn hemelsche gaven, voor God:

"Lors ouvrira, au son de buysine Sa générale et grant chambre des comptes." [489]

Omgekeerd heette het in den plechtigen oproep tot een tournooi, alsof het een plechtigheid met aflaat was:

"Oez, oez, l'oneur et la louenge Et des armes grantdisime pardon." [490]

Het was toeval, dat in het woord "mistère" mysterium en ministerium waren dooreengeloopen, maar deze homonymie kon niet anders dan de verzwakking van het mysteriebesef in het dagelijksch spraakgebruik bevorderen: alles heette mistère, bij voorbeeld de eenhoren, de schilden en de pop, die bij den Pas d'armes de la fontaine des pleurs gebruikt waren. [491]

Als directe tegenkant van de godsdienstige symboliek: het duiden van alle aardsche dingen en aardsche geschiedenis als zinnebeeld en praefiguratie van het goddelijke, vindt men omgekeerd vorstenhulde gebracht in godsdienstige metafoor. Zoodra het ontzag voor aardsche majesteit den middeleeuwer aanvat, dient hem de taal der heilige aanbidding voor de uitdrukking van zijn gevoel. De vorstendienaars der vijftiende eeuw staan hier voor geen profanatie. In het pleidooi om den moord van Lodewijk van Orleans laat de pleiter den geest van den vermoorden vorst tot zijn zoon spreken: aanschouw mijn wonden, waarvan er vijf in het bijzonder wreed en doodelijk waren. [492] Hij ziet het slachtoffer dus als Christus. De bisschop van Chalons schroomt op zijn beurt niet, Jan zonder Vrees, die door de wraak om Orleans viel, met het Lam Gods te vergelijken. [493] Molinet vergelijkt keizer Frederik, die zijn zoon Maximiliaan zendt, om met Maria van Bourgondië te trouwen, met God Vader, die den Zoon op aarde zendt, en spaart geen vrome taal tot uitwerking van het geval. Wanneer later Frederik en Maximiliaan met den jongen Philips den Schoone te Brussel binnenkomen, laat Molinet de Brusselaars weenend zeggen: "Véez-ci figure de la Trinité, le Père, le Fils et Sainct Esprit." Of wel hij biedt zijn bloemkrans aan Maria van Bourgondië als waardig beeld van Onze Lieve Vrouw, "behoudens de maagdelijkheid." [494]

"Niet dat ik de vorsten wil vergoden", zegt deze aartshoveling. [495] Misschien is het inderdaad meer holheid en phrase dan werkelijk gevoelde adulatie, maar het bewijst daarom niet minder de depreciatie van de heilige voorstellingen door hun dagelijksch gebruik. Trouwens wat zal men den hofpoëtaster verwijten, als Gerson zelf aan de vorstelijke hoorders van zijn preeken speciale beschermengelen toekent van een hooger hiërarchie en ambt dan die van andere menschen? [496]